LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 338 DE BRAND IN DE CHEMISCHE FABRIEK.
DE BRAND IN DE CHEMISCHE FABRIEK.
HOOFDSTUK I.
DE NIEUWE SPRINGSTOFFEN.
Sedert eenige dagen heerschte er een gedrukte stemming op het kantoor
van de heeren Macdara en Palmer, fabrikanten van chemische stoffen, die
een tamelijk groote fabriek hadden in de Bisshop street te Londen.
Er scheen iets tusschen de beide firmanten te zijn, een oneenigheid,
welke haar invloed ook liet gelden tusschen de muren van het kantoor,
waar de boekhouder, de facturist, de kassier, en de beide klerken
bijeen zaten.
Wat het precies was, wist niemand, want het was alleen aangewezen op
vermoedens, maar dat de beide compagnons oneenigheid hadden, dat was
duidelijk genoeg te zien.
Macdara en Palmer hadden de zaak ongeveer acht jaar geleden opgericht
en tijdens den oorlog hadden zij tamelijk groote winsten gemaakt, die
hun in staat hadden gesteld, hun fabriek vrij aanzienlijk uit te
breiden, die aanvankelijk niets anders was geweest dan een oud pakhuis,
voor het doel verbouwd.
De nieuw gebouwde fabriek lag in een der nieuwste gedeelten van de
Bisshop street, aan de grens van de stad gelegen, en de beide firmanten
hadden een groot terrein kunnen koopen, waar zij zich ook bezig hielden
met de vervaardiging van springstoffen, al was het dan ook op kleine
schaal, daar de wet voorschreef, dat er rondom een fabriek een strook
van vele tientallen meters onbebouwd moest blijven.
Het personeel der fabriek bestond uit ongeveer veertig man.
Het kantoorgebouw bevond zich op de eerste verdieping, gelijkvloers was
de eigenlijke fabriek, waar chemische producten werden vervaardigd, ten
behoeve van de fotografie, de geneeskunde, de kleurstoffenfabricate en
andere zaken.
Langzamerhand hadden de beide compagnons het gebied van hun
werkzaamheden uitgebreid en zij vervaardigden nu aspirine, zoowel als
koolzure natrium, digitaline en ook metol.
In den laatsten tijd had Macdara zich toegelegd op de fabricage van
aniline kleurstoffen in de hoop, dat hij iets zou kunnen produceeren,
gelijkwaardig aan de voortreffelijke Duitsche kleurstoffen, maar
ondanks zijn pogingen was hij hier niet in geslaagd.
De beide compagnons hadden heel wat geld besteed aan de talrijke
proefnemingen, maar ter beurze werd algemeen gezegd, dat hun zaak er
goed voorstond.
Op de derde verdieping van het fabrieksgebouw bevond zich een zeer
groot laboratorium, en daar waren ook de donkere kamers tot onderzoek
van nieuwe kleurgevoelige zilververbindingen, en eenige werkplaatsen.
Tenslotte waren op de vierde verdieping de magazijnen, waar de
afgewerkte producten waren opgestapeld, op de groote, luchtige zolders.
Het particuliere kantoor van de beide firmanten zag met twee ramen op
de straat uit, en was van het kantoor van het personeel gescheiden door
een wand, die ter halver hoogte uit matglas bestond, en waarin zich een
communicatiedeur bevond.
Een tweede deur kwam op een breede gang uit en tenslotte gaf een derde
den toegang tot een soort ontvangkamer, bestemd voor de clientèle, en
die weer in verbinding stond met een dwarsgang.
Zoowel met de breede trap als met een electrische lift kon men de
verschillende verdiepingen bereiken.
Het was op een morgen in het begin van de lente toen het
kantoorpersoneel fluisterend bijeen zat, nu en dan naar de tusschendeur
loerend.
De boekhouder, een man van een jaar of veertig, met dichte, zwarte
wenkbrauwen en breede kaken, Banks geheeten, boog zich naar den
facturist over, een oud mannetje zonder eenige spoor van haargroei
Coffey geheeten en zeide op zachten toon:
„Ik gaf een lief ding als ik weet, waar zij nu eigenlijk ruzie over
hebben. Er wordt toch geld verdiend, nietwaar Duckket?”
Deze vraag was gericht tot den kassier, een man van bijna zestig jaar,
met een sluw, rimpelig gezicht, en die een verbazend grooten zwaren
bril op de punt van zijn neus liet balanceeren.
„Dat is geen geheim,” antwoordde Duckket met een knipoogje. „Er zijn
zeker veel zaken die veel grooter zijn dan de onze, maar die hebben dan
ook veel grooter kosten,—en het gaat ons goed, als wij geen al te
groote sprongen willen maken, dan zal de zaak er wel op vooruit gaan.
Het is vreemd, maar sedert de jonge Jack Helford, de nieuwe chemicus
hier is, die protégé van Lord William Aberdeen, lijkt het wel alsof
alles van een leien dakje gaat.”
Deze opmerking ontlokte een schamper lachje aan den eersten klerk,
Heywood geheeten, een jong mensch van twee of drie en twintig jaar,
netjes gekleed en met een bleek gelaat.
„Ik kan niet inzien, dat de nieuweling zoo veel bijzonders verricht,”
zeide hij minachtend, „pas op Duckket, ik geloof waarlijk, dat jij ook
al een oogje hebt op zijn mooie zuster Ellen.”
„Van dergelijke grapjes zult u mij wel verschoonen, mijnheer Heywood,”
hernam Duckket, terwijl hij een nijdig rukje aan zijn pijp gaf. „Ik ben
te oud en te lang hier in dienst om mij door zuigelingen als gij zijt,
voor den gek te laten houden.”
„Wordt nu maar niet dadelijk zoo kwaad, Duckket!” riep Banks lachend
uit, terwijl hij den kassier op de magere schouders klopte.
„Het zou zoo bijzonder niet zijn, dat iemand naar Ellen kijkt, die daar
eigenlijk al te oud voor is,” bromde Heywood. „Ik vertel niets nieuws
als ik zeg, dat Palmer haar naloopt.”
Met een slag van zijn platte hand op zijn lessenaar viel Duckket uit.
„Ik verzoek je nu in ernst, Heywood, met wat meer eerbied over je
patroon te spreken.”
„Stil maar, oudje,” hernam de eerste klerk op spottenden toon. „Ik zal
niet meer aan het heilige huisje raken.”
„Bovendien, Heywood, je praat waanzinnig,” zeide Parker, de tweede
klerk, „het is immers bekend, dat de heer Palmer zijn blikken elders
heeft laten vallen.”
„Ik weet wat je bedoelt, op de aanstaande van onzen chemicus, Maud
Fleming.”
„Ik geloof dat het beter is, liet nu het schrale stemmetje van Coffey,
den facturist zich hooren, „als wij dergelijke intieme aangelegenheden
niet ter sprake brachten. Alles wel beschouwd is dit een kantoor en
geen besjeshuis.”
„Dat zou men anders van jou niet zeggen, Coffey,” riep Heywood met een
sarrend lachje, en daarop draaide hij zich op zijn hooge kruk om, en
hield zich onledig met het schoonmaken van zijn nagels, waaraan hij
groote zorg placht te besteden.
Zachtjes neuriede hij daarbij een der jongste danswijsjes voor zich
heen, opgevangen in een van de nachtcabarets, waarvan hij een trouw
bezoeker was.
En een seconde later was ieder weer druk aan het werk, want de
tusschendeur ging open en op den drempel verscheen een krachtig gebouwd
man, niet ouder dan veertig jaar met breede schouders, een vlezig
gelaat en scherpe oogen, die half verborgen waren onder borstelige
wenkbrauwen.
Het was Thomas Macdara, een van de beide compagnons.
Hij bleef een oogenblik in de deuropening staan, een sigaar tusschen de
lippen, en de handen in de zakken van zijn colbert.
Hij monsterde de leden van zijn personeel een voor een, en zeide toen:
„Mag ik de heeren er even op attent maken dat ik hen betaal om te
werken en niet om als oude wijven te kletsen.”
Niemand antwoordde, en alleen Heywood wierp een loerenden blik op zijn
patroon, maar keek dadelijk weer voor zich toen deze hem aanzag.
Nog een oogenblik bleef Macdara staan en daarop ging hij weder heen, de
deur achter zich dichtslaand.
„Tuig!” bromde hij voor zich heen. „Als men het niet voortdurend achter
de vodden zit besteden zij hun tijd aan spelen en praten en allerlei
nonsens, vooral dat jonge goed is lui en onbetrouwbaar.”
Hij wierp zijn halve groote sigaar op zijn aschbak, trad op zijn
schrijfbureau toe, opende een sandelhouten kistje, en nam er een
versche sigaar uit.
Hij beet er met een krachtigen ruk van zijn scherpe tanden de punt af,
spoog die op het dikke vloerkleed uit, en stak zijn sigaar aan.
Met de handen in de zakken, het hoofd op de borst gebogen, en gefronst
voorhoofd, liep hij langzaam door het vertrek op een breeden leunstoel
van dik leder toe en liet er zich in neer vallen.
Hij strekte de beenen voor zich uit, bleef even onbewegelijk voor zich
uitstaren en scheen zachtjes iets voor zich heen te mompelen, dat
echter niemand had kunnen verstaan ook al had men zich vlak naast hem
bevonden.
Toen strekte hij langzaam de hand uit, tot zijn vinger ruste op de
electrische bel op den rand van zijn schrijftafel.
Even scheen hij nog te aarzelen, en toen drukte zijn vinger de bel
neder.
Er trad een kantoorjongen binnen, die eerbiedig op den drempel bleef
staan.
„Is mijnheer Helford er al?” vroeg Macdara zonder op te zien.
„Mijnheer is zooeven naar het laboratorium gegaan.”
„Ga naar hem toe en vraag of hij even hier wil komen, haast je wat!”
De jongen verliet het vertrek, en Macdara bleef weder alleen.
Niets bewoog nu aan hem, behalve zijn lippen, die zware rookwolken uit
zijn sigaar trokken.
Er verstreken een paar minuten en daarop ging de deur opnieuw open, en
een jonge man trad binnen, gehuld in een witte laboratoriumjas, die hem
tot op de hielen hing en waarvan de mouwen om de polsen waren gesloten.
Hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar zijn en had een knap en
intelligent gelaat, waarin twee groote bruine oogen schitterden.
Hij sloot de deur achter zich en bleef toen rustig staan, tot de ander
het woord tot hem zou richten.
Maar Macdara scheen in het geheel niet te bemerken dat er iemand binnen
getreden was en bleef in dezelfde houding zitten, tot de stem van
Helford hem uit zijn gepeins opschrikte die zeide:
„Hier ben ik, mijnheer Macdara. U heeft mij laten roepen?”
De fabrikant sprong op, wierp zijn sigaar weg, streek even met de
rechterhand over de oogen en antwoordde toen:
„Ja, Helford, ik wilde je wel even spreken, heb je het druk?”
„Dat gaat vrijwel, mijnheer, wij zijn nu juist bezig aan het
onderzoeken van een nieuwe stof, die het celluloid moet vervangen.”
„Hoe staat het met mijn kleurstoffen?”
„Ik moet u tot mijn spijt mededeelen, mijnheer Macdara, dat zij helaas
niet houdbaar zijn gebleken. Het blauw was nog het beste uitgevallen,
maar het was niet tegen de ontkleuringsproef bestand.”
Macdara beet zich op de lippen en in zijn voorhoofd trok een diepe
rimpel.
Hij scheen even na te denken en vervolgde, terwijl hij zijn donkere
oogen strak op het gelaat van Helford gevestigd hield:
„Luister eens hier, Helford, je hebt in de laatste weken met mijnheer
Palmer samen gewerkt, nietwaar, aan de proeven om tot de samenstelling
te geraken van een nieuw springmiddel, veel krachtiger en veel
gevaarlijker dan dynamiet, bariet, en petrol?”
„Dat is inderdaad zoo, mijnheer,” antwoordde Helford, en er scheen
eenige bevreemding in zijn stem te komen.
„Ik vraag je dit, omdat ik tot mijn spijt heb moeten constateeren dat
mijn compagnon mij een weinig buiten deze aangelegenheid heeft
gehouden, en zoodoende moet ik mij wel tot onzen chemicus wenden ter
verkrijging van nadere bijzonderheden,” voegde hij er met een kort
lachje aan toe.
„Dan zal ik u een teleurstelling moeten bereiden, mijnheer,” hernam
Helford, eenigszins afgemeten, „want mijnheer Palmer heeft slechts van
mijn hulp gebruik gemaakt, voor het bereiden van verbindingen die reeds
algemeen bekend zijn. Gij weet echter waarschijnlijk even goed als ik,
dat uw compagnon zeer groote verwachtingen koestert van zijn nieuwe
springstof, en dat hij er reeds proeven mee heeft genomen, die haar
kracht en betrouwbaarheid aantoonden. Het verbaast mij eigenlijk een
weinig.........”
„Dat ik er niet meer van weet?” vulde Macdara op doffen toon den zin
aan, „ja, het is ook nogal vreemd dat de eene compagnon geheimen heeft
voor den andere en op zijn eigen gelegenheid proeven neemt met een
zijner uitvindingen. Gij zijt dus volstrekt niet op de hoogte van de
samenstelling van zijn springstof?”
„Ik weet er volstrekt niets meer van, dan gij zelf, mijnheer,”
antwoordde de jonge chemicus koeltjes.
„Dan wil ik u niet langer ophouden, waarde Helford,” hernam Macdara
snel. „Ga dan maar weer aan uw werk en goed succes verder.”
Hij wuifde even met zijn sterke hand ten afscheid en Helford verdween
met een korte buiging.
Macdara bleef weder alleen, en begon met korte stappen door het groote
vertrek heen en weer te loopen.
„Hij zal het mij mededeelen,” mompelde hij voor zich heen. „Millioenen
en nog eens millioenen is er met deze uitvinding te verdienen, en dat
zou hij alleen voor zich zelf willen houden? Wel, dat zullen wij zien,
mijnheer Palmer. Ik wil niet langer dat bekrompen leven voeren, niet
langer aan het hoofd staan van een derde rangs fabriek, zooals er
duizenden zijn. Ik wil genieten van het leven, ik wil mijn aandeel van
de millioenen.”
Op dit oogenblik ging de deur snel open en Joseph Palmer, de compagnon,
trad binnen.
Hij was omstreeks tien jaren ouder dan Macdara, maar blijkbaar een
levenslustig man met groote zorg gekleed, en met een orchidee in het
knoopsgat.
Men trof hem als trouwen gast in een der nieuwste danspaleizen in de
city, en hij scheen het vak van uitvinder zeer goed te kunnen
vereenigen met het beroep van bon viveur.
Hij was verre van kieskeurig in zijn middelen en men noemde algemeen
zijn geweten zeer ruim.
Hij keek Macdara een oogenblik schuins aan, met iets als spot en
leedvermaak in zijn kleine, doordringende grijze oogen, trok toen
langzaam zijn handschoenen uit, hing zijn jas en zijn hoed op, bekeek
zijn nagels eens, en vroeg toen, terwijl hij voor Macdara stilstond.
„Nog altijd uit je humeur, compagnon? Je ziet er uit als zeven dagen
slecht weer!”
„Ik verzoek je dringend niet te spotten, Palmer,” zeide Macdara
tusschen de tanden. „Ik vraag je nu voor de laatste maal of je van zins
bent, mij op de hoogte te brengen van je uitvinding.”
„En ik antwoord je voor de zooveelste maal, Macdara, dat ik er niet aan
denk,” antwoordde Palmer rustig terwijl hij zijn sigarettenkoker te
voorschijn haalde. „Ik zou ook niet weten waarom ik je deelgenoot van
mijn uitvinding zou maken, die tusschen haakjes, gisteren haar beslag
heeft gekregen. Het middel werkt voortreffelijk en kan in groote
hoeveelheden vrij gemakkelijk worden aangemaakt. Ik heb het echter
geheel alleen ontdekt, ik heb de formule opgesteld—ze zit hier in mijn
binnenzak, als het je soms interesseert, en ik zie niet in waarom ik
jou van de voordeelen mee zou laten genieten!”
„Maar voor den duivel, wij zijn toch compagnons!” gromde Macdara,
terwijl hij de vuisten balde.
„Ongetwijfeld, maar in het contract betreffende onze vennootschap wordt
nadrukkelijk gestipuleerd, dat geen van de beide contractueerenden
eenig recht kan doen gelden op geldelijk voordeel voortvloeiend uit de
uitvindingen, die geheel en al het werk zijn van den ander, je zult je
er dus in moeten schikken, dat ik het Palmerit, dat ik geheel alleen
heb uitgevonden, ook alleen exploiteer. En laten wij nu alsjeblieft
niet verder over de zaak spreken, daarbij blijft het.”
HOOFDSTUK II.
EEN NOODLOTTIGE RAMP.
Drie dagen waren verloopen sinds dat gesprek.
Het was omstreeks acht uur in den avond. De kantoorbedienden van de
chemische fabriek in de Bisshopstreet waren reeds lang naar huis gegaan
en de fabriek lag daar donker en verlaten.
Maar eensklaps stond er een agent van politie die voor de fabriek
passeerde stil en keek verschrikt naar een venster van de derde
verdieping, waaruit een dikke rookwolk te voorschijn kwam.
„Goede God, dat is brand!” riep de man uit.
Hij snelde naar den uitgang van het hooge hek, dat om de fabriek was
opgetrokken, maar de ijzeren deur was stevig gesloten, hoe hij er ook
aan rukte.
Toen trok hij zoo hard hij kon aan de bel en nu kwam de waker, een
bejaard man, toeloopen, en vroeg wat hij wenschte.
„Wat ik wensch?” schreeuwde de politieagent, „maar man zie je dan niet
dat je fabriek in brand staat?”
Hevig verschrikt wendde de man zich om, en keek achter zich, het was
maar al te waar. Uit een der vensters walmde een dikke rookwolk, en
daarachter was een rossig schijnsel zichtbaar.
„Heb je hier geen bluschmiddel in de fabriek?”
„Ja zeker, in de fabriek zelf!” jammerde het oude mannetje, „maar de
derde verdieping, dat is het kantoor!”
„Laten wij hier niet staan kletsen!” riep de agent opgewonden. „Je hebt
immers een telefoon? Bel dadelijk de brandweer op, jij kunt eerder in
je loge zijn, dan dat ik bij de dichtstbijzijnde alarmpost ben.”
De doodelijk verschrikte waker ijlde naar zijn loge, die zich naast de
groote toegangsdeur van de fabriek bevond, en belde de brandweer op,
maar eerst had hij het hek voor den agent geopend, die hem reeds
vooruit was gesneld, en die de trap al opvloog naar de derde
verdieping.
Maar de man wist den weg niet, en bovendien rolde hem al dikke
rookwolken tegemoet, die hem bijna den adem benamen, en die een
doordringenden bedwelmenden reuk hadden.
Hij opende op goed geluk een deur, maar hij moest ijlings achteruit
springen want dadelijk schoten vlammentongen naar buiten, die hem bijna
bereikt hadden.
Hij ijlde de trappen weder af en toen hij beneden kwam, hoorde hij
reeds in de verte het gebel van de stoombrandspuiten, die in vliegende
vaart kwamen aanrijden.
De waker zat doodsbleek bijna wezenloos van schrik op een stoel, en
blijkbaar niet in staat zich te bewegen.
„Bel dadelijk de heeren van de fabriek op!” riep de agent. „Zit daar
niet te suffen, man. Wacht ik zal het zelf wel doen”
Hij bladerde even in den telefoongids en belde toen het particuliere
huis van Joseph Palmer op.
De butler stond hem te woord, die hem verklaarde dat zijn meester reeds
om zeven uur het huis was uitgegaan en nog niet was teruggekeerd.
Hij had niet thuis gegeten, en de butler wist niet waar hij heen was.
Daarop belde de agent den anderen compagnon op, die zelf aan het
toestel kwam, en hevig verschrikte op de tijding dat zijn fabriek in
lichte laaie stond.
Want met onbegrijpelijke snelheid hadden de vlammen zich uitgebreid.
En zij loeiden nu reeds uit alle vensters van de derde verdieping en
waren reeds overgeslagen naar de ramen van den zolder, met zijn
brandbare stoffen!
De brandweer deed wat zij kon, en de brandweerlieden streden als
leeuwen tegen het woedende element, maar het was spoedig te zien, dat
hier al het water van de Theems niet kon baten—de fabriek brandde
letterlijk als een toorts.
De brandwachts konden dan ook niet anders doen dan de omliggende huizen
nathouden en tien, twintig stralen op de brandende fabriek te houden.
Langzaam namen de vlammen in kracht af maar het was reeds een uur in
den nacht toen de vermoeide brandweerlieden eindelijk konden inrukken
op een veiligheidspeleton na, dat de nog smeulende puinhoopen moest
nathouden.
Want van de fabriek van de heeren Macdara en Palmer stonden alleen nog
maar de vier muren.
Macdara was dadelijk na het ontvangst van de telefonische mededeeling
komen aanrijden, en hij had, met doodsbleek gelaat en gebalde vuisten
op eenigen afstand toegekeken hoe zijn fabriek in vlammen opging.
Maar reeds na een half uur, toen het duidelijk bleek dat er niets meer
te redden viel, was hij met gebogen hoofd heengegaan.
Twee brandweerlieden hadden aangeboden naar binnen te gaan en althans
de voornaamste boeken te redden, maar Macdara zelf had hen
teruggehouden en hen verboden daarvoor hun leven te wagen, zelfs al
waren zij voorzien van een rookmasker.
Den volgenden morgen stond het relaas van den brand in alle bladen, en
men kon daarin ook het zonderlinge feit vermeld vinden, dat Joseph
Palmer in het geheel niet naar zijn fabriek was komen omzien.
Sterker, hij was naar allen schijn in het geheel niet te Londen, want
in dien nacht was hij niet thuis geweest, ofschoon hij aan zijn
bediende niets had medegedeeld en deze hem zooals gewoonlijk
verwachtte.
En van dat oogenblik begonnen er zonderlinge geruchten de ronde te
doen.
Het kwam aan het licht dat de fabriek voor een groot bedrag op
beurspolis verzekerd was, tegen een hooge premie.
Toch bleek uit niets, dat hier boos opzet in het spel was, tenminste
niet dadelijk, en volgens de getuigenissen van het kantoorpersoneel
bloeide de zaak van beide firmanten en de geldmiddelen stonden er
uitstekend voor.
Vooral Duckket, het oude kassiertje, verwierp met woedende
verontwaardiging de mogelijkheid dat men Palmer iets zou kunnen
verwijten, ook al was hij nu toevallig niet te Londen.
Het was te dwaas om alleen te loopen, dat een man van zijn inborst, die
op het punt stond een voordeelige ontdekking te doen, zijn fabriek in
brand zou hebben gestoken, zoo verklaarde Duckket.
En spoedig zouden de feiten hem in het gelijk stellen, want twee dagen
na den brand vond men onder de puinhoopen van de fabriek het bijna
geheel verkoolde lijk van Joseph Palmer.............
Maar dit kon de ergste kwaaddenkenden toch niet aan het wankelen,
brengen, zij verklaarden nu dat Palmer door de vlammen verrast was van
den brand dien hij zelf had aangestoken.
Een oogenblik scheen het dan ook, alsof de gebeurtenissen hen in het
gelijk zouden stellen, want uit het door de brandweer ingestelde
onderzoek bleek, dat de vlammen zich op een buitengewoon snelle wijze
hadden uitgebreid en dat de brand op een zeer zonderlinge wijze was
uitgebroken.
Van dat oogenblik af werd er een rechtzaak van gemaakt. De oude waker,
Tom Field, werd gehoord, maar hij hield stijf en strak vol dat hij
niemand zijn loge had zien passeeren dien avond en dat om vijf uren het
geheel kantoorpersoneel was heengegaan.
Maar—er was een afzonderlijke ingang voor het particuliere kantoor, om
den hoek van het gebouw gelegen, en van zijn loge uit kon hij niet of
moeilijk zien of daar iemand binnen gegaan was.
Trouwens—het stond natuurlijk vast, dat Palmer terug was gekeerd, nadat
hij om vier uur zijn kantoor had verlaten, anders had men hem
onmogelijk onder de puinhoopen kunnen vinden.
Weliswaar was zijn lichaam bijna geheel verkoold, maar aan zijn
identiteit kon niet worden getwijfeld, want men vond aan een van de
vingers zijn grooten zegelring, en zijn horloge met zijn inscriptie
werd bijna ongeschonden teruggevonden.
Ook zijn laarzen waren zeker de zijne.
Maar wat kwam Palmer in het kantoor doen?
Dat was de groote vraag, en niemand zou er op kunnen antwoordden.
Dat zou alleen Palmer hebben kunnen doen en hij was dood.
Toen werd er een nauwkeurig onderzoek ingesteld naar de wijze waarop de
brand zou kunnen zijn ontstaan, en vooral trachtte de politie te
ontdekken hoe het mogelijk was, dat de vlammen zich zoo buitengewoon
snel hadden uitgebreid.
Aan een ongeluk viel bijna niet te denken, want dan zou degeen die het
veroorzaakt had het brandsignaal in werking hebben gebracht om den
waker te waarschuwen.
Op de derde verdieping bevond zich volstrekt niets dat bijzonder
brandbaar was, niets anders dan de kantoorlokaliteiten, de
ontvangkamer, en nog enkele andere vertrekken, waarin zich slechts
gewone kantoormeubelen bevonden.
Het was een raadselachtig geval, maar reeds begon het publiek zich te
gewennen aan de opvatting, dat men hier met boos opzet te doen had, en
dat Palmer daarvan zelf als slachtoffer was gevallen, toen er iets
onverwachts gebeurde.
De jonge chemicus, Jack Helford, werd gearresteerd op beschuldiging
Joseph Palmer te hebben vermoord, en daarna den brand te hebben
gesticht.
Spoedig wisten de bladen te vermelden, op welke gronden deze
beschuldiging berustte, den dag tevoren had tusschen Palmer en Helford
in het laboratorium een hevige woordenwisseling plaats gehad en zelfs
was het tot handtastelijkheden gekomen, de assistenten hadden de twee
mannen van elkander moeten scheiden.
De aanleiding tot die twist bleef niet lang geheim want meedoogenloos
brachten de Londensche dagbladen alles aan het licht.
Joseph Palmer bleek zich vergeten te hebben tegenover de zuster van
Helford niet alleen, maar ook ten opzichte van diens zuster Ellen.
Hij had beide meisjes oneerbare voorstellingen gedaan, en Helford was
er de man niet naar dit straffeloos te dulden.
Maar er was meer, het werd bekend, dat Helford met Palmer had
samengewerkt bij de samenstelling van een nieuw springmiddel, het
„Palmerit” en dat de formule ter vervaardiging van die stof spoorloos
verdwenen was, terwijl verscheidene leden van het kantoorpersoneel zeer
goed wisten, dat die formule bestond.
Natuurlijk was het mogelijk, dat de desbetreffende papieren zich in den
zak van Palmer hadden bevonden, toen hij op dien noodlottigen avond op
de fabriek kwam, en dat zij dus met hem verbrand waren, maar zeker was
dat niet, en Helford was de eenige die iets meer dan de anderen kon
weten van Palmer’s uitvinding, en die wist, hoeveel zij waard was.
Weer werd de oude waker, Tom Field, ondervraagd, maar hij verklaarde,
den jongen man dien avond niet te hebben gezien.
Weliswaar bezat hij een sleutel van den tweeden ingang, die regelrecht
naar de bureauzalen en naar het laboratorium voerde, en hij zou dus
binnen kunnen zijn gekomen, zonder dat hij, Field, het gezien had.
De jonge chemicus had dadelijk een advocaat genoemd, een zijner
vrienden, aan wien hij zijn verdediging wilde toevertrouwen.
En dadelijk stuitte deze op een moeilijkheid, Jack Helford had tusschen
zes en acht uur een groote wandeling gemaakt, zooals hij verklaarde en
niemand zou dus pertinent kunnen verklaren dat de jonge man in dien
tijd elders was geweest dan in de fabriek.
Het zag er dus tamelijk donker voor den jongen chemicus uit, ofschoon
hij zelf zich niet in het minst ongerust maakte, en er zeker van was,
dat alles spoedig zou worden opgehelderd.
Intusschen weigerde de verzekeringmaatschappij beslist, een penny uit
te betalen voor onomstootelijk was uitgemaakt, dat de brand niet aan
boos opzet was toe te schrijven.
Zij had experts naar de fabriek gezonden, die een grondig onderzoek
instelden, maar het was zeer lastig onder de puinhoopen nog eenig spoor
van opzet terug te vinden.
Van de geheele fabriek stonden immers niets meer dan de vier muren en
een klein gedeelte van het kantoorgebouw.
Wel bleef het onverklaarbaar, dat de vlammen zoo verbazend snel om zich
hadden heen gegrepen, maar daar het opzet niet of niet meer te bewijzen
viel, zoo moest de maatschappij wel door den zuren appel heen bijten,
en aan den overlevenden firmant de hooge verzekeringsom uitbetalen.
Zoo stonden de zaken, toen Thomas Macdara, een dag nadat Helford in
hechtenis was genomen, het bezoek ontving van Fred Heywood.
HOOFDSTUK III.
EEN NOODLOTTIGE MEDEDEELING.
Heywood stond op de stoep van het kleine, ouderwetsche huis aan de
Finsburystreet, keurig gekleed, zijn bleek gezicht met een flauwe blos
overtogen, en een dun rietje in de hand, een sigaret tusschen de
lippen, en hield den blik gevestigd op het koperen bord naast de deur,
waarop te lezen stond: „Thomas Macdara”.
De deur werd hem geopend door een huisknecht, die hem even verbaasd
opnam en daarna naar zijn verlangen vroeg.
„Is je meester thuis?” kwam Heywood, zijn rietje zwaaiend.
„Dat wel mijnheer, maar het is nog zeer vroeg, ik weet niet, of
mijnheer al ontvangt.”
„Geef hem mijn kaartje en zeg hem, dat ik hem over een belangrijke zaak
wil spreken, over een zeer belangrijke zaak.”
De bediende nam het kaartje aan, wierp er een vluchtigen blik op, en
liet dan daarna den bezoeker in een klein ontvangvertrek terzijde van
de vestibule.
Neuriënd nam Heywood plaats, zonder de sigaret uit den mond te nemen.
Eenige minuten later keerde de bediende terug met het verzoek, hem te
willen volgen.
Heywood sprong op, en riep uit:
„Ik wist het wel, dat mijnheer Macdara mij niet onverrichter zake zou
willen weg zenden!”
Hij ging een eikenhouten wenteltrap op, en daarop opende de bediende
een deur voor hem, en liet hem een fraai gemeubeld vertrek binnen.
Macdara zat dicht bij een raam, voor zijn schrijftafel.
Hij had het visitekaartje nog in de hand, en keek zijn bezoeker
nieuwsgierig en onderzoekend aan.
Zonder op te staan, wees hij naar een stoel, wierp het visitekaartje op
zijn bureau en zeide:
„Wel, Heywood, wat kun je mij wel voor bijzonders te vertellen hebben
zoo vroeg in den morgen? Het moet wel iets zeer belangrijks zijn, dat
je in mijn particuliere woning komt, inplaats van......”
„Op uw kantoor?” vulde Heywood den zin aan. „Maar waarde patroon, dat
kantoor bestaat immers niet meer, het verwondert mij, dat gij niet
weet, dat uw fabriek is afgebrand, mij dunkt, dat gij wel een.... een
van de eersten moest zijn om dit niet te vergeten.”
Macdara had zijn gelaat naar den bezoeker gewend, en richtte zich nu
langzaam op.
Zijn wenkbrauwen gingen de hoogte in, en er kwam een uitdrukking van
verbazing en boosheid in zijn oogen.
De toon van zijn eersten klerk beviel hem in het geheel niet, evenmin
als zijn geheele optreden.
Heywood had iets onbeschaamds over zich, en had zijn eene been over het
andere geslagen, terwijl hij zijn patroon brutaal aankeek, en met zijn
rotting speelde.
Even was het stil in het vertrek.
Toen stond Heywood op en liep naar het schrijfbureau, waarop een
wortelhoutenkistje stond, gevuld met dure importsigaren.
Heywood stak de hand uit, nam er een sigaar uit, rook er even aan, en
zeide met overtuiging:
„Een uitstekend merk, u permitteert, patroon?”
Zonder antwoord af te wachten, beet hij de punt van de sigaar en stak
haar aan.
Macdara was zoo verbluft over deze onbeschaamdheid, dat hij geen woord
kon uitbrengen.
Heywood was al weder gaan zitten, en had een dichte wolk uitgeblazen,
toen Macdara uitbarstte:
„Wat moet dat beteekenen? Ben je dronken, Heywood? Pas op, want ik laat
niet met mij spotten!”
„Daar ben ik grondig van overtuigd, chef,” zeide Heywood en hij liet de
sigaar van den eenen naar den anderen mondhoek rollen, „maar laat ik u
zeggen, dat ik volkomen nuchter ben. Alleen ik heb uw sigaren altijd
bijzonder graag geroken, en nu ik in de gelegenheid ben, ze ook eens te
proeven, nu grijp ik haar bij de haren. Trouwens ik ben zeker, dat gij
er niet aan zoudt denken, mij een sigaar te weigeren—over tien
minuten!”
Macdara stond langzaam op.
Er glinsterde een gevaarlijk licht in zijn donkere oogen.
Hij bedwong zich echter en vroeg, met een wrangen glimlach om de dunne
lippen:
„Laten wij ter zake komen, zeg mij het doel van uw bezoek. Wat hebt gij
mij voor belangrijks mede te deelen?”
„Dat komt aanstonds, patroon,” antwoordde Heywood, die zijn oogen strak
op het gezicht van den andere gevestigd hield. „Laat mij beginnen, met
u een vraag te stellen, dan volgt de rest van zelf.”
„Een vraag, gij aan mij?” riep Macdara toornig uit. „Wat bezielt je,
man, als je dan niet dronken bent, dan moet je gek zijn!”
„Ik ben zoo gezond van geest als ik maar kon verlangen,” hernam Heywood
bedaard. „Als gij mij niet toestaat, u de vraag te stellen, wel des te
erger voor u.”
Hij was op zijn beurt opgestaan, en scheen voornemens te zijn, zich
naar de deur te begeven.
Maar er was iets in zijn stem, dat Macdara bewoog, haastig uit te
roepen:
„Zoo was het niet bedoeld, kom dan voor den dag met uw vraag, maar maak
het kort, ik heb niet veel tijd.”
„O, ik zal u niet langer ophouden dan volstrekt noodzakelijk is, ik
begrijp volkomen, hoe druk gij het op het oogenblik hebt, mijn vraag is
deze, ik zou van u willen weten, of gij soms iets vermist?”
Macdara antwoordde niet dadelijk, maar keek den klerk doorborend aan,
alsof hij tot in het diepste van zijn ziel wilde lezen.
Er lag nu zoo duidelijk een bedreiging in de stem van Heywood, alsof
hij die reeds had geuit.
Langzaam herhaalde de fabrikant:
„Of ik iets vermis? Ik zou niet weten wat.”
„Toch niet? Bedenk u eens goed. Gij vindt het niet? Nu, dan zal ik u
maar op weg helpen, gij hebt iets tamelijks kostbaarst verloren, een
uwer gouden manchetknoopen.”
De stem van Macdara had een heeschen, ongewonen klank, toen hij met
moeite uitbracht:
„En, waar zou ik dien knoop verloren hebben?”
„O, op een heel gewone plaats, in uw privé-kantoor, toen dat nog
bestond.”
„En, gij hebt dien knoop gevonden?”
„Ik maak u mijn compliment over uw scherpzinnigheid, patroon, ja, ik
ben de vinder. Ik vond dien knoop......... Eergisteren, des
avonds...... omtrent half acht......”
Bij deze woorden week alle kleur uit het gelaat van den fabrikant.
Zijn oogen verwijdden zich, en zijn lippen bewogen zich, zonder dat er
eenig geluid over kwam.
Heywood had met een loerenden blik in zijn kleine oogen de verandering
gade geslagen, welke er op het gelaat van Macdara plaats greep.
Deze had zich nu met geweld bedwongen, en er verscheen zoo iets als een
glimlach op zijn lijkbleek gelaat. Maar zijn stem was schor, toen hij
vroeg:
„Gij waart dus dien avond in het fabrieksgebouw?”
„Ja, patroon, en meer in het bijzonder in het kantoor, dat, naar gij
natuurlijk wel zult weten, door een glazen schot van het particuliere
kantoor der heeren Macdara en wijlen Palmer was gescheiden.”
„En, gij hebt dien knoop in uw bezit? Gij hebt hem bij u?”
„Hij zit in mijn zak, met nog een briefje, dat aan mijnheer Palmer was
geadresseerd, en dat geschreven heet te zijn door een zekere Miss Maud
Fleming, de verloofde van Jack Helford.”
Een oogenblik stond Macdara stokstijf, met uitpuilende oogen naar den
klerk te staren.
Toen deed hij een sprong voorwaarts en het volgend oogenblik zou hij
den ander bij de keel hebben gegrepen.
Maar Heywood had hem niet uit het oog verloren.
Hij deed bliksemsnel een paar passen achteruit, en stak de hand in den
zak.
Toen hij haar er weder uithaalde, blonk er een kleine revolver in, die
op de borst van den fabrikant was gericht.
„Dat had ik wel gedacht,” bromde hij spottend. „Gij zijt heel wat
sterker dan ik, en gij zoudt mij wel gaarne die beide dingetjes hebben
afgenomen, niet waar?”
Macdara gaf geen antwoord maar keek den klerk aan met oogen, waarin
schrik, woede en haat om den voorrang streden.
Toen vermande hij zich, en ging bedaard naar zijn stoel.
Hij ging zitten, nam met bevende hand een sigaar, stak ze aan, en vroeg
toen:
„Ik denk, dat dit een handelszaak gaat worden, Heywood?”
„Dat hebt gij daar ineens geraden!” riep de klerk uit. „Nogmaals mijn
compliment!”
„Gij hebt ... iets gezien?”
„Alles!”
„Alles? Nu laat eens hooren?”
„Ik kan kort zijn, ik kwam ongeveer kwart voor zevenen naar het
kantoor, omdat ik daar iets in mijn lessenaar had laten liggen, dat ik
volstrekt noodig had!”
„Mag ik weten, hoe het komt, dat de portier u in het geheel niet gezien
heeft?”
„Dat was louter toeval, toen ik aan het hek wilde aanschellen, zag ik
dat de deur aanstond, en dat Tom Field juist naar den overkant liep,
met een kan in de hand, misschien wilde hij bier halen, of iets
dergelijks, ik wachtte natuurlijk niet op hem maar ging naar binnen.”
Macdara beet zich op de lippen, en een uitdrukking van dierlijke
wraakzucht kwam in zijn oogen.
Maar Heywood vervolgde kalm, na een krachtigen haal aan zijn fijne
sigaar te hebben gedaan.
„Ik was nog geen vijf minuten in het kantoor of ik hoorde de gangdeur
van uw eigen kantoor opengaan. Nieuwsgierig als ik ben, bleef ik stil
staan waar ik was, en dat was juist bij het glazen schot. Gij zult
natuurlijk niet weten, dat wij zoo indiscreet zijn geweest, op een
verborgen plekje de verf van de ruit te hebben gekrabd, zoodat wij wel
eens een blik in uw kantoor konden werpen, zonder dat gij het zaagt,
maar het is zoo. Weet gij, wie er binnenkwam? Maar wat vraag ik,
natuurlijk weet gij het! Gij zelf hebt hem waarschijnlijk het
gefingeerde briefje van Miss Maud geschreven, waarin zij mededeelde,
dat zij den gelukkigen Palmer om zeven uur in zijn privé-kantoor zou
komen opzoeken. Ja, gij had het prachtig voor elkaar gebracht, en als
niet het noodlot in mijn bescheiden persoontje tusschen beide was
gekomen, dan zou er nooit een haan naar gekraaid hebben, dat gij Palmer
hebt vermoord.....”
Heywood had dit laatste op fluisterenden toon gezegd, maar toch sprong
Macdara doodelijk verschrikt op, en zeide op heeschen toon:
„Stil—om Gods wil stil!”
„Aha, ik zie dat mijn kleine opmerking doel heeft getroffen,” hernam
Heywood met een valsch lachje. „Maar laat ik eerst even mijn verhaal
vervolgen. Palmer kwam dus binnen. Hij wierp een blik op zijn horloge,
daarna op de pendule, en ging in een stoel zitten, na zijn jas te
hebben uitgetrokken, en zijn hoed aan den kapstok te hebben gehangen.
Blijkbaar verwachtte hij iemand, en ik vroeg mij verbaasd af, wie dat
kon zijn, toen de deur achter hem heel zachtjes openging, ...... en er
iemand te voorschijn kwam dien ik heel goed ken.”
Heywood wachtte even, om een sluikschen blik op den fabrikant te
werpen, die met gebogen hoofd en bleek gelaat op zijn stoel zat, en
ging toen voort:
„Ik begreep volstrekt niet, waarom hij zoo zachtjes binnenkwam, en toen
ik begreep was het te laat— — de man die zoo katachtig was
binnengekomen, hief een dolk op en stak dien den ander in den nek......
en die man waart gij! Ik was zoo ontzet, dat ik zelf geen kreet kon
slaken, en daaraan heb ik misschien het behoud van mijn eigen leven te
danken, mijnheer Macdara! Nu de rest is in enkele woorden mede te
deelen—Palmer zakte van zijn stoel, zonder een kreet te slaken, en gij
staakt de hand in zijn binnenzak en naamt er zijn portefeuille uit,
zocht er eenigen tijd met koortsachtige haast in, en nam er toen eenige
papieren uit, welke gij in uw eigen zak liet glijden. Daarop verliet
gij het vertrek.”
Macdara liet een dof gesteun hooren, maar hij zeide geen woord.
Heywood vervolgde, de asch van zijn sigaar tippend:
„Toen mijn eerste schrik voorbij was, begreep ik, dat hier een goede
slag te slaan was... ik wachtte nog even, en opende toen voorzichtig de
tusschendeur. Dadelijk trok iets wits mijn aandacht, ik nam het op, en
zag dat het een briefje was, door Maud Fleming onderteekend, maar dat
bij nader onderzoek in het geheel niet door haar geschreven bleek te
zijn. Want zij was sinds drie dagen uitstedig, en zou niet terug keeren
voor over twee dagen. En toen vond ik nog den manchetknoop, dien ik
oogenblikkelijk herkende. Daarop snelde ik weg door de deur, terzijde
van het fabrieksgebouw. Maar één ding had ik toch niet voorzien......
namelijk dat gij in staat zoudt zijn, de geheele fabriek in brand te
steken, om uw misdaad te bemantelen. In het eerst begreep ik volstrekt
niet, met welk doel gij Palmer gedood had, maar nu weet ik het heel
goed; de papieren, welke gij hem hebt afgenomen, bevatten de formule
van het Palmerit, de nieuwe springstof, door uw slachtoffer ontdekt.”
Na deze woorden bleef het geruimen tijd stil in het vertrek.
Macdara keek als wezenloos voor zich heen, en scheen de
tegenwoordigheid van den man, die getuige was geweest van zijn misdaad,
geheel vergeten te zijn.
Maar nu richtte hij zich op, schudde zich, als of hij een zwaren last
wilde afwentelen, en keek Heywood onderzoekend aan.
Toen zeide hij slechts dit eene woord:
„Hoeveel?”
„Nu, mij dunkt, dat tienduizend pond niet te veel verlangd is,”
antwoordde Heywood bedaard.
„Tien duizend,” schreeuwde Macdara, verbleekend. „Maar zooveel bezit ik
in het geheel niet.”
„Misschien niet in contanten, maar dat zal niet lang duren. Uw fabriek
was voor 40 000 pond verzekerd, en men zal u de som zeker uitbetalen,
en dan zal de exploitatie van het Palmerit, waaraan gij natuurlijk een
anderen naam zult geven, u ook geen windeieren leggen. Maar gij zult
zien, dat gij niet met een onredelijk man te doen hebt. Ik wil u den
tijd geven. Gij betaalt mij nu op slag duizend pond, en de rest zal ik
binnen enkele maanden komen opvragen, wetend, dat gij ze mij wel zult
betalen, want anders............”
Heywood voltooide den zin niet, maar maakte een veelzeggend gebaar, in
de richting van zijn hals, dat Macdara een schreeuw van ontzetting
ontlokte.
Hij sprong op, en trok een lade van zijn schrijfbureau open.
Daarop nam hij er zijn chequeboek uit, en vulde haastig een cheque ten
bedrage van duizend pond sterling in.
Hij stak Heywood het papier toe, die zijn revolver nog altijd in de
hand had, en zeide op korten toon:
„De manchetknoop en het briefje.”
Heywood had de cheque vluchtig doorgezien en opgevouwen, en nu stond
hij met het kostbare papiertje in de hand, Macdara vragend aan te zien.
Toen vroeg hij, met een hatelijken glimlach om de dunne lippen:
„Gij spreekt toch zeker niet in ernst? Denkt gij dat ik die kostbare
bewijzen uit handen zal geven, voor gij de overige negen duizend pond
hebt betaald? Maar hebt gij dan altijd uw klerk voor een ezel
aangezien, patroon? Neen, die dingetjes blijven in mijn zak, totdat
onze aangename handelsbetrekkingen geëindigd zijn.”
Hij greep zijn hoed, na de cheque in zijn binnenzak te hebben gestoken,
en ging ruggelings naar de deur, de revolver steeds op den fabrikant
gericht.
Daar gekomen zeide hij:
„Het blijft dus afgesproken, gij krijgt uw manchetknoop en het
vervalschte briefje zoodra gij de rest van het bedrag hebt afbetaald,
en ik zou u in uw eigen belang aanraden, er niet al te lang mee te
wachten, want gij weet het.........”
En nogmaals maakte hij het gebaar naar zijn hals, met een leelijken
grijns op zijn bleek gelaat.
Toen draaide hij vlug de kruk van de deur om, en het volgende oogenblik
was hij verdwenen.
Geruimen tijd bleef Macdara onbewegelijk, met gebalde vuisten en
doodsbleek gelaat midden in het vertrek staan, en staarde naar de
gesloten deur.
Toen kwam het sissend over zijn lippen:
„Je weet te veel man, en ik ben niet van zins, je negenduizend pond te
betalen. Heywood—ik geloof dat je jezelf—in plaats van mij, den strop
om den hals hebt gehaald.”
HOOFDSTUK IV.
AAN HET VERKEERDE KANTOOR.
Het was omstreeks elf uur in den avond van denzelfden dag toen Thomas
Macdara zijn huis verliet.
Hij was zeer eenvoudig gekleed en had den kraag van zijn jas hoog
opgeslagen.
Voor de huisdeur bleef hij even stil staan, en wierp een onderzoekenden
blik om zich heen.
Toen liep hij haastig door den kleinen voortuin en riep de eerste de
beste huurauto aan.
„Naar den anderen kant van de Tower Bridge, chauffeur,” beval hij.
Hij stapte in, trok het portier dicht, en liet zich achterover in de
kussens vallen.
Zijn gelaat was bleek, maar er lag een sombere vastberaden uitdrukking
op.
Een half uur verstreek en toen hield de auto stil aan de andere zijde
van de machtige Tower Bridge.
Macdara betaalde den chauffeur, waarbij hij zooveel mogelijk in de
schaduw trachtte te blijven, en haastte zich daarop de Theemskade af.
Spoedig bevond hij zich in een der armelijkste wijken van Londen, waar
ook de misdaad hoogtij viert.
Hij ontmoette op zijn weg veel verdachte kerels, die hem onder den rand
van hun pet argwanend opnamen, want al was hij nog zoo eenvoudig
gekleed, zij schenen toch dadelijk te zien dat hij niet tot de hunnen
behoorde.
Nu en dan stond Macdara besluiteloos stil maar eindelijk ging hij een
wijnhuis in de Canonstreet binnen.
Een oogenblik weifelde hij nog, want er dreef hem een dikke tabakswolk
tegemoet, en de lucht in de lage gelagkamer was bijna niet meer
geschikt om in te ademen.
Er zaten een vrij groot aantal bezoekers, waaronder eenige arbeiders,
maar voor het meerendeel mannen met een woest, gemeen uiterlijk, die
bij kleine groepjes aan de morsige tafel zaten te drinken.
Achter de smalle toonbank stond een zwaargebouwd man, met het gezicht
van een zieken gorilla, zoo dicht behaard dat men er bijna niet anders
van zag dan zijn oogen en zijn breeden stompneus.
Macdara zocht zich een plaatsje uit, trachtte zoo veel mogelijk
onopgemerkt te blijven en bestelde een glas wijn, dat hem gebracht werd
door een halfwas kellner in zijn hemdsmouwen en met een morsigen
boezelaar voor.
Hij liet zijn blikken door de gelagkamer dwalen en bijna overal zag hij
verweerde, roode gezichten van dronkaards.
Maar tenslotte bleven zijn oogen gevestigd op een tweetal mannen, die
niet ver van hem vandaan waren gezeten, en die volkomen nuchter schenen
te zijn.
Ook hun uiterlijk was echter voor het overige verre van vertrouwen
wekkend.
Zij droegen een smerige trui, wijde broeken, en een jockeypet met een
grooten klep die voor de helft hun grof gelaat beschaduwde, waarop
allerlei hartstochten te lezen waren die in deze buurt zoo welig
tierden.
De fabrikant keek den grootste van de beide mannen een tijdlang
vorschend aan, totdat deze, wien dit blijkbaar verveelde, naar hem toe
kwam en op norschen toon vroeg:
„Mag ik weten waarom je al het moois van mij afkijkt? Draag ik soms
iets van je? Bevalt de kleur van mijn haar je niet? Zeg het maar
gerust, hoor, maar kijk dan een anderen kant uit.”
Inplaats van zich kwaad te maken over deze woorden, stond Macdara op,
keek den man tegenover hem een oogenblik glimlachend aan, en zeide
toen, zoo zacht dat deze alleen hem kon hooren:
„Ik keek je zoo strak aan, om dat ik naar iemand zoek, die ongeveer
jouw gezicht heeft. Zou je vijfhonderd pond willen verdienen?”
De aangesprokene wierp eerst snel een blik om zich heen, om zich te
overtuigen dat niemand de vraag verstaan had, en herhaalde toen
zachtjes:
„Vijfhonderd pond? Dat is een bom duiten, patroon. En natuurlijk
antwoord ik: Ja, die wil ik wel verdienen, kom maar eens over de brug,
en zeg me wat ik daarvoor doen moet?”
„Dat zal hier onmogelijk gaan, er zijn te veel menschen,” fluisterde
Macdara. „Weet gij geen plek waar wij ongestoord kunnen praten?”
„Wel tien, maar dan moet ik eerst mijn kameraad even waarschuwen.”
„Ga je gang, maar zeg hem vooral niet wat ik je gevraagd heb, aanstonds
zal het je wel blijken waarom niet.”
De man verwijderde zich en sprak gedurende eenige oogenblikken met zijn
kameraad die onverschillig knikte, en daarop op stond, om zich bij een
ander groepje drinkers te voegen.
De man met de geruite pet ging weder naar Macdara terug en zeide:
„Nu ben ik tot je dienst, patroon. Ga maar met me mee, als niemand het
hoeft te hooren, waarmee ik de vijfhonderd goudvinken kan verdienen,
dan weet ik wel een goede plaats.”
De twee mannen verlieten de kroeg en gedurende enkele oogenblikken
liepen zij zwijgend naast elkaar terwijl de man met de pet zijn
metgezel nu en dan tersluiks van terzijde opnam.
Na een kwartier loopen hadden zij een plek bereikt waar juist een
viertal huizen, die op instorten stonden, waren afgezet.
Het terrein was met een schutting afgesloten maar daarin bevond zich
een kleine deur, die niet gesloten bleek te zijn, want de man uit de
kroeg deed haar open en maakte zwijgend plaats voor Macdara opdat die
zou kunnen binnen treden.
Even aarzelde de fabrikant, maar zijn hand ontmoette in zijn zak de
kolf van zijn revolver en dat scheen hem moed te geven en zijn
besluiteloosheid te overwinnen.
Hij ging dus door het deurtje, en de ander volgde hem.
Op het midden van het veld, dat nog vol puin lag, stonden de beide
mannen stil.
De plek was goed gekozen, want hier zou zeker niemand hen kunnen
hooren.
„Begin maar eens met mij den naam te noemen, waarmee ik u moet
aanspreken, dat is gemakkelijker,” zeide Macdara.
„Ik heet Jim Brandy,” antwoordde de ander. „Gij begrijpt dat de
kameraden wel eens grappen maken op dien naam, maar zij doen het nooit
waar ik bij ben,” voegde hij er op dreigenden toon bij.
„Dat kan ik mij begrijpen,” hernam de fabrikant, met een snellen blik
naar de breede borst en de gespierde ledematen van den man die
tegenover hem stond. „Gij ziet er uit als iemand, die niet gewend is
zich voor den gek te laten houden en die van zich af weet te slaan.”
„Dat zou ik je verzoeken,” gromde Jim Brandy, „ik heb er al menigmaal
een neergeslagen, en die had dan geruimen tijd gelegenheid om grappen
over mijn naam te verkoopen.”
„Ei, en is het niet wel eens voorgekomen, dat zij in het geheel geen
gelegenheid meer hadden, om zich ten uwen koste te vermaken?” vroeg
Macdara, terwijl hij den ander aankeek.
Brandy liet een zacht fluitend geluid hooren en bromde toen:
„Zoo, waait de wind uit dien hoek? Nu, veel tijd heb ik toch niet, laat
maar eens hooren wat de zaak is.”
Macdara scheen een oogenblik naar zijn woorden te zoeken.
Hij was zeer bleek geworden, en zijn stem had een schorren klank, toen
hij fluisterend zeide, met den mond zeer dicht bij het oor van Jim
Brandy:
„Hebt gij wel eens een vijand gehad die te veel was op deze aarde?”
Brandy knikte zwijgend.
„Wat deed gij dan?”
„Ik zocht hem op, ik smeet hem een leeg bierglas naar het hoofd of soms
een vol, want onder ons menschen is het geen gewoonte om onze
visitekaartjes te wisselen, en dan gingen wij elkaar met het mes te
lijf, en ik verzeker u dat het minstens net zoo eerlijk toeging als
onder heeren van uw slag als zij op den degen duelleeren.”
„Zoo mag ik het hooren, maar veronderstel eens, dat ik zelf een vijand
had, dien ik echter om verschillende redenen niet aldus kan behandelen,
en dien ik toch tot iederen prijs wil laten verdwijnen, zou jij de man
zijn om dat werk voor mij te doen?”