Ze duwden zoo'n beetje tegen elkaar aan, de zes; ze giegelden en
smuusperden met elkaar en Doortje Rietspaan stond er naar te kijken met
haar groote, donkere oogen, die nu nog grooter en donkerder geleken.
"Als 'k jarig ben, mag ik van mijn Tante meisjes vragen," zei ze op
eens; "maar als jullie zoo vervelend doen, vraag ik je lekker niet."
"We zouden toch niet gekomen zijn, nietwaar Lien?" giegelde Gonne,
terwijl de anderen het uitproestten.
"Verbeeld je, op een partijtje bij dat kind!"
"Nee, geen partij," verbeterde Doortje eerlijk; "spelletjes doen en
raadseltjes opgeven en zoo--"
"Raadseltjes opgeven en zoo," bauwde Truus haar na.
"Dank je, hoor! Da's goed voor bewaarschoolkindertjes.--"
De tranen sprongen Doortje in de oogen. Overmorgen zou ze jarig zijn
en nu had Tante vandaag gezegd, dat ze een paar kennisjes op visite
mocht hebben.
Met een blij hartje was ze naar school gehuppeld. Als ze met zóó'n
invitatie kwam, zouden ze haar toch wel meetellen, dacht ze, en ze
had 't speeluur haast niet kunnen afwachten. Wie ze vragen zou? Ze
was nog maar zoo kort hier op school!
"Wel," had Tante gezegd, "de meisjes, die 't aardigst voor je zijn."
Och, Tante wist 't niet, dat de meisjes geen van allen aardig voor
haar waren. Doortje had 't nooit thuis verteld, omdat ze het zoo naar
vond en zich er ook over schaamde. Maar ze had bij zichzelf gekozen:
Mies, omdat die er zoo vroolijk uitzag en Jo, omdat ze vriendin met
Mies was, en Truus, omdat alle meisjes haar zoo aanhaalden en Bertha,
omdat ze naast haar zat. En nu,--nu deden ze zoo!
Doortje keek met een brandend gevoel in haar oogen naar de meisjes,
die geen acht meer op haar sloegen en gehurkt op den grond voor
't hek zaten.
Waarom sloten ze er haar toch altijd buiten? Ze bedacht toch van
alles om vriendelijk tegen ze te zijn met een griffel te leenen of
een potlood of door soms voor te zeggen. Als ze maar eens wat heel
groots kon doen, dan zouden ze misschien ook wel een klein beetje
van haar gaan houden!
Doortje keek verlangend naar 't vroolijke gedoe van haar zes
klasgenootjes. Ginds waren andere groepjes gezellig aan 't spelen en
zij--zij stond hier zoo zielig alleen.
De wind ruischte door de takken van den ouden
noteboom. Rrt--rrt--rrt--rrt.--Daar vielen weer een paar noten. Met
een harden plof kwamen ze op den grond terecht.
"Hè--jammer," zei Jo. "Weer allemaal tusschen de brandnetels! Geen
een naar dezen kant."
"Laat 's kijken, daar ligt er een. O nee, 't is een omgekruld blad;
wat vervelend!"
Gonne had opgekeken. "O, zie dat malle kind van Rietspaan eens!" riep
ze.
"O, als de Juffrouw dat bemerkt!"
Alle zes kwamen ze overeind; ze staarden met open mond en oogen naar
Doortje, die vlug over 't hooge hek klauterde en nu met een behendig
sprongetje midden tusschen de brandnetels en distels terecht kwam.
"Die durft, zeg!" klonk het bewonderend van Jo. "Verbeeld je, dat de
Juffrouw er nu eens aankwam!"
"Kom hier staan, Bertha; zoo, en jij ook, Truus; anders ziet ze haar
nog," riep Mies, net alsof Doortje een van hun clubje was, die ze
moesten beschermen en niet maar "dat kind."
Zes neusjes tegen 't latwerk gedrukt, zes paar oogen glurend door
de tusschenruimten, vol aandacht turend naar 't kleine, donkere
figuurtje, dat daar, of 't zoo maar niets was, dapper op verboden
terrein rondscharrelde tusschen de hooge brandnetels, die haar in
't gezicht sloegen telkens als ze bukte, en de scherpe dorens, die
haar jurk al hadden gescheurd en bloedige schrammen op haar handen
achterlieten.
"Er moeten er wel een boel liggen! Maar zeg, zou jij 't durven?" vroeg
Bertha.
"Nee hoor, al waren 't er honderd," antwoordde Jo.
"Ze is er zeker dol op!"
"Nou, ze vindt er ook nooit eens een!"
"Nee, omdat zij niet hier op ons plaatsje mag zoeken; nogal glad!" riep
Mies. "Jullie jagen haar altijd weg."
"En jij dan? Net of jij 't niet doet!"
"O, kijk toch eens wat een schort vol. Ze komt alweer terug."
"Als de Juffrouw nu nog maar even weg blijft."