Maar hoor, daar klonk het, weer even bedaard: "Dán kan hij blijven."

Nu waren ze gerustgesteld. Ze vonden, dat de kansen toch nog niet zoo

slecht stonden; er waren toch bloesems aan; die kon oude Hendrik toch

maar niet weg redeneeren.

Op den terugweg hadden Greet en Klaar het druk over den kerseboom van

Hendrik en Trientje en thuis kregen Vader en Moeder 't verhaaltje in

geuren en kleuren te hooren.

"Moeder, zou u denken, dat er nog wel een half pond aan komt?" vroeg

Greet.

"Kindlief, hoe wil ik dat weten, ik ben geen tuinman," lachte

Moeder. "Je moet maar telkens eens gaan kijken hoe 't met de bloesems

staat; je weet wel: als je de bloempjes niet meer ziet, komen er

kleine, groene bolletjes te voorschijn; die worden grooter en grooter,

de zon stooft ze langzamerhand zacht en rood en--"

"Dán zijn de kersen er!" riep Klaartje vroolijk uit. "Ik ga vast

elken dag uit school kijken, hoor!"

"Ik ook," zei Greet.

De kinderen hielden woord. Elken dag gingen ze naar Baas Hendrik's

bleekveld. De oude kerseboom had zeker nog nooit zooveel belangstelling

ondervonden. 't Scheen heusch, dat hij 't op prijs stelde en zijn best

deed z'n bloesems zonder mankeeren voor kleine, groene bolletjes in

te ruilen.

Greet en Klaartje gaven thuis getrouw verslag van zijn vorderingen,

zoodat ieder er goed van op de hoogte bleef.

Maar op een ochtend, na een stormnacht, kwamen de meisjes

terneergeslagen thuis. 't Bleekveldje lag bezaaid met groene bolletjes

aan steeltjes: allemaal afgewaaide, nog onrijpe kersen.

"Er zitten er nu nog maar een stuk of wat aan," jammerde Greetje;

"zou dat wel een half pond wezen?"

"Hendrik zei, dat hij 't wel gedacht had, want dat deed die kerseboom

altijd! Maar Moeder, 't kwam toch door den storm; de kerseboom kon

't niet helpen," riep Klaartje onder tranen.

Moeder had maar werk haar kleine meisjes tot bedaren te brengen. Er

zouden een paar vroolijke neven komen--Vader was al naar den trein

om hen te halen--wat zouden die er wel van zeggen, als Greet en Klaar

er straks nog zoo bedrukt uitzagen!--

De neven kwamen. De neven hoorden 't verhaal over den kerseboom aan

en waren vol belangstelling. Zij hadden verstand van vruchtboomen,

beweerden ze. Als Greet en Klaartje straks weer naar school waren,

zouden ze dien boom wel eens gaan bekijken; misschien dat zij er nog

raad op wisten.

In een oogwenk verhelderden de gezichtjes nu. De kinderen hadden veel

vertrouwen in de knapheid der groote neven.

"Als er maar een half pond aan komt," zei Greetje, "dan mag hij

blijven staan van ouden Hendrik."

Toen zij 's middags uit school kwamen hollen, verlangend 't oordeel

der neven te hooren, werden zij verblijd met de tijding, dat er

misschien nog wel een pond van terecht zou komen. Maar, dan moesten

zij ook precies doen wat de neven zeiden.

Dit beloofden Greet en Klaar grif.

Veertien dagen lang mochten ze niet meer naar den boom gaan kijken,

zei Neef Karel, want daar kon hij op 't oogenblik niet goed tegen. De

kerseboom schaamde zich, omdat hij zooveel groene bolletjes had

verloren en zou nu uit verlegenheid ook die, welke hij nog overhad,

wel eens kunnen loslaten, voegde Neef Bert er bij en hij zette een

heel ernstig gezicht.

Nu, dit was natuurlijk maar een grapje--dat begreep Greet best;

Klaartje was eerst nog in twijfel of 't niet waar zou zijn;--maar,

grapje of niet, dat deed er niet toe--de neven, die er verstand van

hadden, zeiden, dat ze er in veertien dagen niet heen moesten gaan

en dááraan zouden ze zich houden.

"Hé--over veertien dagen"--Greet was aan 't uitrekenen--"dan ben ik

jarig! Wat leuk!"

"Zijn jullie er dan nog?" vroeg Klaar.

"Neen, maar dan komen we weer terug om Greet te feleciteeren en meteen

naar den kerseboom te zien."

Greet keek er Neef Bert onderzoekend op aan of dit nu niet weer een

grap was, maar neen, 't scheen toch wel meenens te zijn: Moeder ging

er dadelijk op in. Er werd afgesproken, dat zij den vorigen dag al

zouden komen, om den heelen jaardag mee te kunnen vieren.

Leuk hoor! Dat was wat prettigs om op te kijken!

Zoo triestig als de zusjes 's ochtends waren geweest, toen de neven

kwamen, zoo vroolijk waren ze bij 't afscheid.

Als je 't niet beter wist, zou je gedacht hebben, dat ze blij waren

met hun vertrek.

"Tot over veertien dagen," riepen Greet en Klaartje hun na, toen ze

al bij 't hek waren. En: "tot over veertien dagen," riepen de neven

terug. "Zorgen jullie er maar voor, dat je een mand klaar hebt staan

voor de kersen!"--

Veertien dagen gaan gewoonlijk gauw voorbij, maar nu schenen ze te

kruipen. 't Was heel moeilijk, veel moeilijker dan ze gedacht hadden,

de belofte te houden, die ze den neven hadden gegeven. De meisjes waren

er toch zóó benieuwd naar hoe 't wel met den kerseboom zou wezen en nu

mochten ze er niet heen. Als ze er Baas Hendrik of Trientje nu maar

eens naar hadden kunnen vragen, maar de oudjes kwamen hoogstzelden

in 't dorp; ze bleven stilletjes op hun eigen erf en daar was 't nu

immers verboden toegang!

Toen ze op zekeren dag, uit school komend, een schaal vol rijpe kersen

op tafel zagen staan, werd 't nog moeilijker 't vol te houden. Er

waren dus al rijpe kersen! Of de groene bolletjes van Hendrik's boom

ook al rood en zacht zouden geworden zijn?

"Nog vier dagen geduld," zei Moeder, die er medelijden mee kreeg,

"dan gaan we met ons allen kijken hoe 't met den kerseboom staat."

"Daarmee beginnen we den jaardag dan," stelde Vader voor: "allen in

optocht naar ouden Hendrik's kerseboom!"

En ja, zoo gebeurde het ook, toen de lang verwachte dag ten laatste

was aangebroken.

Dadelijk, na 't ontbijt trokken ze er op uit: Vader, Moeder, de

jarige Greet, Klaartje en de neven. Wat Hendrik en Trientje voor

oogen opzetten, toen ze 't gezelschap regelrecht op hun huisje zagen

aankomen!

Trientje deed de deur al open.

"Heb ik van mijn leven, zooveel bezoek," riep ze, 't hoofd van

verbazing schuddend.

"Trientje, ik ben jarig!" zei Greet vroolijk; "ik ben vandaag jarig!"

"En nu komen we naar den kerseboom kijken of er wat aanzit," juichte

Klaar.

"Kersen? Och lieve tijd," zei 't oudje meewarig, "als ze er aan waren,

zou 'k ze graag geven, maar--"

"Kersen," zoo liet zich nu ook de plechtige stem van Baas Hendrik uit

de achterhoede hooren, "kersen? Die moet je bij mij niet zoeken. Mijn

boom is een doe-niet, hij moet er uit, in 't najaar, Burgemeester,

maar mijn oude vrouw is er maar danig op tegen."

"Ja Burgemeester," zei Trientje nu erg beverig, "ja, als 'k hem aanzie,

dan moet ik altijd aan mijn jongen, mijn Dirk, denken, die heelemaal

aan den anderen kant van 't groote water is."--

Greet en Klaartje waren onderwijl al om 't huisje heen geloopen en

hadden de neven meegetrokken.

"Er zit niets aan," riep Greetje teleurgesteld, toen ze bij de

bank was.

"Hè," zei Klaartje, "hoe saai!"

Maar toen kwamen ze dichterbij en ja--daar schemerde wat roods!--Nog

wat dichter er bij--vlak er bij.--

"O, o," juichten de meisjes en sprongen vroolijk in 't rond, "er zijn

wél kersen aan! Trientje, kom gauw! Wel een half pond--neen, stellig

wel een pond! Kijk, hier zitten er nog meer en dáár--en ginds--o,

kom toch gauw kijken!"--

Nu stonden ze allen om den ouden kerseboom heen, de kinderen en de

groote menschen!

Vader, Moeder en de neven lachten maar om de verrukking der

meisjes.--Trientje schudde 't hoofd en was sprakeloos van verwondering,

maar Baas Hendrik keek wat wantrouwend naar zijn "ouden doe-niet",

terwijl hij met korte, stijve beweginkjes dichterbij kwam.

"Hendrik, we mogen ze immers wel plukken?" vroeg Moeder toen gauw,

en, naar hem toegaande, gaf ze hem een knipoogje van verstandhouding.

"'t Treft mooi voor de meisjes, dat de kersen juist aan de onderste

takken zitten," zei Vader; "kijk 's wat aardig, telkens bij trosjes

van vier en vijf bij elkaar. Zoo heb ik 't nog nooit gezien!"

Er werd een trapje gehaald, want Greet en Klaar vonden, dat dit bij

het kersen-plukken behoorde, al konden ze op gewone tijden wel zoo

in den boom klimmen.

Baas Hendrik, die na een apartje met Moeder niet meer wantrouwend keek,

bracht ook een weegschaal aan.

"Ik moet 's kijken of ik mijn gewicht wel krijg," meesmuilde hij.

"Wel heb ik van mijn leven," lachte oude Trientje, die nu de toedracht

begon te begrijpen, "die jongeheeren uit de stad, weten toch altijd

wat nieuws te verzinnen;"--en ze lachte zóó, dat Moeder haar naar de

bank moest brengen om wat te bekomen.

"Er zitten draden aan, zwarte draden," riep Klaartje, die de eerste

kersen gegrepen had, verbaasd uit.

Greet keek naar de neven. "O, nu begrijp ik 't al! Wat eenig

bedacht," juichte ze. "Jullie hebben ze er aan gehangen! O, wat een

slimmerds! Maar 't geldt nietwaar, Baas Hendrik, 't geldt toch! De

afspraak was: als ze er aan hangen; we hebben niet gezegd: er aan

gegroeid zijn."

"Dat weet ik nog niet," begon Hendrik, nu zoogenaamd gewichtig doende,

"ik moet ze eerst op de schaal hebben; 't konden wel eens geen echte

kersen wezen en--ik moet mijn gewicht ook hebben--tien pond, hebben

we gezegd!"

"Neen, neen, een half pond was ook al genoeg," riepen de kinderen,

"is 't niet Trientje?"

't Oude vrouwtje, nu weer wat bekomen, knikte.

"Ja, ja, dat hebben jullie afgesproken. Maar nu begrijp ik nog niet,

wanneer de jongeheeren dat hebben klaargespeeld. Gisteravond waren

ze er nog niet aan."

"Vanmorgen in de vroegte hebben ze 't wis en zeker gedaan," zei

Hendrik; "ik dacht ook al, dat 'k zoo wat hoorde op 't pad."

"De jongens waren wel erg vroeg op," zei Greetje nadenkend, "Jans

vertelde, dat ze de voordeur al uit waren, toen zij beneden kwam."

Maar de neven zelf zeiden niets. Ze lachten maar en hielpen de laatste

kersen plukken, die wat hoog zaten.--

Toen werden ze in triomf naar de weegschaal gebracht.

Hendrik hield zich eerst nog, alsof 't volstrekt tien pond zouden

moeten wezen, maar, gaf ten slotte toe, dat hij met één pond ook al

tevreden zou zijn.

't Bleek, dat 't er drie waren!

Neen, nu had Baas Hendrik volgens recht en billijkheid toch niets

meer te zeggen. Hadden ze aan zijn boom gehangen of niet?--

"Een man, een man--een woord, een woord, Hendrik," sprak Vader bij

't afscheidnemen met krachtige stem, toen de oude man 't alles maar

op een grapje voor de kinderen wou gooien en warempel nu weer zijn

standpunt tegenover den doe-niet zou gaan innemen.

Hendrik schrikte er van op. Hij schoof zijn pet heen en weer. Dat

was een raar geval voor den nauwgezetten, ouden baas; ja, hij had

zijn woord gegeven, als je 't zóó wou opvatten!--

"Ja," zoo kwam 't er eindelijk langzaam uit, "ja, als de burgemeester

dat meent, ja, dan moet 't ook maar zoo wezen. Nog één jaartje zal

ik lankmoedigheid betoonen; ja, daar heb je mijn hand, Burgemeester!"

Of Trientje blij was! Nu zou ze weer een heel jaar lang naar den

kerseboom kunnen kijken en dan daarbij aan Dirk kunnen denken, die

"heelemaal aan den anderen kant van 't groote water" was.--

En, als 't nu weer voorjaar is, zal Baas Hendrik dan weer zeggen,

dat de kerseboom er met den herfst uit moet?--

Wel, wie weet of de oude doe-niet tegen dien tijd zijn leven niet

betert--je kunt 't nooit weten--en anders--ik heb er zoo wat van

hooren mompelen, dat Dirk van plan is over te komen om zijn oudjes

nog eens te bezoeken; misschien weet hij er dan ook nog wel wat op

te bedenken om den boom nog een jaar te sparen.

Weest er dan maar zeker van, dat Greetje en Klaartje daartoe wel een

handje zullen meehelpen!--

Verteluurtje · 第 17 / 28 题