krabde hij zich tevens achter het oor en zeide:
„U noemt daar nog al zoo iets op, dat moet dus doodslag worden?”
„De naam dien je er aan geven wilt, kan mij minder schelen,” zeide
Macdara schouderophalend. „Er leeft hier te Londen een man, die moet
verdwijnen, anders zou ik zelf ondergaan, en het hemd is altijd nader
dan de rok geweest, kort en goed, wil je voor de som die ik je zooeven
noemde dien man opzoeken en zorgen dat hij mij niet meer kan
benadeelen?”
„Vijf honderd pond voor een menschenleven,” kwam Jim Brandy minachtend
met de vingers knippend. „Dat kunt u niet meenen, maak er duizend van
en dan kunnen wij misschien met elkander praten.”
Macdara bedacht zich niet lang, hij wist wel dat hij geen keus had.
Heywood, die gevaarlijke lastige getuige moest snel en zonder opzien
uit den weg worden geruimd, voor hij hem zou kunnen schaden.
Want wie kon zeggen, of hij niet te elfder uren berouw zou krijgen en
aan de politie zou mededeelen wat hij op dien noodlottige avond in het
particuliere kantoor van de chemische fabriek had gezien.
Hij zeide dus haastig:
„Goed dan, ik zal je duizend pond betalen, zoodra het is afgeloopen.”
„Hoho, een oogenblik mijn waarde heer,” zeide Jim Brandy spottend,
„laten wij niet te hard van stal loopen, er valt nog heel wat te
bepraten, voor het zoover is, ten eerste, wie waarborgt mij dat gij
zult betalen, daar gij heel goed weet, dat ik geen aanklacht wegens
wanbetaling kan indienen, ik ken uw naam niet eens.”
Macdara beet zich op de lippen, en toch kon die opmerking hem
onmogelijk verrassen, want zijn toekomstige medeplichtige zou
natuurlijk niet in het wilde weg iets voor hem doen.
Aan den anderen kant zou Jim Brandy, als hij de daad volbracht had,
zich wel twee maal bedenken, alvorens zijn lastgever aan boord te komen
met dreigementen, en verzoeken om meer geld, want daardoor zou hij zich
zelf aan de galg helpen.
Maar toch besloot hij, zijn identiteit niet dadelijk prijs te geven.
Hij had zijn plannen reeds gemaakt, en daarna zou hij nu ook handelen.
„Ik heet Stephan Airedale, en ik woon in de King Edward street 29,
natuurlijk kunt gij naar de waarheid van mijn verklaring informeeren.
Om u te bewijzen hoezeer ik u vertrouw zal ik u vijftig pond vooruit
betalen, en dan nog eens duizend als alles achter den rug is.”
„Dat noem ik zaken doen,” bromde Jim Brandy.
„En laten wij nu de hoofdzaak niet vergeten, hoe is de naam van dien
man?”
„Adolph Heywood, hij woont in Maiden Lane 317.”
En nu gaf Macdara een zeer nauwkeurige beschrijving van den man, dien
hij in den dood wilde zenden.
Vrees voor ontdekking hoefde hij zeker niet te koesteren, want als
Brandy hem verried dan teekende hij zijn eigen doodvonnis.
Maar toch zou hij zijn uiterste best doen, dat de schurk er niet achter
kwam wie en wat hij was.
Maar daartoe was het noodig dat er snel gehandeld werd.
Hij nam Jim bij den arm, en zeide heesch:
„Als het eenigszins mogelijk is, moet het morgen of overmorgen gedaan
zijn.”
„Ik zal mijn best doen,” antwoordde Brandy kortaf. „Kom nu maar over de
brug met het voorschot. Morgenochtend ga ik mij overtuigen of gij mij
niet voor den gek hebt gehouden wat uw adres betreft, en dan zullen wij
verder zien.”
Macdara had zijn portefeuille uitgehaald en nam er nu vijf biljetten
van tien pond uit.
Maar daarbij hield hij Jim Brandy goed in het oog, want hij begreep
maar al te goed, dat een man die er niet tegen opzag, voor duizend pond
een medemensch van het leven te berooven, zeer wel in staat zou zijn,
hem zelf op deze eenzame plek te overvallen en van zijn geld te
berooven.
Hij bleef daarom op dit oogenblik op eenigen afstand, en borg zijn goed
gevulde portefeuille weer weg.
Jim Brandy bekeek de biljetten aandachtig en stak ze toen als een prop
in zijn broekzak.
„All right, patroon!” zeide hij droog. „De zaak is hiermede beklonken,
als het gedaan is zal ik het u laten weten.”
Hij knikte Macdara even toe, en ging toen door de lage deur in de
schutting weer weg, zonder zich verder om zijn lastgever te bekommeren,
die spoedig maakte dat hij uit deze buurt weg kwam, vervuld van een
helsche vreugde over het voorloopig welslagen van zijn plan.
Jim Brandy liep met de handen in de zakken en zachtjes voor zich heen
fluitend naar het drankhuis terug, zonder zich te overhaasten, en
blijkbaar in het minst niet aangedaan door de wetenschap, dat hij
binnen weinige uren een vreeselijke misdaad zou moeten plegen.
Hij trok de deur van het drankhuis open en wenkte zijn kameraad die met
een paar andere mannen zat te praten.
De man stond aanstonds op, en verliet de gelagkamer om zich bij Jim
Brandy te voegen.
Eenigen tijd bleven de twee mannen zwijgend naast elkander loopen, en
toen vroeg degeen, die in het drankhuis was achter gebleven, aan Jim
Brandy:
„Wel, wat kan Macdara je nu in ’s Hemelsnaam wel te vertellen hebben
gehad, Edward?”
„Daar zul je misschien een weinig van opzien, beste Charly,” antwoordde
de ander, „mijnheer Macdara, compagnon van wijlen mijnheer Palmer,
heeft mij het vriendelijk voorstel gedaan voor een bedrag van duizend
pond zijn eerste klerk Heywood van het leven te berooven, mij, John
Raffles!”
Zijn metgezel had moeite een kreet van verbazing en afschuw te
bedwingen.
Hij stond stil en zijn gelaat was naar dat van zijn makker opgeheven.
„De wegen der Voorzienigheid zijn wel raadselachtig,” zeide hij toen op
zachten toon. „Dat die man zich juist tot jou moest wenden.”
De man die deze woorden sprak had wel gelijk.
Inderdaad, Jim Brandy was niemand anders dan de gentleman-inbreker John
Raffles, alias Lord Lister, de lang gezochte vijand van Scotland Yard!
Gehoor gevend aan een van zijn grillen had Raffles dien avond in
gezelschap van zijn trouwen vriend Charly Brand, het prachtige huis aan
de Regent Street verlaten, waar hij onder den naam van Lord William
Aberdeen sedert eenige jaren woonde.
Beiden hadden zich met groote zorg vermomd, want het had oorspronkelijk
in hun bedoeling gelegen, weder een bezoek te brengen aan een der
dievenkroegen, in de hoop, dat zij de plannen zouden kunnen ontdekken
van de Bende der Raven, wier leden in den laatsten tijd weer veel van
zich lieten spreken.
Zoo waren zij ook bij toeval in het wijnhuis in de Canonstreet te land
gekomen, en daar had Macdara, zonder eenig vermoeden te hebben van den
waren aard van den man, dien hij in vertrouwen had, den Grooten
Onbekende ontmoet, en hem het afschuwelijke voorstel gedaan zijn vijand
uit den weg te ruimen.
Het duurde eenigen tijd voor Charly Brand van zijn verbazing en afschuw
was hersteld.
„Waarlijk, men kan er niet langer aan twijfelen, er bestaat een
Voorzienigheid,” mompelde hij. „Maar ik begrijp niets van de geheele
zaak, waarom wil Macdara zijn eerste klerk van het leven berooven?”
„Ja, dat is zeker vreemd genoeg,” zeide Raffles nadenkend. „Je begrijpt
wel, dat ik hem daar moeilijk naar kon vragen, en hij zou er mij
trouwens toch geen antwoord op hebben gegeven. Maar, dat hier iets
vreeselijks achter schuilt, dat is zeker, en dat moeten wij trachten te
ontdekken want misschien staat het wel in verband met de tragedie in de
fabriek van Macdara en Palmer, en met de misdaad, waarvan de
ezelachtige politie mijn protégé, Jack Helford, verdenkt!”
HOOFDSTUK V.
RAFFLES STELT EEN ONDERZOEK IN.
De zoogenaamde Jim Brandy dacht er natuurlijk geen seconde aan, zich te
vergewissen of Stephan Airedale en Macdara identiek met elkander waren,
en of de eerstgenoemde werkelijk in de King Edward Street woonde.
Daarin stelde hij in het geheel geen belang en hij begreep heel goed,
dat Macdara een anderen naam had aangenomen en onder dien valschen naam
in de King Edward Street kamers had gehuurd.
Hij had den fabrikant, wiens portret trouwens in alle bladen had
gestaan, op het eerste gezicht herkend, toen hij in het drankhuis in de
Canonstreet verscheen, vooral ook omdat hij meer reden had dan ieder
ander, zich voor den fabrikant te interesseeren.
Hij immers was de patroon van den jongen Jack Helford, die op kosten
van den Grooten Onbekende zijn studies als chemicus had voltooid, en
daarna de betrekking aan de chemische fabriek had gekregen.
Raffles kende den jongen man reeds eenige jaren, en hij zou veeleer aan
zich zelf getwijfeld hebben, dan aan zijn beschermeling.
Het denkbeeld dat Helford een zoo vreeselijke misdaad zou hebben
gepleegd kwam hem aanstonds zoo bespottelijk voor, dat hij zich zoodra
hij van de arrestatie hoorde, naar Scotland Yard begaf, en daar
aanbood, een zeer hoog losgeld te betalen opdat Helford weer op vrije
voeten zou worden gesteld.
Hij moest echter vernemen, dat ter zake van dergelijk kapitale misdaden
geen cautie werd aangenomen, en dat hij zelfs niet zijn beschermeling
zou mogen zien.
Hij slaagde er alleen is met den jongen advocaat, Richard Kappler, een
vriend van Helford, te spreken, die zich aanstonds beschikbaar had
gesteld, om de zaak van den beklaagde te bepleiten.
En het had Raffles genoegen gedaan, dat ook Kappler geen seconde
twijfelde aan de onschuld van zijn vriend.
Het was waar dat de jonge advocaat misschien een weinig bevooroordeeld
was, want voor zijn vrienden was het geen geheim, dat Ellen, de zuster
van Helford, een diepen indruk op hem had gemaakt, en dat het jonge
meisje lang niet ongevoelig was voor den jongen rechter.
Het was omstreeks elf uur in den morgen toen Raffles van dezen tocht
terugkeerde, en de bibliotheek van het huis in de Regentstreet
binnentrad, waar Charly Brand hem wachtte.
De jonge man sprong op en vroeg:
„Welnu?”
„Men houdt hem gevangen,” riep Raffles moedeloos uit. „Op Scotland Yard
is wel van toepassing de zegswijze van de oude Romeinen: „Wien de Goden
verbergen willen, dien slaan zij met blindheid,” het is voor iederen
buitenstaander, voor iederen leek, volkomen duidelijk, dat Helford de
misdaad niet bedreven heeft, maar Scotland Yard schijnt het voor de
eenvoudigste zaak van de wereld te beschouwen.”
„Neem mij niet kwalijk, Edward, maar ik geloof dat je je nu toch een
weinig te veel door je sympathie voor Jack Helford laat beïnvloeden!
Scotland Yard brengt natuurlijk in rekening ten zijnen laste, dat hij
hooggaande twist heeft gehad met Palmer als gevolg van de
achtervolgingen waaraan zijn zuster moest blootstaan van de zijde van
dien ouden viveur—en niet alleen zijn zuster maar ook zijn aanstaande.
„Als ik in dezelfde omstandigheden had verkeerd, als die oude
doordraaier het mijn zuster en tegelijkertijd mijn meisje lastig had
gemaakt, wel, ik geloof dat ik hem zonder aarzelen en met het grootste
genoegen de hersenen zou hebben ingeslagen.”
„Dat zegt men, Charly, maar dat doet men niet zoo gauw,” hernam Raffles
hoofdschuddend. „Het lag in het geheel niet in den aard van Jack
Helford.”
„Er is nog meer, Scotland Yard wil natuurlijk weten waar hij van zes
tot acht geweest is, en dat kan hij niet opgeven.”
„Hij heeft een wandeling gemaakt, is dat soms een halsmisdaad?”
„Dat is dwaasheid, maar intusschen kan hij niet bewijzen dat hij
werkelijk gewandeld heeft.”
Raffles bleef een oogenblik zwijgend voor zich uitzien.
Toen hernam hij:
„Nu, als Scotland Yard dan bij haar ezelachtigheid blijft volharden,
dan zullen wij aan het werk moeten gaan, en den waren moordenaar
trachten op te sporen. Ik heb om twee uur hier een afspraak met
Kappler, die dan met Helford geconfereerd heeft, en ons misschien wat
naders kan mededeelen. Wij hebben dus nog eenige uren den tijd en die
moesten wij eens besteden aan het onderzoek van de vraag wat toch wel
de aanleiding kan zijn van de plotselinge vijandschap tusschen Macdara
en zijn eersten klerk Heywood, een vijandschap zoo hevig, dat de
fabrikant zelfs een sluipmoordenaar op zijn tegenstander afzendt. Wij
zullen dien Heywood eens bespieden, mijn jongen, want er is iets wat
mij zegt, dat hij een zekere rol vervult in het geheimzinnige drama dat
zich in de fabriek heeft afgespeeld, en waarvan Palmer het slachtoffer
is geworden. Heb je lust om er eens op uit te gaan?”
„Ik ben dadelijk tot je dienst, Edward.”
„Goed, informeer dan naar de woning van den eersten klerk, en tracht
daar zooveel mogelijk bijzonderheden omtrent zijn persoon te
verkrijgen. Ik geloof dat het de voornaamste fout van Scotland Yard is,
dat zij altijd veel te weinig aandacht besteedt aan de kleine
onderdeelen, ofschoon die vaak van veel grooter belang zijn, dan wat
iedereen als hoofdzaak beschouwt.”
Charly Brand liet geen tijd verloren gaan.
Er was nog volstrekt geen aanleiding om zich onherkenbaar te maken en
daarom schoot hij zijn jas aan, nam zijn hoed, en verliet het huis, om
op straat een huurauto aan te roepen, en zich naar het huis van Jack
Helford te laten rijden, waar hij hoopte het adres van Heywood te
kunnen vernemen.
De deur werd voor hem geopend door een jong meisje, met een bleek
gelaat dat maar al te duidelijk de sporen van tranen vertoonde.
Het was Ellen, de zuster van den chemicus.
Charly, die haar vluchtig kende, nam zijn hoed af en zeide:
„Het doet mij leed, Miss, dat ik u kom lastig vallen nu gij u in zulk
een droevigen toestand bevindt. Maar Lord Aberdeen is vast voornemens
uw broeder bij te staan, en gij wilt het mij dus wel vergeven als ik U
verzoek in de boeken van uw broeder na te zien of hij misschien de
adressen van het kantoorpersoneel van de heeren Macdara en Palmer heeft
genoteerd.”
Het meisje keek hem even verbaasd aan en zei toen:
„Ik weet niet of die adressen u van nut kunnen zijn, maar ik weet dat
mijn broeder ze had opgeschreven. Ik zal ze u aanstonds geven. Wilt gij
aan Lord Aberdeen mijn hartelijken dank overbrengen voor zijn hulp?
Natuurlijk weet ik dat mijn broeder volkomen onschuldig is, maar wie
weet hoe lang het nog kan duren, voor de politie haar dwaling inziet.”
Zij had Charly plaats laten nemen op een eikenhouten bank in de
vestibule, en verwijderde zich nu, om even later terug te keeren met
een klein registertje, hetwelk zij opengeslagen aan Charly toereikte.
„Daar staan de namen en de adressen van het kantoorpersoneel van de
beide compagnons, en van de werkbazen der fabriek genoteerd, mijnheer
Brand. Gij kunt ze overschrijven of het boekje mede nemen als gij
wilt.”
„Dan neem ik liever het kleine register mede, Miss, ik heb geen tijd te
verliezen,” riep Charly, „natuurlijk zullen wij u onmiddellijk op de
hoogte stellen, als wij eenig spoor van den waren misdadiger hebben
ontdekt”.
„Gij gelooft dus dat hier een misdaad heeft plaats gehad?” riep het
meisje ontzet uit.
„Ja, Miss.”
„Maar wie kan het dan zijn,” riep Ellen met de kleine hand op het hart
gedrukt.
„Daarnaar willen wij juist onderzoek doen,” gaf Charly ten antwoord.
„Maar Mylord zoowel als ik zelf zijn er vast van overtuigd dat uw
broeder met de geheele zaak niets uitstaande heeft.”
„Ik dank u voor die woorden, mijnheer,” hernam het jonge meisje
aangedaan, terwijl zij Charly de hand drukte.
De jonge man nam met een buiging afscheid, en haastig verliet hij het
huis met het boekje in den zak.
Hij had de huurauto laten wachten, zocht nu even naar het adres van
Heywood, dat hij spoedig had gevonden, en gaf het den chauffeur op.
De man trok een bedenkelijk gezicht want het was een heel eind uit de
buurt, maar Charly had hem spoedig weten te vermurwen door de belofte
van een groote fooi.
Op een twintigtal meters van het huis van den klerk liet hij de auto
stilstaan, stapte uit, betaalde den chauffeur en zond hem weg.
Van dat oogenblik begon hij een grondig onderzoek, waarbij hij zich zoo
weinig mogelijk bloot gaf en dat bijna twee uur duurde.
Hij was verscheidenen belangwekkende gegevens rijker, toen hij weder
terugkeerde om Raffles verslag te gaan uitbrengen.
Intusschen waren er weder nieuwe bladen uitgekomen, die nieuwe
bijzonderheden brachten, betreffende het drama in de chemische fabriek,
het was maar al te duidelijk dat verscheidene vooringenomen waren tegen
den jonge Helford, omdat er nu eenmaal een schuldige gevonden moest
worden. Men rekende het hem zwaar aan dat hij niet kon of wilde opgeven
waar hij dien avond van den fabrieksbrand tusschen zes en acht uur was
geweest en voorts het feit, dat hij een heftige twist met Palmer had
gehad, wegens diens gedragingen tegenover zijn zuster en zijn
verloofde.
En dan werd er nog iets anders bekend, het feit, dat de jonge chemicus
in zekeren zin met Palmer had samen gewerkt, toen deze bezig was met
het beproeven van een nieuwe springstof, waarvan echter niemand de
samenstelling kende.
Raffles las dit alles met een flauwen glimlach om de lippen, terwijl
hij nu en dan minachtend de schouders ophaalde.
Hij had zijn lectuur juist beëindigd, toen Charly terug keerde, en hem
dadelijk in de bibliotheek opzocht.
„Wel, mijn waarde Charly, heb je iets ontdekt, wat ons behulpzaam kan
zijn?” begon Raffles terwijl hij de kranten op zijde schoof.
„Het is misschien niet veel wat ik heb uitgevonden, maar ik ben
overtuigd, dat je er je voordeel mee zult doen. Heywood woont daar in
de Maiden Lane op kamers, hij wordt door menschen die hem kennen
beschreven als een jonge doordraaier, die nog al eens aangeschoten
thuiskwam.
„Sedert gisteren schijnt er een groote verandering ten goede in zijn
financieelen toestand te hebben plaats gegrepen, want ofschoon hij
natuurlijk wegens den fabrieksbrand tijdelijk buiten werk is, kocht hij
vanmorgen in de buurt een splinternieuw motorrijwiel, nieuwe kleeren,
en andere fraaiigheden en gisteravond is hij met een demi-mondaine in
een chique nachtrestaurant gezien, en men verklaart dat het tarief van
deze schoone bijzonder hoog is. Kortom, onze vriend Heywood schijnt het
voor den wind te gaan.”
„Kan er sprake zijn van een nalatenschap?”
„Daar heb ik navraag naar gedaan, maar niemand weet er iets van.”
„Nu, dan is dat zeker een zaak om te onthouden,” zeide Raffles
peinzend. „Wie weet staat het in verband met het verzoek van Macdara om
den jongen snuiter uit den weg te ruimen, nu staat het volgens mij
vast, dat een man, die een ander alleen maar haat, nooit een derde zou
opdragen om dien man te dooden. Het wordt echter anders wanneer die man
in een of ander opzicht gevaarlijk voor hem kan worden, want dan neigt
men er nogal spoedig toe over, zich de diensten van anderen te
verzekeren, vooral wanneer men er van overtuigd is, daardoor geen
gevaar te loopen.”
„Maar in welk opzicht in ’s Hemelsnaam zou de jonge Heywood Macdara
kunnen benadeelen, en wel zoo ernstig, dat de fabrikant het op zijn
leven voorzien heeft?”
„Daarop kan maar een antwoord zijn, Charly, die Heywood heeft het een
of ander geheim van Macdara in zijn bezit, waarvan de openbaarmaking
den fabrikant aan den rand van den afgrond zou kunnen brengen.”
„Daarmee ben ik het eens, maar ik begrijp volstrekt niet wat het zou
kunnen zijn.”
„Wij zullen het spoedig genoeg weten, want nog van avond ga ik naar den
man toe, dien ik in opdracht van Macdara had moeten vermoorden. Ik zal
echter heel iets anders doen, maar wat, dat zal van de omstandigheden
afhangen.”
Hij liep even nadenkend in het vertrek heen en weer en vervolgde,
terwijl hij voor Charly bleef stilstaan:
„Heb je de pas uitgekomen bladen al gelezen?”
„Nog niet, bevatten ze iets bijzonders?”
„Neen, alleen wint de meenig hoe langer hoe meer veld, dat Helford wel
de man zal zijn, die Palmer gedood heeft.”
„Maar voor den drommel, daar zal hij dan toch een reden voor moeten
hebben?”
„Men schijnt in dit geval minnenijd een voldoende reden te achten,”
kwam Raffles schouder ophalend. „Maar toch vertellen de bladen nog iets
nieuws, het schijnt dat mijn protégé eenig gering aandeel heeft gehad
in de proeven, welke de vermoorde fabrikant met een nieuwe en zeer
krachtige springstof heeft genomen. De bladen zeggen het wel niet, maar
het is toch tusschen de regels door te lezen, dat velen Helford er van
verdenken, de formule voor de samenstelling van die springstof te
hebben willen stelen, of het inderdaad gedaan te hebben.”
„Wacht eens,” riep Charly uit. „Zijn zuster heeft mij zijn
notitieboekje mede gegeven waarin ik de adressen van de klerken en de
werkbazen van de fabriek vond. Daar staan ook eenige aanteekeningen,
in, waaruit jij waarschijnlijk beter zult wijs worden dan ik, want jij
hebt immers ook voor chemicus gestudeerd?”
Hij had het notitieboekje uit zijn zak gehaald en overhandigde het aan
Raffles, die het begon te doorbladeren, en nu en dan een zacht gegrom
liet hooren.
Toen klapte hij het boekje dicht en zeide:
„Ik ben blij, dat de justitie het kleine boekje niet in handen heeft
gekregen, want zij zou in staat zijn er een nieuw bewijs tegen Helford
uit te putten, ik vind hier en daar een paar losse aanteekeningen met
betrekking tot de nieuwe springstof, maar het is volgens mij volkomen
duidelijk, dat Helford niet op de hoogte is geweest van de eigenlijke
samenstelling en slechts behulpzaam was bij het bereiden van een
onmisbaar bestanddeel, dat echter algemeen bekend is, picrine-zuur.”
Hij opende het boekje opnieuw en zeide na eenigen tijd:
„Hier staan ook de adressen in van den boekhouder, den facturist, en
van de beide klerken. Wij zullen die heeren eens opzoeken, nog voor wij
naar Heywood gaan, want misschien kunnen zij ons wel nuttige
inlichtingen verschaffen.”
Hij liet zich in een stoel vallen en vervolgde:
„Laten wij nu eens trachten, de zaak zoo zuiver en eenvoudig mogelijk
te stellen. Macdara en Palmer beheeren beiden een chemische fabriek,
die vooruitgaande is, maar die zucht onder gemis aan bedrijfskapitaal.
Palmer werkte aan een nieuwe springstof, een uitvinding, die hem
millioenen moet kosten, en Macdara is een man, die te weinig geld heeft
om aan al zijn wenschen te kunnen voldoen. Er breekt brand uit in de
fabriek, en de vlammen grijpen om zich heen met een snelheid welke de
brandweer zelf als „onbegrijpelijk” kenschetst. In een paar uren ligt
de geheele fabriek in de asch, die tusschen haakjes zeer hoog verzekerd
is. Onder de puinhoopen vindt men het bijna geheel verkoolde lijk van
Joseph Palmer. Verder staat vast, dat de brand is uitgebroken, niet in
de fabriek zelve maar op de verdieping waar de kantoren zijn; heb ik
iets over geslagen?”
„Niet dat ik weet.”
„Laten wij nu eens aannemen, dat Palmer de brandstichter is, en dat hij
de daad bedreven heeft om in het bezit te komen van de hooge
verzekeringsom. Acht je het aannemelijk, dat hij dan niet eens den tijd
zal hebben gevonden, om te kunnen vluchten, nadat hij den brand heeft
aangestoken?”
„Misschien, als de vlammen inderdaad zoo bijzonder snel om zich heen
grepen.....” mompelde Charly.
„Kom, kom, mijn waarde, dat is immers ondenkbaar,” hernam Raffles
schouderophalend. „Zelfs al heeft de brandstichter een of ander
chemisch middel geweten, waardoor de vlammen bijzonder werden
aangewakkerd, dan nog zal hij wel den tijd hebben gevonden, zich zelf
in veiligheid te brengen, de gangen zijn breed, er zijn twee trappen,
kortom hij moet wel geheel het hoofd zijn kwijtgeraakt om in zoo’n
geval mede te verbranden.”
„Als ik je dus goed begrijp, geloof je, dat Palmer in de fabriek is
geweest, maar dat een ander den brand heeft gesticht?” vroeg Charly,
terwijl hij Raffles met aandacht aankeek.
„Dat zal althans verklaren, waarom Palmer onmogelijk meer kon
vluchten,” antwoordde Raffles kalm.
„Maar de eenige, die behalve Palmer nog belang bij den brand zou
hebben, dat is Macdara,” riep Charly uit.
„Ik zou verder willen gaan, Charly, en zeggen dat Palmer in het geheel
geen reden had zijn fabriek in brand te steken, want hij had een
ontdekking gedaan, die hem millioenen kon opleveren.”
„Weet je wel, dat je daar iets zegt van groote beteekenis, Edward?”
zeide Charly.
„Ja, dat weet ik, maar het lijkt mij toch een goede oplossing, want als
wij aannemen, dat Macdara het gedaan heeft, dan verschijnt zijn wrok
tegen Heywood in een geheel ander licht.”
„Hoezoo?”
„Wel, de klerk kon hem wel eens betrapt hebben.”
Charly gaf een luiden schreeuw en riep uit:
„Maar dat is volstrekt niet onmogelijk. Wel zeker! Hij zal naar Macdara
geloopen zijn en hem gedwongen hebben hem geld te geven, om daarmede
zijn stilzwijgen te koopen, vandaar zijn buitensporige uitgaven,
gisteren en vandaag.”