GEEN BANGERD.

In de Kerstvacantie hadden Wim en zijn vrindjes, en nog een heeleboel

jongens en meisjes met hen, er aldoor op gehoopt, maar 't was niet

gekomen. In Januari hadden ze er toen stellig op gerekend, maar na

een paar dagen vorst was de dooi weer ingevallen. Dus, mis, hoor,

nog steeds geen ijs! Er waren er, die toen den moed opgaven en hun

schaatsen opborgen, maar oude menschen, die verstand van 't weer

hadden, beweerden, dat Februari nog wel eens echt wintersch zou kunnen

worden. Dat hadden ze al vaker beleefd: na slappen winter een echt

guur voorjaar met vorst en sneeuw en ijs. En 't bleek, dat die oudjes

't bij 't rechte eind hadden gehad. Begin Februari sloeg het weer om en

't werd nog een ouderwetsch nawintertje.

De scholen gaven 's middags vrijaf. De kinderen konden dus nog echt

hun schâ inhalen.

Even buiten 't dorp was een mooie baan, die druk bezocht werd;

al te druk, zeiden sommige jongens, die zelf goed konden rijden en

dus minachtend neerkeken op de krabbelaars, die hun daar den weg

versperden. Daarom gingen zij liever buiten de baan en reden op de

Vaart zelf, waar ze beter de ruimte hadden.

Maar op de Vaart was 't heel wat gevaarlijker. Wim's Moeder was er

niets goed over te spreken, toen ze er van hoorde. Eindelijk gaf ze

aan Wim's aanhouden toe, wanneer hij wilde beloven, niet op de Vaart

te zullen gaan, als er vlaggetjes geplaatst waren, tot teeken, dat

't ijs niet vertrouwbaar was.

Dit beloofde Wim en toen was Moeder gerust. Zij wist, dat ze op Wim

aan kon.

Vroolijk fluitend trok hij er op uit, met zijn schaatsen, aan de

riempjes bengelend, om zijn hals.

"We hebben al op je gewacht," zei Hein van den dokter, toen hij bij

de baan kwam. "'t Is hier zoo vol; ga je mee naar de Vaart? De andere

jongens gaan ook!"

Wim, die al van verre de vlaggetjes gezien had, probeerde er zich af

te maken. "Och, waarom--nu is 't hier toch niet zoo vol."

En toen Hein hem met alle geweld mee wou hebben, zei hij: "Maar

't ijs is er nog niet goed; zie je de vlaggetjes dan niet?"

Hein begon te lachen: "Och, schei toch uit met die flauwe

praatjes! Kees is 't daarnet gaan probeeren! Nou, als 't Kees kan

houden!"--

Kees, de dikkerd, kwam er ook bij. "'t IJs niet sterk?--Net zoo sterk

is 't als dit hier--wat ik je zeg!"

"Ik ga toch liever niet mee," zei Wim; "ik heb Moeder beloofd, dat ik

't niet zou doen."

"Uitvluchten!" riep Piet. "Je bent bang, anders niets, flauwerd!"

Verteluurtje · 第 9 / 28 题