"Zoo'n doe-niet, zoo'n sta in den weg," zei oude Baas Hendrik, terwijl
hij bij den knoestigen kerseboom op zijn bleekveldje stond. "Ja,
't is nu voor 't laatst, dat je een voorjaar beleeft; in den herfst
moet je er uit. 'k Heb lang genoeg geduld gehad. Altijd bladeren,
maar nooit kersen! Waarom heb 'k dán een kerseboom, als ik er nooit
kersen van plukken kan?"
Hendrik liep nu met korte, afgemeten stappen om den kerseboom heen
en schudde zijn bruine, verweerde vuist tegen den doe-niet.
Greet en Klaar, de kleine meisjes van den burgemeester, die bij
Trientje op de bank voor de keukendeur zaten, keken verschrikt bij
deze bedreiging van Hendrik tegen zijn kerseboom. Zij kwamen graag
bij de oude luidjes op visite en dan was deze boom met zijn lagen
stam en breede, knoestige takken een prettig kameraadje voor haar
beidjes. Ze konden er zoo gemakkelijk zonder hulp inklimmen, deden
gymnastische toeren aan de takken of zaten er schrijlings op bij het
paardje spelen.--Met groote oogen keken ze nu naar het bleekveld en
probeerden 't zich voor te stellen hoe dit er wel zou uitzien zonder
den kerseboom.
"Zeker erg raar," dachten ze.
"Neen, Hendrik moet hem laten staan," zei Greet op beslisten toon
als slotsom van haar overdenking.
"Dat doet hij niet," sprak nu Trientje droevig voor zich heen, "o neen,
dat doet hij niet. Hendrik heeft 't zich nu eenmaal in 't hoofd gezet,
dat hij er uit moet, omdat hij geen vruchten draagt en nu moet hij
er uit ook--och heden--de boom, dien mijn Dirk nog geplant heeft als
zoo'n kereltje!"-- En ze wees met haar taankleurige, rimpelige hand
een hoogte van een paar turven aan.
"Dirk, die al zoo lang in Amerika is?" vroeg Greet.
"Ja!"--Trientje zuchtte.--"Als ik naar den kerseboom kijk, denk ik
altijd aan Dirk, maar de baas--" ze wees op Hendrik--"de baas zegt:
je mag geen menschen en planten vergelijken--maar, ik kan 't toch niet
laten.... altijd als ik den kerseboom zie, denk ik aan mijn Dirk. En
nu zal hij er uit moeten."
"Als we nu 's met ons drieën aan Hendrik vroegen of hij mocht blijven
staan!" zoo stelde Klaar hoopvol voor.
Trientje schudde 't hoofd.
"Och nee, als de baas zoowat in zijn hoofd heeft, helpt er geen
redeneeren tegen. De baas zegt: hij heeft lang genoeg geduld gehad
en nu is 't uit. Neen, de kerseboom van mijn jongen, van mijn Dirk,
heeft wel zijn laatste voorjaar beleefd!"
"Maar als er nu van 't jaar toch nog 's kersen aankwamen," opperde
Klaar, die het zoo gauw niet opgaf; "er zitten toch bloesems aan! Kijk
maar!"
"Zoo'n enkel bloesempje zegt niets; dat heeft hij elk jaar gehad,"
sprak Trientje mistroostig. "Neen, 't is wel waar zooals de baas 't
uitdrukt: 't is een doe-niet, maar--ik kan hem toch zoo slecht missen!"
Oude Hendrik kwam met stijve, afgemeten passen op de bank
toegestapt. Hendrik was stijf en afgemeten in al zijn doen. Houterig
ging hij naast zijn vrouw zitten.
"Mag hij niet blijven staan?" vroeg Greet, terwijl ze naar den
boom wees.
"Toe--alsjeblieft," zei Klaar smeekend.
"Neen, neen," sprak Hendrik plechtig, "hij is mij lang genoeg tot
ergernis geweest; ik zou er zonde aan doen zoo'n doe-niet nog in zijn
kwaad te stijven."
"Maar--als er nu van 't jaar nog 's tien pond lekkere kersen
aankwamen," zei Klaartje en ze zag den ouden man vol verwachting aan.
"Dán kan hij blijven," klonk 't op denzelfden plechtigen toon.
De kinderen keken op naar de schaarsche bloesems.
"En als er nu maar 's twee pond aankwamen....?"
"Of één--of--een half," waagde Greetje te veronderstellen.
Klaar hield haar adem in. Wat zou nu 't antwoord wel wezen?