Tom van den burgemeester was een echte bengel! Wat hij al niet voor
kattekwaad uitvoerde--nu, daar konden de menschen op 't dorp een boekje
van opendoen--soms met een zucht, maar meestal met een lach want, hoe
ondeugend en lastig Tom kon zijn, ze mochten hem allemaal graag lijden
om zijn open, rondborstig karakter. Leelijk, geniepig plagen, valsch
doen bij werk of spel, mensch of dier expres leed veroorzaken--ho maar,
daar was onze Tom niet van thuis. Integendeel sprong hij altijd in de
bres, als hij andere jongens zoo zag handelen, en, al waren ze veel
grooter dan hij, met zijn vuisten moesten ze kennismaken, en ferm ook.
Geregeld een paar maal in de week, kwam Tom met een buil hier
of daar en gescheurde kleeren thuis, tot groot ongerief van zijn
Moedertje, dat met Juf maar druk werk had, om haar oudste netjes
in de plunje te houden. Maar als Tom dan zoo vol vuur vertelde van
't arme, kleine katje, dat hij uit de handen van Krelis en Teunis,
"die wreede boerenpummels", had bevrijd, ja, dan kon Moeder toch
niet boos blijven en was zelfs in haar hart trotsch op haar fermen,
kleinen ridder, terwijl ze 't minder fraaie woord, dat hem ontsnapt
was, maar op den koop toe nam.
Zijn zusjes, Greta en Mies, waren dol op hem en beschouwden hem
als een held. Tom kon alles en grooter feest wisten ze zich niet
voor te stellen, dan een poppenpartij in 't priëel met Tom er bij
als gast. Heel dikwijls gebeurde dit echter niet; gewoonlijk had de
bengel veel meer lust, om met zijn kornuiten te ravotten, dan zoo
voorzichtig met die breekbare poppen te moeten omgaan. Breekbaar, ja,
heel licht breekbaar; dat had hij al een paar maal tot zijn schade
ondervonden en daardoor was zijn spaarpot al weer zoo licht als een
veertje geworden. 't Sprak van zelf, vond Tom, dat hij Greta's pop,
Bella, een nieuw kopje gaf, toen hij die had gebroken, en dat Mies
een nieuw badpoppetje van hem kreeg, toen hij 't aardige, kleine,
rose Bébeetje bij een gevaarlijken toer had laten verongelukken. Daar
was Tom altijd vlot mee: had hij wat uitgevoerd, ruiterlijk bekende
hij schuld en was dadelijk bereid, de schade weer goed te maken.
Bij zoo'n gelegenheid zei Vader eens: "Tom, Tom, tot nu toe heeft je
onbesuisdheid nooit onherstelbare gevolgen gehad, maar denk eens aan,
hoe vreeselijk 't zou zijn, als je door onvoorzichtigheid of woestheid
een ongeluk veroorzaakte, dat nooit, zelfs niet met den besten wil,
goed te maken was!"
Dat klonk ernstig en maakte indruk.
Een paar dagen lang deed hij werkelijk zijn best, wat minder wild te
zijn; Juf zei, dat ze wel een poosje vacantie kon nemen, nu Tom haar
zoo weinig verstelwerk verschafte.
Toen kwam de laatste schoolmorgen voor de groote vacantie. Alle
kinderen waren uitgelaten bij 't vooruitzicht, nu weldra vier lange
weken vrij te zullen zijn. De aandacht was niet meer bij de lessen,
doch de onderwijzers zagen gelukkig vandaag wat door de vingers en
lieten maar veel zingen. Heisa, wat klonk dat ferm en frisch! Tom's
stem werd boven alles uit gehoord.
't Was een uitkomst voor den levendigen jongen, zoo ongestoord de
blijdschap, waarmee hij tot overvloeiens toe vervuld was, te mogen
uitjubelen. Vier weken vacantie! Uit logeeren gaan naar Oom en
Tante in Scheveningen! Met de neven in zee zwemmen, stoeien in de
duinen! Geen wonder, dat Tom, met zoo'n verrukkelijken tijd in 't
verschiet, bijna niet stil kon blijven zitten. Zoo gauw de schoolbel
dan ook luidde, stormde Tom hals over kop naar buiten, schreeuwend,
tierend, van louter malligheid zijn kameraads de petten afslaand,
boksend met den een, schermend met den ander, bereid tot 't uithalen
van alle mogelijke grappen. 't Scheen wel, dat zijn bengelsnatuur
zich met vernieuwde kracht moest doen gelden, na den dwang, dien hij
zich de laatste dagen had aangedaan.
Eindelijk nam hij een handvol kiezelsteentjes van den grindhoop
aan den weg en keilde ze, zoo ver ze wilden gaan. Geen haar op zijn
hoofd dacht aan de waarschuwing van Vader, die hem zoo vaak op 't
gevaarlijke van steentjes gooien had gewezen.
Daar kwam een karretje op twee wielen met een ezel er voor gespannen
den weg af sukkelen.
"Wacht even," riep één van de jongens, maar Tom luisterde niet en ging
door met zijn uitbundig spel. O wee, daar trof hij 't ezeltje, dat
geducht schrikte en een zijsprong deed. De kar kiepte achterover! De
oude man, die er schrijlings op zat, tuimelde er af.
Alle jongens verdrongen zich om den gevallen grijsaard, die zich erger
bezeerd scheen te hebben, dan in 't eerste oogenblik gedacht werd.
"Leun maar op mij," zei Tom ongerust. "Toe dan; probeer eens op
te staan!"
"Ik kan niet, wezenlijk, ik kan niet! Mijn linkerbeen, o, ik geloof,
dat het gebroken is!"
Kermend liet hij zich weer op den grond zakken.
Tom keek radeloos rond. Met verschrikkelijke duidelijkheid klonken
hem nu Vader's woorden in de ooren: "nooit goed te maken, zelfs met
den besten wil nooit goed te maken!"
Een paar jongens hadden hulp gehaald op de dichtstbijzijnde
boerderij. Voorzichtig werd nu de gekwetste naar zijn huisje vervoerd,
dat een eindje buiten 't dorp stond, terwijl Piet van den smid en
Tom met de ezelkar volgden.
"'t Is een heele schâ voor hem," zei Piet, hoofdschuddend kijkend naar
't partijtje gebroken bloempotten en gehavende planten in de kar. "Hij
kwam zeker van de bloemenmarkt in de stad."
Tom antwoordde niet en probeerde zich te herinneren, of hij niet
nog ergens wat geld had. Zijn spaarpot was leeg, maar och, wat
zat hij dáárover te tobben! Die schade zou Vader desnoods graag
vergoeden. Neen, als 't dát alleen was....
Alsof Piet zijn gedachten had geraden, begon hij: "Als ik Janus was,
zou ik liever al mijn bloempotten breken, dan kreupel worden, en jij?"
"Kreupel? Denk je dat?" viel Tom verschrikt uit.
"'k Heb er een zwaar hoofd in; een been breken, als je zoo oud bent,
is geen gekheid. Misschien zal hij nooit weer goed kunnen loopen."
Tom werd zoo koud, alsof 't midden in den winter was. Janus
ongelukkig-worden door zijn onbedachtzaamheid--o, 't was vreeselijk om
't in te denken--maar als 't eens uitkwam zooals Piet zei, wie moest
dan voor Janus zorgen, wie den kost voor hem verdienen? Hij had kind
noch kraai op de wereld en leefde van 't geen zijn tuin opbracht. Tot
nu toe had hij 't wel niet ruim gehad, maar toch ook nooit armoede
geleden. Doch, als de oude man zijn plekje grond niet meer kon
bebouwen, niet meer in staat was zijn groenten, bloemen en vruchten
aan de markt te brengen.... Tom wou niet verder doordenken. Tot Piet's
verbazing sprong hij pardoes van 't wagentje en holde naar huis,
waar hij Vader en Moeder onder bittere tranen alles vertelde. Beide
spraken heel, heel ernstig met hem. Vader beloofde daarop dadelijk
naar Janus te zullen gaan zien, wat Tom al een beetje kalmer stemde,
evenals Moeder's voorstel, om alle schade eerst te betalen en dan
van Tom's weekgeld in te houden. Hij had dan tenminste 't gevoel,
dat hij deed wat hij kon.
't Scheen Tom toe, dat Vader eindeloos wegbleef. Ongedurig liep hij
heen en weer. Wat de zusjes ook verzonnen om hem op te beuren, hij
kon er niet eens naar luisteren. Telkens zag hij den ouden tuinder
kermend van pijn in zijn eenvoudig slaapkamertje en Vader, bedenkelijk
't hoofd schuddend, aan zijn bed staan.
Na een uur van vreeselijke spanning ontdekte Tom's scherpe blik een
tipje van Vader's hoed boven de heg. Hij popelde om er heen te vliegen
en was toch ook weer bang voor 't geen hij mogelijk zou hooren.
"Tom, Tom," riepen de zusjes, die vooruit gehold waren en nu met Vader
den tuin door kwamen: "'t Been is niet gebroken en de dokter zegt,
dat 't best terecht kan komen. Wees nu ook weer vroolijk."
"O Vader, is 't waar?" vroeg Tom, terwijl hij beurtelings rood en bleek
werd en hij begon wezenlijk weer te schreien. "Ik heb er Onzen Lieven
Heer zóó om gevraagd en nu ben ik zoo blij--dáárom huil ik"--en Tom,
de bengel, drukte zijn gezicht tegen de jas van Vader, die onderwijl
bedaard verslag deed van zijn bezoek.
Neen, 't been was niet gebroken, maar verstuikt en zou met eenige
weken rust weer in orde zijn, terwijl bij onderzoek gebleken was, dat
de val en de schrik voor den ouden man verder geen slechte gevolgen
hadden gehad.
Met opgeluchte harten gingen Vader, Moeder en kinderen nu aan 't
overleggen, hoe ze Janus gedurende zijn gedwongen rust 't best zouden
kunnen bijstaan.
Tom was stil; hij scheen iets op zijn eigen houtje uit te spinnen. Toen
de zusjes naar bed waren, had hij nog een apartje met Vader en
Moeder. 't Liefst zou hij daarop dadelijk naar Janus zijn gegaan om
hem te zeggen, hoe 't ongeval hem speet, maar Vader vond 't beter
den ouden man, die boven alles rust noodig had, nu niet meer te
storen. Den volgenden morgen kon hij immers zoo vroeg gaan als hij wou.
Nu, dit deed onze Tom dan ook. Vóór dag en dauw was hij er al op uit
en toen hij pas tegen de koffie warm, moe en stoffig terugkwam, keek
hij zóóveel vroolijker, dat de zusjes niet konden nalaten te vragen,
wat hij toch had uitgevoerd.
"'k Ben bij Janus geweest!"
"Was hij erg boos?"
"Nee, 't is me vreeselijk meegevallen" en Toms oogen schitterden. Meer
konden ze niet uit hem krijgen.
De volgende ochtenden verscheen Tom weer niet aan 't ontbijt en toch
was hij wel bijtijds op geweest. Mietje, de keukenmeid, verklaarde
tenminste, dat ze hem al in de vroegte het tuinhek had zien uitgaan.
Greta en Mies begrepen er niets van. Vader en Moeder haalden
glimlachend hun schouders op, als ze er naar vroegen en Tom, die
gewoonlijk pas weer tegen koffietijd kwam opduiken, wou er heelemaal
niet over spreken. Ja, 't scheelde niet veel, of Greta en Mies zouden
hem boos hebben gemaakt met haar vragen, vooral toen ze over zijn
logeeren bij Oom en Tante in Scheveningen begonnen.
"'k Blijf de heele vacantie thuis; nu weet je 't en zeur nu niet meer,"
zei hij korzelig. Daarmee moesten ze zich tevreden stellen.
Wat Tom dan toch zoo vroeg op 't pad deed en waarmee hij 't zoo druk
had, dat 't uit logeeren gaan er bij scheen te moeten inschieten?--
De marktbezoekers in 't naburige stadje, die gewoon waren hun inkoopen
bij Janus te doen, keken vreemd op, toen ze op zekeren ochtend een
blozend jongensgezicht met ronde appelwangen boven de manden jonge
groenten en vruchten in 't welbekende stalletje zagen uitkijken, in
plaats van 't gerimpelde, magere gelaat van den ouden tuinder. Maar
't bleek al spoedig, dat ze evengoed door dezen nieuwen koopman werden
bediend, die, al had hij in 't begin nog wel eens moeite om de juiste
dingen gauw te vinden, de lui met een grapje in hun humeur wist te
houden, zoodat ze niet ongeduldig van hem wegliepen. In plaats dus
van klanten te verliezen, kreeg Janus' stalletje er gedurig nieuwe
bij, die begonnen met mee te lachen om de snaaksche invallen van den
jongen en eindigden met ook van hem te koopen.
's Donderdags op de bloemenmarkt had hij letterlijk geen handen genoeg
om allen te helpen, die van hem bloemen en planten wilden koopen,
omdat ze nergens anders zulke mooie waar voor hun geld kregen.
Had 't ezeltje op den heenweg een heel wat zwaarder vrachtje te torsen
dan vroeger met den ouden baas, daar de nieuwe bij 't gewone partijtje
bloempotten nog een heele bezending planten en bloemen inlaadde,
die bij de achterpoort van burgemeesters tuin gereed stond, op den
terugweg had hij 't dan ook bijzonder gemakkelijk en mocht zijn baasje
gerust in 't leege karretje zitten.
En koopman Tom? Hoe vond die 't nieuwe leven? Had hij geen spijt van
de opgeofferde vacantiepret?
Nu, eerlijk gezegd viel 't hem in 't begin verbazend moeilijk om ferm
bij zijn besluit te blijven, vooral toen er brieven van de neven
kwamen vol opsommingen van de pret, die ze aan 't strand hadden,
en met dringende vragen om toch ook te komen aan het eind.
Met leede oogen zag hij Greta en Mies in zijn plaats gaan om van al
die heerlijkheden te genieten, terwijl hij zich vrijwillig moe maakte
met voor hem ongewoon werk en dat nog wel in de vacantie!
Maar wanneer hij dan voor Janus 't verdiende geld mocht uittellen
en de dankbare woorden hoorde van den ouden man, waren die spijtige
gedachten plotseling verdwenen en voelde Tom, zonder er uitdrukking
aan te kunnen geven, dat al 't plezier in Scheveningen niet opwoog
tegen de blijdschap, die hij op dat oogenblik smaakte.
't Kwam uit, zooals de dokter gezegd had. Met eenige weken rust was
Janus weer geheel in orde en op den laatsten dag van Tom's vacantie
kon de oude tuinder zijn werk weer zelf opnemen.
Dat was een gewichtige ochtend, toen koopman Janus en koopman Tom
samen naar de markt reden als waardig slot van deze weken.
Moeder stond er vroeg voor op en kwam ook inkoopen doen van groenten en
vruchten en ten slotte kocht ze een pot met mooie, vuurroode geraniums.
Dien vond Tom op zijn kamertje staan, toen hij 's middags thuis
kwam. Er was een strookje papier op een stokje in de aarde bij
gestoken. "Tot herinnering" stond er op geschreven; niets meer, maar
't was ook voldoende.
De herinnering aan deze zomervacantie was van grooten invloed op 't
verdere leven van bengel Tom, die, hoewel hij druk en vroolijk bleef,
toch veel van zijn onbesuisdheid en onbedachtzaamheid verloor.