Nu moet je weten, dat Wim allesbehalve laf was; hij was zelfs heel
flink. Dat ze hem nu allemaal voor een flauwen jongen aan zouden zien,
vond hij dus vreeselijk.
Driftig keerde hij zich naar de jongens toe en hij was op het punt
om te zeggen: "ik zal je toonen, dat ik 't best durf, net zoo goed
als jullie, 'k ga mee."--Maar toen op eens dacht hij aan Moeder;
hij zag haar bezorgd gezicht en herinnerde zich zijn belofte.
"Neen," zei hij flink; "ik doe 't tóch niet. Noem me maar bang,
als je wilt;--ik blijf hier."
't Was een saaie middag voor Wim. Heel dikwijls had hij een gevoel van
spijt over zijn opoffering. Dan kostte 't hem de grootste moeite niet
één, twee, drie onder het staketsel door te kruipen en naar de andere
jongens te rijden, die de grootste pret hadden op de Vaart, waar 't
ijs, ondanks de waarschuwende vlaggetjes, o wonder, toch sterk genoeg
bleek te zijn. Dan dacht Wim een oogenblik: "Maar als Moeder wist,
dat 't toch sterk genoeg was, zou ze 't misschien wel goed vinden."
"Neen," klonk 't stemmetje van binnen, "je hebt Moeder beloofd niet
te zullen gaan, als er vlaggetjes waren uitgezet en daaraan moet je
je houden--niet 't voor jezelf goed zien te praten."
Wim luisterde naar die waarschuwende stem, maar saai had hij 't daar,
op zijn eentje, bij al die krabbelaartjes; daar gaat niets af.
Tegen den tijd, dat ieder naar huis ging, zakte Wim ook af. Eigenlijk
was hij blij, dat de middag om was. Landerig slenterde hij op zijn
eentje naar huis. Hein en nog een paar jongens kwamen achter hem
aan. O, hij behoefde niet eens om te kijken om te weten, dat ze 't over
hem hadden, triomfantelijk, omdat 't ijs toch sterk genoeg was geweest,
hem uitlachten en voor bang uitmaakten.--Dat hinderde hem geducht.--
In de stille straat, waar Hein woonde, stond lange Toon, een jongen,
aan wien ze allemaal een hekel hadden, omdat hij valsch en geniepig was
en vol leelijke streken zat. Maar niemand durfde hem recht aan, want
hij was sterk en vocht valsch. Daarom gingen de jongens hem meestal
uit den weg. Nu was hij bezig 't kleine zusje van Hein, dat er aan 't
sleden was, te plagen; hij dreigde haar 't sleet je te zullen afnemen.
Toen Wim dit zag, vergat hij zijn eigen verdrietelijkheden.
Zonder bedenken vloog hij op den veel grooteren jongen aan.
Onderwijl waren de anderen naderbij gekomen, en toen Wim eindelijk,
met een buil op zijn hoofd, en een bloedneus, duizelig overeind
krabbelde, overwonnen, maar toch dadelijk bereid om weer van voren
af aan te beginnen, als 't noodig mocht zijn, was 't eerste, wat hij
hoorde, een luid bravo-geroep van Hein, die nu toch wel gezien had,
dat Wim geen bangerd was.
Hein nam hem mee naar binnen, om 't bloed van zijn gezicht te wasschen,
en boven, bij 't fonteintje, zei hij 't hem ook eerlijk.
En hieruit blijkt, dat Hein óók een ferme jongen was, evengoed als Wim.