"Die vervelende Piet stoot aldoor aan de tafel; ik kan nooit 's prettig
kleuren," riep Annie met een zeurig stemmetje uit. "Hè, Moeder, kijk nu
eens, zoo'n leelijke groene veeg op de jurk van 't boerinnetje! Daarnet
stootte hij ook zoo, net toen ik met de appeltjes bezig was; toen
zijn er allemaal roode halen over 't papier gekomen.--Nare jongen!"
"Annie kan ook niets velen," pruttelde Piet, in antwoord op Moeders
vermaning van wat stiller te zitten en hij liet zich van zijn stoel
glijden. In een wip had Annie haar penseel neergelegd en stond ook
op den grond. "Waar ga je naar toe?" vroeg ze haastig en volgde haar
broertje met de oogen.
"O neen, Piet, niet naar het speelhoekje; daar mag je niet komen." Zij
vloog er ook heen en ging met uitgespreide armen voor haar poppen,
ledikantje en wagentje staan.
"Ik mag best mijn bal krijgen," zei Piet; "is 't niet Moeder?"
"Natuurlijk; Piet heeft evenveel recht op 't speelhoekje als jij,
Annie!"
"Hij rommelt altijd in mijn poppenhuisje; ik kan nooit 's leuk met de
poppen spelen, of hij wil meedoen en dan brengt hij alles in de war,"
klaagde Annie. "Toe Piet, ga weg!"
"Neen, ik wil hier ook spelen."
"Dat 's niks mooi gekleurd," klonk 't bij de tafel. Daar stond Arnold,
die in de vensterbank had zitten lezen. "Dat hondje moet je bruin
met wit maken! Wacht, ik zal 't eens netjes voor je doen!"
"Moeder!"--Annie gilde 't uit. "Moeder, zegt u toch eens, dat de
jongens uitscheiden! Ik kan nooit 's prettig spelen; ze plagen
me altijd!"
"Dat 's ook wat, ik je plagen? Ik wil je juist helpen!"