TÒCH EEN GOED BEGIN!

Ben van Straten was de gelukkige eigenaar van een nieuwe prikslee; wàt

'n mooie was het! Zijn Vader, die timmermansknecht was, had 'm zelf in

zijn vrije uren gemaakt en Jaap, Ben's groote broer, had 'm een verfje

gegeven: lichtgroen, met een smal, geel biesje; vroolijk stond dat.

Niemand blijder dan Ben! Als de andere jongens nu weer op den

Heuvelweg gingen sleden, kon hij echt meedoen; heisa, zijn slee

was zóó licht, die zou alle anderen vooruitschieten, dat wist hij

zeker. Verleden jaar had hij er ook gesleed, ja, maar op een paar

aan elkaar gebonden planken. Pret had hij toen ook wel gehad, maar

't was toch niet het rechte geweest--als hij dan andere jongens op

"heusche" sleetjes naar beneden had zien glijden, had hij toch een

onvoldaan gevoel gekregen.--Nu zouden ze jaloersch op hèm zijn,

hem om zijn mooie, nieuwe slee benijden, vooral Piet van den bakker,

die had altijd zoo'n praats!

De slee was er nu wel, maar de sneeuw--die liet dit jaar lang op

zich wachten. De Kerstvacantie was bijna om en nog steeds was er geen

sneeuw gevallen.

Thuis begonnen ze er Ben al mee te plagen. 't Was elken morgen, zoo

gauw hij zijn oogen opendeed, zijn eerste vraag: "heeft 't vannacht

gesneeuwd?"

"Ja", zei Jaap op een ochtend voor de grap.

Ben kwam met een schreeuw van blijdschap overeind en vloog op zijn

bloote voeten naar 't venster van hun zolderkamertje.

Gesneeuwd?--Flauwe Jaap!--Geregend had het;--bah, kletsnat en vuil

grauw zag 't er buiten uit.--

Toen was Ben kwaad op Jaap; den heelen dag gaf hij hem geen goed woord.

Maar eindelijk gebeurde 't dan toch, wat Ben zoo vurig wenschte.

Op Oudejaarsmorgen hingen de wolken zwaar en laag en tegen twaalven

vielen de eerste donzen veertjes zachtjes, heel zachtjes, naar beneden.

"Als 't nu maar doorzet," zei Ben angstig; hij drukte zijn neus tegen

de ruiten en stond dan op eens weer buiten, om met zijn hoofd in den

nek naar boven te turen, naar de grijze, zooveel belovende wolken.

Langzaam, langzaam dwarrelden de vlokken, maar "echt sneeuwen" kon

je dit nog niet noemen, volgens Ben.

"Als 't maar blijft liggen!"--dit was zijn grootste zorg. Hij vroeg

er ieders meening over en hoorde, zooals 't gewoonlijk gaat, veel

tegenstrijdigs.

"'t Dooit in éénen weg," zei buurman, die een goeden blik op 't weer

heette te hebben.

"De wind waait uit den verkeerden hoek", beweerde Jaap met een

bedenkelijk gezicht; "modderpap wordt 't en anders niks."

"Vannacht komt er stellig een flink pak bij," zei Vader, toen hij voor

't middagmaal thuiskwam.

"Op 't plaatsje ligt al een wit laagje," vertelde Moeder hoopvol.

Ben, heen en weer geslingerd tusschen vrees en hoop, hield het

ten slotte met Vader en Moeder; die zouden 't wel 't beste weten,

dacht hij.

Toen 's avonds de Oudejaarsklokken luidden, was 't witte laagje al een

witte laag geworden. Ben juichte, toen hij zag, dat Vader de groote,

ouderwetsche paraplu klaar zette voor den kerkgang.

"Daar kunnen we alle drie onder," zei Vader; "Jaap moet dan z'n kraag

maar omhoog zetten."

Op den heenweg kon de paraplu dicht blijven, wat Ben erg speet,

maar teruggaande troffen ze een hevige sneeuwbui.

"Heerlijk voor de slee," riep Ben en telkens moest hij even onder

't beschuttende dak uitkijken om te zien, hoe hard 't wel sneeuwde.

Dien nacht droomde hij natuurlijk van sneeuw en nog eens sneeuw en

toen hij op Nieuwjaarsmorgen wakker werd, vroeg hij niet: "heeft

't gesneeuwd?" maar: "ligt er een flink pak?"

"Nee", zei Jaap, knorrig omdat hij wou uitslapen en Ben hem stoorde,

maar Ben was al bij 't raam en riep hard: "ja!--je weet er niks van,

Jaap, een hoop ligt er--jongens fijn! En 't sneeuwt niet meer en de

zon schijnt zoo mooi! Wat zal 't nou op den Heuvelweg leuk zijn!"

Hij schoot in de kleeren, gunde zich haast niet den tijd Vader en

Moeder Nieuwjaar te wenschen, en propte zijn boterhammen er in,

zoo'n haast had hij om weg te komen.

Vader lachte; hij had er schik in. "Laat 'm maar," zei hij

vergoelijkend tegen Moeder, "de jongen heeft er zoo lang op

gevlast"--en toen tegen Ben: "voorzichtig aan, hoor en veel plezier;

gebruik je slee maar goed!"

"Nou," riep Ben, al bij de deur, "dat zal ik wel,"--en hij zette 't

op een loopen, terwijl hij de mooie, nieuwe slee aan een touw meetrok.

Op den Heuvelweg waren al verscheidene jongens en meisjes, die Ben

kende. Vol trots baande hij zich een doortocht.

"Kijk 's, wat een mooie slee!" hoorde hij hier en daar fluisteren,

en dan keek hij expres onverschillig, alsof 't hem niet aanging,

terwijl toch zijn hart harder bonsde van plezier.

Toen 't op sleden aan kwam, was Ben den anderen telkens vooruit,

den hellenden weg af, juist zooals hij 't verwacht had; zijn slee

was rank en licht, daar kon geen enkele andere tegen aan. Hij klom

al weer naar boven, terwijl de anderen pas beneden aankwamen. Ben

werd er druk en overmoedig van.

Piet van den rijken bakker, die altijd gewend was alles 't best

en 't mooist te hebben, keek afgunstig naar de groene slee met de

gele biesjes. De zijne was ook pas nieuw, maar liep lang zoo vlug

niet. Gemelijk rukte hij zijn slee op de baan.

"Uit den weg," waarschuwde Ben, die juist met een troep naar beneden

gleed en Piet moest wel uitwijken, waarbij hij in de dikke, hoog

opgestuwde sneeuw aan den kant van den weg belandde.

Of Piet ook boos was!--Hij keek om zich heen en zocht naar een

voorwerp om er zijn woede op te koelen, daar Ben al weer ver buiten

zijn bereik was.

Een kleine, armelijk gekleede jongen bracht juist een wrak

Sunlight-zeep-kistje op de baan, waar een bleek kereltje van een jaar

of vier in zat.

"Je mag hier alleen maar met sleden komen," zei Piet dadelijk uit de

hoogte. "We hebben er geen zin in onze baan te laten bederven. Allo,

maak dat je wegkomt--" en hij gaf een schop tegen het kistje.

"Zeg, laat dat," riep de oudste, terwijl hij beschermend voor zijn

broertje ging staan, maar Piet, die grooter en steviger was, pakte hem

beet en gooide hem in de sneeuw. Ruw trok hij toen 't geïmproviseerde

sleetje naar den kant; er kraakte wat, maar Piet was er de jongen

niet naar om voorzichtig met andermans goed te zijn. Met zijn stevige

laarzen gaf hij 't kistje nog een schop en sprong daarop in zijn

eigen slee, die nu ongehinderd den weg af kon glijden.

Toen Ben vroolijk en opgewonden van de pret weer boven kwam met zijn

licht sleetje achter zich aan, zag hij 't zielige groepje staan. Hij

kende de jongens wel: 't waren Dirk en zijn kreupele broertje Hein,

kinderen van een arme weduwe, die in 't slopje, achter bij hen in de

straat woonde.

Dirk lag op zijn kniëen bij 't wrakke, krakerige kistje en bekeek

't met een bedenkelijk gezicht.

"Nee Heintje, 't gaat niet, jô; als 'k nou alleen was zou ik het

'r misschien op wagen, maar met jou doe 'k het vast niet. Huil maar

niet, der is toch niks aan te doen."

"Is 't kapot?" vroeg Ben meewarig.

Dirk kwam overeind.--"Nou, wel zoo wat," zei hij met een wijs knikje;

"'k zal zien dat 'k der Hein nog in thuis krijg, maar dan kan Moeder

'm wel onder den waschketel stoppen: brandhout is 't, anders niks."

Op 't hooren van dit vonnis over zijn dierbare sleetje begon Heintje

luidkeels te schreeuwen; de tranen biggelden over zijn bolbleeke

gezichtje.

"Piet dêe het," vertelde Dirk vertrouwelijk aan Ben; "zoo'n leelijke

aap, wat hoefde die der zich mee te bemoeien, we leien 'm ommers niks

in den weg?--Hein het al zoo dukkels 's morgens as tie wakker werd,

gevraagd, of ter sneeuw lag, omdat ik 'm beloofd had dat we dan zouën

sleeën--en nou--nou het ie der niks niemendal an.--Kom, we mosten maar

naar huis gaan, naar Moeder. Wat hei je der an om hier te kleumen;

we zouen ook niet zoo lang uitblijven, want Moeder wou naar de kerk

en dan mot ik op de kleintjes passen."

"Ikke wou eerst slee-ee-ën," snikte Heintje, "nog niet naar huis

toe, Dirk!"

Ben keek naar 't kapotte kistje, toen naar zijn eigen

spiksplinternieuwe slee--hè, hij werd er warm van.--Wat zei Dirk ook

weer?--Hein had zoo naar sneeuw verlangd, zoo vaak 's morgens bij

't wakker worden al gevraagd, of er sneeuw lag-- --net als hij--ja,

en nou lag er sneeuw en kreupele Heintje had er niks aan.

Ben veegde met zijn mouw langs zijn gezicht, hij zag

vuurrood.--"Zeg,"--klonk 't op eens, "zeg Dirk, zet 'm maar in

de mijne."

"Meen je dàt?" Dirk keek ongeloovig.

"Ja, waarom niet? vooruit, ik zal 'm wel vasthouden, til jij Hein er

dan in.----Zoo, en nou ga je maar op de baan en als je 'm op gang hebt,

spring je der zelf maar bij in.--Zeg jô, als je Piet ziet, dan kan je

'm lekker een langen neus maken!" Ben lachte, want dat gunde hij Piet

nu eens echt.

Bovenaan op de baan was 't een duwen en dringen van belang. Een oude

heer van een der omliggende villa's stond te midden van een troep

jongens hard te spreken. Ben kwam nieuwsgierig dichterbij; zijn slee

zat nog vast, de jongens hielden 'm tegen. "Gelijk afglijden," werd

er geroepen.

"Als ik "drie" heb gezegd, dan gaan jullie," sprak de oude heer,

"en wie 't eerst beneden is, krijgt een mooi mes van me; jij bent

scheidsrechter," zei hij tegen een grooten jongen; "als de wind naar

beneden en goed opletten of 't geregeld toegaat."

Meteen werden de sleden in postuur gezet; Ben's slee ook. Dirk wou

er weer afgaan en Ben roepen, maar de oude heer duwde hem op zijn

plaats terug.

"Neen, neen, wie in de slee is, blijft er in; niet weer omruilen."

"Een, twee, drie!" klonk 't en de sleden gleden af. Ben had een

wonderlijk gevoel, toen hij daar aan den kant van den weg zijn slee

stond na te zien, die nu, zonder hem, meedeed aan een wedstrijd. Een

prop schoot hem in de keel. Wat leuk zou 't geweest zijn zelf de slee

te besturen, zelf de glorie van de overwinning te hebben, want Ben

twijfelde er niet aan of zijn slee zou 't winnen.--Kijk, hij was den

anderen al vooruit!--Hè, Piet voorbij te stuiven--dat zou me wat zijn

geweest!--En dat nou Dirk en Hein dat plezier hadden, Dirk en Hein,

voor wie een gewoon toertje in z'n slee al een heel pretje zou zijn

geweest!--De tranen sprongen Ben in de oogen.--Als hij dat vooruit

geweten had!--

Een oorverdoovend lawaai onder aan den Heuvelweg. Ben ging op zijn

teenen staan, spande zich in om te kijken. Ja hoor, 't was wel net

zooals hij gedacht had, zijn slee had 't gewonnen.

Daar kwamen ze weer aan, hijgend en stoeiend.-- --Dirk een eind achter

de anderen aan, moeielijk zeulend met de slee, waarin Heintje zat.

"Dat hei je der nou van," sarde Piet, toen hij langs Ben kwam,

"die bedeljoggies gaan met 't mes strijken. Kijk 's, hij huilt der

om! Zoo'n spijt het ie."

"Dat 's nietis!" riep Ben driftig uit, "'k heb der geen spijt van!" en

werkelijk was op dit oogenblik 't gevoel van spijt geheel bij hem

verdwenen.--"'k Vind jou een nare jongen; een windbuil ben je, nou

weet je 't--wat hoefde je hun slee stuk te maken?"

"Dat ouwe kistje?" spotte Piet smalend.

"Piet is kwaad, omdat ie 't zou gewonnen hebben, als die groene slee

met de gele biesjes er niet was geweest," lachte de groote jongen,

die scheidsrechter was. "Waar blijft de overwinnaar?"

Terwijl Ben 't voor zijn beschermelingen opnam en Piet aanvloog,

bracht de groote jongen Dirk en zijn broertje bij den ouden heer, om

't mes in ontvangst te nemen.

Ben en Piet vochten als kemphanen, met als toeschouwers een

kring belangstellende jongens er om heen, die hen met luide kreten

aanhitsten.--Eindelijk vond Ben, die door zijn grootere behendigheid

Piet de baas bleef, het welletjes; hij liet den ander los en deze

droop af.--Ben streek zich 't haar uit 't gezicht; hij had een buil op

't voorhoofd en zijn pak was gescheurd. Deze ontdekking ontnuchterde

hem wel wat. Landerig baande hij zich een weg door de jongens.

"Hier," zei de scheidsrechter, "hier is je slee en ik moest je nog

wel bedanken van die kleine jongens. Ze zijn met hun eigen equipage

weggegaan, terwijl jij aan 't bakkeleien was," en hij lachte om

zijn aardigheid.

"'n Mooie equipage, zeg, 'n oud zeepkistje," meesmuilde een ander,

er op ingaande.

Ben zei niets en ging naar huis. Hij trok zijn slee achter zich

aan, alsof 't een stuk lood was.--Moeder zou wel brommen, het was

zijn tusschenpak: verleden jaar nog had hij 't voor den Zondag

gedragen. Moeder was zelf zoo vreeselijk zuinig en precies op de

kleeren--ja, dáár zou stellig wat op zitten! Misschien mocht hij wel

nooit meer op den Heuvelweg gaan sleden!

Hoe dichter Ben bij huis kwam, des te langzamer sjokte hij voort.

Maar in 't begin van zijn straat stond Dirk, Dirk met een stralend

gezicht; 't mooie mes hield hij in de hand.

"Zeg Ben, 'k heb der bij je thuis al alles van verteld en je Moeder

zei, dat ik 't je zelvers mocht geven.--Hier--"en hij stak hem 't

mes toe. "Dat 's eerlijk van jou."

Ben stribbelde eerst wat tegen, maar moest het ten slotte toch

aannemen. "Wij hebben al zooveul pret der van gehad, dat wij

't wonnen!" riep hij glunder. "Je hadt Heintje 's motten hooren,

toen we Piet voorbij vlogen--man, 't was zoo leuk!" En zijn ouwelijk

gezichtje stond bepaald oolijk, nu hij hieraan terugdacht.

Ben was wel blij met 't mes, maar--'t gescheurde pak, zie je, en de

mogelijke gevolgen.----Dirk liep met hem op.--"Je Moeder zal der wel

niet kwaad om wezen," zei hij opbeurend, "ze weet al, dat je met Piet

gevochten hebt om ons."

"Ja?" Ben keek hem weifelend aan.

Nu waren ze bij de deur. Dirk gaf hem een aanmoedigend duwtje.--"Nou,

dag hoor!"

"Dag," mompelde Ben werktuigelijk terug en sloop naar binnen.--

"Wel, Ben," zei Vader, toen 't gezin aan het middagmaal weer vereenigd

was, "hoe heb je het gehad, jongen? Zonder tuimeling is het niet

gegaan, zie ik"--hij wees naar de buil--"en heeft de slee zich goed

gehouden?"

"Ja Vader," antwoordde Ben, die weer een heel pak aan had, en hij

keek wat verlegen. Moeder had daarnet niet veel gezegd; hij geloofde

wel niet, dat ze erg boos was, maar toch----hij kon er niet goed

wijs uit worden en hield zich daarom maar wat stil----was in zijn

schulp gekropen.

"Ze hebben een wedstrijd gehouden en Ben z'n slee heeft het gewonnen,"

vertelde Moeder.

"Ben z'n slee? Maar dan toch niet zonder Ben?"--Vader keek alsof hij

er niemendal van begreep.

Ben knikte met een vuurroode kleur. "Maar ik heb den prijs," zei hij

gauw en liet Vader en Jaap 't mooie mes zien.

Toen vertelde Moeder wat ze van Dirk wist.

Ben zat met voorovergebogen hoofd. Zoo meteen zou Vader 't van het

gescheurde pak hooren, dacht hij, en dan-- -- -- --

Voordat 't evenwel zoover was, lei Vader hem de hand op den

schouder. "Dat 's een goed begin geweest, mijn jongen," was al wat hij

zei, maar iets in zijn stem deed Ben verrast opkijken. Hij ontmoette

Vaders vriendelijken blik en haalde verruimd en diep adem.

"Een goed begin?" herhaalde Moeder, "maar man--met zóó'n scheur in

zijn pak kwam hij thuis!"

De toon, waarop Moeder dit zei, moest quasi boos heeten, maar meteen

knikte ze Ben toe en lachte tegen hem.

Toen pas was Ben er gerust op; hij lachte ook en schoof dicht bij de

tafel. Gezellig toch zaten ze nou met z'n viertjes!

Of Dirk en Heintje 't ook wel zoo goed zouden hebben als hij?....

"Hij denkt aan wat prettigs," zei Jaap op eens, toen 't een poosje

stil was geweest, en hij wees naar zijn broertje.

Ben lachte weer. Jaap had 't wel goed gezien,-- --hij dacht net bij

zichzelf, dat hij Dirk en Hein morgen eens met zijn slee zou afhalen,

als 't tenminste vannacht niet allemaal wegdooide, en wat ongerust

vroeg hij aan Vader of deze dacht, dat de sneeuw nog zou blijven

liggen.

"Ik denk 't wel," was 't antwoord.

"Gelukkig," en Ben knikte tevreden; meer zei hij er niet over.--Jaap

kwam dus niet te weten, wat dat prettige was, waaraan Ben zoo

stilletjes bij zichzelf had zitten denken; daar hoefde je vooruit

niet over te praten, vond Ben.

Verteluurtje · 第 5 / 28 题