Werd zij zachtjes aan den arm getrokken?
Ja--Schaduw deed 't, de trouwe dienaar van de goede fee. Gella zag
hem niet en liep onverstoord door--nu op een drafje, want ze kreeg
op eens erg verlangen naar huis en naar Moeder.--
Hoe verder zij kwam, des te onbehagelijker werd 't haar echter te
moede; zij wist zelf niet, wat er aan mankeerde. De lucht, anders zoo
frisch en zuiver, scheen nare, benauwde dampen met zich te voeren.--'t
Ademhalen werd haar moeilijk--toch liep zij voort. Ginds wenkte
ster bij ster--steeds meer lichtjes zag zij tintelen. 't Was zeker
gezichtsbedrog, maar zij geleken wel uit den grond op te komen. 't
Kwam bepaald, doordat de grond zoo heuvelachtig was, dacht Gella,
die het steeds meer te kwaad kreeg met de kwalijkriekende dampen,
welke de atmosfeer verontreinigden.
Een onheilspellende, donkere, geheimzinnig aandoende massa strekte
zich tot aan den gezichtseinder uit--scheen naderbij te komen--en
die lichtjes, die lichtjes.--
Weer had Schaduw haar waarschuwend aan den arm getrokken. Gella stond
even stil. 't Was alsof zij zich iets herinnerde. Wat was 't toch?--
Zij dacht aan haar tocht vanmorgen door 't in lentezon lachende
landschap,--aan den vroolijken Leeuwerik, 't Voorjaarskoeltje, 't witte
Wolkje--en--aan 't lied op die zangerige melodie, dat ze gehoord had!--