"Zoo is mijne meening ook," zei de secretaris van Weldon-Institute.

Zij keerden evenwel eerst naar hunne hut terug en staken alles in hun

zakken of verbergden onder hun kleeding, wat zij meê konden nemen,

bij het vooruitzicht van korter of langer op het eiland Chatham te

zullen moeten verblijven.

Toen zij de deur zacht dichtgemaakt hadden, slopen zij zonder gerucht

te maken naar het voorschip.

Hun plan was om Frycollin te wekken en hem te noodzaken met hen

te ontvluchten.

De nacht was zwart. De wolken begonnen uit het zuidwesten op te

komen. De bries was opgestoken en het luchtschip zwaaide voor zijn

anker en deed den tros, die het aan den bodem vasthechtte, eenigermate

van de loodlijn afwijken. Dat was evenwel niets; de afdaling zou

slechts iets moeielijker zijn. Maar, wat was dat voor mannen, die

niet geaarzeld hadden hun leven ten offer te brengen?

Beiden slopen over het dek voort, hielden soms achter de beschotten

der roeven stil, om te hooren of zij ook eenig geluid vernamen. Maar,

overal heerschte de meest volkomen stilte. Geen enkel licht scheen

door de dekglazen. Allen aan boord van het luchtschip waren in een

diepen slaap gedompeld.

Middelerwijl naderden Uncle Prudent en zijn secretaris de hut van

Frycollin; toen bleef Phil Evans plotseling stilstaan en fluisterde:

"De nachtwacht."

Inderdaad, een man lag daar bij de roef uitgestrekt op den grond. Als

hij sliep, dan kon dat maar zeer licht zijn. De vlucht werd onmogelijk,

wanneer deze alarm maakte.

In zijne nabijheid lagen een hoop touwwerk, stukken zeildoek en vlokken

hennep, die gediend hadden bij de herstelling der voortstuwingsschroef.

In een ondeelbaar oogenblik was die man gebonden en den mond gestopt

met een flinken prop. Daarna werd hij zoodanig aan een der spijlen

van de verschansing vastgebonden, dat hij geen vin verroeren of geen

kreet slaken kon.

Dat alles was, zonder bijna gerucht te maken, uitgevoerd.

Uncle Prudent en Phil Evans spitsten toen scherp de ooren, maar niets

liet zich hooren. Diepe stilte bleef heerschen. Alles sliep aan boord.

De beide vluchtelingen--dien naam kan men hen reeds geven, niet

waar?--bereikten eindelijk de hut van Frycollin. François Tapage,

die in de nabijheid sliep, snurkte zoo geweldig, dat hij voorwaar

zijn naam eer aandeed.

Dat was nogal geruststellend.

Maar tot zijne groote verwondering behoefde Uncle Prudent slechts zacht

tegen de deur van Frycollin met de hand te drukken. Zij stond toch

op een kier. Hij trad binnen, maar kwam even snel weer naar buiten.

"Er is niemand!" sprak hij.

"Niemand?" vroeg Phil Evans.

"Neen, niemand!"

"Waar mag de neger zijn?" was de fluisterende vraag.

"Och, wat kan het ons, alles wel beschouwd, schelen?"

Beiden slopen toen naar het voorschip, denkende dat Frycollin daar

ergens in een hoek lag te slapen...

Zij zochten, maar vonden niets!

"Zou de kerel ons voorgekomen zijn?..." zei Uncle Prudent.

"Dat schijnt zoo."

"De drommel zal hem halen!"

"Maar, of hij al of niet de plaat gepoetst heeft, om het even; wij

kunnen niet langer wachten! Kom!"

En zonder te aarzelen, klommen de beide vluchtelingen over de

verschansing, grepen den kabel met beide handen, klemden er zich met

de voeten aan vast, en lieten zich daarna afglijden.

Zoo kwamen zij ongedeerd op den grond terecht.

Wat een genot voor hen, den vasten bodem, die hen sedert zoo lang

ontbroken had, weer onder de voeten te voelen! Wat een pret, om weer

op stevigen grond te kunnen wandelen, en niet meer de speelbal des

dampkrings te zijn!

Zij maakten zich gereed, om langs het riviertje het binnenste gedeelte

van het eiland te bereiken, toen een gedaante eensklaps voor hen

verrees.

Dat was Frycollin.

Ja, de neger had hetzelfde denkbeeld van zijn meester gehad en had

de stoutmoedigheid ontwikkeld, hem zonder voorafgaande waarschuwing

vóór te gaan.

Maar, het was thans het oogenblik niet, om zich daarover vertoornd

te toonen, en Uncle Prudent wilde eene schuilplaats in een verwijderd

gedeelte van het eiland gaan zoeken, toen Phil Evans hem weerhield.

"Uncle Prudent," sprak hij, "luister naar mij."

"Ik luister, Phil Evans."

"Wij zijn dien Robur ontkomen," ging de secretaris voort. "Hem en zijn

makkers is een schrikkelijk uiteinde bereid. Hij verdient het... dat

is zoo. Maar als hij op zijn eerewoord wilde verklaren geen pogingen

aan te wenden, om ons andermaal gevangen te nemen..."

"Het eerewoord van zoo'n kerel!..."

Uncle Prudent had den tijd niet om te eindigen. Een gerucht, eene

soort beweging werd aan boord van de _Albatros_ waargenomen.

Klaarblijkelijk werd alarm gemaakt en was de ontvluchting der beide

Amerikanen ontdekt.

"Hier!... Hier heen!..." werd geroepen.

Dat was de wachthebbende, die er eindelijk in geslaagd was, zijn

mond van den prop te ontdoen. Driftige stappen weerklonken op het dek

van het luchtschip. En bijna terzelfder tijd schoten de electrische

stralen der seintoestellen voort, om het eiland over een breeden

sector te verlichten.

"Daar zijn ze!.... Daar zijn ze!...." riep Tom Turner.

De vluchtelingen waren gezien geworden.

Op hetzelfde oogenblik werd, op bevel van Robur, dat met luider stem

gegeven was, de snelheid der omwentelingen van de opstuwingsschroeven

getemperd, en langs den ankertros, die aan boord ingepalmd werd,

naderde de _Albatros_ de oppervlakte van het eiland.

In dit oogenblik werd de stem van den secretaris Phil Evans duidelijk

vernomen:

"Ingenieur Robur," riep hij, "verbindt gij u op uw eerewoord, dat

gij ons in vrijheid wilt laten?...."

"In vrijheid?"

"Ja, op dit eiland in vrijheid?"

"Nooit!" schreeuwde Robur.

En dat antwoord werd gevolgd door een geweerschot, waarvan de kogel

den schouder van Phil Evans lichtelijk schampte.

"O, wee!" riep deze.

"O, die booswichten!" riep Uncle Prudent.

En met zijn mes in de hand, stormde hij naar de rotsblokken toe,

waartusschen de ankerlepel gevat had.

Het luchtschip was toen op hoogstens vijftig voeten van den grond

verwijderd.

De kabel was al heel spoedig doorgesneden, en de bries, die intusschen

merkbaar aangewakkerd was, greep de _Albatros_ dwars en voerde haar

in noordoostelijke richting.

Binnen weinige minuten bevond het luchtschip zich boven de Groote

Stille Zuidzee.

XVI.

WAARIN DE LEZER IN EENE ONZEKERHEID GELATEN WORDT, DIE HIJ

WAARSCHIJNLIJK BETREUREN ZAL.

Het was toen twintig minuten na middernacht.

Vijf of zes geweerschoten waren nog van het luchtschip gelost

geworden. Uncle Prudent en Frycollin hadden Phil Evans onder den

arm genomen en een beschermende toevlucht achter groote rotsblokken

gezocht.

Zij waren niet geraakt geworden en hadden voor het oogenblik niets

te duchten.

De _Albatros_ steeg, terwijl hij zich van het eiland verwijderde, al

dadelijk tot eene hoogte van negen honderd meters op. Men had eene

grootere opstijgingskracht moeten ontwikkelen, om te voorkomen dat

het luchtschip in zee viel.

Op het oogenblik, dat de wachthebbende man, van zijn mondprop bevrijd,

zijn eersten kreet slaakte, waren Robur en zijn eerste officier Tom

Turner naar hem toegeijld, hadden hem van het stuk zeildoek, dat

hem het hoofd bedekte, bevrijd en zijne banden losgemaakt. Daarna

hadden zij zich naar de hut van Uncle Prudent en Phil Evans gespoed,

maar deze leeg bevonden.

Van zijn kant had François Tapage Frycollins hut doorzocht. Ook daarin

was niemand te vinden.

Toen Robur vernam, dat zijne gevangenen ontsnapt waren, voelde hij

een geweldig gevoel van toorn opwellen.

Door de ontsnapping van Uncle Prudent en van Phil Evans zou toch

zijn geheim, zijne verpersoonlijking aan iedereen geopenbaard

worden. Had hij zich ook al niet erg bekommerd over het schrijven,

door Uncle Prudent, bij het overstevenen van Frankrijks hoofdstad,

naar buiten geworpen, dan vond dat zijne oorzaak in de gedachte,

dat dit papier zeer veel kans had geloopen bij den val verloren te

zijn geraakt.... Maar thans!....

Hij hernam zijne bedaardheid evenwel:

"Zij zijn ontvlucht...." zei hij .... "nu, mij wel!"

"Denkt gij er zoo over?" vroeg Tom Turner.

"Wel zeker. Zij zullen zoo gauw het eiland Chatham niet kunnen

verlaten"....

"Zij zullen er evenwel niet altijd blijven!"

"Over een paar dagen zal ik er terugkeeren!.... Ik zal ze

opsporen!.... Ik zal hen weer gevangen nemen!.... En dan"....

"Ja dan!...." herhaalde Tom Turner, terwijl hij de vuist balde naar

den kant van het eiland.

De redding der vluchtelingen was inderdaad al zeer weinig

verzekerd. Wanneer de _Albatros_ hare vrijheid van beweging en van

sturen zou herkregen hebben, zou zij toch dadelijk naar het eiland

Chatham, vanwaar de beide leden van Weldon-Institute zoo spoedig niet

zouden kunnen vertrekken, weerkeeren. Binnen een half etmaal zouden

zij weer in de macht van den ingenieur kunnen zijn.

Binnen een half etmaal?.... Maar, vóórdat twee uren voorbijgesneld

zouden zijn, zou de _Albatros_ vernietigd wezen. Was die

dynamietpatroon voor haar niet als eene torpedo, die aan hare flanken

gehecht was, en die het vernietigingswerk te midden van de lucht

zoude volbrengen?

Intusschen wakkerde de bries al meer en meer aan en werd het luchtschip

in noordoostelijke richting heengevoerd. Hoewel de snelheid van het

luchtschip zeer matig was, zou het toch bij zonsopgang het eiland

Chatham uit het gezicht verloren hebben.

Om tegen den wind in derwaarts terug te stevenen, was het een

vereischte, dat de voortstuwers, althans die van het voorschip,

in staat waren te werken.

"Tom!" riep de ingenieur.

"Master Robur?" antwoordde de eerste officier.

"Laat de verlichtingstoestellen met volle kracht werken, zoodat wij

goed kunnen zien."

"Opperbest, master Robur!"

"En iedereen aan den arbeid!"

"Allen?"

"Ja, allen."

"Nu, daar zal ik voor zorgen."

Er kon geen quaestie meer van zijn, om het werk tot den volgenden

morgen uit te stellen. Er mocht thans geen sprake meer zijn van

vermoeidheid. Alle mannen aan boord deelden de hartstochten van hun

opperhoofd. Geen enkele hunner was er, die niet tot alles in staat was,

om de vluchtelingen op te sporen.

Zoodra de voorschroef hersteld en op hare plaats gebracht zoude zijn,

zou men naar Chatham terugkeeren; men kon er weer ten anker gaan, men

zou jacht op de vluchtelingen maken. Daarna zou men de herstelling der

schroef van het achterschip beginnen en voltooien, en eindelijk zou het

luchtschip volkomen veilig de reis naar het eiland X kunnen ondernemen.

Het was evenwel van belang, dat de _Albatros_ niet te ver in

noordoostelijke richting heengevoerd werd. Daarom kon het aanwakkeren

der bries als eene betreurenswaardige omstandigheid beschouwd worden,

omdat met de defecte machines er niet tegen ingewerkt en ook niet

stil op de plaats gebleven kon worden.

Zonder zijne voortstuwingsschroeven was het luchtschip aan een

onbestuurbaren ballon gelijk.

De vluchtelingen, die op de kust op uitkijk stonden, hadden de

verzekering gekregen, dat de _Albatros_ in de duisternis verdwenen was,

voordat de uitbarsting had plaats gehad.

De bekende staat van zaken moest Robur met betrekking tot zijne

plannen voor de toekomst wel eenigermate verontrusten. Was het bij

voorbeeld wel zeker, dat hij zonder vertraging, zonder tijdverlies

te ondervinden, het eiland Chatham weer zou kunnen bereiken? Hij

besloot dan ook, terwijl de herstellingen met den meesten ijver werden

voortgezet, naar de beneden luchtlagen af te dalen, in de hoop daar

zwakkere windstroomingen aan te treffen. Wellicht was het mogelijk de

_Albatros_ in deze streken te handhaven, totdat zij krachtig genoeg

zoude zijn om tegen de bries in te stevenen.

Die manoeuvre werd onmiddellijk ten uitvoer gelegd. Wanneer de

bemanning van eenig zeeschip de bewegingen van dit gevaarte, hetwelk

in zijn schitterende electrische lichtstralen gehuld was, had kunnen

waarnemen, dan zouden voorzeker hun schrik en angst groot geweest zijn.

Toen de _Albatros_ tot op een paar honderd voeten afstand van de

oppervlakte der zee gedaald was, bleef zij zwevende.

Ongelukkig bespeurde men, dat de bries in die benedenstreken nog

sterker doorstond en dat derhalve het luchtschip zich met nog meer

snelheid van het eiland Chatham verwijderde. Het gevaar bestond dus,

zeer ver in noordoostelijke richting medegevoerd te worden, waardoor

de terugkeer naar dat eiland al meer en meer vertraagd moest worden.

Na die poging bleek het, dat het beter was in de bovenluchtlagen te

verwijlen, waar de dampkring meer in evenwicht was. Daarom steeg de

_Albatros_ tot eene hoogte van gemiddeld drie duizend meters op. Al

bleef zij daar niet stil op de plaats, dan was er het afdrijven toch

minder snel. De ingenieur kon dus de hoop koesteren, dat hij bij

het aanbreken van den dag van die hoogte, het eiland, waarvan hij

de ligging met de grootste nauwkeurigheid had opgenomen, nog in het

gezicht zoude hebben.

Wat de quaestie betrof, of de vluchtelingen een goed onthaal zouden

gevonden hebben bij de inboorlingen, in het geval dat het eiland

bewoond zoude zijn, daaromtrent bekreunde Robur zich in het geheel

niet. Ook niet, wanneer die inboorlingen hun hulp verleenden. Dat

kon hem niets schelen. Met de aanvals- en verdedigingsmiddelen van

de _Albatros_ zoude men hen wel spoedig schrik aanjagen en hen op de

vlucht drijven.

De mogelijkheid van het opvatten der gevangenen was dus aan geen

twijfel onderhevig, en eenmaal weer in zijne macht....

"Men ontsnapt niet van het eiland X," mompelde Robur.

Het was een uur na middernacht, toen de voortstuwer van het voorschip

hersteld was. Het kwam er nu nog maar op aan, om hem weer op zijne

plaats te brengen, hetgeen nog een uur werk zoude vereischen.

Daarna zou de _Albatros_ weer koers zuidwest stevenen en zou men

kunnen overgaan tot de herstelling van de schroef van het achterschip.

En die lont, die in de hut der vluchtelingen brandde?

Die lont, waarvan meer dan het derde gedeelte reeds door het vuur

verteerd was!....

En die noodlottige vonk, welke de dynamietpatroon al meer en meer

naderde!....

Voorzeker, wanneer de aandacht der bemanning niet zoo ingespannen

bezig was gehouden, zou een hunner het zwakke geknetter vernomen

hebben, dat in de roef gehoord werd.

Misschien zou de reukzenuw van een hunner de lucht van verbrand kruit

opgevangen en zou de man zich daarover verwonderd hebben. Hij zou

den ingenieur Robur of den eersten officier Tom Turner gewaarschuwd

hebben. Men zou dan nasporingen in het werk gesteld en in die kooilade

het gevaarlijke toestel gevonden hebben...

Het zou dan nog tijd geweest zijn, om die bewonderenswaardige _Albatros

_ en met haar het leven van al de opvarenden te redden.

Maar die mannen arbeidden thans op het voorschip, dat wil zeggen op

ruim twintig meters afstand van de roef van de vluchtelingen. Niets

gaf hen aanleiding, om naar dit gedeelte van het luchtschip te komen,

en ook niets kon hen afleiding van hun arbeid bezorgen, die daarenboven

hunne geheele aandacht vereischte.

Robur bevond zich trouwens ook daar en verrichtte als behendig

machinist, wat hij inderdaad was, in persoon handenarbeid. Hij

drong op spoed aan, zonder evenwel iets te laten verwaarloozen;

integendeel, hij zorgde dat alles met de meeste nauwgezetheid en zoo

volmaakt mogelijk werd volvoerd. Was het niet een eerste vereischte,

om zijn luchtschip weer volkomen in de hand te krijgen, dat alle

deelen behoorlijk hersteld werden?

Wanneer hij er niet in slaagde, om de vluchtelingen andermaal in zijne

macht te krijgen, dan zouden die toch eindelijk in hun geboorteland

wederkeeren.

Dan zou men nasporingen verrichten en het eiland X zou waarschijnlijk

daaraan niet ontsnappen. En dat zou het einde van dat bestaan

zijn,--een bovennatuurlijk, verheven bestaan!--hetwelk die mannen

van de _Albatros_ in het leven geroepen hadden.

Tegen ongeveer kwartier na een uur trad Tom Turner op Robur toe

en sprak:

"Master Robur, het komt mij voor dat de bries verflauwt en naar het

westen draait."

"En wat doet de barometer?" vroeg Robur, na een blik van onderzoek

op het uitspansel geworpen te hebben.

"Die daalt of rijst niet," antwoordde de eerste officier. "Maar,

mij dunkt...."

"Spreek op, waarom aarzelt ge?"

"Mij dunkt dat de wolken beneden het luchtschip zakken, master Robur."

"Inderdaad, Tom Turner, en in dat geval zou het niet onmogelijk zijn,

dat het op de oppervlakte der zee regende. Maar, om het even; als wij

maar boven de regenzone blijven. Wij zullen dan niet in onzen arbeid

gehinderd worden."

"Als het inderdaad regent, dan zal het slechts een fijne motregen

zijn."

"Dunkt u?"

"Ik maak dat uit den vorm der wolken op--en het is zeer waarschijnlijk,

dat de bries beneden geheel zal vallen."

"Dat denk ik ook, Tom," antwoordde Robur. "Toch geloof ik, dat het

verkieslijk is hier nog in de hoogere luchtlagen te blijven."

"Zooals gij wilt, master Robur."

"Laten wij de herstelling van onze averij beëindigen, dan kunnen wij

naar eisch, en werwaarts wij willen, koers stellen. Is dat ook niet

uw oordeel?"

"Voorzeker, master."

Omstreeks twee uur was het eerste gedeelte van den arbeid uitgevoerd.

De voorschroef was op haar plaats gebracht. De electrische batterijen

werden in werking gebracht, eerst matig, daarna sterker. Langzamerhand

nam de _Albatros_ in snelheid toe en na behoorlijk gewend te hebben,

stevende zij met vrij vlugge vaart in zuidwestelijke richting, om

het eiland Chatham op te zoeken.

"Tom," sprak Robur, "wij hebben gedurende twee en een half uur

ongeveer noord-oost afgehouden. De wind is, zooals ik mij zoo-even

bij het kompas overtuigd heb, niets of weinig veranderd. Ik denk dus

binnen een uur hoogstens het eiland weer opgespoord te hebben."

"Dat denk ik ook, master Robur," antwoordde de eerste officier,

"want wij leggen thans ongeveer twaalf meters in de seconde af. De

_Albatros_ zal dus tusschen drie en vier uur in den ochtend op haar

uitgangspunt terug kunnen zijn."

"Des te beter, Tom. Wij hebben er belang bij, om des nachts aan te

komen en te landen zonder gezien te worden...."

"Dat is waar."

"De vluchtelingen, die in de meening zullen verkeeren, dat wij ons ver,

zeer ver noordoostwaarts zullen bevinden, zullen minder waakzaamheid

betrachten. Wanneer de _Albatros_ bijna op de oppervlakte van den

bodem zal aangekomen zijn, zullen wij pogen haar achter eenige hooge

rotsen van het eiland te verbergen. Dat kan niet moeilijk zijn."

"Dat is ook mijne meening."

"Vervolgens, al moesten wij ook eenige dagen te Chatham verwijlen...."

"O, die zullen ook wel door te brengen zijn, master Robur, en zelfs

als wij genoodzaakt zullen zijn tegen een geheel leger van inboorlingen

te vechten...."

"Zullen we vechten, Tom, vechten voor onze _Albatros_!"

"Juist, master Robur."

De ingenieur keerde zich toen naar zijne manschappen, die op nieuwe

bevelen wachtten.

"Vrienden," sprak hij, "het oogenblik om rust te nemen, is nog niet

gekomen."

Allen knikten ten teeken van instemming met die uitspraak.

"Wij zullen moeten werken totdat de dag aanbreekt."

Allen waren bereid.

Het gold thans de achterschroef dezelfde herstellingen te laten

ondergaan als de voorschroef. Die had dezelfde averij bekomen, die

door dezelfde oorzaak teweeggebracht was, dat wil zeggen: door het

geweld van den storm gedurende den overtocht over het Zuider poolland.

Maar om die schroef binnen boord te kunnen halen, was het raadzaam de

vaart van het luchtschip te remmen, ja het gedurende eenige minuten

te laten deinzen.

Op bevel van Robur liet de machinist-leerling dan ook het werktuig

achteruitslaan door de omwenteling van de voorschroef in de

tegenovergestelde richting te laten volbrengen. Het luchtschip

begon dus langzamerhand voor den wind af te vallen, zooals de

zeemans-uitdrukking luidt.

Allen waren op het punt, om zich naar het achterschip te begeven,

toen Tom Turner een vreemde lucht in den neus kreeg.

Dat waren de gassen der lont, thans in de kooilade opgehoopt, die

langs de reten van de hut der vluchtelingen ontsnapten.

"He, wat ruik ik?" riep de eerste officier, terwijl hij die lucht

sterk opsnoof,

"Wat is er?" vroeg Robur.

"Ruikt ge niets, master?...."

"Inderdaad."

"Het is, alsof er buskruit verbrand is."

"Waarachtig, Tom, ge hebt gelijk."

"Maar.... van waar komt die lucht?"

"Ja, van waar?"

De beide mannen roken met den neus in de lucht rond.

"Van daar!".... zei Tom Turner, terwijl hij den vinger naar het

achterschip uitstrekte.

"Van waar?"

"Van de achterroef."

"Dat meen ik ook."

"Ja, van de hut der vluchtelingen."

"Zouden die ellendelingen gepoogd hebben brand te stichten?"

"O, als het maar brand was!...." riep Robur uit.

"Maar, wat dan in Gods naam?"

"Trap de deur open, Tom! Trap de deur open!"

Maar ternauwernood had de eerste officier een pas gedaan, om aan dat

bevel te gehoorzamen, toen eene vreeselijke uitbarsting de _Albatros_

tot in hare gebinten deed schudden. De roeven vlogen aan flarden

uit elkander. De verlichtingstoestellen werden uitgebluscht, want de

electrische stroom was verbroken, en een zwartdonkere nacht omgaf het

ontredderde luchtvaartuig. Maar, hoewel het meerendeel der opstuwende

schroeven verbogen en verbrijzeld waren, zoo bleven toch eenigen op

het voorschip voortwentelen.

Plotseling barstte de romp van het luchtschip een weinig achterwaarts

van de eerste roef. Het achtergedeelte verdween in de ruimte. De

accumulatoren van het voorschip deden de voortstuwende schroef van

het voorschip nog werken.

Maar bijna terzelfdertijd bleven de laatste opstuwende schroeven

stilstaan en werd de _Albatros_ in den afgrond gestort.

Dat was voor die acht mannen, die zich als schipbreukelingen aan dat

wrak vastklemden, een val van drie duizend meters!

Daarenboven zou die val nog sneller, nog schrikkelijker worden, daar

de voorstuwer van het voorschip, na zich loodrecht opgericht te hebben,

nog werkte.

Toen liet Robur zich met eene buitengewone koelbloedigheid tot bij

de ontredderde machineroef afglijden, greep den hefboom, die het

werktuig in beweging moest brengen, en veranderde de richting van de

omwentelingen der schroef, die toen van voortstuwend, opstuwend werd.

Hierdoor werd de val voorzeker vertraagd, hoewel niet veel. Maar het

wrak viel niet meer met die aangroeiende snelheid, door de zwaarte

en de aantrekkingskracht der aarde op vallende lichamen teweeggebracht.

Het was nog altijd de dood voor de bemanning der _Albatros_, daar zij

in zee gestort werd; maar het was de vreeselijke dood door verstikking

niet meer te midden van een dampkring, die door de snelheid van den

val, niet meer tot inademing geschikt zoude zijn.

Tachtig seconden na de uitbarsting was alles, wat van de _Albatros_

overbleef, in de golven van de Groote Stille Zuidzee verdwenen.

XVII.

WAARIN DE GESCHIEDENIS VAN HET GEBEURDE EEN SPRONG VAN TWEE MAANDEN

ACHTERUIT EN DAARNA EEN SPRONG VAN NEGEN MAANDEN VOORUIT MAAKT.

Eenige weken vroeger, den 13den Juni, dus daags na die zitting van

Weldon-Institute, die zoo stormachtig geweest was, heerschte er onder

alle klassen van de bevolking van Philadelphia, hetzij zij zwart of

blank waren, eene opgewondenheid, die gemakkelijker te constateeren

dan te beschrijven is.

Reeds bij het krieken van den dag, was het onverwachte en

schandelijke gebeurde van den vorigen dag schering en inslag van alle

gesprekken. Wat! een indringer, die beweerde werktuigkundige te zijn,

een werktuigkundige, die beweerde den onwaarschijnlijken naam van

Robur--van Robur den Veroveraar--te voeren, een persoon van onbekende

afkomst, van twijfelachtige nationaliteit, was eensklaps in de zaal

der zittingen van Weldon-Institute verschenen, had de ballonnisten

ergerlijk beleedigd, had de wonderen der toestellen "zwaarder dan de

lucht" hoog opgevijzeld, had, te midden van een schrikkelijk spektakel,

uitjouwingen verwekt, had bedreigingen uitgelokt, die hij in ruime

mate zijn tegenstanders naar het hoofd terug geslingerd had! Hij was

eindelijk, nadat hij het spreekgestoelte te midden van het grootste

tumult, te midden van het geknetter van revolverschoten, verlaten

had, verdwenen en, in weerwil van de meest nauwkeurige nasporingen,

was men er niet in geslaagd hem op het spoor te komen.

Men had niet meer over hem hooren gewagen.

Robur de Veroveraar · 第 17 / 20 段