Op een lange rij liepen ze arm in arm door de straten van het
Oostfriesche zeestadje, de vlasblonde deerntjes, en vroolijk klonk
hun deuntje:
"Dor koom ik een olt Mientje an
van hoge, doge Disk----"
Kapitein Benno Brons, die juist met zijn kort pijpje in den mond
over de markt kwam aanslenteren, spreidde zijn armen wijd uit om
de kinderen tegen te houden. Lachend stoven ze uit elkaar en in 't
zelfde oogenblik had hij er twee gevangen: Helma van den apotheker
en zijn eigen kleine Thedje.
"Vader, nee, Vader, u moet ons nu loslaten; we gaan naar buiten,
bloemen plukken voor morgen!"
"Drommels ja, morgen is 't Pinksteren," zei de kapitein en hij deed,
alsof hij daar niet aan gedacht had, terwijl zijn helderblauwe oogen
vroolijk schitterden in het, door een grijzend ringbaardje omgeven,
verweerde gezicht. "Dat's waar ook! 't Zal mij eens benieuwen, wie
er morgenochtend het mooiste tuintje voor zijn deur vindt."
"U niet, Kapitein Brons," riep er een plagend en toen vlogen ze allen
joelend weg, want hij balde lachend zijn vuist en zette 't troepje
quasi met een paar groote stappen na.
De orde was nu verbroken; bij tweeën en drieën stoven ze voort,
stoeiend en lachend, telkens nog omziende naar Kapitein Brons, die
zijn weg al lang weer vervolgd had. Ze kwamen pas weer tot bedaren
toen ze buiten het stadje waren gekomen.
Tegen den hoogen walkant groeiden van die groote, gele dotters en
ginds stonden lila Pinksterbloemen en madeliefjes met gouden harten.
Thedje begon er maar dadelijk van te plukken; ze moest een heeleboel
bloemen hebben, want ze had groote plannen: niet alleen voor thuis wou
ze een Pinkstertuintje maken, maar ook voor de nieuwe juffrouw van
school. Die woonde op kamers bij een oude schoenmakersvrouw en zou
't zeker erg prettig vinden, als ze morgen met zoo'n mooi tuintje
verrast werd. Juffrouw had nog nooit 's een echt Pinkstertuintje
gezien, want dáár, waar ze vandaan kwam, deden de menschen dat zoo
niet. Dat hoorde zoo recht hier in 't Noorden thuis, waar je zooveel
van die aardige, oude gebruiken hadt, vond Juffrouw.
Toen ze dat zoo zei in de klas, hadden een heeleboel kinders den vinger
opgestoken en sommigen waren overeind in de bank gaan staan in hun
ijver om Juffrouw precies in te lichten omtrent die Pinkstertuintjes en
ze hadden zich verbazend gewichtig gevoeld, omdat dit nu eens wat was,
waar zij alles van wisten en Juffrouw, die zoo knap was, niet. Thedje
had toen dadelijk bedacht, dat zij er eentje voor Juffrouw zou maken.
Vol ijver was ze aan 't plukken. Verderop stonden meidoorns in bloei,
roode en witte; daar moest ze ook wat van hebben.
Haar kameraadjes waren allen op de wei neergestreken als een zwerm
vroolijke vogels: ze plukten er bij handen vol boterbloemen en
madeliefjes. Thedje hoorde hen wel lachen en snappen, maar was toch
niet van plan naar hen toe te gaan. Ze wist een plekje, achter den
hoogen wal, tusschen het eikenhakhout, waar 't vol driekleurige
veldviooltjes stond. Daar zouden de anderen stellig geen bloemen
zoeken; Thedje had ze laatst bij het verstoppertje-spelen ontdekt. Ze
had nu exprès een mandje van thuis meegenomen om er de viooltjes, die
zoo teer waren en in de warme hand gauw verwelkten, in te verzamelen.
Toen ze genoeg andere bloemen naar haar zin had, ging ze er met
stralende oogen op af. Die viooltjes, dat zou nu net wat moois
zijn voor Juffrouw's tuintje! Heel kort bij den steel zou zij ze
afplukken en dan, afgewisseld met gouden knoopjes uit Moeder's perk, op
stukjes mos steken. Dat zou 't tapijt vormen, waar Juffrouw overheen
moest loopen, als ze op Pinkstermorgen naar de kerk ging. Langs
de kanten kwamen dan nog mooie figuren van scheerlinggroen en
zwaardleliebladeren; die hadden ze in den tuin. Moeder had haar
verteld, dat ze er die vroeger ook altijd voor gebruikt had. Met
meidoornbloempjes wou Thedje de hoeken opvullen.
Toen ze op den hoogen wal stond en door 't groen naar beneden keek, wou
't haar evenwel voorkomen, dat er toch niet zooveel viooltjes waren,
als ze gemeend had.
Voorzichtig liet ze zich van den steilen kant zakken en hield zich
daarbij aan de takken vast.
Daar dook op eens 't ronde, borstelige hoofd van Volkert Visser uit
de struiken langs het drassige benedenpaadje op.
Thedje schrikte geweldig. Volkert Visser was zoo'n ruwe, plagerige
jongen;--ze mochten hem op school geen van allen lijden--de grooten,
omdat hij zoo dikwijls spelbederver was en de kleintjes, omdat hij
hen graag aan 't schrikken maakte. Zoo lieten allen Volkert maar
't liefst aan zijn lot over.
Thedje's Moeder zei wel eens, dat de kinderen eigenlijk medelijden met
hem moesten hebben, want thuis had de jongen 't ook niet plezierig:
zijn ouders had hij nooit gekend en de Oom, bij wien hij in huis
woonde, was een norsche, onverschillige man, die zich weinig aan hem
gelegen liet liggen. Zij zou 't daarom wat goed gevonden hebben, als
Thedje den jongen eens mee naar huis had genomen, maar daartoe was
't kind nooit te bewegen geweest. Thedje was bang voor Volkert Visser
en nu was daar in 't laatst nog iets anders bijgekomen, waardoor ze
nog meer hekel aan hem had gekregen.
Volkert zat in dezelfde klas als zij. In de eerste dagen, toen de
nieuwe juffrouw er was, had Volkert heel onaardig en stout gedaan om
haar te plagen, maar de juffrouw was er niet boos om geworden. Even
vriendelijk was ze tegen den stouten jongen gebleven als tegen de
andere kinderen. Alleen had ze hem op zekeren middag, toen hij 't heel
bont had gemaakt, na schooltijd even laten blijven en sedert dien tijd
had ze niet de minste moeite meer met hem gehad. Juffrouw en Volkert
waren nu de beste maatjes, dat kon ieder kind zien. Als er wat prettigs
in de klas te doen was: boeken uitdeelen of schriften ophalen, mocht
Volkert 't altijd doen en hij deed 't graag. Zie je, dàt kon Thedje
nu maar niet velen, dat Juffrouw, tegen wie ze allemaal zoo hoog
opkeken, zoo vriendelijk was tegen dien naren Volkert, die heel niet
meetelde.... Thedje was jaloersch op hem en geen klein beetje ook!--
Wat deed Volkert daar nu tusschen de viooltjes?
Thedje behoefde er zich niet lang op te bedenken om 't antwoord op die
vraag te vinden; zóó als ze hem gezien had, was 't haar door 't hoofd
gevlogen: Volkert wil óók een Pinkstertuintje voor Juffrouw maken
en daarvoor steelt hij mijn viooltjes, jazeker, Thedje's viooltjes,
want zij had ze al ontdekt, toen ze nog maar eventjes te zien waren.
Thedje's anders zoo vriendelijke kijkers stonden nu heel boos en ze
had een rimpel boven haar neusje. Krampachtig hield ze haar schort
met de bloemen, die ze aan den walkant geplukt had, vast; 't mandje
was haar zooeven, door den schrik, ontgleden en langs den steilen kant
gebuiteld. 't Lag beneden, maar Thedje durfde 't niet te halen. Volkert
had haar nu in 't oog gekregen; dreigend zwaaide hij met een stok.
"Wil je 's gauw maken dat je weg komt; je hebt hier niets te
zoeken. Vooruit, ga je haast, of ik zal je--" Hij werkte zich door
de struiken heen, haar kant op.--
Overhaast nam Thedje de vlucht; ze was angstig, boos, bedroefd,
alles tegelijk, maar de boosheid kreeg de overhand. Ze had 't nog
juist met een glimp gezien, hoe daar op een uitgespreiden zakdoek
een hoop afgeplukte viooltjes lagen.--Nare Volkert!--
Er was een uitdagende, koppige trek op haar gezichtje, toen ze met
haar bloemenschat thuiskwam.
Moeder had al een emmer water in den kelder klaar gezet om er de
bloemen, den nacht over, in frisch te houden, en Vader bracht ze er
voor haar heen. Thedje had niet veel te vertellen. Vader en Moeder
meenden, dat 't kind moe was van den drukken middag. Ze moest nu maar
dadelijk haar avondboterham eten en dan vlug naar bed. Morgen zou
't extra vroeg dag voor haar wezen. 't Was een oud gebruik, dat de
kinderen op den eersten Pinksterdag al voor dag en dauw in de weer
waren om voor hun huis een Pinkstertuintje te maken. Soms werd dat een
met zorg uitgevoerd kunstwerkje, soms ook, waar kleine, ongeoefende
handjes bezig waren, moest men meer op den goeden wil zien dan op
't resultaat, maar toch, als tegen kerktijd alles klaar was, leverde
't geheel van die als mozaïek te zamen gevoegde bloemtapijten een
eigenaardig, feestelijk gezicht op, en de kerkgangers, die bij 't
eerste klokgelui uit hun huizen kwamen, wezen er elkaar glimlachend op.
Thedje was wel een van de vroegsten op dezen heerlijken, lichten
Pinkstermorgen, maar haar gezichtje stond niet helder en vroolijk,
zooals 't op een feestdag behoort. Met saamgeknepen lippen en gefronste
wenkbrauwen spoedde zij zich met een groot deel van haar bloemen voort
naar de stille straat, waar Juffrouw woonde. Hoe verder zij kwam,
des te harder liep zij. Tot elken prijs wou ze Volkert vóór zijn; al
had ze nu geen viooltjes, toch zou ze wel maken, dat Juffrouw een mooi
Pinkstertuintje kreeg; er kwamen nu maar wat meer gouden knoopjes in,
dat stond vroolijk: gouden knoopjes met Pinksterbloemen en meidoorn aan
de hoeken!--Wat zou Volkert op zijn neus kijken, als hij straks kwam
en zag, dat hij een vergeefsche reis had gemaakt met zijn viooltjes!
Nu lachte Thedje even. Maar 't was geen blijde, gulle lach en haar
gezichtje werd er niet door verhelderd. Ze had zin om Juffrouw's
tuintje zoo mooi mogelijk te maken, maar nu niet zoozeer om Juffrouw
plezier te doen, dan wel om Volkert Visser verdrietig te maken.
Als je zulke leelijke, zwarte gedachten in je hart hebt, staat dat
ook op je gezicht te lezen; daarom zag Thedje er zoo donker uit op
dezen feestdag.
De straat, waar Juffrouw woonde, lag stil en verlaten. Er was nog
geen enkel Pinkstertuintje in gemaakt.
Geen enkel?--Ja toch, één, voor een van de laatste huizen--was 't
soms dat, waar de oude schoenmakersvrouw woonde, bij wie Juffrouw
kamers had?
't Hart klopte Thedje in de keel. Ze kon haast niet voort--toch wou
ze er gauw heen om te zien of 't werkelijk zoo was.
Ja--ze had zich niet vergist--er was een tuintje gemaakt, vlak
voor Juffrouw's venster, een heel mooi tuintje, van boterbloemen en
viooltjes--o, zoo'n massa viooltjes! Allen waren ze zorgvuldig op
stukjes mos gestoken en frisch met water besprenkeld.--
Tranen van spijt sprongen Thedje in de oogen. Toen werd haar
blik donkerder; ze gooide haar eigen bloemen neer, ging op de
knieën liggen en begon de dichtstbijzijnde viooltjes uit 't mos te
peuteren. Achteloos wierp zij ze aan den kant, de kleine van den
steel geplukte viooltjes, die haar verwijtend schenen aan te zien en
te vragen: "Thedje, waarom behandel je ons zóó?--Je houdt toch anders
zooveel van ons!"--
Nog maar pas was Thedje aan haar vernielingswerk begonnen, toen
't gordijn opgehaald en 't venster opengeschoven werd.
"Goedenmorgen Thedje!" zoo klonk Juffrouw's stem vroolijk: "Een
gezegend en gelukkig Pinksterfeest! Wacht, ik kom even bij je!"--
Nog voordat Thedje van den schrik bekomen was, had Juffrouw de voordeur
al open gedaan en stond voor haar.
Thedje lag nog op haar knieën, erg verlegen, en dit werd er niet
beter op, toen Juffrouw zich bukte om haar een kus te geven en daarbij
zei, dat ze den laatsten tijd veel aan Pinkstertuintjes gedacht had,
maar zich niet had kunnen voorstellen zelf nog eens zoo'n mooi te
zullen krijgen.
Thedje zag vuurrood; ze liet 't hoofd hangen en speelde met de
weggeworpen viooltjes.
Maar toen Juffrouw voortging het tuintje te bewonderen en nog eens zei,
dat ze 't toch zoo lief van haar vond zooveel moeite voor haar gedaan
te hebben, kon Thedje's eerlijk hartje 't niet langer uithouden. Ze
barstte in snikken uit en vertelde Juffrouw alles.
Dat was een droevig begin van den feestdag voor Thedje en ook voor
Juffrouw. Zulke leelijke gedachten en voornemens had Thedje gehad en
Juffrouw meende nog wel, dat 't er bij Thedje even licht en vroolijk
van binnen uitzag als bij haar zelf!--
Dacht Thedje dan zóó 't Pinksterfeest te kunnen tegengaan, 't feest
van Gods Heiligen Geest, die de harten van de groote menschen, maar
evengoed die van de kinderen wil verblijden en verlichten en van
liefde wil vervullen----?
Thedje schudde 't hoofd, toen Juffrouw haar dit zoo ernstig vroeg.
Daarop gingen ze naar binnen en hier, op Juffrouw's kamer, hoorde
Thedje van een jongen, die door iedereen achteruit werd gezet en
daardoor onverschillig leek, ofschoon hij toch evengoed behoefte aan
hartelijkheid had als een ander kind. Mocht Thedje nu zoo jaloersch
op hem wezen, Thedje, die thuis door Vader en Moeder omringd werd door
liefde? Mocht zij 't hem misgunnen, dat Juffrouw ook van hem hield en
't hem misschien wat meer toonde, omdat hij niemand anders had die
hem liefde bewees?
Thedje's tranen vloeiden rijkelijker, maar 't was nu als 't ware een
mild regenbuitje na een onweer, dat ontspant en goed doet.--
O, ze voelde nu wel, hoe leelijk die jaloezie was geweest en ze had
er zoo'n spijt van,--
Gelukkig toch, dat Juffrouw zoo gauw gekomen was! Nu kon 't tuintje
met een klein beetje moeite weer in orde gebracht worden en Volkert
zou 't nooit behoeven te weten.
Samen met Juffrouw ging ze naar buiten om de losse viooltjes weer
op het mos te steken en dit te schikken, zooals 't gelegen had. Ze
zei niets bij dit werkje--gedurig vielen er nog tranen op de kleine
viooltjes.
Toen 't klaar was, wou Thedje stilletjes met haar eigen bloemen
weggaan, maar Juffrouw riep haar terug. "Hadt je die niet voor mij
meegebracht?" vroeg ze vriendelijk en wees naar de gouden knoopjes,
de Pinksterbloemen en de meidoorntakken in Thedje's schort. "Ik wil ze
dolgraag van je hebben om mijn kamer feestelijk te maken--dan zal 't
net zijn of ik twee Pinkstertuintjes heb, één buiten en één binnen!"--
Toen brak de zon weer door bij Thedje. Haar oogen schitterden, terwijl
ze Juffrouw de bloemen letterlijk in de armen duwde. Dat Juffrouw ze
tòch nog hebben wou en niet boos was, deed Thedje's hartje opspringen
van blijdschap. Ze had er behoefte aan Juffrouw nu ook nog een plezier
te doen, een heel groot plezier!--Op haar teenen ging Thedje staan
om 't Juffrouw in te fluisteren: "Volkert mag wel 's bij ons thuis
komen--Moeder heeft 't ook al gezegd--en ik zal niet meer jaloersch op
hem wezen, ook niet als Vader en Moeder lief voor hem zijn en--en--'t
volgend jaar mag hij weer uw Pinkstertuintje maken."--
"Neen," zei deze, "dan weet ik nog wat beters: dan doen jullie
het samen.--Maar zoover zijn we nu nog niet. Eerst willen we dit
Pinksterfeest blij vieren--ik geloof wel, dat we 't nu kunnen----is
't niet, Thedje?"
Thedje knikte; haar gezichtje straalde--ze begreep wel, hoe Juffrouw
't bedoelde; ja, nù kon ze ook blij en vroolijk wezen op 't feest,
want de leelijke gedachten waren weg en ook in haar hartje was 't
licht en vredig geworden.