waterstralen, die zij door hunne kieuwgaten hoog opspoten, wanneer
zij aan de wateroppervlakte kwamen, om adem te halen.
Tom Turner, bijgestaan door een man van de equipage, had bij den
voorsteven post gevat. Onder zijn bereik lag een speerboom, van
Californisch maaksel, die met een vuurroer voortgeworpen werd. Hij
bestond uit een metalen cylinder, aan welks einde een cilindervormige
bom vast zat, die met een scherpe van weerhaken voorziene punt
gewapend was.
Van de brug, waarop hij gestegen was, bestuurde Robur het gevaarte. Met
de rechterhand gaf hij teekens aan de machinisten, met de linker aan
den roerganger. Zij begrepen zijne wenken volkomen. Zoo was hij in
staat het luchtschip iedere vereischte wending, zoowel horizontale
als verticale, te laten volvoeren. Het was ongeloofelijk met welke
snelheid en met welke nauwkeurigheid het gevaarte zijne bevelen
gehoorzaamde. Men zou het hebben kunnen aanzien voor een bewerktuigd
wezen, waarvan de ingenieur Robur de ziel was.
"Een walvisch!... Een walvisch!..." riep Tom Turner andermaal.
Inderdaad, de rug van zoo'n monster stak op vier kabellengten van den
boeg van de _Albatros_ boven het water uit. Het luchtschip stuurde er
heen en, toen het op een afstand van ongeveer zestig voeten genaderd
was, hield het stil. Tom Turner had zijn vuurroer, dat op een vork, in
de verschansing vastgemaakt, steunde, tegen den schouder gebracht. Het
schot ging af, en het projectiel, waaraan een lang touw vastzat, dat
zich ontrolde en welks uiteinde aan het dek vastzat, trof het lichaam
van den walvisch. De bom, die met eene ontplofbare stof gevuld was,
sprong en dreef daarbij een kleinen tweearmigen harpoen voort, die
diep in het dikke vleesch van het dier drong.
"Opgepast!" riep Torn Turner.
Hoe kwaad gemutst Uncle Prudent en Phil Evans ook waren, zoo stelden
zij toch belang in dit tafereel.
De zwaar gewonde walvisch gaf met zijn staart zoo'n slag op het
zeeoppervlak, dat het water tot op het voorschip van de _Albatros_
spatte. Daarna dook het dier op eene onmetelijke diepte, terwijl men
het touw liet vieren, dat opgeschoten lag in eene balie of tobbe,
welke met water gevuld was, opdat zij door de hevige wrijving geen
vuur zou vatten. Toen de walvisch aan de oppervlakte weerkeerde,
vluchtte hij met de meest mogelijke snelheid in noordelijke richting.
Men kan zich verbeelden, met welke snelheid de _Albatros_ door het
monster gesleept werd. De voortstuwingsschroeven stonden stil en men
liet het dier zijn eigen gang gaan. Men zorgde alleen met den boeg in
zijne richting te blijven. Tom Turner stond met eene bijl gereed om
het touw door te kappen, wanneer de walvisch, door opnieuw te duiken,
het luchtschip in gevaar kon brengen.
Gedurende een half uur, waarin ongeveer zes mijlen werden afgelegd,
werd de _Albatros_ zoo voortgesleept. Men gevoelde evenwel dat het
dier vermoeid geraakte.
Toen lieten de machinisten, op een wenk van Robur, de schroeven
achteruit slaan. De propellors begonnen eenigen tegenstand te stellen
aan de vlucht van den walvisch, die het luchtschip langzamerhand
nabij kwam. Weldra zweefde de _Albatros_ op vijf en twintig voet
boven het ondier. Met zijn staart zweepte het 't water met groot
geweld. Door zich van den buik op den rug te wentelen, veroorzaakte
het gevaarlijke kolken.
Plotseling dook het onder en wel met zulke snelheid, dat Tom Turner
bijna geen tijd had om het ingepalmde touw te laten vieren. Het
luchtschip werd met een ruk tot op de oppervlakte van het water
gesleept. Een onmetelijke draaikolk had zich gevormd op de plek waar
het dier verdwenen was. Eene zee sloeg aan boord, zooals wel eens
gebeurt, wanneer een schip scherp bij den wind tegen den golfslag
inloopt.
Gelukkig kapte Tom Turner met een slag het touw door, waardoor
de _Albatros_, van dien sleeptros bevrijd, onder den krachtigen
aandrang van hare opstuwingsschroeven, op tweehonderd meters boven
de oppervlakte der zee steeg. Wat Robur betrof, die had het gevaarte
bestuurd, zonder dat zijne koelbloedigheid hem ook maar ééne seconde
begeven had. De walvisch kwam weinige minuten later boven, maar was
dood. Van alle kanten schoten zeevogels toe, om zich op dien buit te
werpen en stieten daarbij kreten uit om een geheel congres doof te
doen worden.
Daar men niets wist aan te vangen met dat kreng, werd het
aan de roofvogels overgelaten en hervatte de _Albatros_ haren
noord-westelijken koers.
Den volgenden morgen--17 Juni--doemde tegen zes uur eene kust aan
den horizon op. Dat was het schiereiland Alaska en de lange rij van
rotsblokken van verbrijzeld land, die de Aleutische eilanden vormden.
De _Albatros_ wipte over die zeeafsluiting, waarachter de pelszeehonden
verwijlen, waarop de bewoners der Aleutische eilanden voor rekening
eener Russisch-Amerikaansche maatschappij vlijtig jacht maken. Die
maatschappij doet daarbij goede zaken want die tweeslachtige dieren
zijn zes of zeven voet lang, vertoonen eene fraaie bruine roestkleur
en wegen van driehonderd tot vijfhonderd pond. Onafzienbare rijen van
die robben worden daar aangetroffen, die zich daarbij in een breed
front uitspreiden en soms meerdere duizenden tellen. Dat zij zich
niet verontrustten bij den overgang van de _Albatros_, was geheel aan
hunne kalme geaardheid toe te schrijven. Anders was het gesteld met
de duikereenden, de kuifmeeuwen, de zilvermeeuwen, de eiderganzen, die
hieven een schril geschreeuw aan, alsof zij in doodsgevaar verkeerden,
en verdwenen ten spoedigste onder de wateroppervlakte, verschrikt als
zij waren, door de verschijning van dat boven hen zwevende gevaarte.
De tweeduizend kilometers van de Behring-zee, gerekend van de eerste
Aleutische eilanden af tot aan de uiterste punt van Kamschatka,
werden in vier-en-twintig uren afgelegd. Voor Uncle Prudent en Phil
Evans bood zich waarachtig geene te beste gelegenheid aan om te
ontvluchten. Noch op de eenzame kusten van dien uithoek van Azië,
noch in de omstreken van de zee van Ochotsk kon eene ontvluchting
kans van slagen aanbieden. Klaarblijkelijk naderde de _Albatros_
de Japansche en Chineesche streken. Daar zouden de beide collega's
misschien, hoewel het niet voorzichtig zoude zijn zich aan de genade of
ongenade der Chineezen of Japanners over te geven, gelegenheid vinden
en waren zij vast besloten die te benutten, wanneer het luchtschip
op het een of ander punt van die beide rijken nederdaalde.
Maar zou de _Albatros_ daar neerdalen en gemeenschap met de
aardoppervlakte hebben? Het was met haar niet gesteld als met den
vogel, die eindigt met vermoeid te geraken, of als met een ballon,
die bij gebrek aan gas genoodzaakt is te dalen. Het luchtschip had
nog voorraad voor vele weken en zijne organen waren zoo stevig,
dat zij van geen zwakheid of van geen vermoeidheid last hadden.
Toen wipte de _Albatros_ over het schiereiland Kamschatka, waarvan de
nederzetting Petropaulowsk en de vulkaan Koutschew gedurende den dag
van den 18den Juni ter nauwernood ontwaard werden. Toen een oversteek
over de zee van Ochotsk ter hoogte van de Kurillische eilanden,
die als eene afdamming vormen, die door eene menigte kleine kanalen
doorsneden zoude zijn, en zoo bereikte het luchtschip in den morgen
van den 19den Juni de zeeëngte La Perouse, die besloten is tusschen de
noordelijke punt van Japan en het eiland Saghalien. In die zeestraat,
die eenigszins met de Hoofden te vergelijken is, stort zich de Amoer,
een der groote Siberische rivieren, uit.
Toen kwam er een dikke mist op, dien het luchtschip beneden zich moest
laten. Niet dat het door die neveldampen belet werd koers te zetten. Op
die hoogte en die breedte, waarop het zich bevond, was geen hinderpaal
te vreezen, geen hooge monumenten, waartegen het kon stooten, geen
bergen, waartegen het gevaar liep zich te verbrijzelen. Het land
was slechts weinig heuvelachtig. Maar toch waren die nevelen zeer
onaangenaam, want alles was kletsnat aan boord. Er bleef niets anders
over dan te stijgen tot boven die nevelbank, welker dikte van drie-
tot vierhonderd meters bedroeg. De schroeven werden tot snellere
omwenteling aangezet en weldra bevond de _Albatros_ zich weer in eene
heldere atmosfeer, waar de zon met helderen glans boven het luchtschip
scheen, terwijl daaronder zich eene wolkenbank uitstrekte, die voor
het oog ondoordringbaar was.
Uncle Prudent en Phil Evans zouden onder die omstandigheden hunne
plannen tot ontsnapping moeielijk hebben kunnen ten uitvoer leggen,
altijd in de veronderstelling, dat zij er in geslaagd zouden zijn,
het luchtschip te verlaten.
Dien dag bleef Robur, toen hij hen bij zijne wandeling op het dek
passeerde, een oogenblik staan en, zonder den schijn aan te nemen er
bijzonder belang in te stellen, zeide hij:
"Mijne heeren, wanneer een zeil- of stoomschip allerwege door nevelen
omgeven is, dan is het in zijne bewegingen zeer belemmerd en verkeert
in nauwe zeeëngten met een druk scheepsverkeer in groot gevaar. Het
kan niet voorbijstevenen dan met behulp van de stoomfluit of van
den misthoorn. Het moet zijne vaart breidelen, en toch behoort,
in weerwil van al die voorzorgsmaatregelen, eene aanvaring tot de
mogelijkheden en is derhalve zeer te duchten. De _Albatros_ heeft
zoo iets niet te vreezen. Wat deert haar de mist? In een oogwenk is
zij er uit. De ruimte, de geheele ruimte is haar domein!"
Na die woorden vervolgde Robur bedaard zijne wandeling, zonder een
antwoord af te wachten, dat hij daarenboven niet wenschte uit te
lokken en blies onverstoorbaar de tabakswolken zijner pijp uit,
die zich in het azuur des hemels verloren.
"Uncle Prudent," zei Phil Evans, "het schijnt dat die
bewonderenswaardige _Albatros_ nimmer iets te vreezen heeft."
"Dat staat nog te bezien!" antwoordde de voorzitter van
Weldon-Institute.
Die mist bleef gedurende drie dagen, den 19den, 20sten en 21sten Juni,
met eene betreurenswaardige hardnekkigheid heerschen. Men had moeten
stijgen om de Japansche bergen van Fouzi Zama te vermijden. Maar toen
die nevelgordijn scheurde, ontwaarde men eene onmetelijke stad met hare
paleizen, villas, chalets, tuinen en parken. Zelfs zonder haar te zien,
zou Robur haar herkend hebben aan het geblaf van hare duizenden honden,
aan het geschreeuw harer roofvogels, maar vooral aan de lijkenlucht,
die door de lichamen der gevonnisden in den dampkring verspreid wordt.
De beide collega's waren op het dek, toen de ingenieur dat
verkenningspunt waarnam en op zijn bestek uitzette, voor het geval
hij genoodzaakt zoude zijn bij dergelijken mist zijn weg te vervolgen.
"Ik heb geen enkele reden, heeren," zeide hij, "om voor u verborgen
te houden, dat die stad, welke gij daar ziet, Jedo, de hoofdplaats
van Japan is."
Uncle Prudent antwoordde niet. Wanneer hij zich in de nabijheid van
den ingenieur bevond, dan was het alsof hij stikte, alsof de lucht
aan zijne longen ontbrak.
"Dat gezicht op Jedo," hernam Robur, "is inderdaad belangwekkend."
"Hoe belangwekkend ook...." begon Phil Evans.
"Haalt het niets bij dat van Peking," viel hem de ingenieur in de
rede. "Waarlijk, dat is ook mijn oordeel en gij zult er weldra over
kunnen oordeelen."
Het was onmogelijk om zich meer wellevend te toonen.
De _Albatros_, die zuid-oost voorlag, veranderde toen vier streken
hare richting en stevende zuiver oost op. De mist trok gedurende
den nacht geheel op. Er deden zich kenteekenen voor dat een
typhon op handen was. De barometer daalde snel, de dampkring werd
merkwaardig doorzichtig, groote ellipsoïdale wolken vormden zich op een
koperachtigen achtergrond, terwijl zich aan de tegenovergestelde zijde
van het hemelgewelf lange karmijnstreepen vertoonden, die als op een
leikleurigen achtergrond getrokken schenen. In het noorden vertoonde
zich een breede sektor van het uitspansel helder en onberispelijk
zuiver, daaronder de zee effen en kalm, hoewel hare wateren bij het
ondergaan der zon eene sombere scharlaken, schier bloedkleur aannamen.
Gelukkig ontketende die typhon zich meer zuidelijk en had geen ander
gevolg dan de dampen en nevelen, die sedert drie dagen de atmosfeer
bezwangerd hadden, weg te vagen.
In een uur tijd had men de tweehonderd kilometers van de zeeëngte
van Corea overschreden, waarna het oversteken van de uiterste punt
van het schiereiland eene kleinigheid was. Terwijl de typhon boven
de zuid-oostelijke kusten van China woedde, stevende de _Albatros_
boven de Gele Zee en gedurende den 22sten en 23sten boven de Golf van
Petchely. Den 24sten stevende het luchtschip de vallei van de Pei-Ho
op en zweefde eindelijk boven de hoofdplaats van het Hemelsche Rijk.
Over de verschansing van het luchtschip gebogen, konden de beide
gevangenen, zooals de ingenieur hun aangekondigd had, zeer duidelijk
die onmetelijke stad bespeuren. Zij ontwaarden den muur, die haar in
twee deelen splitst--de Mandchourysche en de Chineesche stad. Zij
telden de twaalf voorsteden, die haar omgeven; zij zagen de breede
boulevards, die als stralen zich naar een middenpunt richtten; zij
bewonderden de tempels, welker gele en groene daken als met zonlicht
gedrenkt waren; zij peilden de parken, die de woningen der mandarynen
omgaven. Vervolgens verschenen te midden der Mandchourysche stad de
zes honderd acht en zestig hectaren oppervlakte van de Gele stad,
met hare pagoden, hare keizerlijke tuinen, hare kunstmatige meren,
haren berg van houtskool, die de geheele hoofdplaats beheerscht. En
eindelijk ontwaarden de luchtreizigers in het centrum van de Gele stad
als een vierkant van Chineesche notenkrakers, besloten in een ander,
de Roode stad, d. w. z. het Keizerlijk paleis met al de grilligheid
van zijne onmogelijke of beter van zijne onwaarschijnlijke bouworde.
Onder de _Albatros_ weerklonk in dit oogenblik een zonderling
geluid. Men zou gemeend hebben, een concert van Eolische harpen te
hooren. In de lucht zweefden honderden vliegers van verschillenden
vorm, vervaardigd van palmbladeren, van pandanus-bladeren, die aan hun
bovenste gedeelte voorzien waren van een soort boog van licht hout,
die onderspannen was door een dunnen reep bamboe. Onder den adem des
winds weerklonken al die reepen in een verschillenden toon als die
van een harmonica, en lieten een welluidend gemurmel vernemen van een
inderdaad weemoedig effect. Het was alsof men in dit midden muzikale
zuurstof inademde.
Robur gaf toen gevolg aan een gril, namelijk om dat luchtorkest te
willen naderen, en langzamerhand dompelde de _Albatros_ als het ware
in de harmonische luchtgolvingen, welke door de Chineesche vliegers
opgewekt werden.
Maar dadelijk veroorzaakte die nadering een buitengewoon effect
op de ontelbare bevolking van die streken. Er werd vreeselijk op
de tam-tams, op de gongs en op andere muziekinstrumenten van het
Chineesche orkest geslagen. Duizenden geweerschoten werden gelost,
honderden bommen werden geworpen, in één woord: alles werd in het
werk gesteld om het luchtschip te noodzaken zich te verwijderen. Al
hadden de Chineesche sterrenkundigen ook al eene verklaring voor de
verschijning van het luchtgevaarte op hun eigen hand, zoo geloofde de
groote menigte toch aan het optreden van een apocalyptisch monster,
dat van uit den Boudha-hemel verschenen was.
Aan boord van de _Albatros_ nam men weinig notitie van dat
spectakel. Men gevoelde zich volkomen veilig. Maar de touwen der
vliegers werden doorgesneden of haastig ingepalmd, en die lichte
speeltuigen verdwenen uit de lucht, alsof zij weggetooverd waren,
terwijl zij als een stervende vogel nog een laatsten kreet lieten
weerklinken.
Toen stiet de trompet van Tom Turner eene machtige fanfare uit, die
zich over de Chineesche hoofdstad uitstortte en de laatste harmonische
tonen der vliegers deed verstommen. Maar daarom werd het schieten niet
gestaakt. Daarmede gingen de Chineezen volijverig voort. Eindelijk
sprong eene bom op een twintig voeten boven het dek van de _Albatros_,
zoodat Robur het toch raadzaam begon te achten, hoogere luchtlagen,
waar hij onbereikbaar zoude zijn, te gaan opzoeken.
Wat viel er gedurende de weinige dagen, die nu volgden, voor? Geen
enkele gebeurtenis deed zich voor, waarvan de gevangenen gebruik
hadden kunnen maken om te ontsnappen. Welke richting volgde het
luchtschip? Steeds stevende het om de zuidwest, hetgeen op het
voornemen duidde, Hindostan te willen naderen. Het was zichtbaar
daarenboven, dat de bodem, die voortdurend rees, de _Albatros_
noodzaakte evenwijdig die oneffenheden te volgen. Ongeveer tien uren
nadat men Peking verlaten had, hadden Uncle Prudent en Phil Evans
een kijkje gehad op een gedeelte van den Grooten Muur op de grenzen
van Chew-Si. Daarna passeerde het luchtschip, na het Loung-gebergte
vermeden te hebben, de vallei Wang-Ho en verliet het Chineesche rijk,
om boven Thibet te stevenen.
Thibet vormt eene hoogvlakte zonder plantenbedekking. Hier en daar
verheffen zich met sneeuw overdekte toppen, elders worden woeste
uitgedroogde ravijnen ontwaard, terwijl er wilde bergstroomen worden
aangetroffen, die door de gletschers en ijsvelden gevoed worden. In
de laaglanden bevinden zich uitgestrekte vlakten, met een laag zout
overdekt, en meeren, die in groene wouden als in eene lijst gevat
schijnen. Maar over dat alles heerscht veelal een ijzige wind.
De barometer, die tot 450 millimeters teruggegaan was, duidde aan dat
de _Albatros_ zich op eene hoogte van vierduizend meters boven de
oppervlakte der zee bevond. Op die hoogte rees de kwikthermometer,
hoewel men in de warmste maanden van het noordelijk halfrond was,
niet boven nul. Die afkoeling, gepaard aan de snelle vaart van de
_Albatros_, bracht er niet toe bij om den toestand dragelijk te
maken. Hoewel de beide gevangenen ruimschoots van warme reisdekens
voorzien waren, verkozen zij toch binnen hun roef beschutting op
te zoeken.
Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat aan de opstijgende
drijfwielen eene buitengewone snelheid verleend was, om het vaartuig
in de reeds zoo ijle luchtlagen zwevende te houden. Maar die schroeven
werkten volmaakt eendrachtig, en het was dan ook, alsof men door de
trilling harer vleugelen gewiegd werd.
Dien dag zou men te Garlok, eene stad in westelijk Thibet gelegen
en hoofdplaats van de provincie Guari-Khorsow, de _Albatros_ hebben
kunnen zien voortzweven, terwijl het vaartuig zich niet grooter
vertoonde dan eene reisduif.
Den 27sten Juni bespeurden Uncle Prudent en Phil Evans als een
onmetelijken slagboom, die door eenige toppen beheerscht werd,
welke met eeuwigdurende sneeuw overdekt waren. Die slagboom sloot
den gezichteinder als het ware af.
De beide gevangenen stonden stevig geleund tegen de roef, om weerstand
te kunnen bieden aan den luchtstroom, veroorzaakt door de snelheid
der verplaatsing, en bekeken die kolossale massa's, die het luchtschip
schenen tegemoet te ijlen.
"Dat is voorzeker het Himalaya-gebergte," zei Phil Evans, "en
waarschijnlijk zal Robur het noordelijk grondvlak daarvan langs
stevenen, zonder te beproeven in Engelsch-Indië te dringen."
"Dat zou des te erger zijn," antwoordde Uncle Prudent; "want op dat
onmetelijk grondgebied zouden wij...."
"Tenzij hij de keten omstevent door Birmanië ten oosten, of door de
Nepaul-landen ten westen."
"In ieder geval, ik wed dat hij er niet over heen durft!"
"Zoo, waarlijk!" sprak eene stem.
Den volgenden dag, den 28sten Juni bevond de _Albatros_ zich in de
provincie Zzang, vlak tegenover de reusachtige bergmassa. Aan den
anderen kant van het Himalaya-gebergte lagen de Nepaulstreken.
Drie bergketenen sluiten inderdaad den weg naar Indië af, althans
wanneer men van het noorden komt. De twee eersten, waartusschen de
_Albatros_ als een vaartuig tusschen onmetelijke klippen gegleden was,
zijn als het ware de eerste trappen van den slagboom van Centraal
Azië. De eerste die Kowen-Lown heet en de tweede Karakoroum, vormen
het lengte- en paralleldal van het Himalaya-gebergte. Dit dal vormt
in zijn bovengedeelte de grens van de waterbekkens van den Indus in
het westen en van de Brahmapoetra in het oosten.
Welk prachtig bergstelsel! Meer dan tweehonderd toppen van die
bergmassa zijn reeds gemeten en zeventien daarvan rijzen hooger dan
vijf-en-twintigduizend voeten! Vlak vóór de _Albatros_ verhief zich
de Everest-berg op achtduizend-achthonderd meters. Rechts lag de
Dwalaghiri, ter hoogte van achtduizend-tweehonderd meters. Links de
Kinchanjunga, ter hoogte van achtduizend-vijfhonderd-twee-en-negentig
meters. Deze laatste is naar den tweeden rang verdrongen, sedert de
laatste metingen van den Everest.
Klaarblijkelijk scheen Robur weinig genegen, met den top dier reuzen
in aanraking te komen; maar ongetwijfeld was hij bekend met de
verschillende bergengten van de Himalaya, onder anderen met die van
Ibi-Gamin, welke de gebroeders Slagintweit in 1856 op eene hoogte
van zesduizend-achthonderd meter doorworsteld hebben. Hij stevende
er stoutmoedig in.
Er werden daar ettelijke moeielijke, ja pijnlijke uren
doorgebracht. Toch, hoewel het buitengewoon koud was, werd de
lucht niet zoo ijl, dat men zijne toevlucht moest nemen tot de
daarvoor bestemde toestellen om de zuurstof in de roeven en hutten
te vernieuwen.
Robur stond op de voorplecht en had zijn mannelijk gelaat bedekt met
de kap van zijn mantel. Vandaar gaf hij zijne bevelen tot besturing
van het luchtschip. Tom Turner had het stuurrad ter hand genomen. De
machinist wijdde zijne volle aandacht aan zijne batterijen, wier zuren
gelukkig niets van bevriezen te duchten hadden. De schroeven, waaraan
de grootst mogelijke snelheid van omwenteling verleend was, trilden
met scherpe geluiden, wier intensiteit, in weerwil van de mindere
dichtheid der lucht, buitengewoon groot was. De barometer daalde tot
290 millimeters, hetgeen eene hoogte van zevenduizend meters aanduidde.
Die chaos van bergen leverde een prachtig uitzicht op. Overal
vertoonden zich sneeuwwitte toppen. Geene meren werden ontwaard,
maar wel ijsvelden, die tot op tienduizend voeten van het grondvlak
afdaalden. Geen grassprietje was te bespeuren, maar wel ettelijke
zeldzame phanegoramen, die nog op de grenzen van het plantenleven
voorkwamen. Geen van die bewonderenswaardige pijnboomen of ceders,
die zich in prachtige bosschen op de benedenhellingen van de meeste
bergstelsels groepeeren. Geen van die reusachtige heideplanten,
geen van die eindelooze slingerplanten, echte parasieten, die van den
eenen stam tot den anderen gespannen zijn, zooals in de bosschen van
het laagland. Geen enkel dier; noch wilde paarden, noch yaks, noch
Thibetsche runderen. Een enkelen keer verscheen er een verdwaalde
gazel op die hoogten. Geen enkele vogel, tenzij eenige paren kouwen,
die er niet tegen opzien tot bij de laatste inadembare luchtlagen op
te stijgen.
Toen die bergengte eindelijk doorgestevend was, begon de _Albatros_
weer te dalen. Bij het uitkomen van den bergpas buiten den woudgordel,
zagen de reizigers slechts een onmetelijke vlakte, die zich over een
overgrooten sector uitstrekte.
Robur trad toen op zijne gedwongen gasten toe, en zei met eene
vriendelijke stem:
"Indië, heeren!"
X.
WAARIN MEN ZIEN ZAL, HOE EN WAAROM DE KNECHT FRYCOLLIN OP SLEEPTOUW
GENOMEN WORDT.
De ingenieur Robur had geen plan om zijn luchtschip over die
wonderlijke streken van Hindostan rond te voeren. Hij was over het
Himalaya-gebergte gestevend om te toonen, welk bewonderenswaardig
toestel, tot reizen geschikt, hij bezat. Hij verlangde hen te bekeeren,
die niet bekeerd wilden zijn. Iets anders beoogde hij ongetwijfeld
niet.
Volgt daar nu uit, dat de _Albatros_ volmaakt zoude zijn? De
volmaaktheid is toch niet van deze wereld.
Wij zullen later wel zien.