VAN TWEE PAAR PANTOFFELTJES EN NOG WAT.

Er was eens een klein meisje, dat in een groot huis woonde.

Natuurlijk woonde zij daar niet alleen; kleine meisjes wonen nooit

alleen in groote huizen! Wèl soms in gezellige kleine huisjes, die ze

zelf maken van een paar stoelen en stoven en een gordijn uit Moeders

rommelkist en waarin ze met hun poppen huishouden, net precies zooals

ze dat zelf willen.

In groote huizen, waar ook nog groote menschen wonen, gaat het niet

altijd precies zóó als de kleine meisjes het zelf willen.

Dat is erg vervelend.

Emma, zoo heette dit kleine meisje, wou bijvoorbeeld op

St. Nicolaasavond volstrekt zoo lang opblijven als de groote

menschen. Zij had gehoord, dat St. Nicolaas 's avonds zou komen,

als zij al lang in bed zou liggen, om wat in haar pantoffeltjes te

brengen. Maar zij wou dan niet in bed liggen en al lang slapen, ze wou

op zijn om den goeden Sint te zien; dat dit niet mocht, maakte haar

erg verdrietig, ja, en stout óók, zóó zelfs, dat zij in haar drift

haar pantoffeltjes omkeerde, zoodat 't brood en 't hooi, dat er voor

't paard van St. Nicolaas in was gedaan, op den grond viel.

Emma kon er nooit goed tegen, zie je, dat de dingen niet precies zóó

gingen als zij het graag wou!

't Hielp niets; ze werd toch op 't gewone uurtje in bed gestopt.--

--Maar Emma was een stijfkopje. Als zij dan niet òp mocht blijven,

wou zij tenminste wàkker blijven, net zoolang tot St. Nicolaas kwam!

Met dikke tranen nog in haar oogen, knipperde ze tegen het nachtlichtje

en zag er allemaal mooie, gekleurde figuren in. Door dit aardige

spelletje trok haar booze bui af en werd ze weer een tevreden,

vroolijk, klein meisje.

Gelukkig maar, anders zou 't geen je nu zult hooren, niet gebeurd zijn.

--'t Was zeker al heel, heel laat toen hij kwam, want ondanks haar

plan om wakker te blijven, had Emma al geslapen en was de olie van

het nachtpitje bijna opgebrand; 't scheen als een gloeiende spijker

in de duisternis en sputterde alsof 't zóó uit zou gaan.

Emma was niets verwonderd, toen ze St. Nicolaas bij den haard zag

staan;--van bang zijn was natuurlijk geen sprake, welk kind zou er

nu bang voor St. Nicolaas zijn!

Nieuwsgierig keek ze wat hij deed: hij bukte zich over de omgekeerde

pantoffeltjes en schudde het hoofd, want die pantoffeltjes vertelden

hem wat van een klein meisje en een booze bui!

Emma schaamde zich.

"Ik zal er gauw 't brood en 't hooi weer in doen," riep ze en stond

meteen in haar lang, wit nachtjaponnetje voor St. Nicolaas.

Deze keek haar vriendelijk aan.

"Dat is braaf," zei hij met zachte, diepe stem. "En kleed je dan maar

eens warmpjes aan; je mag een uurtje met mij mee."

Emma trok vlug haar kleertjes aan.

In gewone tijden kon ze dit niet alleen, maar nu ging het zoo vlot,--'t

scheen wel of de knoopen vanzelf in de knoopsgaten, de haakjes vanzelf

in de oogjes vlogen en de bandjes zichzelf strikten. Ze vroeg geen

enkel keertje: "waar gaan we dan heen?" of "hoe kan dat?" en anders

was ze toch zoo'n kleine vraagal! Zeker kwam het door 't ongewone van

't geval!

Ja, ongewoon was het stellig wèl, dat daar een klein, klein meisje

met St. Nicolaas voortreed door de stille, stille stad, waarop de

zilveren sterren vriendelijk neerzagen.

"Nu zal ik je mijn pakhuis eens laten kijken," sprak St. Nicolaas en

meteen hielden zij stil voor een groot gebouw aan 't havenhoofd, niet

ver van den steiger, waaraan "de stoomboot uit Spanje" vastgemeerd

lag. Emma keek tersluiks naar de groote, witte boot. Ze was er

dolgraag eens even op geweest, maar toen ze eenmaal in het pakhuis

was, vergat ze dien wensch geheel en al. Er waren groote zalen, zoo

vol van het prachtigste speelgoed, dat je wel zoo klein en behendig

als Emma moest wezen om er gemakkelijk je weg tusschendoor te kunnen

vinden. Het was er uitgestald op breede planken, die langs de wanden

waren aangebracht, op lange, ruw houten tafels op schragen, die haast

braken onder 't gewicht van al deze schatten, ja en ook op den grond

stonden zoo maar de prachtigste dingen. 't Kon een wonder heeten, dat

er nog niets gebroken of beschadigd was van de fijne eetserviesjes,

tooverlantaarns, miniatuur-automobielen, poppenmeubels en al wat er

maar meer voor breekbaars was.

St. Nicolaas stond het glimlachend op den drempel aan te zien, hoe

Emma vol verrukking rondhuppelde.

"Als je kiezen mocht, wat zou je dan nemen?" vroeg hij.

"Dit serviesje," zei Emma, maar in 't volgende oogenblik wees ze naar

een groote pop, die een koffer beeldige kleertjes bij zich had. "O

neen, veel liever deze mooie pop, alstublieft!"

"Goed," sprak St. Nicolaas; "maar nu moet je er ook bij blijven."

Van het speelgoed ging het naar de boekenbergplaats.

Hier kwam Emma oogen te kort om al de prachtige prentenboeken te

bekijken; om de boeken met enkel verhalen gaf ze niet veel, daar ze

nog niet zóó vlot lezen kon.--Er waren er veel meer dan in den grooten

boekwinkel, waar ze laatst met moeder was geweest. "Wel honderdduizend

maal zooveel," beweerde Emma opgetogen.

"O neen, nog veel meer," sprak St. Nicolaas. "Aan honderdduizend

boekwinkels zou ik lang niet genoeg hebben. Je mag twee boeken

uitzoeken, die je het mooist vindt."

Dit was een moeilijk geval. Emma zag wel boeken, waarvan ze wist dat

haar broertje ze 't allermooist zou vinden, maar voor zichzelf--en

daar ging het nu toch om--was ze zoo gauw niet besloten. Ze liep van

den eenen stapel naar den anderen en telkens meende ze nog een mooier

boek te zien.

Eindelijk had zij de allerprachtigste uitgezocht; ze handelden allebei

over poppen.

St. Nicolaas wachtte geduldig. 't Scheen dat hij even, haast

onmerkbaar, met 't hoofd schudde. Mogelijk verbeeldde Emma 't zich

alleen maar.

Toen ze de deur uit gingen, werd zij er als 't ware toe gedrongen

naar de jongensboeken te kijken, waarvan zij wist dat haar broertje

ze zoo mooi zou vinden. Ze kon dat grootste nog wel nemen in ruil

voor een van haar poppenboeken; St. Nicolaas zou 't zeker goed vinden.

Even draalde Emma--toen keerde ze zich om en liep weg, St. Nicolaas

achterna; ze wou toch liever haar boek houden.

Nu was er een reeks zalen aan de beurt, waar het wel Luilekkerland

geleek, want al 't lekkers, dat in den St. Nicolaasnacht "gereden"

wordt, was hier opgestapeld. Bij zoo'n kolossale hoeveelheid was van

uitstallen geen sprake meer geweest.

Hoog opgestapeld lagen daar banketletters, torens vormend, die tot

aan de zoldering reikten; ginds was een borstplaatberg en in 't

midden van de zalen kon je heelemaal niet loopen, want daar lagen

hoopen en hoopen speculaaspoppen en taai-taai-figuren. 't Kleine

strooisuikergoed, de dieren van suiker en de chocoladeletters waren

in reuzenkisten geborgen. St. Nicolaas tilde Emma op om haar er in

te laten kijken en toen mocht ze er allebei haar handen in steken;

wat ze greep was van haar.

Toen ze weer op den beganen grond stond, had ze in haar eene hand een

konijntje en een poes van suiker en in haar andere hand een groote

D van chocolade. [1]

"Dat is mijn letter niet," zei Emma, want een beetje lezen kon ze wel:

"mijn letter is een E!"

St. Nicolaas glimlachte. "Ja, je hebt er die D zelf uitgenomen;

daar kan ik niets aan doen!"

"Een D smaakt ook wel lekker," zei Emma toen vroolijk en ze zeurde

heel niet om de letter nog te mogen ruilen, zooals ze op gewone tijden

allicht bij Moeder zou hebben gedaan.

Van Luilekkerland gingen zij naar de pakkamers, waar de zwarte knechts

bezig waren duizenden manden in te pakken. Dit gebeurde in vliegende

haast. Emma werd duizelig van 't kijken alleen.

Ze was blij, dat St. Nicolaas er bij was; de zwarte knechts trokken

wel vriendelijke grimassen tegen haar, maar ze vond het toch wat

griezelig hen zoo van dichtbij te zien.

"Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht," sprak

St. Nicolaas. "Daarom ga je nu weer naar huis; ik heb het erg druk."

De pop en de prentenboeken werden netjes ingepakt om bij Emma thuis

bezorgd te worden--het lekkers wou ze liever in de hand houden--en

voordat Emma 't wist, reed ze alweer met St. Nicolaas door de stille

stad.

"Hier in de buurt woont nòg een klein meisje, dat wel graag op

had willen blijven om mij te zien, maar zij is er niet driftig om

geworden, dat 't niet kon," sprak St. Nicolaas, toen ze bij een nauw

steegje kwamen. "Ik weet, dat zij ook wakker is gebleven om op mij

te wachten. We zullen er even binnengaan."

Hoe 't gebeurd was, kon Emma later niet navertellen, maar opeens

bevond ze zich met St. Nicolaas onder den schoorsteen van een armelijk

vertrekje. St. Nicolaas maakte licht, want 't was er donker.

't Allereerste wat Emma zag, was een paar pantoffeltjes met roggebrood

er in. Ze stonden heel precies naast elkaar; stellig waren ze nog

nooit in drift ondersteboven gegooid.

Nieuwsgierig keek Emma er rond. 't Kleine meisje, dat op St. Nicolaas

wou wachten, lag zeker in 't ledikantje, dat in een hoek van 't

kamertje stond.

"Gaat zij nu óók al het moois zien?" fluisterde Emma een beetje

verlegen, terwijl ze naar de toegeschoven gordijntjes wees, die

zachtjes bewogen.

"Dat kan niet; Doortje is ziek. Maar zij hoort er graag van vertellen

en daarom heb ik je hier gebracht," sprak St. Nicolaas.

Een mager handje schoof nu de gordijntjes open en Doortje keek er

uit. [2] O, zoo'n tevreden, gelukkige glimlach vloog over haar bleek

gezichtje, toen ze St. Nicolaas zag!

"Moeder zei: 't gaf toch niets of ik al wakker bleef, want St. Nicolaas

kwam toch niet, maar ik wist wel beter," fluisterde zij.

Onderwijl had St. Nicolaas het papier opgenomen, dat bij de

pantoffeltjes lag. "Een schort voor Moeder; een pakje tabak voor Vader;

een pet voor Jan en een dasje voor Trui," las hij hardop.

"En wat voor wensch heb je voor jezelf, mijn kind?" vroeg hij toen

vriendelijk.

"Ik ben al zoo blij dat ik u heb gezien," stamelde Doortje, "ik hoef

niets meer."

"O, maar als je mee hadt kunnen gaan en alles gezien hadt, zou je

wèl wat weten te bedenken," riep Emma nu uit, en haar verlegenheid

vergetend, kwam ze dichterbij en begon opgetogen haar wederwaardigheden

te vertellen.

Doortje luisterde met stille verrukking.

"Waren er ook naaidoosjes?" vroeg ze bedeesd, toen Emma even ophield

om adem te scheppen; "een naaidoosje zou ik toch nog wel graag willen

hebben als 't niet te veel was! Dan kon ik Moeder helpen met haar

naaiwerk."

Naaidoosjes? Ja, dat wist Emma niet. Zij had alleen maar naar dingen

gekeken, waar zij plezier in had.

Om zich uit de verlegenheid te redden, liet ze Doortje haar lekkers

zien.

"Kijk, een poes en een konijn van suiker en een D van chocolade,

een groote! Wil je die hebben? Toe maar, 't is allemaal voor jou! Wat

treft het mooi, dat jouw naam juist met een D begint!"

Emma was opgetogen over deze ontdekking; ze keek om en wou dit

St. Nicolaas ook vertellen, maar.... ze zag St. Nicolaas niet meer.

Wel zag ze bij den schoorsteen de pantoffeltjes met alles er in en

er bij wat Doortje had gevraagd--óók zelfs een mooi naaidoosje. Emma

wou het Doortje wijzen, maar ze kon niet--ze werd zoo vreemd moe

en slaperig.

"Ik moet ook naar huis," zei ze nog en 't geluid van haar stem klonk

van heel ver af--ze knikkebolde, haar hoofdje gleed op zij--ze wist

van niets meer.

In den vroegen morgen was er een dik pak sneeuw gevallen. De witte,

wollige, donzige massa schitterde op de daken en lag opgehoopt in

de hoeken der vensterbanken tot groot vermaak van de kinderen,

die toch al zoo uitgelaten waren op dezen morgen van den zesden

December--zoekertjesdag!

In de meeste huizen was de pret al lang in vollen gang, toen Emma--je

weet wel, 't kleine meisje, dat in 't groote huis woonde en er niet

tegen kon als de dingen niet precies zoo gingen als zij 't graag

wou--zich pas in haar warm bedje uitrekte, geeuwde en heel, heel

langzaam wakker werd. Ze had niets geen haast om haar oogen open te

doen. Als zij ze dicht hield, zag zij nog alles wat zij op haar tocht

met St. Nicolaas gezien had. O, ze wist het nog zoo best! Alleen van

wat er gebeurd was, nadat ze voor Doortje's ledikantje in slaap was

gevallen, kon zij zich niets herinneren. Maar nù lag zij toch weer

in haar eigen bedje; dit wist zij wel, ook zonder dat zij haar oogen

open deed.

"'t Was toch zoo heerlijk," zei ze halfluid, "en wat goed was het,

dat ik er bij ongeluk een D uithaalde in plaats van een E!"

"Langslaapstertje! Droomstertje!" klonk het lachend en toen werd Emma

heelemaal wakker.

"Droomstertje," zei Moeder nog eens, "waar heb je het toch over? Doe

je oogen maar gauw open en kijk dan eens wat St. Nicolaas je gebracht

heeft!"

In een wip was Emma nu overeind en wreef ze haar oogen uit.

't Brood en hooi was uit de pantoffeltjes verdwenen. Ze stonden op de

tafel en er naast zat een mooie, groote pop met een open koffer vol

beeldige kleertjes bij zich; twee prachtige prentenboeken lagen er bij.

"Ik had ook nog lekkers," zei Emma, "maar dat heb ik aan Doortje

gegeven, omdat ze niets voor zichzelf vroeg; o ja, een naaidoosje,

maar dat was om haar Moeder te helpen--ik bedoel: niets prettigs."

"Kindje, ik geloof dat je nog droomt," lachte Moeder weer, "hoe zou

St. Nicolaas je nu geen lekkers gebracht hebben! Zie je dat bord

niet staan?" Ze gaf Emma haar pantoffeltjes om aan te doen als ze

uit bed stapte.

"Ga nu je pop maar eens gauw bekijken! St. Nicolaas heeft het maar

wat goed geraden, hé?"

"Ik heb haar zelf uitgezocht," zei Emma, terwijl ze haar op den arm

nam, "maar eerst had ik een serviesje...." En toen vertelde ze Moeder

alles van haar tocht.

"Ik heb alleen maar dingen voor mezelf gekozen," zei ze, toen ze aan

't bezoek bij Doortje toe was, en keek wat bedrukt. "Misschien was

er wel een mooi naaidoosje geweest voor u en ik weet zeker, dat er

een boek bij was, dat Broer graag zou gehad hebben; bijna had ik

het genomen in plaats van dat ééne poppenboek.--Ik ben bang, dat

St. Nicolaas 't niet heel aardig van me heeft gevonden!"

--Maar toen kreeg ze haar bord lekkers in 't oog, waar bovenop een

groote E van chocolade lag.

"Moeder, dat heeft St. Nicolaas er nog exprès neergezet, omdat ik

't mijne heb weggegeven, denkt u ook niet?" riep ze opgetogen uit.

"Ja, dàt heeft St. Nicolaas stellig gedaan, omdat hij daaruit gezien

heeft, dat je toch ook nog wel graag om een ander denkt," zei Moeder

en gaf haar een kus.

Emma bedacht zich even. "Moeder, weet u wat," zei ze toen met een

stralend gezichtje, "als St. Nicolaas weer komt, maak ik óók een

verlanglijst, net als Doortje, en dan zet ik Broer's pantoffels hier

ook en die van Vader en van u.... maar niemand mag lezen wat ik er

op schrijf."

"St. Nicolaas óók niet?" vroeg Moeder plagend.

"Ja, St. Nicolaas juist wèl," antwoordde Emma lachend en toen liet

ze zich gauw helpen, want ze verlangde er naar klaar te zijn om ook

Vader en Broer alles te vertellen.

Verteluurtje · 第 18 / 28 题