glimlachend. „Iets dergelijks dacht ik ook. We zullen het trouwens
vanavond weten, want ik zal niet rusten, voor wij dien jongen snuiter
eens nader aan den tand hebben gevoeld.
HOOFDSTUK VI.
EEN SCHURK IN DE KLEM.
Het was omstreeks half acht in den avond voor Raffles en Charly, na
zich te hebben vermomd, in een huurauto stapten, die hen naar de Maiden
Lane zou voeren.
Beiden wisten dat hen een zware taak te wachten stond, want de jonge
Heywood leek er de man niet naar te zijn om zich voetstoots gewonnen te
geven.
Gedurende den rit spraken zij weinig, want hun gedachten waren geheel
vervuld van het geheimzinnige drama in de chemische fabriek.
Eindelijk stond de auto stil en de twee mannen stapten uit.
Zij bevonden zich voor een groot huis, hetwelk blijkens een groot
koperen bord naast de deur als pension was ingericht.
Raffles belde aan en de deur werd geopend door een oude dienstmeid.
„Is mijnheer Heywood thuis?” vroeg Raffles, en tegelijkertijd drukte
hij de oude getrouwe een geldstukje in de hand.
„Als u voortmaakt, zult u hem misschien nog juist treffen mijnheer,
want als ik mij niet vergis, wilde mijnheer Heywood naar een schouwburg
gaan, hij heeft een dame bij zich.”
De oude meid haalde haar neus zeer hoorbaar op terwijl zij dit zeide,
blijkbaar om aan te toonen, dat de dame in kwestie niet veel zaaks was.
Maar dit kon de beide mannen al heel weinig schelen, en zij begonnen de
trappen te beklimmen nadat zij van de dienstbode hadden vernomen op
welke verdieping hij woonde.
Toen zij halverwege de trap van de derde etage hadden bestegen, stond
Charly even stil, snoof in het rond en fluisterde:
„Wij zijn zeker onder den wind der jonge dame, ik meen haar nadering
reeds te ruiken.”
„Ja, zij gebruikt Jockey Club, en niet van de fijnste soort,” kwam
Raffles. „Laten wij ons haasten, anders loopen wij den jongen spring in
het veld nog mis!”
Zij bestegen haastig de bovenste treden van de trap, en stonden nu
tegenover Adolph Heywood en een vrouw in een lichtgrijzen avondmantel,
sterk gedecolleteerd, en met een onmetelijken hoed op, waarvan een
groote reigerveer afhing.
Zij was dik geschminkt en verspreidde een lucht, waarvan Charly
naderhand verklaarde, dat zij een sterk man op tien passen afstand had
kunnen neervellen.
Deze dame was bezig haar handschoenen dicht te knoopen en de klerk
hield zich onledig met het aansteken van een versche sigaret.
Hij was zeer modieus gekleed en een groote gardenia stak in het
knoopsgat van zijn lichte overjas.
„Ik vraag duizend maal verschooning, mijnheer Heywood, als ik u soms
kom storen,” begon Raffles met den hoed in de hand, „maar ik zou u
gaarne over een zeer gewichtige aangelegenheid even willen
onderhouden.”
De klerk fronste de wenkbrauwen en zeide:
„Eigenlijk ben ik gehaast mijnheer, is het werkelijk van zoo veel
belang wat gij mij te zeggen hebt?”
„Van zeer groot belang.”
„Maar ik sta op het punt naar een schouwburg te gaan,” hernam Heywood
ongeduldig.
„Naar welke, als ik vragen mag?” vroeg Raffles.
Heywood keek hem even verbaasd aan en antwoordde bijna zijns ondanks:
„Naar het Haymarket theater!”
„O, dan verliest gij niet veel als gij niet gaat,” kwam Raffles met
uitgezochte beleefdheid. „Ik ken het stuk, de schrijver is een prul.
Gij zoudt uw tijd slechts beklagen, dien gij er aan besteed, ik
verzeker u dat het onderwerp van ons gesprek veel belangwekkender zal
zijn.”
De vrouw had intusschen ongeduldig staan wachten, en vroeg nu tamelijk
scherp zich tot den klerk wendend:
„Hoe is het? Gaan wij, of gaan wij niet?”
Onmiddellijk wendde Raffles zich tot de demi-mondaine, en zeide nog
steeds even beleefd:
„Niemand zal u weerhouden, madame, het Haymarket theater gelukkig te
maken met uw aanwezigheid!”
„Zulk een onbeschaamdheid heb ik nog nooit beleefd,” riep de vrouw
toornig uit, „duldt je dat, Adolph?”
Voor de klerk iets had kunnen antwoorden, zeide Raffles vriendelijk:
„O, ja, zeker duldt mijnheer Heywood het, hij is van een goedig
karakter, ik ken hem; maar ik geloof, dat ik de trap voor u versper.”
Haastig trad Raffles terzijde, om de vrouw doorgang te verleenen.
Deze wierp hem een giftigen blik toe en zeide toen:
„Ik wacht tien minuten op je, Adolph, maar als je er dan nog niet bent
dan ga ik alleen.”
„Maar Madame, ik zou niet graag de oorzaak zijn, dat ge hier tien
minuten vruchteloos zoudt moeten wachten, ons gesprek zal zeker wel een
half uur duren,” hernam Raffles sarcastisch.
„Maar weet gij wel mijnheer, dat gij buitengewoon lastig zijt?” riep
Heywood nu toornig uit. „Ik heb veel lust om u...........”
Misschien had de jonge man willen zeggen, dat hij zijn bezoeker gaarne
de trap af had willen werpen, maar een enkele blik in de koude oogen
van zijn bezoeker deed hem van plan veranderen.
„Ik heb veel lust om mij niet aan uw verzoek om een onderhoud te
storen,” voleindigde hij den zin.
„Dat zou mij veel verdriet doen, om uwentwille,” hernam Raffles, „het
is wezenlijk van veel belang.”
Hij liet zijn stem tot een zacht gefluister dalen en vervolgde, de
oogen strak op het gelaat van Heywood gevestigd:
„Ik wilde u gaarne eens over den fabrieksbrand spreken. Daarover en
over mijnheer Macdara.”
De jonge klerk deed een stap terug, en verbleekte zichtbaar.
Hij had echter zijn zelfvertrouwen en zijn onbeschaamdheid hervonden en
zeide schouderophalend:
„Ik wil u wel eenige minuten te woord staan, mijnheeren, al begrijp ik
volstrekt niet wat gij van mij kunt wenschen.”
Hij wendde zich tot de vrouw en vervolgde:
„Je moet mij tot mijn spijt verontschuldigen, Constance, ik zal het
eerste half uur waarschijnlijk niet tot je beschikking kunnen zijn.”
De jonge dame uitte een vloek, die een kaaiwerker haar zou hebben
benijd, en verdween ijlings langs de trap, en het was alsof zij in haar
kwaadheid een wolk giftgas verspreidde, die nog geruimen tijd op het
portaal bleef hangen.
Heywood keerde op zijn schreden terug, na de twee vrienden met een
zwijgend gebaar te hebben uitgenoodigd hem te volgen.
Hij opende de deur van zijn woning, en even later zaten de drie mannen
in een zeer eenvoudig gemeubeld vertrek, dat tevens als slaapkamer was
ingericht. Heywood had zich tevens van zijn handschoenen ontdaan en
begon nu:
„Gij zult mij de opmerking ten goede houden, mijne heeren, dat het wel
iets zeer belangrijks moet zijn hetgeen u noopt een dame geheel alleen
te laten vertrekken, en aan haarzelve over te laten.”
„O, maak u over haar vooral niet ongerust, mijnheer Heywood,” kwam
Raffles met een spottend lachje. „Over vijf minuten zal zij opnieuw in
gezelschap zijn—wees daar maar zeker van. Ik wil volstrekt niets
afdingen op uw hoedanigheid als geestig causeur en mijnentwege als
danser, maar daarom is het deze dame in de allereerste plaats niet te
doen, een ander jongmensch dat over veel geld beschikt zal met het
beste gevolg uw plaats kunnen innemen.”
Heywood had de lippen opeen geklemd en was van plan een grofheid te
zeggen, maar de laatste opmerking deed hem voorzichtig zijn.
De klerk was een zeer voorzichtige jongeman, en hij had een zeer fijn
gevoel voor zekere intonaties in de stem van de menschen die met hem
spraken.
Hij keek Raffles en Charly beurtelings met een loerenden blik aan en
zeide toen:
„Gij denkt toch niet dat ik rijk ben?”
„En gij denkt toch zeker niet, dat wij denken, dat die jongedame van
zooeven U alleen bemint terwille van uw schoone oogen?” vroeg Raffles
scherp.
Hij was onder het spreken opgestaan, en betastte nu de jas, welke
Heywood nog steeds aanhad, draaide haar met de voering naar buiten,
streek over de zijden lapellen, en vervolgde toen goedkeurend en op een
geheel anderen toon:
„Een mooi jasje. Een fijn, duur jasje, confectie maar duur. Een jas van
een pond of twintig. Maar voor den drommel mijnheer Heywood, zulke
jassen worden tegenwoordig alleen door zeer rijke lieden gekocht,
waarom ontkent gij toch dat gij er warmpjes inzit, dat is toch geen
schande.”
Verbluft, en ondanks zich zelf verschrikt staarde Heywood Raffles aan.
Toen viel hij uit:
„Uw optreden is zeer zonderling, mijnheer, en ik begrijp volstrekt niet
waarmede gij u bemoeit, maar toch wil ik u wel even zeggen, dat ik als
eerste klerk een zeer behoorlijk salaris verdien.”
„Vijf pond in de week,” zei Raffles kalm.
Heywood stond op en riep nijdig:
„Hoe weet gij dat mijnheer, ik wil zeggen, wat wilt gij eigenlijk?”
„Ik, ik wil in het geheel niets, mijnheer Heywood, ik maak maar een
paar opmerkingen zoo in het wilde weg, gij rookt daar een fijne
sigaret, Queens naar ik meen, een duur merk, vijf pence per stuk.”
Hij had het wandelstokje van den jongen klerk in het vizier gekregen en
liet een bewonderend gefluit hooren.
„Bij Jove, dat is niet mis,” zeide hij, „echt indisch riet, en een
ivoren knop, laat eens zien wat zou dat stokje kosten, nu op zijn minst
drie pond, en pas gekocht gister waarschijnlijk, want het ijzeren dopje
onderaan is nog geheel rond.”
Heywood was bleek van drift geworden en rukte Raffles den wandelstok
uit de hand, terwijl hij uitriep:
„Nu is het genoeg mijnheer, wilt gij mij nu eens eindelijk zeggen wie
gij zijt, en wat gij hier komt doen?”
„Onmiddellijk tot uw dienst, mijn waarde Heywood, ik ben de man, die u
moet vermoorden.”
Heywood, die weer was gaan zitten, schoof zijn stoel met een ruk
achteruit, en keek Raffles met een angstig gelaat aan, blijkbaar dacht
hij met een krankzinnige te doen te hebben.
„Wat moet dat beteekenen, mijnheer, wat bedoelt gij met die woorden?”
vroeg hij heesch.
„Niets anders dan ik zeg, mijn waarde heer. Ik heb van een
vriendschappelijken vriend, zullen wij maar zeggen, de vereerende
opdracht gekregen, u het levenslicht uit te blazen, tegen een
honorarium van duizend pond, en nu ik u gezien en gesproken heb, moet
ik eerlijk bekennen, dat het schitterend betaald is.”
Heywood was langzaam weer opgestaan en leunde zwaar op de tafel.
„Drijft gij den spot met mij, mijnheer, of spreekt gij de waarheid?”
vroeg hij op schorren toon.
„Ik spreek de volle waarheid,” hernam Raffles bedaard.
„Dan, ..... er is maar een man op de wereld, die er belang bij kan
hebben, dat ik niet meer tot de levenden behoor,” riep Heywood uit
terwijl hij met de vuist op tafel sloeg.
„En die man heet Thomas Macdara,” vulde Raffles den zin aan.
Heywood keek Raffles met wijd open gesperde oogen aan, en stamelde
heesch:
„Gij weet blijkbaar meer van de zaak, maar ik ben niet gek, ik zal mij
niet verspreken, wees daar maar niet bang voor. Gij ziet er in het
geheel niet uit als een man, aan wien Macdara zou kunnen opdragen, een
ander van het leven te berooven.”
„Ik dank u voor dit compliment,” hernam Raffles spottend. „Gij hebt
trouwens gelijk. Maar op het oogenblik waarop mij het voorstel werd
gedaan, zag ik er heel anders uit. Wij waren in de Cannon Street, een
buurt waar de misdaad welig tiert, en daar in een wijnhuis kwam uw
voormalige patroon en droeg mij op u te dooden, gij schijnt hem in den
weg te staan, en hij haat u als de pest.”
Een oogenblik stond Heywood met gebalde vuisten stil voor zich heen te
staren, en eensklaps barstte hij uit:
„Zoo, is dat de zaak, nu wij zullen eens zien, wie het laatst lacht,
mijnheer Macdara.”
„Dat wil zeggen, dat gij zult spreken?” vroeg Raffles langs zijn neus
weg.
„Oho, zoo ver zijn wij nog lang niet, mijn waarde heer,” antwoordde
Heywood spottend. „Zie eens ik wil er geen geheim van maken, dat
mijnheer Macdara mij geld gegeven heeft, opdat ik zou zwijgen over een
zaak, die hem zeer onaangenaam zou kunnen worden.”
„Ha, ha. Gij drukt u zeer kiesch uit, mijn waarde heer Heywood,” riep
Raffles uit. „Gij zult toch wel weten, dat er minstens vijf jaar
gevangenisstraf op staat voor moedwillige brandstichting?”
Heywood wierp Raffles een eigenaardigen blik toe, en zeide langzaam:
„Ei, nu, dat valt mij nog al mee.”
„Iets anders heeft de fabrikant immers niet op zijn geweten?” vroeg
Raffles, en hij keek den ander scherp aan. „Ik vraag het u, omdat gij
op dien avond in de fabriek geweest zijt.”
Raffles wist dit volstrekt niet zeker, en sloeg er maar een slag naar,
zooals men zegt, maar de slag trof doel.
Heywood werd krijtwit, en begon over al zijn leden te beven.
„Wie zegt dat?” vroeg hij met een vergeefsche poging zijn stem eenige
vastheid te geven.
„O, al wist ik het niet, dan zou uw houding u verraden, waarde heer.
Gij waart er, en gij hebt gezien wat Macdara er kwam doen. Kom, laten
wij geen tijd verspillen, in de gevangenis zucht een jonge man, die
totaal onschuldig is aan hetgeen men hem ten laste legt, wat gij ook
heel goed weet. Ik weet niet, of het u bekend is, dat een zeer zware
straf staat op ....... chantage van de soort als waaraan gij u hebt
schuldig gemaakt. Het kan u ook een jaar of vijf, misschien meer
kosten. Als ik u was, zou ik maar eerlijk opbiechten, voor het te laat
is.”
„Zeg mij, wie gij zijt,” zeide Heywood toonloos, en blijkbaar aan een
hevigen innerlijken strijd ten prooi.
„Wij zijn particuliere detectives, mijnheer Heywood.”
„Zoudt gij denken, dat ik nog vrij uit kan gaan, wanneer ik nu alles
zou bekennen?” vroeg de klerk schor.
„Voor zoover het in onze macht staat, kunnen wij u wel belooven, dat er
geen werk van de zaak zal worden gemaakt mits gij nu alles opbiecht.”
Heywood aarzelde nog even, de verlokking van het geld was wel zeer
sterk, maar aan den anderen kant bedacht hij, dat Macdara hem
laaghartig had willen laten vermoorden.
En tenslotte won zijn wraakzucht het van zijn begeerigheid, hij had
toch reeds een goed bedrag binnen, en als de waarheid op andere wijze
aan het licht kwam, zou hij toch zeker niets meer krijgen.
Hij richtte zich dus op, kruiste de armen over elkander, en zeide
vastberaden:
„Luister dan, dan zult gij hooren, op welke wijze Macdara eerst Palmer
vermoord heeft, en toen de fabriek in brand heeft gestoken, teneinde
zijn misdaad te verbergen.”
Charly liet een kreet van afgrijzen hooren, daaraan had hij nog niet
gedacht.
Dus Macdara was de moordenaar van zijn compagnon.
Heywood verzamelde even zijn gedachten, en deed toen het omstandig
verhaal van zijn ervaringen op den avond van den fabrieksbrand.
Zonder hem een enkele maal in de rede te vallen, luisterde Raffles en
Charly naar de verklaringen van den klerk.
Toen Heywood eindelijk ophield met spreken, en zich met zijn zijden
zakdoekje het zweet van zijn voorhoofd wischte, zeide Raffles:
„Dus, hij pleegde den moord, nu ik wil eerlijk bekennen, dat ik daarop
niet verdacht was, mijnheer Heywood, ik ben niet gewoon van mijn hart
een moordkuil te maken, gij zijt een schurk in optima forma, minder
omdat gij geld van den moordenaar hebt aangenomen, in ruil voor uw
stilzwijgen, maar het meest, omdat gij het over uw hart hebt kunnen
verkrijgen, een onschuldige bloot te stillen aan de kans dat men hem
naar het schavot zond. Eigenlijk heb ik veel lust geen consideratie met
u te gebruiken, maar u eenvoudig door de politie te laten halen, wij
willen echter uw prille jeugd in aanmerking nemen. Geef mij nu dien
knoop en het briefje, dat Miss Maud aan Palmer geschreven heette te
hebben, en dat natuurlijk afkomstig is van den moordenaar. Gij zult er
toch geen gebruik meer van kunnen maken maar wij des te meer.”
Nog even scheen hij te aarzelen, maar toen ging hij naar een kleine
secretaire, opende die, en nam uit een lade een klein pakje, waarin de
brief en de manchetknoop bleken te zitten. Hij overhandigde beide
voorwerpen aan Raffles en zeide:
„Ziedaar, doe er mede wat gij wilt, maar gij hebt mij beloofd dat ik
buiten het geding zal blijven.”
„Slechts onder deze voorwaarden, dat Macdara bekent. Doet hij dat niet
dan zal uw getuigenis onmisbaar zijn, ik reken er dus op, dat gij u ter
beschikking der justitie houdt.”
„Als ik daardoor dien schurk aan den galg kan helpen, dan heb ik er
zelf wel een paar jaren gevangenisstraf voor over,” riep Heywood met
woest schitterende oogen uit.
HOOFDSTUK VII.
ONVOORZIENE VERWIKKELINGEN.
Raffles en Charly verlieten haastig het huis, waar zij zulke kostbare
aanwijzingen betreffende de schuld van Macdara hadden gekregen.
Zij riepen een huurauto aan, en gaven den chauffeur last, hen naar
Regentstreet te brengen. Zoodra de auto zich in beweging had gesteld,
riep Charly uit:
„Alles had ik kunnen gelooven, maar dat niet.”
„Ach, als de mensen door gouddorst gedreven wordt, dan telt hij het
leven van zijn evenmensch niet,” kwam Raffles, „ik acht Macdara juist
wel in staat voor zulk een daad, hij is het type van den man die voor
niets terug deinst, als het de bereiking van zijn doel betreft, hij
wilde rijk zijn, en hij wist, dat daartoe noodig zou zijn zich meester
te maken van de formule van het Palmerit. En daar Palmer hem die
natuurlijk niet goedschiks zou geven, daarom beraamde hij het helsche
plan.”
„Gij gaat nu natuurlijk den booswicht dadelijk aangeven?”
„Dat spreekt van zelf, wij zullen eerst dineeren, want ons middagmaal
is er bij ingeschoten, en dan zenden wij dadelijk een boodschap naar
Scotland-Yard.”
Het was reeds vrij laat, toen de twee vrienden eindelijk in de kleine
eetzaal in het huis aan de Regentstreet gezeten waren, en zich te goed
deden aan een eenvoudig maal.
Om tien uur stonden zij op teneinde zich naar de bibliotheek te
begeven, waar Raffles het schrijven aan Scotland-Yard zou opstellen.
Hij voegde er den brief en den manchetknoop bij, en deelde mede,
hetgeen Heywood hem had verklaard.
Natuurlijk noemde hij in het geheel niet zijn naam, maar onderteekende
den brief met den eersten den besten naam die hem wilde invallen, en
voegde daarbij het woord „Particulier Detective”.
Charly zou den brief met een der snelle auto’s naar het hoofdbureau van
politie gaan brengen, en om niet te worden herkend, zette hij den kraag
van zijn jas op, en trok den klep van zijn pet zoo diep mogelijk in de
oogen.
Het was onder alle omstandigheden beter, dat men later niet zou
ontdekken wie den brief gebracht had.
Pas om bij half twaalf keerde de jonge man terug en Raffles ontving hem
met de woorden:
„Nu ligt het maar aan de politie om Macdara te vangen. Wij hebben haar
het wild onder schot gebracht, de rest is haar taak. En toch, het spijt
mij een weinig, dat ik haar dien ellendeling zonder meer in handen
lever, er waren nog heel wat van hem te halen geweest, onder meer de
formule van het Palmerit, welke hij nu natuurlijk in zijn bezit heeft,
dat moeten de papieren geweest zijn, welke Heywood hem uit den
binnenzak van zijn slachtoffer heeft zien halen. Nu in ieder geval zal
hij zelf wel geen gebruik meer kunnen maken van die kostbare formule
door roofmoord verkregen. Als de politie maar een grondig onderzoek in
zijn woning instelt, dan zal zij die papieren vinden, en begrijpen, dat
Macdara en niemand anders de moordenaar van Palmer is geweest.”
„Ik begrijp nu nog niet goed, hoe Macdara er juist toe kwam, zijn
slachtoffer een briefje te schrijven dat afkomstig heette te zijn van
Maud Fleming.”
„Dat is anders nog al eenvoudig. Ten eerste wist hij heel goed, dat
Palmer doodelijk verliefd was op Maud, en dan rekende hij er op, dat
Palmer het niet zoo bijzonder zou vinden, als de verloofde van den man,
wiens lot hij voor een deel in handen had, en wien hij een schitterende
toekomst kon bereiden, zich naar zijn wenschen voegde. In dat verband
kon het Palmer ook niet vreemd voorkomen, dat het meisje hem juist in
de fabriek rendez-vous gaf want daar zou zeker niemand haar zoeken.”
„Nu, als ik ooit een schurk in mijn leven ben tegen gekomen, dan is het
zeker Thomas Macdara,” barstte Charly uit. „De kerel verdient dubbel en
dwars te hangen.”
„Maak je daaromtrent niet bezorgd, Charly,” kwam Raffles droogjes. „Hij
zal de galg niet ontgaan.”
Toen Raffles en Charly den volgenden morgen aan de ontbijttafel zaten
en vluchtig de ochtendbladen nakeken, slaakte de jonge man eensklaps
een luiden kreet en bleef met een nummer van de „Daily Mail” in zijn
hand stokstijf zitten.
Hij prevelde iets onverstaanbaars, en zeide toen:
„Dat is een zwaarder straf dan ik zou hebben durven eischen, al is hij
een schurk.”
„Wat is er met Macdara?” vroeg Raffles, die zijn eigen blad, de „Times”
liet zakken en Charly vragend aankeek.
„Het betreft Macdara niet, het is Adolph Heywood, hij is dood.......”
„Wat zeg je daar? Hoe is dat mogelijk, een ongeluk?” riep Raffles uit.
„Neen, een twist in een danshuis in de haven. Hij schijnt daarheen te
zijn gegaan, nadat wij hem verlaten hadden, met de vrouw, die wij in
zijn woning gezien hebben waarschijnlijk. Maar laat ik je het bericht
even voorlezen. Het is heel kort.”
„Doe dat, het noodlot is hier blijkbaar streng en haastig te werk
gegaan.”
Charly las met gedempte stem het volgend bericht voor:
DOODELIJKE TWIST IN EEN DANSHUIS.
In den afgeloopen nacht is in een nachthuis in de Cromwell Street
wederom het mes getrokken ditmaal met noodlottigen afloop.
In deze inrichting, die in een zeer slechten reuk bij de politie
staat, komen hoofdzakelijk souteneurs, inbrekers, ladelichters,
moordenaars, chanteurs, en allerlei gespuis, reeds eenige malen
heeft de politie er een goede vangst kunnen doen, als zij er in
slaagde, onverhoeds binnen te vallen.
Het was omstreeks half elf toen er een paar binnentrad, welks
kleederen er op wezen, dat het niet gewoon was, dergelijke
danshuizen te bezoeken, tenminste wat den man betreft. Naderhand is
gebleken, dat de vrouw, een bekende demi-mondaine, en een goede
bekende van Scotland-Yard, vele vrienden en kennissen heeft onder
de klanten van het danshuis in kwestie.
De jonge man, die in gezelschap van de vrouw was, verkeerde
klaarblijkelijk onder den invloed van sterken drank, en misschien
is hem dit noodlottig geworden.
Want op een gegeven oogenblik kreeg hij twist met een man die een
dagelijksche klant in het danshuis is, zekere Black Bill, een
vechtersbaas van het eerste water, en een berucht souteneur.
De jonge man beweerde, dat Bill zijne dame strak had aangekeken en
wilde hem dadelijk te lijf gaan. Toen hij een beweging naar zijn
revolverzak maakte, trok de ander zijn vlijmscherp mes, dat hem
nooit verlaat, en voor iemand wist wat er gebeurde, had hij den
ander neergestoken.
Hij nam dadelijk de vlucht, en tot dusverre kon de politie er nog
niet in slagen, zijn verblijfplaats op te sporen, maar zij acht het
slechts een kwestie van tijd, want zijn signalement is reeds overal
heengeseind.
Op het geschreeuw van de vrouwen, die in het danshuis waren, kwamen
er eenige politieagenten toegesneld die den doodelijk gewonde naar
het naastbijzijnde gasthuis vervoerden, waar hij bij aankomst
echter reeds overleden scheen te zijn.
Uit het onderzoek van zijn papieren bleek, dat het slachtoffer
Adolph Heywood heette, en eerste klerk was op de fabriek van
Macdara en Palmer.
De ongelukkige scheen goed van geld te zijn voorzien, en men
begrijpt niet, wat hij in deze buurt van misdaad en verderf
uitrichtte.
De vrouw, in wier gezelschap hij was, is voorloopig in verzekerde
bewaring genomen.
Charly liet het blad zakken en keek Raffles vragend aan.
Deze had de wenkbrauwen gefronst, en bleef in gepeins verzonken voor
zich uit staren.
Toen hief hij langzaam het hoofd op en zeide:
„Aanvankelijk dacht ik een oogenblik, dat Macdara misschien het zekere
voor het onzekere had genomen, en een ander het ..... zaakje had laten
opknappen, hetwelk hij eerst aan mij had toevertrouwd. Maar bij nader
inzien is dat toch niet waarschijnlijk, hij zou zich daardoor aan het
groote gevaar blootstellen, dat de eerste man, aan wien hij het
voorstel deed, zou klappen, daar hij nu niets op zijn geweten zou
hebben. Neen—dit is toeval—en een vreeselijk!”
„Intusschen is Heywood nu dood en daarmede is een zeer gewichtige
getuige van het tooneel verdwenen,” hernam Charly.
„Ja, dat valt zeker te betreuren, want die knoop en dat briefje alleen
zullen misschien of zeker niet voldoende zijn, als bewijzen. Macdara
zal eenvoudig volhouden, dat hij dien knoop al vroeger verloren heeft
en ergens anders. En hij zal ontkennen, dat hij het briefje schreef.
Staat er niets in het blad omtrent zijn arrestatie?”
Charly sloeg snel de bladen om, en eindelijk had hij gevonden wat hij
zocht.
Hij slaakte een lichten kreet en riep:
„De politie kwam vannacht, om hem van zijn bed te lichten, maar zij
vond den vogel gevlogen!”
„Wat? Gevlucht? Dan moet hij dus geweten hebben, wat hem boven het
hoofd hing! Maar hoe?”