ingenieur gedeeltelijk geraden. Gedurende dien dag werd iedere
twijfel opgeheven; want de _Albatros_, na eerst de grenzen der
Zuidelijke IJszee genaderd te zijn, keerde bepaald om. Toen de vorst
zich dermate in die streken van Kaap Hoorn deed gevoelen, overdekte
zich het geheele benedengedeelte van de Groote Stille Zuidzee met
ijsvelden en met ijsbergen.
Het pakijs had dus een ondoordringbaren slagboom voor de stevigste
schepen en voor de stoutmoedigste zeelieden daargesteld.
Het is waar, de _Albatros_ zou met sneller wiekslag die ijsbergen,
welke den oceaan bezaaiden, en de steenbergen welke op het land werden
aangetroffen, namelijk wanneer daar bij de pool een kalotje van land op
die zuiderpool aanwezig is, hebben kunnen overstevenen. Maar, zich te
midden van den poolnacht, in een dampkring wagen, die tot zestig graden
onder nul kan afkoelen, zou hij dit durven ondernemen? Ongetwijfeld
neen!
Na dan ook een honderd kilometers in zuidelijke richting gestevend
te zijn, hield de _Albatros_ westwaarts af, klaarblijkelijk met het
doel, om koers te zetten naar een of ander onbekend eiland van een
der groepen in den Grooten Stillen Oceaan.
Onder het schip strekte de vloeibare vlakte zich uit, die zoowel
het Amerikaansche als het Aziatische vasteland bespoelt. In dit
oogenblik had het water die zonderlinge kleur aangenomen, welke
daaraan den naam van melkzee verleende. In de nevelachtige schaduw,
welke de zwakke zonnestralen niet vermochten te verdrijven, scheen
de geheele oppervlakte van den Grooten Stillen Oceaan melkachtig
wit te zijn. Men zou gewaand hebben een onmetelijk groot sneeuwveld
voor zich te zien, waarvan de golvingen, van die hoogte gezien, niet
merkbaar waren. Wanneer dat gedeelte der zee door de koude bevroren
was en zoo in een onmetelijk ijsveld veranderd ware, dan zou zij geen
ander uitzicht gehad hebben.
Men weet thans dat het myriaden van lichtende diertjes zijn,
kleine phosphoresceerende lichaampjes, die dat natuurverschijnsel te
voorschijn roepen. Wat verwondering kon opwekken, was dat die lichtende
massa, welke nergens anders dan in den Indischen Oceaan ontmoet wordt,
thans hier waargenomen werd.
Plotseling viel de barometer, na gedurende de eerste uren van den
dag vrij hoog gestaan te hebben, opmerkelijk snel. Er deden zich
klaarblijkelijk aanduidingen voor, waarmede een zeeschip voorzeker
rekening had moeten houden, maar die door het luchtschip over het hoofd
gezien of verwaarloosd konden worden. Men kon evenwel veronderstellen,
dat een zwaar onweder kort geleden de wateren van den Grooten Stillen
Oceaan beroerd had.
Het was één uur des namiddags, toen de eerste officier Tom Turner
den ingenieur naderde en hem zeide:
"Master Robur..."
"Wat is er?"
"Zie eens naar dat zwarte punt bij den gezichteinder!"
"Waar, Tom?"
"Daar in het noorden... daar... nu ziet gij het duidelijk... Dat kan
toch geen rots zijn?"
"Neen, Tom, aan dien kant is geen wal of geen ondiepte."
"Dan moet het een schip, of minstens eene sloep zijn."
"Wij zullen zien."
Uncle Prudent en Phil Evans waren ook naar het voorschip gekomen en
keken opmerkzaam naar het door Tom Turner aangeduide punt.
Robur riep om zijn marinekijker en nam het aangeduide voorwerp
nauwkeurig op.
"Het is eene sloep!" riep hij eensklaps uit.
"Is het mogelijk, hier?" vroeg Tom Turner.
"En ik zou kunnen bevestigen, dat er menschen in zitten," vervolgde
Robur.
"Schipbreukelingen?" vroeg Tom.
"Ja, schipbreukelingen, die genoodzaakt zullen geweest zijn, om
hun vaartuig te verlaten," hernam de ingenieur. "Rampzaligen, die
niet meer weten, waar den wal ligt, die waarschijnlijk door honger,
dorst en koude omkomen? Welnu, er zal niet kunnen gezegd worden,
dat de _Albatros_ niet alle pogingen zal aangewend hebben om hen te
hulp te komen!"
Bevelen werden aan den machinist en aan zijne beide helpers
gegeven. Het luchtschip begon langzamerhand te dalen. Op honderd meters
boven de oppervlakte der zee gekomen, hield het halt; terwijl zijne
voortstuwingsschroeven het met snelheid in noordelijke richting dreven.
Ja, het was inderdaad eene sloep. Haar zeil klepperde tegen den
mast. Er was geen wind en derhalve kon niet gestuurd worden. En
waarschijnlijk had niemand aan boord nog kracht genoeg om een roeiriem
te kunnen hanteeren.
Op den bodem van het vaartuigje lagen vijf mannen uitgestrekt,
hetzij zij ingeslapen, hetzij zij bewegingloos door vermoeidheid,
hetzij zij dood waren.
Toen de _Albatros_ vlak boven hen gekomen was, daalde zij langzaam.
Men kon toen op den achtersteven van die sloep den naam lezen van het
schip, waartoe zij behoorde. Dat was de _Jeannette_ van Nantes, een
Fransch vaartuig, hetwelk door zijne equipage was verlaten geworden.
"Aoh!" riep Tom Turner.
"Aoh!" herhaalde de bemanning der _Albatros_ met een eenstemmig gebrul.
Dat moest gehoord worden; want de sloep dobberde slechts op ongeveer
tachtig voet onder het luchtschip.
Toch kwam er geen antwoord.
"Los een geweerschot!" gelastte Robur.
Dat bevel werd uitgevoerd en de knal rolde lang over de oppervlakte
van het water.
Men zag toen een der schipbreukelingen zich pijnlijk oprichten,
met wildstaande oogen en de gelaatstrekken van een doode.
Toen hij de _Albatros_ daar boven zich ontdekte, kon hij een gebaar
van schrik en angst niet onderdrukken.
"Vrees niets!" riep Robur in het Fransch. "Wij komen u helpen!... Wie
zijt gij?"
"Matrozen van de _Jeannette_, een driemastschip, waarop ik eerste
stuurman was," antwoordde de man. "Veertien dagen geleden... hebben
wij dien bodem verlaten... toen hij op het punt was... in de diepte weg
te zinken!... Wij hebben geen water en geen levensmiddelen meer!..."
De vier overige schipbreukelingen hadden zich ook langzamerhand
opgericht. Zij zagen er bleek, haveloos en uitgeput uit. Zij waren
verschrikkelijk mager en hieven de handen smeekend naar het luchtschip
op.
"Opgepast!" riep Robur.
Een touw werd van het dek ontrold, waarmede een emmer met drinkwater
in de sloep neergelaten werd. De ongelukkigen wierpen er zich op en
dronken met eene gretigheid, die zeer deed om te zien.
"Brood!... Brood!..." schreeuwden zij. "Geef ons brood!"
Dadelijk werd een mand naar beneden gevierd, waarin levensmiddelen,
eene flesch brandy, eenige pinten koffie. De eerste stuurman had
veel moeite om hen bij het stillen van den honger tot bedaardheid
aan te manen.
Daarna vroegen de schipbreukelingen:
"Waar bevinden wij ons?"
"Op vijftig mijlen afstand van de kust van Chili en van den archipel
der Chorus-eilanden," antwoordde Robur.
"Maar, als wij windstilte houden, en?..."
"Wij zullen u op sleeptouw nemen!"
"Maar, in Godsnaam, wie zijt gij toch?"
"Wij zijn lieden, die zich gelukkig gevoelen u te kunnen helpen,"
antwoordde Robur op eenvoudigen toon.
De eerste stuurman begreep, dat de gezagvoerder zijn naam niet
wenschte mede te deelen. Hij eerbiedigde dat verlangen. Maar zou die
vliegmachine kracht genoeg hebben om te kunnen sleepen?
Ja, waarlijk, en de sloep, die aan het einde van eene kabel van ruim
honderd voeten lang was vastgemaakt, werd door het machtige toestel
in oostelijke richting voortgetrokken.
Tegen tien uur was het land in het gezicht, of beter gezegd: men
zag de vuren schitteren, die de ligging daarvan aanduidden. Die hulp
des hemels was inderdaad ter goeder tijd voor de schipbreukelingen
der _Jeannette_ verschenen, en waarlijk, zij waren wel in hun recht,
toen zij beweerden, dat hunne redding een wonder was!
Toen de _Albatros_ hen tot vlak bij den ingang van het toegangswater
der Chonas-eilanden gesleept had, riep Robur hen toe den sleeptros
los te gooien. Dat deden de schipbreukelingen, terwijl zij hunne
redders zegenden en dankzeiden. Het luchtschip stevende daarop
dadelijk zeewaarts.
Waarachtig, in dat luchtvaartuig, hetwelk zoo schipbreukelingen
in volle zee in nood te hulp kon komen, zat toch iets goeds! Welke
luchtballon, hoe volmaakt overigens ook, zou geschikt geweest zijn,
om zoodanige diensten te bewijzen? Ziet, dat moesten Uncle Prudent
en Phil Evans toch erkennen, wanneer zij bij elkander zaten. Toch
verkeerden zij nog altijd in een geestestoestand, die hen er toe
brengen kon, om zelfs het klaarblijkelijkste te loochenen.
De zee werd intusschen al woester en woester. De kenteekenen van
weersverandering waren onrustbarend. De barometer, die al laag
stond, viel nog eenige millimeters. Schrikkelijke windstooten
deden zich voor, terwijl de wind overigens hevig woei en in de
helicopterische werktuigen van de _Albatros_ als het ware huilde,
maar ook oogenblikken had, dat er plotseling voor weinige seconden
windstilte intrad. Onder zulke omstandigheden zou een zeilvaartuig
onder gereefde marszeilen en gereefd fokzeil gestevend hebben. Alles
duidde er op, dat de wind naar het noordwesten krimpen zou. Het vocht
in de buis van het "stormglas" begon zeer troebel te worden. Dat
alles was verre van geruststellend. Tegen een uur in den morgen begon
de wind met buitengewone hevigheid te waaien. Evenwel, hoewel het
luchtschip er vlak tegen in stevende, kon het, voortbewogen door
zijne voortstuwingsschroeven, nog op hem winnen en legde nog vier
of vijf kilometers per uur af. Maar meer mocht en kon er niet van
gevergd worden.
Klaarblijkelijk vormde zich een cycloon, hetgeen op deze breedte
zeer zeldzaam voorkomt. Of men hem al Hurricane op den Atlantischen
Oceaan noemt, of Typhon in de Chineesche zee, of Tornado op Afrika's
westkust of Simoun in de Sahara, het is en blijft een wervelwind,
een ronddwarrelende storm, die zeer te vreezen is. Ja, te vreezen
voor ieder vaartuig, dat in de wentelende beweging geraakt, welke van
den buitenomtrek naar het centrum in kracht toeneemt, en slechts een
enkele plek kalm laat, namelijk het midden van dien lucht-maalstroom.
Robur wist dat. Hij wist ook, dat het voorzichtig was een cycloon te
ontvluchten, door zich, al stijgende tot in de hoogere luchtlagen,
buiten de aantrekkingszone te begeven. Tot heden was hem dat altijd
gelukt, maar er was geen uur, wellicht geen minuut meer te verliezen.
Inderdaad de wind nam merkbaar in hevigheid toe. De golven, met schuim
gekuifd, veroorzaakten onder de onweerstaanbare windvlagen als een
wit poeder op de oppervlakte der zee. Het was klaarblijkelijk, dat de
cycloon bij zijne verplaatsing, zich met eene vervaarlijke snelheid
naar de poolstreken zoude spoeden.
"Naar boven!" kommandeerde Robur.
"Naar boven!" herhaalde Tom Turner.
Toen werd eene buitengewone opstijgende kracht aan het luchtschip
verleend en verhief zich het gevaarte in schuine richting, alsof
het een scherp hellend vlak gevolgd had, hetwelk naar het zuidwesten
gekeerd was.
De barometer daalde in dit oogenblik nog,--geen daling, maar inderdaad
een val van acht, daarna van twaalf millimeter, door de kwikkolom
uitgevoerd.
Eensklaps staakte de _Albatros_ hare stijgende beweging.
Waaraan was die staking toe te schrijven? Klaarblijkelijk aan een
windstoot, aan een geduchten luchtstroom, die zich van boven naar
beneden bewoog en zoo den weerstand van het steunpunt van het
luchtschip verminderde.
Wanneer een stoomschip eene rivier opstevent, dan verricht de
schroef een des te minder nuttigen arbeid, naarmate de stroom door
zijne snelheid onder de schroefbladen door tracht te vlieten. Het
deinzen of de teruggang is dan soms aanmerkelijk en kan zelfs gelijk
aan de stroomsnelheid worden. In datzelfde geval verkeerde thans
de _Albatros_.
Maar Robur gaf den strijd niet op. Zijne vier en zeventig schroeven,
die allen met eene volkomen gelijkmatigheid arbeidden, werden tot
de grootst mogelijke snelheid van omwenteling aangezet. Maar het
luchtschip, door den cycloon onweerstaanbaar aangetrokken, kon niet
ontsnappen. Gedurende de korte oogenblikken, dat er eenige kalmte
intrad, hernam het zijne opstijgende beweging; maar de zware winddruk
hernam weldra weder zijne heerschappij en voerde het gevaarte heen,
dat wel iets van een bodem had, die op het punt is van te zinken. En
wel mocht het zinken genoemd worden, want de _Albatros_ zonk inderdaad
in de luchtzee, en hare seinlichten, hoe krachtig ook de electrische
stroom aangezet werd, konden slechts een zeer bescheiden sector
verlichten.
Het was helder als de dag, dat, wanneer de cycloon nog meer in
hevigheid toenam, de _Albatros_ niet veel meer zou zijn dan een niet
te besturen stroohalm, heengevoerd door een van die wervelwinden,
die boomen ontwortelen, die daken der huizen afrukken en muurvakken
omversmijten.
Robur en Tom Turner spraken slechts door middel van gebaren met
elkander.
Uncle Prudent en Phil Evans klemden zich krampachtig aan de
verschansing vast en vroegen zich af: of de cycloon niet in hunne
kaart speelde, door het schip en met het schip den uitvinder en met
den uitvinder het geheim zijner uitvinding te vernietigen?
Maar, dewijl het scheen, dat de _Albatros_ er niet in slaagde, om
door opstijging uit den wervelstroom te geraken, waarom volbracht zij
niet de eenige beweging, die te doen overbleef, namelijk naar het
centrum te stevenen, waar het betrekkelijk kalm zoude zijn en waar
het schip weer meester van zijn manoeuvreeren zoude wezen? Ja, dat
is goed en wel geredeneerd; maar om dat centrum te bereiken, moesten
die rondijlende stroomingen, die het vaartuig in zijn buitenwervel
geketend hielden, doorbroken worden. Zouden de werktuigen daartoe
genoegzame kracht kunnen ontwikkelen?
Eensklaps barstte het bovenste gedeelte der cycloonwolk. De dampen
verdichtten zich en stortten als plasregen neder.
Het was toen twee uur in den morgen, de barometer was toen na vele
slingeringen, die afwijkingen van twaalf milimeter aanduidden, tot
op 709 gevallen, een stand waarvan afgetrokken moest worden of beter
bijgevoegd, de daling veroorzaakt door de bereikte hoogte van het
luchtschip boven de oppervlakte der zee.
Wat een zeer zeldzaam natuurverschijnsel genoemd kon worden, was,
dat de cycloon ontstaan was buiten de gewesten, waar hij gewoonlijk
voorkomt, dat wil zeggen tusschen den dertigsten graad noorder-
en den zes en twintigsten zuiderbreedte. Misschien ligt daarin de
verklaring, dat die wervel-orkaan plotseling in een rechtlijnigen
storm veranderde. Maar welke winddruk ontstond toen! De stormvlaag,
die op den 22sten Maart 1882 den Staat Connecticut teisterde, kon
eenigermate als punt van vergelijking dienen. Toen was de snelheid
honderd zestien meter in de seconde, hetgeen meer dan honderd uren
gaans in het uur maakt.
Het kwam er dus op aan, om voor den wind te lenzen, zoo als een schip
bij storm zoude doen. Of beter de _Albatros_ was genoodzaakt zich
door die strooming, waartegen niet op te werken en waar niet uit te
geraken was, mede te laten voeren. Maar intusschen, ten gevolge van dat
medegevoerd worden, vlood het luchtschip in zuidelijke richting, dat
wil zeggen, naar die poolstreken, die Robur had willen mijden. Helaas,
hij was niet meer meester over zijnen koers, en moest gaan werwaarts
de storm hem voeren wilde!
Torn Turner had het stuurrad ter hand genomen en hij had al zijne
behendigheid noodig om het luchtschip voor kapzijzen te behoeden.
Bij het eerste lichten van den dageraad,--als men zoo die flauwe tint
mag noemen, die aan den gezichteinder ontwaard werd,--had de _Albatros_
vijftien breedtegraden, dat wil zeggen meer dan vier honderd uren
gaans afgelegd van Kaap Hoorn af en overschreed toen den poolcirkel.
Daar duurt de nacht in de maand Juli nog negentien en een half uur. De
zonneschijf verschijnt slechts boven den horizon om even spoedig weer
te verdwijnen.
Bij de pool duurt de nacht gedurende honderd negen en zeventig
etmalen. Alles duidde aan, dat de _Albatros_ zich in dien nacht als
ware het in eene afgrond zoude storten.
Wanneer eene waarneming mogelijk geweest ware, dan zoude zij aangetoond
hebben, dat men zich op 66° 40' zuiderbreedte bevond. Het luchtschip
was dus nog slechts op veertien honderd mijlen van de zuidpool
verwijderd.
Het luchtschip, onweerstaanbaar naar dat ongenaakbaar punt van den
aardbol gevoerd, "verslond", om het zoo uit te drukken, door zijne
snelheid zijne zwaarte; hoewel deze ten gevolge van de afplatting
der aarde bij de pool een weinig meer was dan elders. Het was, alsof
het zijne opstuwingsschroeven niet meer noodig had. En weldra nam de
storm zoodanig in hevigheid toe, dat Robur het raadzaam oordeelde om
de snelheid der voortstuwingsschroeven tot een minimum van omwenteling
te brengen, ten einde ernstige averij te voorkomen, en bij die geringe
eigene snelheid toch stuur in het gevaarte te houden.
De ingenieur Robur deelde te midden van die gevaren zijne bevelen
met koelbloedigheid uit, en zijne bemanning gehoorzaamde hem, alsof
zij door hem bezield werd.
Uncle Prudent en Phil Evans hadden geen enkel oogenblik het dek van het
luchtvaartuig verlaten. Men kon er bovendien zonder bezwaar blijven.
De lucht veroorzaakte geen of slechts weinig tegenstand. Het luchtschip
verkeerde in die oogenblikken in den toestand van een luchtballon,
die met de middenstof, waarin hij zich gedompeld gevoelt, medegevoerd
wordt.
Het domein der zuidpool strekt zich uit, zooals beweerd wordt,
over eene oppervlakte van vijfmaal honderdduizend vierkante
meters. Bevindt zich daar een vastland? Of is het een archipel? Is
het eene onmetelijke ijszee, die nimmer, zelfs niet gedurende den
langsten zomer, ontdooit? Niemand weet dat.
Maar, wat men wel weet, dat is, dat de zuidpool veel kouder is dan
de noordpool, hetgeen daaraan moet toegeschreven worden, dat er in
het zuidelijk-halfrond veel minder land aangetroffen wordt dan in
het noordelijk, ook aan den stand der aarde op hare omwentelingsbaan
gedurende de zuidpool-winters.
Niets duidde intusschen aan, dat de storm gedurende dien dag zou
afnemen. Het was bij den vijf-en-veertigsten westermeridiaan, dat
de _Albatros_ den poolcirkel binnen trad. Waar zou zij dien weer
verlaten,--bij de veronderstelling altijd, dat zij dien zou kunnen
verlaten?
In ieder geval, naarmate het vaartuig allengs naar het zuiden afzakte,
kortte de dag al meer en meer. Het zou niet lang meer duren, of het
zou in dien langdurigen nacht gedompeld zijn, die slechts door de
maan verlicht wordt of door het bleeke schijnsel van het zuiderlicht.
Maar het was toen nieuwe maan, en waarachtig de reisgenooten van
Robur liepen gevaar niets of niet bijster veel te zien van die
streken, welker geheim nog aan de menschelijke nieuwsgierigheid of
weetgierigheid ontsnapt is.
Zeer waarschijnlijk stevende de _Albatros_ over eenige reeds herkende
punten, b.v. in het westen het land van Graham, hetwelk in de nabijheid
van den poolcirkel gelegen is, en in 1832 door Biscoë ontdekt werd,
en Lodewijk Philipsland, hetwelk in 1838 door Dumont d'Urville ontdekt
werd, de bekende bereikte grenzen op dit onbekende vastland.
Men leed aan boord van de _Albatros_ niet veel van de koude. De
temperatuur was minder laag dan men wel kon vermoeden. Het scheen,
dat die storm een lucht-golfstroom was, die eene zekere hoeveelheid
warmte met zich voerde.
Het was inderdaad zeer betreurenswaardig, dat die geheele streek in
eene diepe duisternis gedompeld was. Hier dient evenwel opgemerkt
te worden, dat, al had ook de maan hare lichtstralen verleend, de
waarnemingen toch zeer weinig loonend zouden zijn uitgevallen. In
dit gedeelte van het jaar toch bedekt een lijklaken van sneeuw, een
harnas van ijs de geheele poolstreken. Men bespeurde er zelfs dien
"blink" van het pakijs niet, welke eene witachtige tint bezit en aan
die donkere gezichteinders ontbreekt.
Hoe onder zulke omstandigheden den vorm van het land, de
uitgestrektheid der zeeën, de ligging der eilanden waar te nemen
en op te nemen? Hoe het hydrografisch netwerk van het land te
onderscheiden? Hoe het bergstelsel te herkennen, nu de heuvelen en
de bergen niet van het pakijs en de ijsbergen te onderscheiden waren?
Iets vóór middernacht verlichtte een zuiderlicht de dikke
duisternis. Met zijne zilveren franjes, met zijne stralen, die door het
luchtruim schoten, vertoonde zich dat natuurverschijnsel in den vorm
van een onmetelijken waaier, die over de eene helft van het uitspansel
geopend zoude zijn. Zijne uiterste electrische uitstroomingen raakten
het Zuiderkruis, welker vier sterren in het zenith schitterden. Het
natuurverschijnsel was onvergelijkelijk schoon, en de helderheid,
daardoor verspreid, was voldoende om een blik te kunnen werpen op
die streek, welke in een wit lijkkleed gehuld scheen.
Het zal wel niet behoeven verhaald te worden, dat boven die streken,
zoo nabij de Zuidpool, de magneetnaald van het kompas, voortdurend
van streek, geene te betrouwen aanwijzingen weergaf met betrekking
tot den te volgen koers. Maar hare inclinatie was op een gegeven
oogenblik van zoodanigen aard, dat Robur voor zeker kon houden,
dat hij boven de magnetische pool passeerde, die ongeveer bij den
acht-en-zeventigsten zuiderbreedte-graad gelegen zoude zijn.
En later, toen hij tegen een uur in den morgen den hoek berekende,
welke die naald met de loodlijn maakte, riep hij uit:
"De Zuidpool is onder onze voeten!"
Een wit kalotje werd ontwaard, maar liet niets gissen van hetgeen
onder die dikke ijskorst verborgen was.
Het zuiderlicht verdween een weinig later en dat denkbeeldige punt,
waar alle meridianen van den aardbol te zamen komen, moet nog gevonden
worden.
Waarachtig, wanneer Uncle Prudent en Phil Evans het luchtschip en hen,
die zich aan boord bevonden, in de meest geheimzinnige eenzaamheid
wilden begraven, dan was de gelegenheid uiterst gunstig. En, als zij
het niet deden, dan werd dit veroorzaakt, doordat hen nog het daartoe
benoodigde middel ontbrak.
De storm schreed steeds met onverminderde kracht voort en met zulke
snelheid, dat, wanneer de _Albatros_ den een of anderen berg op hare
baan ontmoet had, zij daarop verbrijzeld ware geworden evenals een
schip, dat op eene rotsachtige kust zoude stranden.
En inderdaad, het luchtschip kon zich niet alleen niet meer in
horizontale richting dirigeeren, maar het was ook onmachtig om in de
hoogte te stijgen.
Daarbij kwam nog, dat eenige toppen op die zuidpoollanden aangetroffen
werden. Het gevaar was dus groot. Ieder oogenblik was eene botsing
te duchten, en die botsing zou de vernietiging van het luchtgevaarte
ten gevolge hebben.
Zoo'n ramp was te meer te vreezen, daar de wind, nadat de _Albatros_
den meridiaan zero gepasseerd had, naar het oosten neigde. Twee
lichtende punten werden toen op een afstand van ongeveer honderd
kilometers van het luchtvaartuig ontwaard.
Dat waren de twee vulkanen, de Erebus en de Terror, die tot het
uitgestrekte bergstelsel van Ross behooren.
Zou de _Albatros_, evenals een reusachtige vlinder, zich de vleugels
gaan verbranden aan die vulkanische vlammen?
Er werd een uur van pijnlijke spanning doorgebracht. Het was alsof
een dier vuurspuwende bergen, de Erebus, zich op het luchtschip kwam
storten, dat maar niet uit de zuiging van den storm kon geraken. De
vlammen-bundels werden voor het oog ieder oogenblik grooter. Een
slagboom van vuur sloot als het ware den weg af. Schitterende stralen
verlichtten thans de ruimte. Alle voorwerpen aan boord hadden toen een
rooden weerschijn aangenomen en gaven aan het vaartuig een waarlijk
helsch uitzicht.
Alle opvarenden zonder onderscheid stonden onbewegelijk, zonder eenig
geluid te maken, zonder eenig gebaar te wagen, en wachtten in spanning
de schrikkelijke minuut, gedurende welke die vreeselijke haard hen
met zijne vlammen zou omgeven.
Maar de storm, die de _Albatros_ medevoerde, redde haar van de
schrikkelijke ramp.
De vlammen van den Erebus werden door den stormwind ternedergedrukt
en leverden zoo een doortocht aan het luchtschip. Te midden van een
waren stortregen van vulkanische bestanddeelen, als lava-brokstukken,
vulkanische asch en zand, die gelukkig door de middenpuntvliedende
werking der opstuwingsschroeven afgewend werden, werd die in volle
uitbarsting verkeerende krater overzweefd.
Een uur later verdwenen die beide kolossale toortsen, welke
het uiteinde der bekende wereld gedurende de lange poolnachten
verlichten, voor den blik der opvarenden van de _Albatros_ achter
den gezichteinder.