zoudt verraden, natuurlijk niet als Lord William Aberdeen of als John
Raffles, die hij geen van beiden kent, maar als een man, aan wien hij
had opgedragen, Heywood van het leven te berooven.”
„Dat is niet onmogelijk, trouwens, ik zie geen andere reden. Hoe het
zij de kerel is nu voorloopig buiten schot, en wij zullen hem moeten
zoeken.
„Maar lees eens eerst even voor, wat de „Daily Mail” over de zaak
schrijft!”
Opnieuw begon Charly:
„DE BRAND IN DE CHEMISCHE FABRIEK.
Een opzienbarende onthulling.
Gisteren avond ontving Scotland Yard een geheimzinnige mededeeling
van een particulier detective, wiens naam overigens niet voorkomt
op de lijsten der Londensche detectives, waarin werd medegedeeld,
dat de afzender overtuigende bewijzen had voor de schuld van den
fabrikant Thomas Macdara aan den fabrieksbrand in de Bisshopstreet.
Deze bewijzen zouden afkomstig zijn van een man, aan wien Macdara
moet hebben opgedragen, een lastigen ooggetuige van zijn misdaad
tegen betaling van een groote som uit den weg te ruimen.
De zaak verkrijgt een zeer geheimzinnig tintje, doordat de getuige
in kwestie dezelfde is, waaromtrent in een ander bericht in dit
blad gemeld wordt dat hij tijdens een hoogloopende twist in een
danshuis in de haven gedood werd, namelijk Adolph Heywood, eerste
klerk op de fabriek van de heeren Macdara en Palmer.
Bij den brief waren een paar voorwerpen gevoegd, die door Macdara
verloren moeten zijn, toen hij zich in het kantoor zijner fabriek
bevond, teneinde daar zijn moorddadig opzet te gaan volbrengen.
Het is de vraag, of het valt vast te stellen, dat Macdara inderdaad
de moordenaar van Palmer en de brandstichter tevens is geweest,
daar de voornaamste getuige dood is, maar in ieder geval vond de
politie, die laat in den avond uittoog om den verdachte te
arresteeren, den vogel gevlogen.
Niemand weet waar hij zich op dit oogenblik bevindt, noch kan
iemand zeggen, hoe Macdara gewaarschuwd werd, dat men hem verdacht
van de dubbele misdaad!”
„O, daar zorgen de bladen wel voor!” riep Raffles op schamperen toon
uit, toen Charly de korte lezing van het bericht beëindigd had.
„Bescheidenheid en voorzichtigheid zijn zaken waarmee men de heeren van
de pers niet moet aankomen als het er om gaat, het publiek een primeur
voor te zetten, of zijn lust naar sensatie te bevredigen.”
„Maar Macdara zou toch immers aan het bericht dat ik je zooeven
voorlas, niets gehad hebben, als men reeds gisteravond kwam om hem te
arresteeren,” kwam Charly.
„Dat is zoo, maar er hebben reeds andere berichten ingestaan, soms van
enkele regels, maar waaraan een schrander man voldoende heeft om zich
een oordeel te kunnen vormen omtrent de mate van het gevaar waarin hij
verkeert. Hoe dan ook, de kerel heeft de vlucht genomen en wist wat hem
boven het hoofd hing, al begrijp ik niet goed waardoor, want in ieder
geval heeft hij niet uit de bladen eenig gegeven kunnen putten, waaruit
kon blijken, dat men hem reeds verdacht. Hij was volkomen buiten spel,
totdat Scotland Yard mijn briefje ontving.”
„Kan Heywood zelf hem niet gewaarschuwd hebben?”
„Dat klink niet zeer waarschijnlijk, mijn waarde, zou de eene man dat
over hebben voor den ander, die een sluipmoordenaar op hem afzond?
Neen, dat is niet aan te nemen.”
„Macdara zal wel den tijd hebben gevonden, de gestolen formule mede te
nemen?”
„Hij zou eerder alles hebben achtergelaten, dan juist die formule, want
hij weet wel, dat die steeds en ten alle tijde een fortuin blijft
vertegenwoordigen. Als hij er bijvoorbeeld in zou slagen, ons land te
verlaten, dan zou hij de uitvinding van zijn slachtoffer aan iedere
Buitenlandsche Mogendheid voor vele millioenen kunnen verkoopen.”
„Men zal toch wel zoo verstandig zijn geweest, alle havens goed te doen
bewaken?”
„Voor zoo dom zie ik de politie niet aan, dat zij dat zou nalaten,”
riep Raffles uit. „Neen, ik ben niet bang, dat Macdara het land reeds
heeft kunnen verlaten, of het zou per vliegmachine gebeurd moeten zijn,
doch die toestellen zijn nog altijd niet zoo talrijk voorhanden dat men
ze maar voor het grijpen heeft, hetgeen onder sommige omstandigheden
een groot voordeel kan zijn. Maar laten wij onzen tijd niet verpraten,
er is mij zeer veel aan gelegen, dien schurk terug te vinden, want
zoolang men hem niet in handen heeft, zoolang zal men ook mijn
beschermeling Helford in arrest houden, bij gebrek aan beter als het
ware.”
„Maar wij hebben niet het geringste spoor van den man,” riep Charly.
„Wil je dan in een stad als Londen in het wild gaan zoeken?”
„Daaraan is natuurlijk geen denken. Als wij een stuk ondergoed van
Macdara konden machtig worden, een zakdoek of iets, dat in nauwe
aanraking met zijn lichaam is geweest, dan zouden wij kunnen hopen, dat
Busto, mijn Iersche terrier, zijn spoor zelfs in een stad als deze zou
kunnen terug vinden. Wij moeten het in ieder geval probeeren.”
Raffles drukte op den electrischen schelknop, en even later trad een
oude bediende Gaston binnen.
„Laat Henderson eens dadelijk met een snelle auto voorkomen, Gaston,”
zeide Raffles op den vriendelijken toon, dien hij altijd tegenover den
grijsaard gebruikte. „Er is haast bij”
Gaston ging heen, en nog geen vijf minuten later stond een groote, zeer
snelle wagen voor de deur van het heerenhuis.
Charly was intusschen Busto, den beproefden terrier uit zijn kennel in
den grooten tuin gaan halen, en het schrandere dier was uitgelaten van
blijdschap, toen hij bemerkte dat hij van de partij zou zijn.
„Maar moeten wij ons niet vermommen?” vroeg Charly.
Een oogenblik dacht Raffles na en toen antwoordde hij:
„Ja dat is beter. Wie weet, vinden wij den kerel wel vrij spoedig, en
dan heb ik een appeltje met hem te schillen, en misschien komen wij in
aanraking met de politie, en die kon wel eens ongewenscht verband
leggen tusschen de tusschenkomst van Lord Aberdeen en het briefje van
den zoogenaamden detective. Laten wij ons haasten.”
De twee mannen snelden naar hun slaapkamer en het duurde niet lang, of
zij verlieten die weder in een geheel ander uiterlijk.
Zij gingen het huis aan de tuinzijde uit, en stapten in de verlaten
zijstraat in de auto, door Henderson bestuurd.
„Naar de Finsbury Street, Henderson, het huis van Macdara.”
De auto stoof weg.
Busto, die een plaatsje had gekregen naast zijn meester, keek zijn
meester nu en dan met zijn verstandigen oogen vragend aan, alsof hij
wilde weten, wat men van hem zou verlangen.
Want dat hij zou moeten werken, had het schrandere dier reeds lang
gemerkt.
„Het is maar goed, dat er in Londen heel veel honden zijn, die op hem
gelijken,” zeide Charly glimlachend.
„Zeg dat niet zoo hard, dat Busto het hoort,” kwam Raffles glimlachend.
„Hij zou het je nooit vergeven.”
De rit duurde ongeveer een half uur.
Toen stond de auto stil voor een fraai huis, waarvoor een politieagent
op post stond.
De man liet hen beiden echter dadelijk passeeren, toen Raffles en
Charly hun identiteitskaarten lieten zien, volkomen echt—en alleen maar
niet aan hen oorspronkelijk uitgereikt.
Een enkele bediende bleek nog in het huis te zijn, en Raffles begon hem
dadelijk te ondervragen.
De man wist echter niets af van het vertrek van zijn meester, want toen
deze ging sliep hij reeds.
„Maar de politie is toch hier geweest?” riep Charly uit.
„Zeker, mijnheer en zij heeft mij ook wakker gemaakt,” kwam de
bediende. „Maar toen ik met de agenten naar de slaapkamer van mijnheer
Macdara ging, toen was hij er niet meer.”
„Zoo, is dat de zaak,” zeide Raffles kort. „Hoe laat was dat ongeveer?”
„Twee uur in den nacht.”
„Zijt gij den geheelen avond thuis geweest?”
„Ja.”
„Hoe laat zijt gij gaan slapen?”
„Om twaalf uur.”
„Was uw meester toen reeds thuis?”
„Hij was den geheelen avond niet uit geweest.”
„Waarmede hield hij zich bezig?”
„Hij had zich in zijn werkkamer opgesloten. Ik moest hem koffie
brengen, en daarop kon ik naar bed gaan. Maar eerst liet ik nog de
bezoekster bij hem.”
„De bezoekster?” herhaalde Raffles langzaam, na een snellen blik met
Charly te hebben gewisseld. „Zoo laat in den avond?”
„Zij zei, dat zij om een heel dringende zaak kwam, en mijnheer bepaald
moest spreken.”
„Ei, ei! Hoe laat was dat?”
„Het kan ongeveer kwart voor twaalf geweest zijn.”
„Hoe zag die dame er uit, was zij jong?”
„Ja, niet ouder dan een jaar of vijf en twintig, denk ik.”
„Was het........ een dame?”
„Nu, ik zou haar zeker zoo niet hebben genoemd,” antwoordde de bediende
neusophalend. „Zij verspreidde een luchtje, alsjeblieft.”
„Jockey Club misschien?” vroeg Charly haastig.
„Ja, mijnheer, dat was het,” riep de bediende uit.
„Hoe lang is die........ dame gebleven?” vroeg Raffles.
„Dat weet ik niet, mijnheer, want mijnheer Macdara zond mij naar bed.”
Raffles wendde zich tot Charly, en zeide op gedempten toon:
„Ga eens dadelijk aan den agent voor de deur vragen, of het mogelijk
is, dat men die vrouw, je weet wel wie, dadelijk uit het arrest
ontslagen heeft en vraag ook haar naam.”
Charly snelde weg, en Raffles begon geleid door den bediende, en met
Busto op den voet, het huis te doorzoeken.
Hij vond een paar zijden sokken, welke Macdara juist had uitgelaten,
naar de verklaring van den bediende en een beter ding om Busto lucht
aan te geven had hij niet kunnen verlangen. Even later keerde Charly
terug.
„De vrouw heet Irma Dale, en zij is geen tien minuten op het bureau van
politie geweest, men liet haar daar los, omdat zij aan het voorval part
noch deel had.”
„Nu dan is de zaak volgens mij volkomen duidelijk,” hernam Raffles op
zachten toon. „Die Heywood heeft waarschijnlijk in een dronken
oogenblik aan die vrouw de bron van zijn inkomsten medegedeeld, en toen
hij dood was, heeft zij gedacht, dat zij met voordeel de affaire kon
voortzetten, zij is hier gekomen en heeft Macdara gedreigd, dat zij
alles zou vertellen, en misschien ook wel, dat hij reeds gevaar liep.”
„Hoe kon zij dat weten?”
„Zij kan op het politiebureau wel iets hebben opgevangen, waar toen
immers juist mijn mededeeling aankwam, maar nu genoeg gepraat, op weg.”
Busto moest aan het paar sokken ruiken, en de hond sprong dadelijk weg,
zachtjes grommend.
Langzaam reed de auto achter den hond aan.
De tocht duurde langer dan twee uur en al dien tijd had het dier geen
oogenblik geaarzeld of geweifeld.
En nu stond hij stil voor een laag huis in een der voorsteden en keek
Raffles kwispelstaartend aan.
Juist gingen er twee agenten voorbij.
Raffles riep hen aan, zeide wie hij was, en legde den beiden mannen in
enkele woorden de zaak uit.
„Zou de kerel dus hier in dit huis zijn, mijnheer?” vroeg een der
ordebewaarders.
„Mijn hond kan zich niet vergissen.”
„Nu, dan zullen wij maar eens aanbellen,” kwam de andere agent.
„Vooral niet,” riep Raffles uit. „Ik zal wel opensluiten.”
En met een van zijn loopers draaide hij het slot vlug en handig open
zonder eenig gerucht te maken.
De vier mannen slopen door de gang, en stonden stil, toen zij het
gerucht van stemmen hoorden.
Het was Irma Dale, die sprak:
„Je gaat dus dadelijk mee naar Parijs, zoodra hier de lucht veilig is,
en natuurlijk met de formule, die maken wij daar ten gelde, en ik zal
je wel helpen, de duiten op te maken, haha!”
Het volgende duurde nauwelijks een paar seconden.
De vier mannen stormden binnen en in een oogenblik waren Irma en de
doodsbleeke Macdara geboeid. Maar eerst had Raffles al zijn zakken
nagezocht en ook zijn valies, en daar vond hij de kostbare formule en
een pak bankpapier.
Hij keek Charly even aan, en zeide luchtig:
„De formule voor de rechthebbenden, de erfgenamen van Palmer, het
bankpapier voor ondergeteekende!”