Gedurende den nacht werd geen scherp gegil der locomotieven of geen

dieper geraas der stoomfluiten van de stoomvaartuigen vernomen, om

de stilte en de kalmte van het firmament, waarin myriaden sterren

flonkerden, te storen. Soms steeg een langgerekt geloei tot bij het

luchtschip op. Dat werd veroorzaakt door geheele kudden bisons,

die de prairiën doorkruisten om beken en weilanden op te sporen,

ten einde hunnen dorst te lesschen en hunnen honger te stillen. En

wanneer dat geloei zweeg, dan toch kon het geritsel der grasstengels

onder hunne pooten vernomen worden, dat een dof geluid veroorzaakte,

niet ongelijk aan het sombere gerol eener overstrooming, en zeer

verschillend van het onophoudelijk frrr frrr der schroeven.

Ook werd van tijd tot tijd het gehuil van een wolf, van een vos,

van een wilde kat, of van eene cojote vernomen. Deze laatstgenoemde

is de _canis latrans_ der geleerden en verdient zijn naam door zijn

schel geblaf ten volle.

En ook de doordringende geuren der kruizemunt, der pepermunt, der

absinth-planten, der saliestruiken, vermengd met de nog krachtiger

geuren der nagelboomen, stegen door de zuivere nachtelijke luchtlagen

op.

Eindelijk werd ook nog tusschen al die aardsche kreten soms een akelig

geluid vernomen, dat ditmaal niet door cojoten veroorzaakt werd. Dat

was de gil van den Roodhuid, waardoor een pionier niet misleid zou

worden en derhalve ook niet door dezen voor het geschreeuw van wilde

beesten genomen zoude zijn.

Den volgenden morgen, den 15den Juni, verliet Phil Evans tegen vijf

uren in den morgen zijne hut. Misschien zou hij dien dag den ingenieur

Robur ontmoeten.

In ieder geval dreef hem zijne nieuwsgierigheid er toe om zich tot

den eersten officier Tom Turner te wenden, ten einde te weten, waarom

Robur den vorigen dag niet verschenen was.

Tom Turner, een Engelschman van geboorte, was ongeveer vijf en veertig

jaren oud. Hij had een breede borstkas en stevige ledematen, die

als door een ijzeren geraamte gestut werden. Daarenboven had hij een

zeer groot en karakteristiek hoofd, à la Hogarth, zooals die schilder

van alle mogelijke leelijke Angel-Saksische gelaatstrekken met zijn

penseel bij dozijnen vermenigvuldigd heeft. Wanneer men de vierde

plaat van zijn Harlots Progress wil inzien, dan zal men het hoofd van

Tom Turner op den romp van den gevangenbewaarder aantreffen, en dan

zal men moeten erkennen, dat diens gelaatstrekken niets vriendelijks

en niets aanmoedigends konden aanbieden.

"Zullen wij heden den ingenieur Robur te zien krijgen?" vroeg Phil

Evans.

"Dat weet ik niet," antwoordde Tom Turner.

"Ik vraag u niet, of hij uitgegaan is."

"Dat zou toch wel kunnen zijn."

"Wanneer zal hij terugkomen?"

"Klaarblijkelijk, wanneer hij zijne boodschappen verricht zal hebben."

Na dat antwoord stapte Tom Turner zijne roef binnen.

Phil Evans moest zich met dat loopje, hetwelk met hem genomen werd,

tevreden stellen. Het antwoord was te minder geruststellend, daar

een blik op het kompas aangaf, dat de _Albatros_ in noordwestelijke

richting afhield.

Welk contrast kon toen waargenomen worden, tusschen de onvruchtbare

streek der Slechte Gronden, die men in den loop van den vorigen nacht

verliet, met het landschap, dat zich nu op de oppervlakte der aarde

uitspreidde.

Het luchtschip bevond zich thans, na ongeveer duizend kilometers

van Omaha af afgelegd te hebben, boven eene streek, die Phil Evans

onmogelijk kon herkennen, om de eenvoudige reden, dat hij haar nimmer

bezocht had. Eenige forten, die tot bestemming hadden om de Indianen in

bedwang te houden, bekroonden met hunne geometrische lijnen en hoeken,

die meer door palissaden of paalwerk dan door muren gevormd werden,

de bluffs. Weinig dorpen werden ontwaard, en weinig inwoners. Hierin

verschilde dit land veel met het goudhoudend grondgebied van Colorado,

hetwelk eenige graden meer zuidwaarts gelegen was.

Heel ver, bij den horizon, begon men, evenwel nog zeer onduidelijk,

eene opeenvolging van bergtoppen te ontwaren, die door de opkomende

zon als met een vurig boord omzoomd werden.

Dat was het Rotsgebergte.

Al dadelijk ondervonden Uncle Prudent en Phil Evans dien ochtend een

scherpe koude. Deze temperatuursverlaging kon niet toegeschreven worden

aan eene wijziging van het weder, want de zon scheen met volle pracht.

"Dat wordt veroorzaakt, doordat de _Albatros_ hooger in de lucht

gestegen is," zei Phil Evans.

Inderdaad de barometer, die buiten de deur der middenroef geplaatst

was, werd bevonden op vijfhonderd veertig millimeter gevallen te

zijn,--hetgeen op een hoogte van drieduizend meters ongeveer wees. Het

luchtschip bleef zich dus op eene vrij aanzienlijke hoogte bewegen en

werd daartoe door de afwisselingen van het terrein genoodzaakt. Een

uur vroeger toch, had het de hoogte van vierduizend meters moeten

overschrijden, want achter het gevaarte verrezen bergen, die door

eeuwigdurende sneeuw bedekt waren.

Uncle Prudent noch zijn lotgenoot konden zich herinneren welk land het

was, waarboven zij zweefden. De _Albatros_ had gedurende den nacht

afwijkingen van den koers met eene buitengewone snelheid naar noord

of zuid kunnen maken, en dat was voldoende om hen het spoor bijster

te maken.

Nadat zij evenwel de verschillende minder of meer aanneembare

vooronderstellingen bepleit hadden, kwamen zij daarin overeen:

dat deze streek, omlijst door een kring van bergen, de plek was,

die door eene congres-acte in Maart 1872 tot nationaal park van de

Vereenigde Staten verklaard was.

Dat was inderdaad een zonderlinge en belangwekkende streek. Zij

verdiende werkelijk den naam van park--een park met bergen in de

plaats van heuvelen, met meren in de plaats van vijvers, met rivieren

in de plaats van beken, met uitgestrekte bosschen tot wandelplaatsen

en labyrinthen, en eindelijk met geyzers van eene bewonderenswaardige

kracht, in de plaats van fonteinen en waterwerken.

Weinige minuten later gleed de _Albatros_ hoog bovenover de

Yellowstone-River, liet den Stevenson-berg ter rechterzijde en kwam

boven het groote meer te zweven, dat den naam van dien waterstroom

voert. Welke afwisseling in den oeverrand van dit waterbekken,

waarvan de strandvlakten met obsediaan-brokken bezaaid waren en

met kleine kristallen, welker duizenden facetten de zonnestralen

weerkaatsten! Welke grilligheid in het daarstellen der eilanden,

die aan de wateroppervlakte verschenen! Welke azuren weerschijn toch

door dien onmetelijken spiegel veroorzaakt! En rondom dat meer, een

der hoogst gelegenen van den aardbol, welke zwermen, welke wolken

van gevogelte, van pelikanen, van zwanen, van meeuwen, van ganzen,

van duikeleendjes! Sommige gedeelten der oevers, die zeer steil

uit het water oprezen, waren bedekt met groene boomen als dennen,

pijnboomen en lorkeboomen, en aan den voet van die steile hoogten

rookten ontelbare witte fumarolen. De waterdamp ontsnapte uit dien

bodem als uit een onmetelijken vergaarbak, waarin het water door

onderaardsche vuren steeds ziedend gehouden werd.

Hier ware voor den kok en hofmeester uitmuntende gelegenheid geweest,

om een grooten voorraad forellen op te doen, de eenige vischsoort, die

in ontelbare menigte in het Yellowstone-meer aangetroffen wordt. Maar

de _Albatros_ bleef steeds op zulke hoogte, dat er niet aan eene

vischvangst te denken viel, die anders wel tot de wonderbaarlijke

zoude behoord hebben.

Daarenboven het meer werd in minder dan drie kwartieruurs overschreden

en een weinig verder de streek der geyzers bereikt, die met de fraaiste

van IJsland kunnen wedijveren. Uncle Prudent en Phil Evans lagen over

het verschansingsboord gebogen en beschouwden de vloeibare kolommen,

die opstegen, alsof zij aan het luchtschip een nieuw element wilden

verschaffen. Daar was eerst "de Waaier", die zijne uitstralende

waterstralen uitspoot; "het Sterke Kasteel", dat zich als met geschut

scheen te verdedigen; "de Oude Getrouwe", met zijne waterzuilen,

die zich met regenbogen kroonden; "de Reus", die met zoo'n kracht

een loodrechten waterstraal, welke een omvang heeft van twintig voet,

loodrecht opwerpt, dat hij eene hoogte van tweehonderd voeten bereikt.

Robur kende voorzeker dat onvergelijkelijk schouwspel, hetwelk eenig

op de wereld bestaat; want hij verscheen niet op het dek. Had hij

dus alleen voor het genoegen zijner gasten het luchtschip boven

dat nationale domein gebracht? Hoe het ook zij, hij onthield zich

een bedankje te komen vragen. Hij verscheen zelfs niet bij den

stoutmoedigen overtocht van het Rotsgebergte, die tegen zeven uur in

den ochtend aanvaard werd.

Men weet, dat deze orographische schikking zich als een onmetelijke

ruggegraat uitstrekt van de lendenen af tot aan den hals van

Noord-Amerika om zich in de Mexicaansche Andes voort te zetten. Dat is

eene ontwikkeling van drie duizend vijfhonderd kilometer, waarboven

de James-piek uitsteekt, welker top eene hoogte van bijna twaalf

duizend voeten bereikt.

Voorzeker zou de _Albatros_, wanneer zij hare vleugelslagen verdubbeld

had, evenals een vogel met breeden wiekslag, de hoogste toppen

van die bergketen hebben kunnen overschrijden, om dan als het ware

met één sprong in den Staat Oregon of Utah neer te dalen. Maar die

stijging was zelfs niet noodig. Er bestaan bergpassen, die gedogen de

keten te overschrijden, zonder den kam te bestijgen. Er worden zelfs

verscheidene van die "canons", zooals die smalle bergspleten genoemd

worden, aangetroffen, waardoor de _Albatros_ glijden kon. Door de

eene, de Bridger genaamd, is de Pacific Railway aangelegd, om op het

grondgebied der Mormonen te geraken. De anderen openen zich meer noord-

of zuidwaarts.

Het was door een van deze canons, dat de _Albatros_ den doortocht

volvoerde. Zij matigde evenwel daarbij hare snelheid, om niet tegen de

rotswanden van de bergengte te stooten. De roerganger manoeuvreerde

met behendige hand het luchtschip, dat uiterst gevoelig aan het roer

gehoorzaamde, zooals hij zou gedaan hebben met een vaartuig eerste

klas bij een wedstrijd van de Royal Thames Club. Dat was werkelijk

merkwaardig. En hoeveel spijt de beide vijanden van het "zwaarder dan

de lucht" ook gevoelden, zoo stonden, zij toch verrukt van bewondering

over de volmaaktheid, waarmede dit vaartuig zich door de lucht bewoog.

Binnen den tijd van twee en een half uur was de doortocht door de

groote bergketen volbracht en hernam de _Albatros_ hare snelheid van

honderd kilometers in het uur. Het vaartuig legde toen zuidwest voor,

zoodanig dat het, terwijl het langzaam naar de aardoppervlakte daalde,

het grondgebied van den Staat Utah in schuine richting doorsneed. Het

was eindelijk zelfs zoodanig gedaald, dat het zich nog slechts op

eene hoogte van ongeveer tweehonderd meters bevond, toen eenige

fluitstooten de aandacht van Uncle Prudent en van Phil Evans trokken.

Het was een trein van den Pacific Railway, die zich naar de Groote

Zoutmeerstad richtte.

In dit oogenblik daalde de _Albatros_, die aan een geheim bevel

scheen te gehoorzamen, nog lager en wel zoo, dat zij den trein,

die met volle kracht voortstoomde, volgde. Het luchtschip werd

dadelijk opgemerkt. Vele hoofden vertoonden zich aan de ramen van de

rijtuigen. Daarop verdrong zich eene menigte reizigers op de balcons,

waarvan de Amerikaansche spoorwegrijtuigen voorzien zijn. Eenigen

hunner aarzelden niet om op de kap der rijtuigen te klimmen, ten

einde die vliegende machine des te beter te kunnen zien. Hip, hip,

hoerah! werd er oorverdoovend geschreeuwd; maar dat miste toch de

uitwerking, om Robur te voorschijn te doen treden.

De _Albatros_ remde nog meer de werking van hare opstijgingsschroeven,

waardoor zij nog meer daalde, en matigde daarbij hare vaart, om den

trein niet achter te laten. Zij zweefde daarboven als een onmetelijke

tor van het geslacht der schalebijters, die ook wel een reusachtige

roofvogel kon zijn. Het luchtschip hield nu eens rechts of links af,

schoot dan vooruit, keerde terug, alsof het den kruipenden trein

goedertieren wilde inwachten. Fier wapperde daarbij zijn zwarte vlag,

met gouden zon in het veld, in den wind, waarop de hoofdconducteur van

den trein met den standaard van de Noord-Amerikaansche Vereenigde

Staten met zijn zeven en dertig sterren bij wijze van saluut

antwoordde.

Tevergeefs wilden de gevangenen van de gelegenheid gebruik maken,

om te doen weten, wat van hen geworden was. Tevergeefs brulde de

voorzitter van Weldon-Institute, met vervaarlijke stem:

"Ik ben Uncle Prudent van Philadelphia!"

En gilde zijn secretaris Phil Evans, met akelig fausset:

"Ik ben Phil Evans, zijn collega!"

Hun geschreeuw ging te midden van de duizenden hoerahs, waarmede de

reizigers hunnen voorbijtocht begroetten, verloren.

Intusschen waren drie of vier der opvarenden van het luchtschip op het

dek verschenen. Een hunner greep een eind touw, en stak dat, zooals de

zeelieden plagenderwijs doen, wanneer zij een schip voorbijstevenen,

dat minder snel vaart dan het hunne, achteruit, alsof hij den trein

op sleeptouw wilde nemen.

De _Albatros_ hernam daarop hare vaart, en een half uur later had

zij dien sneltrein zoover achter zich gelaten, dat zijn stoompluim

ternauwernood nog te ontwaren was en die ook weldra verdween.

Tegen een uur in den namiddag verscheen eene overgroote schijf, die

de zonnestralen weerkaatste, zooals een weerscherm van spiegelglas

zoude gedaan hebben.

"Dat moet Salt-Lake-City, de hoofdstad der Mormonen zijn," zei Uncle

Prudent.

Het was inderdaad de Groote Zoutmeerstad, en die schijf, welke

daarginds schitterde, was het ronde dak van het Tabernakel, waarin

tienduizend Heiligen gemakkelijk plaats kunnen nemen. Dat dak spreidde

evenals een bolgeslepen spiegel de zonnestralen naar alle kanten uit.

Daar was de groote stad gelegen aan den voet van het Wasatch-gebergte,

hetwelk ter halver hoogte van de hellingen met ceder- en denneboomen

begroeid was. De stad strekte zich langs den Jordaan uit, zooals de

rivier genoemd wordt, waarlangs zich de wateren van het Utahmeer in

het Groote Zoutmeer uitstorten.

Onder het luchtschip ontwikkelde zich de stad evenals een dambord

en was in regelmatigen aanleg aan de meeste Amerikaansche steden

gelijk. Maar wat haar van hare zustersteden onderscheidt, is het

groote aantal vrouwen, die er verblijf houden. Dit vindt zijne reden

in de veelwijverij, die bij de Mormonen geoorloofd is.

Rondom de stad is de landstreek goed bebouwd en overdekt met een

rijkdom van vezelplanten. Overigens waren er ook vele weilanden,

waarin de kudden schapen bij duizenden konden geteld worden.

Maar ook Great-Salt-Lake-City verdween langzamerhand in den nevel

en stevende de _Albatros_ met grootere snelheid in zuidwestelijke

richting voort. Die vermeerderde snelheid was zeer merkbaar, daar

zij grooter was dan die van den heerschenden wind.

"Waarachtig," zei Phil Evans, "ik geloof...."

"Welnu, ga voort," vroeg Uncle Prudent. "Waarom aarzelt gij? Wat

gelooft gij?"

"Wel, dat wij San Francisco nog vóór het invallen van den nacht

zullen zien!"

"Welnu, wat zou dat?" antwoordde de voorzitter van Weldon-Institute

onverschillig.

Het was ongeveer zes uur des avonds, toen de Sierra Nevada, door den

bergpas Truckie, waardoor ook de spoorbaan aangelegd is, overschreden

werd. Er bleven toen nog maar driehonderd kilometer af te leggen om,

zoo niet San Francisco, dan toch Sacramento, de hoofdplaats van den

Staat Californië, te bereiken.

De snelheid, die de _Albatros_ toen ontwikkelde, was zoo groot,

dat het koepeldak van het Kapitool vóór acht uur bij den westelijken

gezichteinder verscheen, om niet lang daarna aan den oostelijken weer

te verdwijnen.

In dit oogenblik verscheen Robur op het dek. De beide leden van

Weldon-Institute traden op hem toe.

"Ingenieur Robur," sprak Uncle Prudent, "wij zijn nu bij de uiterste

grenzen van West-Amerika aangekomen. Ik hoop, dat dit gekscheren nu

een einde zal nemen."

"Ik gekscheer nimmer, heeren," antwoordde Robur.

Hij gaf een teeken. De _Albatros_ stevende in allerijl naar den grond;

maar terzelfder tijd ontwikkelde zij zulk eene snelheid, dat het op

het dek niet was om uit te houden en iedereen eene toevlucht in de

roeven moest nemen.

Nauwelijks was de deur achter de beide gevangenen gesloten:

"Als het nog wat geduurd had, zou ik hem geworgd hebben," zei Uncle

Prudent.

"Dat zou niet voorzichtig handelen zijn."

"Toch had ik het gedaan."

"Wij moeten trachten te vluchten," zei Phil Evans.

"Ja, vluchten!.... Het koste, wat het wil!"

Een diep geluid drong toen tot hen door.

Het was de zee, die op de rotsen van de kuststrook brak.

Dat was de Groote Stille Zuidzee! De koers was toen Noordwest.

IX.

WAARIN DE ALBATROS ONGEVEER TIENDUIZEND KILOMETER AFLEGT EN DEN TOCHT

MET EEN WONDERBAARLIJKEN SPRONG EINDIGT.

Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans waren dus vast besloten

om te vluchten.

Wanneer er geen gevaar bestaan had, met de acht zeer stevige kerels,

die de bemanning van het luchtschip uitmaakten, te doen te krijgen,

dan zouden zij voorzeker hun toevlucht tot geweld genomen hebben. Een

moedig doortasten zou hen dan voor een oogenblik meester van het

luchtschip gemaakt hebben; zij konden dan op het een of andere punt

der Vereenigde Staten nederdalen. Maar.... met hun tweeën,--want

Frycollin zou in zoo'n geval slechts als eene te veronachtzamen waarde

te rekenen zijn--kon aan zoo'n ondernemen niet gedacht worden. Daar

dus geweld niet gebezigd kon worden, zou list wellicht kunnen baten,

namelijk wanneer de _Albatros_ naar de aardoppervlakte afsteeg en ten

anker kwam. Phil Evans poogde dit aan zijn kitteloorigen lotgenoot

te doen begrijpen, van wien hij steeds vreesde, dat hij het een of

ander zou ten uitvoer brengen, dat den toestand verergeren kon.

In allen geval was thans het oogenblik van handelen niet gekomen.

Het luchtschip stevende thans met volle snelheid boven den Noordelijken

Stillen Oceaan. Den volgenden ochtend--16en Juni--ontwaarde men niets

meer van de kust. En daar de Amerikaansche kuststrook inbuigt van

het eiland Van Couver af tot aan de groep der Aleutische eilanden,

of beter tot aan de landstreek, die vroeger tot Amerikaansch Rusland

behoorde, maar in 1867 door dat rijk aan de Vereenigde Staten werd

afgestaan, zou de _Albatros_, wanneer haar koers niet gewijzigd werd,

die kuststrook waarschijnlijk bij hare uiterste ombuiging snijden.

Wat schenen de nachten lang te zijn voor de beide gevangenen. Zij

haastten zich dan ook steeds, om hunne hut te verlaten. Toen zij dien

morgen op het dek kwamen, was evenwel de dageraad reeds sedert eenige

uren aan de oosterkim verschenen. Men naderde den zomerzonnestilstand,

den langsten dag in het noordelijk halfrond, en onder den zestigsten

breedtegraad, waaronder de _Albatros_ zich bevond, werd het bijna

geen nacht.

De ingenieur Robur haastte zich niet, volgens gewoonte, of wel met

een zeker doel, om zijne hut te verlaten. Toen hij dien dag evenwel

op dek kwam, vergenoegde hij zich zijne beide gasten te groeten,

terwijl hij hen op het achterschip voorbijstapte.

Frycollin, met roode oogen veroorzaakt door de slapelooze nachten,

welke hij doorgebracht had, met dommen blik en wankelenden gang,

was er toe overgegaan, om zich buiten zijne hut te wagen. Hij liep

als een man, die voelde dat het terrein onder zijne voeten niet

stevig was. Zijn eerste blik was gericht op het opstuwingstoestel,

dat met eene regelmatigheid werkte, welke gerustheid inboezemde,

vooral omdat de vliegwielen niet te snel ronddraaiden.

Daarna ging de neger steeds met wankelenden tred naar de verschansing,

greep het boord daarvan, om zijn evenwicht te herstellen. Blijkbaar

wenschte hij een kijkje te werpen op de streek, waarboven de _Albatros_

ter hoogte van ternauwernood tweehonderd meter zweefde.

Frycollin had veel moed moeten ontwikkelen om zoo'n poging te

durven ondernemen. Ja, van hem werd daartoe eene zekere mate van

stoutmoedigheid gevorderd. Eerst had de neger, bij de verschansing

aangekomen, zijn lichaam achterover gebogen, daarna schudde hij

haar, om hare stevigheid te beproeven. Toen richtte hij zich op,

boog het lichaam voorover en bracht het hoofd buiten boord. Het zal

wel onnoodig zijn daarbij te vertellen, dat hij bij al die bewegingen

de oogen gesloten hield. Eindelijk opende hij ze.

Welk een gil stiet hij uit! En hoe stoof hij achteruit! En hoe trok

hij het hoofd tusschen de schouders terug!

Daar onder, op den bodem van den afgrond, had hij den onmetelijken

Oceaan bespeurd. Wanneer zijn haren niet gekroesd geweest waren,

dan zouden zij rechtop op zijn hoofd verrezen zijn.

"De zee!... De zee!..." riep hij uit.

En Frycollin zou op het dek neergestort zijn, wanneer de kok hem niet

in zijne armen had opgevangen.

Die kok was een Franschman, misschien wel een Gasconjer, hoewel hij

François Tapage heette, hetwelk in goed Hollandsch door Franciscus

de Levenmaker kan vertaald worden. Maar al was hij geen Gasconjer,

zoo had hij toch in zijne jeugd de briesjes, die over de Garonne

waaien, moeten inademen. Hoe kwam die François Tapage in dienst van

den ingenieur Robur? Door welke opeenvolging van toevallen was hij

onder de equipage van de _Albatros_ geraakt? Dat wist niemand. In

ieder geval sprak die oolijkerd de Engelsche taal als een Yankee.

"Nou, rechtop! zeg ik je!" riep hij, terwijl hij den neger met zijn

knie een duw in de lendenen gaf.

"Master Tapage!...." riep de arme drommel, terwijl hij wanhopige

blikken op de schroeven wierp.

"Wat is er, Frycollin?"

"Gaat dat wel eens kapot?"

"Neen, maar het zal toch eindigen moeten, met kapot te gaan."

"Waarom?...."

"Omdat alles op dit ondermaansche vroeg of laat kapot moet gaan."

"En de zee, die daar onder ons is!...."

"Welnu, als het kapot gaat, dan is het beter in zee te vallen."

"Ja, maar daar verdrinkt men in!...."

"Dat is zoo, maar . be . ter . te . ver . drin . ken, dan . te . plet

. ter . te . val. len," antwoordde François, die iedere lettergreep

afzonderlijk uitsprak, alsof hij een hexameter scandeerde.

Een oogenblik later was Frycollin, kruipende als een slang, in zijn

hut teruggekomen.

Den dag van den 16den Juni had het luchtschip slechts eene matige

snelheid ontwikkeld. Het scheen over de oppervlakte van die zoo

kalme zee, die als met zonlicht doortrokken was, en waarboven het

zich nauwelijks honderd voeten verhief, te scheren.

Uncle Prudent en zijn lotgenoot waren op hunne beurt in hunne roef

gebleven, om Robur niet te ontmoeten, die, hetzij alleen, hetzij

in gezelschap van zijn eersten officier Tom Turner, met een sigaar

in den mond, het dek op en neer wandelde. Slechts de helft der

opstuwingsschroeven was in beweging en die waren voldoende om het

luchtgevaarte in de lagere luchtlagen zwevende te houden.

Onder die omstandigheden zouden de opvarenden van de _Albatros_ zich

aan het vermaak der vischvangst hebben kunnen overgeven, waardoor zij

eenige afwisseling in hun gewonen scheepskost hadden kunnen brengen,

wanneer de wateren van den Stillen Oceaan namelijk vischrijk geweest

waren. Maar aan zijne oppervlakte werden slechts eenige walvisschen

bespeurd, van die soort met gelen buik, welke eene lengte van vijf en

twintig meters bereiken. Dat zijn de vreeselijkste cetaceën, die in

de Noordelijke zeeën aangetroffen worden. De ervaren walvischvaarders

wachten zich wel die soort aan te vallen, want zij weten dat hunne

kracht buitengewoon groot is. Evenwel zou zulk eene vischvangst, hetzij

met den gewonen harpoen, hetzij met den Fichter-vuurpijl, hetzij met

den speerboom, van welke vischtuigen men een voorraad aan boord van

de _Albatros_ had, zonder gevaar kunnen geschieden. Waarschijnlijk om

aan de beide leden van Weldon-Institute te doen zien, waartoe zijn

luchtschip in staat was, besloot Robur op een dier monsterachtige

walvisschen jacht te maken.

Toen de kreet: "een walvisch!" weerklonk, kwamen Uncle Prudent en

Phil Evans hunne hut uit. Wellicht was een walvischvaarder in het

gezicht.... In dat geval waren zij in staat, om aan hunnen vliegenden

kerker te ontsnappen, zich in zee te storten, waarbij zij op de kans

rekenden, door eene sloep opgevischt te worden. Het geheele personeel

der _Albatros_ stond reeds op het dek gereed en wachtte.

"Wij gaan er dus op los, master Robur?" vroeg Tom Turner.

"Ja, Tom," antwoordde de ingenieur.

In de machinekamer stonden de machinist en zijne beide helpers op

hun post, gereed om de bewegingen uit te voeren, die hen met gebaren

zouden gegeven worden. Er was geen enkel schip in het gezicht,--daarvan

konden de gevangenen zich overtuigen,--ook geen land, waarheen zij

zouden kunnen zwemmen, altijd in de veronderstelling, dat Robur geene

pogingen zou aanwenden om hen weer op te vatten.

Robur de Veroveraar · 第 8 / 20 段