punt van de Ontdekkings-kust gelegen, gepasseerd, zonder dat men
het evenwel kon verkennen, daar het door een band van ijs aan de
poollanden vastgeklonken en daarvan niet te onderscheiden was.
Van den poolcirkel af, dien de _Albatros_ andermaal op den
honderd-vijf-en-zeventigsten lengtegraad bewesten Parijs sneed, werd
zij over het pakijs en over de ijsbergen heengevoerd, waartegen zij
honderdmaal gevaar liep zich te verbrijzelen. Het luchtschip was niet
meer in de hand van zijn stuurman, maar in de hand van God.... en
God is een betrouwbare loods!
De _Albatros_ volgde toen den meridiaan, die een hoek van honderd
en vijf graden maakt met die middagslijn, waarop zij het poolgebied
binnentrad.
Toen zij eindelijk den zestigsten graad zuiderbreedte bereikt had,
scheen de kracht van den storm te breken. Zijn geweld verminderde
merkbaar. De _Albatros_ begon weer meester over hare bewegingen te
worden. Eindelijk--en dat was een ware verademing--kwam zij weer
binnen de verlichte streken van den aardbol en verscheen de dag weer
tegen acht uur in den ochtend.
Robur en zijne tochtgenooten, na aan den cycloon van kaap Hoorn
ontsnapt te zijn, waren nu eindelijk van den storm bevrijd. Zij
waren naar de Groote Stille Zuidzee teruggevoerd geworden, nadat zij
zevenduizend kilometers in negentien uren afgelegd hadden. Dat was
iets meer dan een uur gaans per minuut--eene snelheid die het dubbele
was van die, welke de _Albatros_ onder gewone omstandigheden met hare
voortstuwingsmachines kon ontwikkelen.
Maar Robur wist niet meer waar hij was, ten gevolge van het onbruikbaar
worden der kompasnaald in de nabijheid van de magnetische pool. Hij
moest dus wachten tot de zon zich, onder gunstige omstandigheden tot
het doen eener waarneming, zoude vertoonen.
Ongelukkig was het uitspansel met dikke wolken bezwangerd en dien
dag verscheen de zon niet.
Dat was eene teleurstelling, die te eerder gevoeld werd, daar de
beide voortstuwingsschroeven gedurende den storm nog al averij
beloopen hadden.
Robur, die zich door dat voorval niets op zijn gemak gevoelde, kon
gedurende dien geheelen dag slechts met eene betrekkelijk matige
snelheid vooruitstevenen. Toen hij over de tegenvoeters van Parijs
heen toog, bedroeg zijn vaart slechts zes mijlen in het uur. Men moest
vooral oppassen de averijen niet te verergeren. Wanneer zijne twee
voortstuwingsschroeven buiten staat geraakten om te kunnen arbeiden,
dan zou de toestand van het luchtschip boven die uitgestrekte
wateroppervlakte van de Groote Stille Zuidzee zeer zorgwekkend worden.
De ingenieur vroeg zich dan ook af, of het niet noodzakelijk ware, de
herstellingen dadelijk en op de plaats zelve ten uitvoer te brengen,
althans in zooverre, dat de reis vervolgd zou kunnen worden.
Den volgenden morgen--27 Juli--werd tegen zeven uur in den ochtend
land in het oosten geseind.
Men herkende weldra dat het een eiland was. Een eiland! Ja, maar welk,
onder die duizenden, waarmede de Groote Stille Zuidzee bezaaid is?
Robur besloot toch daar stil te houden zonder te landen. Volgens
hem zou die dag voldoende zijn, om de geleden averij te herstellen,
zoodat hij des avonds de reis nog zou kunnen hervatten.
De wind was geheel en al gevallen, hetgeen eene gunstige omstandigheid
te noemen was voor de manoeuvres, welke uitgevoerd moesten worden. De
_Albatros_ zou, daar zij zwevende zoude blijven, niet heengevoerd
worden, de hemel weet waar!
Een lange kabel van honderd vijftig voet, met een anker aan het
uiteinde, werd over boord naar beneden gevierd. Toen het luchtschip
bij den oever van het eiland aankwam, krabde het anker over de eerste
rotsklippen en bleef tusschen twee overgroote steenklompen vast
zitten. De kabel liep toen onder den invloed der opstuwingsschroeven
strak en de _Albatros_ bleef onbeweeglijk als een vaartuig ten anker.
Dat was de eerste maal sedert het vertrek van Philadelphia, dat er
een materieel verbindingsmiddel tusschen het luchtschip en de aarde
bestond.
XV.
WAARIN ZAKEN GEBEUREN, DIE INDERDAAD WAARD ZIJN VERHAALD TE WORDEN.
Toen de _Albatros_ zich nog in hoogere luchtlagen bevond, had men
kunnen bespeuren, dat dit eiland slechts van bescheiden omvang
was. Neen, het was niet groot.
Maar op welken breedtegraad was het gelegen? En op welken lengtegraad?
Was het een eiland van de Groote Stille Zuidzee? Of behoorde het tot
Australazië? Of tot den Indischien Archipel?
Dat zou men eerst te weten komen, wanneer Robur zijn bestek opgemaakt
zou hebben.
Hoewel hij onmogelijk rekening had kunnen houden met de gebrekkige
aanwijzingen van het kompas, zoo meende hij toch reden te hebben om
te gelooven, dat hij zich boven de Groote Stille Zuidzee bevond.
Zoodra de zon te voorschijn zou treden, zouden de omstandigheden
voorzeker uitmuntend genoemd kunnen worden, om eene goede waarneming
te doen.
Van die hoogte gezien,--honderd vijftig voeten,--vertoonde zich
het eiland, hetwelk een omtrek meette van ongeveer vijftien mijlen,
als eene zeester met drie punten.
Bij de zuidoostelijke punt verrees een klein eiland, dat voorafgegaan
en omgeven werd door een doolhof van klippen. Op het strand en op die
klippen werd geen verschijnsel van hoog en laag water waargenomen. Dit
versterkte de meening van Robur omtrent de gegiste ligging, daar de
invloed van eb en vloed in de Groote Stille Zuidzee bijna onmerkbaar
is.
Op de noordwestelijke punt verhief zich een kegelvormige berg,
waarvan de hoogte gerust op twaalfhonderd voeten geschat kon worden.
Men ontwaarde geen enkelen inboorling; maar misschien was de
tegenovergestelde kust bewoond. In ieder geval, wanneer het luchtschip
door de bewoners bespeurd was geworden, zou de angst en de schrik
hen wel genoodzaakt hebben om te vluchten of zich te verbergen.
De _Albatros_ was bij de zuidoostelijke punt aangekomen en was daar
ten anker gegaan.
Niet ver er van daan stroomde een kleine rio tusschen de rotsen en
stortte zich in eene kleine kreek uit. Iets verder zag men eenige
bochtige valleien, waarin veel geboomte van verschillende soort, nog
al wild, als patrijzen en snippen, maar vooral trapganzen in groote
hoeveelheid aangetroffen werden.
Mocht het eiland niet bewoond zijn, dan was het voorzeker toch
bewoonbaar.
Ongetwijfeld zou Robur er op hebben kunnen landen, en dat hij daartoe
niet overgegaan was, had zijne oorzaak alleen daarin, dat de bodem,
die nog al afwisselend van gesteldheid was, hem geen geschikte
plaats scheen aan te bieden om met het luchtschip op den grond neer
te strijken.
In afwachting dat hij in de gelegenheid zoude komen om zijn bestek te
kunnen opmaken, deed de ingenieur een begin maken met de herstellingen,
die hij bij het vallen van den avond hoopte te beëindigen.
De opstuwingsschroeven waren in volmaakte orde. Deze hadden gedurende
het geweld van den cycloon en van den storm, die hun arbeid eenigermate
verlicht hadden, op bewonderenswaardige wijze gewerkt. Thans was de
helft hunner slechts in beweging gesteld, hetgeen voldoende was om
den kabel loodrecht op de kust gestrekt te houden.
Maar de twee voortstuwingsschroeven hadden geleden en veel meer
dan Robur zelf bevroed had. Hij deed de roeden der wieken, die
verbogen waren, recht buigen, en liet de kamraderen nazien, die de
omwentelingsbeweging moesten overbrengen.
Het personeel hield zich, onder de leiding van Robur als ingenieur
en van Tom Turner als eerste officier, het eerst onledig met de
voorschipsschroef. Het was meer doelmatig het werk met haar te
beginnen, voor het geval, dat de _Albatros_ om de een of andere
reden genoodzaakt mocht worden te vertrekken, voordat de geheele
herstelling beëindigd was. Met dien voortstuwer alleen kon men
gemakkelijk koers zetten.
Middelerwijl hadden Uncle Prudent en zijn lotgenoot Phil Evans,
na gedurende geruimen tijd het dek op en neer gewandeld te hebben,
op een paar vouwstoeltjes van het achterschip plaats genomen.
Wat den neger Frycollin betreft, deze was bijzonder in zijn nopjes. En
geen wonder, want het verschil was nog al groot. Vroeger zweefde hij
op duizend meters en thans bevond hij zich nog slechts op honderd
vijftig voeten boven den grond!
De arbeid werd slechts gestaakt, toen de zon genoegzaam boven den
horizon gestegen was, om een tijdhoek te nemen; later, wanneer de
zon haar hoogste punt zoude bereiken, om het middaguur der plaats,
waar men zich bevond, juist te bepalen.
Het resultaat der beide waarnemingen, die met de grootste
nauwkeurigheid verricht werden, was het navolgende:
Lengte: 176° 17' ten oosten van den middagcirkel van Parijs.
Breedte: 43° 37', natuurlijk ten zuiden.
Dit punt op de kaart opgezocht, kwam met de ligging van het eiland
Chatham en het daarbij gelegen eilandje Viff overeen, welke tot
een eilanden-groep behooren, die gewoonlijk onder den naam van
Broughton-eilanden bekend staan. Die groep bevindt zich op een afstand
van vijftien graden ten oosten van Tawaï Pomanou, het grootste en het
zuidelijkste eiland van Nieuw Zeeland, in het zuidelijk gedeelte van
de Groote Stille Zuidzee gelegen.
"Dat komt met mijne gissing overeen," zeide Robur tot Tom Turner.
"En dus zijn wij?...."
"Op een afstand van zes en veertig graden ten zuiden van het eiland X,
hetgeen overeenkomt met twee duizend acht honderd mijlen. Waarlijk,
nog een heele lap zee!"
"Een reden te meer om onze voortstuwers te repareeren," antwoordde
de eerste officier.
"Van die meening ben ik ook."
"Wij kunnen gedurende dien overtocht tegenwinden aantreffen."
"Dat zou noodlottig zijn, als wij geen vaart genoeg konden zetten."
"Zeker, want de voorraad levensmiddelen raakt op en het komt er op aan,
ons eiland X zoo spoedig mogelijk te bereiken."
"Ja, Tom, en ik hoop de reis gedurende dezen nacht te hervatten,
al moest het met ééne schroef zijn?"
"Met slechts ééne schroef?"
"De andere zouden wij onderweg kunnen herstellen, niet waar?"
"Voorzeker. Maar... master Robur... ik wilde u iets vragen..."
"Vraag op, Tom."
"En die twee heeren met hun knecht?" vroeg de eerste officier.
"Tom Turner," was de wedervraag des ingenieurs, "zouden zij te
beklagen zijn, wanneer zij ingezetenen, volkplanters van het eiland
X werden? Zeg, op uw geweten, zouden zij te beklagen zijn?"
"Neen..., maar...."
"Geen maren, Tom, laat de zaak dier onverbeterlijke en koppige Yankees
aan mij over."
Maar, wat was dat voor een eiland, het eiland X?
Een klein eiland, verloren in de onmetelijkheid van de Groote Stille
Zuidzee, tusschen de evenachtslijn en den kreeftskeerkring. Een eiland,
dat als geheel onbekend, op waardige wijze den algebraïschen naam
droeg, daaraan door Robur gegeven.
Het was gelegen in de zee der Markiezen-eilanden, buiten iederen
gewonen koers in dien grooten oceaan.
Daar had Robur eene kleine volkplanting opgericht; daar kwam de
_Albatros_ uitrusten, wanneer zij vermoeid van haar vlucht was; daar
vond zij ververschingen en benoodigdheden van allerlei aard voor hare
lange reizen.
Op dat eiland had Robur, die over groote geldmiddelen kon beschikken,
eene werf opgericht, om zijn luchtschip te bouwen. Hij kon het daar
repareeren, het zelfs verbouwen. Zijne magazijnen bevatten genoeg
materialen en verduurzaamde levensmiddelen daarvoor, behalve nog
het aanwezige tot onderhoud van een vijftigtal bewoners, de eenige
bevolking van het eiland.
Toen Robur eenige dagen te voren bij Kaap Hoorn aangekomen was,
had hij reeds plan gehad om naar het eiland X te stevenen, en
wilde te dien einde de Groote Stille Zuidzee in schuinsche richting
oversteken. Maar de cycloon had de _Albatros_ in hare wervelkringen
gegrepen. Na den cycloon, was de storm opgestoken en deze had het
luchtschip over de zuider poolstreken heengevoerd. Om kort te gaan,
Robur was nagenoeg op zijne oorspronkelijke koerslijn teruggekomen,
en zonder de averij aan de voortstuwingsschroeven, zou de vertraging
niet zeer belangrijk zijn geweest.
Men zou dus naar het eiland X stevenen. Maar, zooals de eerste officier
Tom Turner had gezegd: de afstand was lang. Zeer waarschijnlijk zou
men met ongunstige winden te kampen hebben. Het luchtschip zou dan
niet te veel hebben aan de volle kracht zijner machine, om binnen
den gewilden tijd op zijne bestemmingsplaats te komen.
Bij gewonen koers en zonder bijkomende ongevallen, zou die overtocht
in drie of vier dagen te volvoeren zijn.
Dat was de reden waarom Robur besloot op het eiland Chatham stil
te houden. Daar bevond hij zich onder de gunstigste omstandigheden,
om ten minste de schroef van het voorschip te herstellen.
Hij duchtte dan niet meer, wanneer eene tegenbries mocht aanwakkeren,
naar het zuiden medegevoerd te worden, wanneer hij noordwaarts
wilde stevenen. Als de nacht zoude invallen, zou hij met zijne
herstellingen gereed zijn. Hij zou dan manoeuvreeren om zijn anker
te bevrijden. Mocht dat te stevig in de rotsen vastgeklemd zijn,
welnu, dan zou hij eenvoudig den ankertros kappen en de reis naar
den equator aanvaarden. Er waren ankers en kabels genoeg aan boord.
Zooals men ziet, was die manier van handelen de eenvoudigste en
derhalve ook de beste. Zij werd stipt opgevolgd.
Het personeel van de _Albatros_, geheel bewust, dat er hoegenaamd
geen tijd te verliezen was, sloeg flink de hand aan het werk, waardoor
alles goed vorderde.
Maar, terwijl ieder zich haastte, hadden de voorzitter Uncle Prudent en
zijn secretaris Phil Evans een onderhoud, waarvan het gevolg bijzonder
gewichtig zoude zijn.
"Phil Evans...." begon de voorzitter.
"Wat is er, Uncle Prudent."
"Gij zijt evenals ik vast besloten, om het offer van uw leven te
brengen?"
"Zeker, evenals gij!"
"Voor de laatste maal, wij hebben niets meer van dien Robur te
verwachten, niet waar?"
"Niets."
Phil Evans onderscheidde zich in zijne gesprekken door eene
Lacedemonische beknoptheid.
"Welnu, Phil Evans, mijn voornemen staat vast!"
"Welk voornemen, Uncle Prudent?"
"Daar de _Albatros_ dezen avond nog moet vertrekken, zal de nacht
niet voorbijgaan, zonder dat wij ons voornemen zullen kunnen ten
uitvoer leggen. Wij zullen de vleugels van den vogel van den ingenieur
verbrijzelen...."
"Wat wilt gij doen?"
"Dezen nacht zal dit gevloekte luchtschip uit elkander springen!"
"Laat het springen!" zei Phil Evans.
Zooals men ziet, waren de beide lotgenooten het op alle punten eens,
zelfs op het punt om met onverschilligheid den verschrikkelijken dood,
die hen wachtte, onder de oogen te zien.
"Hebt ge al het benoodigde daartoe?...." vroeg Phil Evans na een poos.
"Ja!"
"Hoe zijt gij er aan gekomen?"
"Verleden nacht, terwijl Robur en zijne bemanning slechts bedacht
waren op de redding van het luchtschip, ben ik er in geslaagd in de
kruitkamer te sluipen en daar eene dynamiet-patroon machtig te worden."
"Is het mogelijk!"
"Ja, hier is zij!"
"Uncle Prudent, laten wij dadelijk aan den slag gaan."
"Neen, Phil Evans!"
"Niet, Uncle Prudent?"
"Nu althans niet, maar straks, als de avond gevallen zal zijn."
"Nog zoolang!" zuchtte Phil Evans, op den toon van iemand die de
koorts had.
"Wanneer het nacht zal zijn, zullen wij in onze roef wederkeeren."
"En dan?"
"Dan moet gij mij maar laten begaan. Gij zult alleen te waken hebben,
dat ik niet overvallen kan worden!"
De beide lotgenooten dineerden tegen zes uur als naar gewoonte. Twee
uren later hadden zij zich naar hunne hut begeven, als menschen, die
de schade van den vorigen slapeloos doorgebrachten nacht wenschten
in te halen.
Noch Robur, noch iemand der opvarenden kon gissen, welke
verschrikkelijke ramp de _Albatros_ bedreigde.
Ziehier, hoe Uncle Prudent dacht te werk te gaan.
Zooals hij verhaald had, was hij er in geslaagd in de kruitkamer, die
in een der afdeelingen van den romp van het luchtschip uitgespaard
was, te dringen. Daar had hij zich weten meester te maken van eene
zekere hoeveelheid buskruit en van eene patroon, in allen deele gelijk
aan die, welke de ingenieur in Dahomey gebezigd had. Teruggekeerd
in zijne hut, had hij die patroon zorgvuldig onder zijn beddegoed
verborgen en was hij vast besloten de _Albatros_ gedurende den nacht,
wanneer zij de reis hervat zoude hebben, te midden van den dampkring
uit elkander te laten springen.
Phil Evans onderzocht met groote nieuwsgierigheid de door zijn
lotgenoot ontvreemde patroon.
Het was eene huls, welker metalen cylinder met eene ontplofbare
zelfstandigheid ter zwaarte van een kilogram gevuld was, die voldoende
kon gerekend worden om het luchtschip in zijne gebinten te ontwrichten
en zijne werktuigen te ontredderen. Wanneer de ontploffing niet
voldoende was, om het luchtgevaarte met één slag te vernietigen,
dan zou de val daaraan wel den genadeslag toebrengen. Nu was niets
gemakkelijker dan die patroon in een hoek van de hut neer te leggen;
zij zou dan het dek vernielen en den romp met zijne inhouten uit
elkander doen vliegen.
Maar, om de uitbarsting teweeg te brengen, moest men het
aanvuringshoedje, met slagkwik gevuld, hetwelk aan de patroon
bevestigd was, doen ontploffen. Dat was het moeielijkste gedeelte van
de onderneming; want de ontbranding van dat slaghoedje mocht eerst
na een tijdsverloop, dat met de meeste nauwkeurigheid berekend moest
worden, plaats, hebben.
En inderdaad, Uncle Prudent had met zijne gewone scherpzinnigheid
dit bedacht:
Zoodra de voortstuwer van het voorschip hersteld zoude zijn, zou het
schip de reis in noordelijke richting hervatten. Maar, dan zouden
Robur en zijne helpers zeer waarschijnlijk naar het achterschip komen,
om met de herstelling van de achterschroef een begin te maken. Nu
zou de tegenwoordigheid van het geheele personeel in de nabijheid
van de hut, Uncle Prudent bij het nemen zijner maatregelen kunnen
belemmeren. Daarom was hij besloten om gebruik te maken van eene lont,
die door hare berekende lengte de ontploffing op het gewilde tijdstip
zou teweeg brengen.
Ziehier wat hij verder aan Phil Evans dienaangaande mededeelde:
"Met die patroon heb ik ook eenig buskruit bemachtigd. Daarvan zal ik
eene lont vervaardigen, welker lengte in verhouding tot den vereischten
tijd voor hare verbranding zal zijn. Die lont zal met het innerlijke
van het slaghoedje in verbinding staan."
"Goed zoo!" sprak Phil Evans.
"Mijn voornemen is, om die lont tegen middernacht te ontsteken,
zoodat de ontploffing tusschen drie en vier uren in den morgen zal
plaats hebben."
"Goed beraamd!" betuigde Phil Evans andermaal.
Zooals men ziet, waren de beide lotgenooten er toe gekomen om met de
meest mogelijke koelbloedigheid de verschrikkelijke vernietiging,
waarin ook zij moesten omkomen, te bespreken. En in hun hart was
zooveel haat tegen Robur en zijn makkers opgehoopt, dat hun het offer
van hun leven als het aangewezen middel voorkwam om, met de _Albatros_,
allen, die zich aan boord bevonden, te vernietigen.
Ja, die daad was verfoeielijk, was hatelijk; zij was die van
waanzinnigen, dat is zoo! Maar toorn en woede, gedurende die vijf
weken van opsluiting binnen de wanden van dat verwenschte luchtschip
opgekropt, had hen in een toestand van razernij gebracht, die zich
door alle middelen zocht te uiten.
"En Frycollin?".... vroeg Phil Evans.
"Wat is er met Frycollin?" knorde Uncle Prudent.
"Hebben wij het recht zoo over zijn leven te beschikken?"
"Wij offeren het onze wel op!"
Het is zeer te betwijfelen, of Frycollin die reden voldoende zoude
gevonden hebben.
Uncle Prudent zette zich onmiddellijk aan het werk, terwijl Phil
Evans in de nabijheid van de roef de wacht hield.
De bemanning was steeds volijverig op het voorschip bezig. Eene
verrassing van een hunner was dus niet te duchten.
Uncle Prudent wreef eerst eene kleine hoeveelheid buskruit fijn en
maakte er een zacht poeder van. Dit bevochtigde hij een weinig en
besloot het in een linnen darm, die den vorm eener lange maar dunne
worst verkreeg.
Hij ontstak die lont en kreeg de verzekering dat een lengte van vijf
centimeters in tien minuten verbrandde. Voor eene tijdruimte van drie
en een half uur was dus eene lengte van een meter noodig. Daaromtrent
voldoende op de hoogte gebracht, doofde de voorzitter van
Weldon-Institute de lont uit, besloot haar in eene stevige scheede
van gevlochten touw en bevestigde haar aan de dynamietpatroon.
Die arbeid was, zonder eenige achterdocht opgewekt te hebben, tegen
tien uur in den avond ten einde gebracht.
Phil Evans kwam zich toen bij zijn lotgenoot in de hut vervoegen.
De herstellingen van de voorschipsschroef waren dien dag vlijtig onder
handen genomen; maar men had de bladen, welker roeden verbogen waren,
naar binnen moeten halen, om hun den doelmatigen stand te hergeven.
Wat de batterijen, of de accumulatoren, in één woord de toestellen
betrof, die de levendmakende kracht aan de _Albatros_ verleenden,
deze hadden niets van het geweld van den storm geleden. Men had nog
scheikundige preparaten genoeg in voorraad, om hen gedurende vier of
vijf dagen aan den gang te houden.
De nacht was ingevallen, toen Robur met zijne manschappen hunnen
arbeid eindigden. De bladen van de voorschipsschroef waren nog niet
op hunne plaats gebracht. Er zou nog drie uren gearbeid moeten worden,
alvorens die voortstuwer in staat zoude wezen zijn werk te verrichten.
Na Tom Turner, zijn eersten officier, geraadpleegd te hebben,
besloot de ingenieur zijne bemanning, die zeer vermoeid was, eenige
rust te verleenen, en het verdere gedeelte van hetgeen er te doen
overbleef, tot den volgenden morgen uit te stellen. Het daglicht was
daarenboven bij dien uiterst fijnen arbeid van het nauwkeurig passen
der machinedeelen, waarbij de verlichtingstoestellen slechts eene
onvoldoende helderheid zouden verstrekt hebben, hoogst noodig.
Maar die omstandigheid bleef voor Uncle Prudent en Phil Evans
onbekend. Afgaande op hetgeen zij Robur hadden hooren beweren,
gingen zij van de meening uit, dat de voorschroef voor het invallen
van den nacht hersteld zoude zijn en dat de _Albatros_ onmiddellijk
hare reis naar het noorden vervolgd zoude hebben. Zij meenden dus,
dat zij reeds haar anker gelicht had, terwijl zij inderdaad nog aan
het eiland vastgeketend was.
Die omstandigheid zou de zaken anders doen verloopen, dan zij gerekend
hadden.
De nacht was somber en de maan was niet te bespeuren. Dikke wolken
waren oorzaak, dat de duisternis nog grooter was. Men voelde, dat een
lichte bries begon door te staan. Eenige zuchtjes uit het zuidwesten
streken over het dek van het luchtschip, dat evenwel niet van de
plaats kwam en voor anker bleef. De ankertros bleef loodrecht strak
staan en verbond de _Albatros_ met het eiland.
Uncle Prudent en zijn lotgenoot Phil Evans, bij elkander in hunne hut
opgesloten, wisselden slechts weinige woorden. Zij vernamen slechts
de trillingen van de opstuwingsschroeven, die alle overige geluiden
aan boord overheerschten. De beide mannen wachtten tot het oogenblik
van handelen zoude gekomen zijn.
Een weinig vóór middernacht sprak Uncle Prudent:
"Het is tijd!"
Onder de kooien der hut was eene lade. In een dier laden legde Uncle
Prudent de dynamietpatroon, welke aan haar ontstekingsmiddel bevestigd
was. In die lade kon de lont branden, zonder zich door hare lucht of
door haar knetteren te verraden. De voorzitter van Weldon-Institute
ontstak haar aan haar uiteinde en schoof toen de lade onder de
kooi dicht.
"Nu naar het achterschip," sprak hij; "en dan zullen wij wachten!"
Beiden traden naar buiten en waren zeer verwonderd, toen zij bemerkten,
dat de roerganger zijne gewone plaats niet innam.
Phil Evans boog zich over de verschansing en keek naar buiten.
"De _Albatros_ is nog steeds op dezelfde plaats," fluisterde hij.
"Inderdaad?"
"De werkzaamheden zullen niet beëindigd zijn.... zoodat zij niet
heeft kunnen vertrekken."
Uncle Prudent maakte een gebaar van teleurstelling.
"Wij zullen de lont moeten uitdooven," zeide hij.
"Neen!... wij moeten de vlucht nemen!"... antwoordde Phil Evans.
"De vlucht nemen?"
"Ja, langs den ankertros..."
"Kan dat?"
"Ja zeker, nu het nacht is!... En eene daling van honderdvijftig
voeten langs een gespannen touw is kinderwerk!"
"Dat is het inderdaad, Phil Evans! En wij zouden wel dwaas zijn de
aangeboden gelegenheid niet te benuttigen!"