Fani was een droomer, die altijd aan andere dingen dacht dan aan zijn
werk, een treuzel, en--een bangerd. Wil je 't wel gelooven, dat hij 's
avonds niet onder de dennen achter hun huisje durfde te loopen, omdat
't dan zoo vreemd ruischte en zuchtte, hoog in de slanke toppen? Dat
deed de wind natuurlijk en dit wist Fani ook wel en toch--was hij bang.
Moeder zei, dat het van de sprookjes kwam. Je moet weten, dat zijn
Vader eens een sprookjesboek voor hem uit de stad had meegebracht
en sedert hij dat had gelezen droomde Fani meer dan ooit, ook op
klaarlichten dag als hij goed wakker was.
Hij dacht aan niets anders dan aan dwergjes, toovenaars en feeën en
wat het malste was, hij was er vast van overtuigd, dat hij ze nog eens
zou zien ook, in 't bosch of in de bergen. Alles wat in de sprookjes
stond, was echt waar voor hem.
Toen hij dit eens aan Toni, den geitenhoeder, vertelde, lachte die
hem hartelijk uit, en zei, dat hij van zijn leven nog geen dwergjes
had gezien en als ze er waren, moesten ze toch zeker daarboven in de
rotsen huizen, waar hij zoo vaak met zijn geiten was.
Na dien tijd sprak Fani er maar nooit meer met hem over en met
Moeder niet en met niemand, want hij wou niet uitgelachen worden,
maar 't sprookjesboek stopte hij weg op 't zoldertje, waar hij sliep,
in de kist onder zijn Zondagsche kleeren, en 's morgens vroeg, voordat
Peter en Franzli, zijn kleine broertjes, wakker waren, las hij er in.
Al was Fani de oudste, toch had Moeder weinig aan hem bij haar werk,
en ze kon toch zoo best wat hulp gebruiken als ze zoo dagen achtereen
met de kinderen alleen was. Fani's Vader was koopman; hij reisde met
zijn marsje op den rug overal in den omtrek heen waar kermis was. De
menschen kochten wat graag de aardige snuisterijtjes, die hij uit
hout wist te snijden, vooral zijn dierfiguurtjes waren zoo mooi en
natuurlijk alsof ze leefden. Houtsnijden, dat was anders wel iets,
waarin Fani ook plezier had, maar Vader, die 't hem zou leeren, was
zoo ongeduldig geworden, omdat Fani eerst maar niet den slag beet had
kunnen krijgen van de koeien, geiten en herten, die hij altijd maakte.
Fani had zoo dolgraag eens een dwergje willen probeeren, maar toen de
diertjes telkens mislukt waren en er van al zijn knutselen en knoeien
toch niets was terechtgekomen, was Vader boos geworden en had gezegd,
dat Fani, als hij geen diertjes kon leeren snijden, er dan maar liever
heelemaal mee moest uitscheiden; zoo'n droomer zou het toch tot niets
brengen! Later moest hij maar houthakker boven in de bosschen worden,
dat was zwaar werk en daarbij zou hij dat droomen en treuzelen wel
afleeren.
Zoo had Vader gesproken en Moeder had met een zucht gezegd, dat
Vader wel gelijk had. Toen kreeg Fani dus geen les in 't houtsnijden
meer, maar voor zichzelf bleef hij zich oefenen, 's winters ieder
vrij oogenblikje na schooltijd op 't zoldertje of in 't schuurtje,
zoo lang het licht was, en 's zomers buiten op een stil plekje bij
't beekje. Hij probeerde niets anders te maken dan de dwergjes en
toovenaars en feeën uit zijn sprookjesboek en knutselde op zijn eentje
zonder dat iemand er iets van wist of zag, net zoo lang, totdat 't hem
beter gelukte en zijn dwergjes eindelijk net zoo goed uitvielen als de
diertjes, die Vader maakte.--Maar hij durfde er thuis toch niet over
te spreken of ze te laten zien, omdat Vader toen zoo boos was geweest,
en stopte al wat hij maakte onder in de kist bij 't sprookjesboek.
Zoo kwam Juni in 't land, de tijd van de kermissen en jaarmarkten,
en daar Vader al een heele poos ziek was, moest Fani er met het marsje
op uit.
't Eerst was het groote dorp, dat verder het dal in lag, aan
de beurt. Dit was nu niet zoo ver weg of Fani kon 's avonds weer
thuiskomen. Alleen zoo'n eind door 't bosch te loopen was niets voor
hem, maar gelukkig, 't beekje hield hem gezelschap. 't Kabbelde
zoo vroolijk alsof het met hem babbelde en toen Fani dorst kreeg,
gaf het hem heerlijk frisch water te drinken.
't Was al middag, toen Fani in het dorp kwam. De kermis was er
in vollen gang; 't plein stond vol kramen en tenten; muzikanten
toeterden en bliezen, kooplui schreeuwden om 't hardst hun waren uit
en kinderen sloegen de trom of bliezen op goedkoope mondharmonica's uit
de speelgoedkraam tegenover het logement. 't Was een leven van belang.
Fani, die uit het stille bosch kwam, werd er beduusd van. Hij stond
het met groote oogen aan te kijken uit een verborgen hoek bij de
speelgoedkraam, waar leege kisten waren opgestapeld, en vergat
heelemaal, dat hij ook wat te koop had. Maar al had Fani er ook aan
gedacht, hij zou toch nooit als die andere kooplui hebben durven doen.
Nu lette niemand op hem, totdat een paar opgeschoten jongens, die
dicht bij zijn hoekje aan 't vechten waren, tegen hem aanbonsden en
hem op den grond gooiden. Het marsje kiepte om en de mooie diertjes,
die Vader met zooveel zorg had ingepakt, rolden naar alle kanten
heen. Toen Fani weer op de been was en het zag, begon hij hard te
schreien. Een vriendelijke vrouw hielp hem ze weer op te rapen en
er kwamen nog meer menschen bij, die ook hielpen. Gelukkig waren
er slechts een paar stukjes beschadigd en die kocht een heer uit
't logement aan den overkant hem dadelijk af. 't Kleine meisje, dat
bij hem behoorde, had zoo'n medelijden met den schreienden jongen en
hield niet op of Fani moest bij Papa en haar onder de waranda komen
zitten om een glas melk voor den schrik te drinken.
Fani wist niet wat hem overkwam, toen hij daar wat deftig aan een
tafeltje zat te kijken naar het bont gewoel op het plein, waar hij
zoo straks nog midden in had gestaan.
Margo'tje, zoo heette zijn nieuw vriendinnetje, beduidde hem, dat hij
maar flink moest toetasten van de broodjes met vleesch, die haar Papa
ook nog voor hem had laten komen. Beduidde? Ja, want Margo'tje was
een Hollandsch meisje, dat wel al met haar Papa alleen op reis was,
maar toch nog niets dan Hollandsch sprak, en Fani kon natuurlijk geen
Hollandsch verstaan, evenmin als zij Fani's taal kon begrijpen. Met
elkaar praten ging dus niet. Maar gelukkig kon Margo'tjes Papa wel
met Fani spreken.
't Was vreemd, Fani, die altijd zoo verlegen was, durfde nu best zijn
woord te doen tegen den vreemden heer; of 't kwam doordat deze hem
zoo vriendelijk aankeek en niet ongeduldig werd over zijn langzame
manier van praten?
Fani vertelde van Vader, die ziek was, en de beestjes gemaakt
had, vertelde ook hoe naar hij 't op de kermis met al die drukte
vond. Onderwijl bekeek Margo'tje de koeien, geiten en herten, en
sommige, die ze heel mooi vond, zette ze uit 't marsje op de tafel.
Fani had er geen erg in, zoo was hij aan 't vertellen.
Op eens gaf Margo een gilletje.
"O, Pa, kijk eens wat leuke dwergjes! Kijk toch eens!"--Ze hield
een van Fani's knutselwerkjes omhoog, die hij met 't sprookjesboek
heel onder in 't marsje had gestopt, omdat hij bang was dat Peter of
Franzli ze in zijn kist zouden vinden, terwijl hij weg was.
"Kijk toch eens, hoe aardig!--En o, hier is een toovenaar, die kinderen
laat dansen!"
Fani werd eerst vuurrood van schrik en toen wit. "Nee, die hooren er
niet bij, die zijn van mij!" riep hij haastig en wou ze haar afnemen,
maar Margo'tjes Papa had nu de figuurtjes al in zijn hand.
Fani had wel van schaamte in den grond willen kruipen. Wat mocht
die vriendelijke mijnheer wel van hem denken, dat hij zulk knoeiwerk
tusschen Vader's mooie diertjes in had gestopt!
Maar Mijnheer zei niets, hij keek er naar en zag toen Fani lang aan,
die hoe langer hoe meer verlegen, stotterend uitlegde hoe ze in het
marsje waren verzeild.
Toen Margo'tjes Papa de figuurtjes weer op 't tafeltje zette, wou
Fani ze maar gauw in 't marsje pakken, heel onderin, dan zag niemand
die prullen meer, maar neen, dat mocht niet. Mijnheer vroeg hem of
hij ze wou verkoopen en verbeeld je, toen Fani half ongeloovig van
"ja" knikte, kreeg hij er evenveel voor als voor Vader's mooiste
beestjes!--'t Gezicht van den jongen straalde van blijdschap.
Hij kon 't maar niet begrijpen; nu zou hij haast zelf denken, dat hij
droomde, of dat die mijnheer een toovenaar was en misschien straks
't geld weer zou wegtooveren, maar neen, hoor, 't was geen droomgeld,
't was echt en 't bleef stil in zijn hand liggen ook!
Laat in den middag ging er een heel andere Fani de kermis af dan de
Fani, die er op was gekomen. Deze deed niet verlegen of schuw, neen,
hij hield zijn hoofd flink rechtop en hij keek zoo blij, zoo blij!--Nu
hielp hij Vader en Moeder toch, nu was hij geen droomer meer, die niets
kon! De vriendelijke, vreemde mijnheer had beloofd over een dag of wat
bij Vader en Moeder te zullen komen om over Fani te spreken en als
't mocht van thuis,--nu, dàt zou wel--dan zou die mijnheer er voor
zorgen, dat Fani op een school kwam om echt mooi houtsnijden te leeren.
Daar zou hij bepaald ook wel dwergjes mogen maken en alles, alles
uit het sprookjesboek. En als hij 't dan heel goed kon, dan, ja,
't was nog een geheim, een groot geheim, maar Fani kon 't toch niet
laten het vast aan 't beekje te vertellen,--dàn zou hij een extra
mooie groep dwergjes maken en die aan 't kleine, Hollandsche meisje
sturen, want als zij niet zoo vriendelijk voor hem was geweest, zou
't allemaal bepaald niet zoo zijn geloopen!