boomen, welker boventakken nog slechts door het zwakke maanlicht
beschenen werden. Op de grens van die boomgroep was eene uitgestrekte
vlakte, die een ovalen vorm had en een prachtige gelegenheid aanbood
voor een wedstrijd van velocipedisten of van cricketspelers of voor
een wedloop van renpaarden. Geen enkele terreinplooi zou menschen of
paarden den minsten hinderpaal in den weg gelegd hebben. Geen enkele
boom of struik zou den blik der toeschouwers over een oppervlakte
van verscheidene mijlen begrensd hebben.
En toch, wanneer de aandacht van Uncle Prudent en van Phil Evans
niet zoo door hun twisten in beslag genomen was, wanneer zij met
eenige aandacht rond gekeken hadden, dan zou het hun niet ontgaan
zijn, dat die vlakte haar gewoon uiterlijk niet meer had. Het was
alsof daar inderdaad een gevaarte stond, waarboven schroefvormige
windschepraderen, die evenwel thans stilstonden, in het halfduister
scherp tegen de lucht afstaken.
Maar noch de voorzitter, noch de secretaris van Weldon-Institute
merkte die vreemdsoortige verandering in het uiterlijk voorkomen dat
het landschap van Fairmont-Park ondergaan had, op. Frycollin zag
er ook niets van. Hij had alleen oog en ooren voor de gedaanten,
die hij meende opgemerkt te hebben. Het scheen hem toe, dat die
geheimzinnige wezens naderden, dat zij hun kring nauwer toesloten,
alsof zij een misdadigen aanslag op het oog hadden. Hij kreeg bijna
stuipen van angst; zijne ledematen waren schier verstijfd, terwijl
zijne haren op zijn hoofd rechtop rezen. In één woord, de schrik was
bij hem ten top gestegen.
Toch had hij, terwijl zijne knieën knikten, de geestkracht nog om
met bezwijmende stem te roepen:
"Master Uncle!.... Master Uncle!"
Hij verkreeg evenwel geen gehoor. Uncle Prudent en Phil Evans twistten
maar voort.
"Master Uncle!.... Master Uncle!...." kreet de rampzalige Frycollin
voor de laatste maal.
"Maar, voor den duivel! wat is er dan toch?" vroeg Uncle Prudent ten
hoogste ongeduldig.
Wellicht zoude hij en ook Phil Evans niet rouwig geweest zijn, hun
toorn jegens elkander op de schouders van den rampzaligen Frycollin te
ontlasten. Handen en vuisten waren reeds opgeheven. Het zou klappen
en vuistslagen regenen. Gelukkig evenwel, dat er geen tijd was,
voor de eene partij om die klappen uit te deelen, voor de andere om
ze te ontvangen.
Een stoot, door een scherp fluitje teweeggebracht, werd in het bosch
vernomen. En, alsof dat een sein ware, verscheen te midden van het
open gedeelte van het park eene soort van electrische ster.
Wat dat te beduiden had? Onze beide nachtelijke wandelaars konden
dat zelfs niet gissen. Instinctmatig evenwel begrepen zij dat dit
gefluit en die verlichting het sein waren tot het plegen van de een
of andere gewelddaad.
In minder tijd dan noodig was om den toestand te overzien, ja
bliksemsnel, sprongen zes mannen uit het bosch, waarvan twee zich
op Uncle Prudent wierpen, twee op Phil Evans en twee op den knecht
Frycollin. Blijkbaar waren die twee laatste te veel; want de neger
was buiten staat zich te verdedigen.
Hoewel de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute bij dien
aanval geheel onvoorbereid overvallen waren, zoo poogden zij toch ten
krachtigste weerstand te bieden. Zij hadden er echter noch den tijd,
noch de kracht toe.
In minder tijd dan noodig is om dien overval te verhalen, was hun een
prop in den mond gestoken, die hun belette om hulp te schreeuwen,
had men hen de oogen geblinddoekt, en waren zij stevig gekneveld,
zoodat zij onmogelijk zich verder verzetten konden. Toen zij zoo
onschadelijk gemaakt waren, droeg men hen zoo snel mogelijk naar het
open gedeelte van het park.
Wat viel er bij zoo'n overval anders te denken, dan dat zij met
lieden te doen hadden, wier geweten zoo ruim en zoo rekbaar was,
dat zij er niets misdadigs in zagen de lieden, die zich bij hunne
wandelingen in het bosch waagden, uit te kleeden en te berooven.
Eigenaardig evenwel, men raakte niet aan hunne zakken, men betastte
hen zelfs niet, hoewel Uncle Prudent, volgens zijne gewoonte, een
duizend dollars in banknoten bij zich had.
Om kort te gaan, een minuut na de volbrenging van dien overval,
waarbij geen woord tusschen de aanvallers gewisseld was geworden,
voelden Uncle Prudent, Phil Evans en Frycollin dat men hen neerlegde,
niet op de graszoden van het park, maar op een soort planken vloer,
die eenigermate onder hun gewicht kraakte. Daar werden zij netjes naast
elkander uitgestrekt. Zij hoorden eene deur achter zich dichtslaan,
terwijl het schuiven van een grendelbout in het daarvoor bestemde
ijzeren oog, hen vrij duidelijk aankondigde, dat zij gevangen waren.
Toen vernamen zij een soort van onafgebroken geritsel, dat wel met
eene trilling kon vergeleken worden. Het was een eindelooze toon
of beter een gevoel van frrrr of trrrr, dat hun geheele lichaam
doortrilde, zonder dat eenig ander geluid in dien zoo kalmen nacht
waarneembaar was.
Welke schrik heerschte er den volgenden ochtend in Philadelphia! Dat
laat zich begrijpen.
Al zeer vroeg wist iedereen reeds, wat des avonds te voren in de
vergaderíng van de leden van Weldon-Institute voorgevallen was. Men
had vernomen,--hoe en door wien, dat kon niemand verklaren,--dat een
geheimzinnig persoon, een zekere werktuigkundige, Robur genaamd,--Robur
de Veroveraar!--verschenen was en dat hij een wedstrijd had willen
aangaan met de ballonisten; maar dat hij toen op eene onverklaarbare
wijze verdwenen was, zonder dat men er in had kunnen slagen, hem weer
op te sporen. Dat alles had de bevolking ten zeerste verwonderd.
Maar de verwondering sloeg tot schrik over, toen de geheele stad
vernam, dat de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute
ook gedurende den nacht van den 13den Juni geheimzinnig verdwenen
waren. Dat was inderdaad eene ontzettende gebeurtenis.
Het zou onmogelijk zijn, al de nasporingen mede te deelen, die
zoowel in de stad zelve als in de omstreken gedaan werden. Zij
waren evenwel totaal vruchteloos. De dagbladen van Philadelphia,
daarna die van Pennsylvanië, en eindelijk die van geheel Amerika,
namen die raadselachtige verdwijning onder hunne berichten op en
wijdden geheele kolommen aan de bespreking daarvan, waarbij zij de
toedracht op honderderlei verschillende wijzen verhaalden, zonder de
waarheid ook maar nabij te komen.
Door middel van advertentiën en van aanplakbiljetten werden belangrijke
sommen uitgeloofd, niet alleen aan hem, die de vermisten terugvond,
maar ook aan een ieder, die de een of andere degelijke aanwijzing
kon doen, geschikt om hen op het spoor te komen.
Niets evenwel hielp. Niets! Niets!
Als de bodem opengescheurd ware, om den voorzitter en den secretaris
van Weldon-Institute te verzwelgen, dan zouden zij niet spoorloozer
van de oppervlakte der aarde verdwenen kunnen zijn.
De dagbladen van de gouvernementspartij drongen er op aan, dat
aan het personeel der politie op ruime schaal uitbreiding gegeven
werd. Zij wezen ernstig op de noodzakelijkheid van dien maatregel,
daar dergelijke aanslagen op een paar van de beste burgers van de
Vereenigde Staten van Noord-Amerika volvoerd konden worden. En daarin
moest iedereen hun gelijk geven, niet waar?
Het is waar, dat de oppositiebladen de ontbinding der politiemacht
eischten. Zij beweerden, dat die macht geheel nutteloos was, daar
zulke aanslagen ongehinderd volvoerd konden worden, zonder dat de
euveldaders gesnapt of ook maar bekend waren geworden.--En daarin
moest iedereen ook dezen gelijk geven, niet waar?
De uitslag van dat twistgeschrijf was, dat de politie bleef hetgeen
zij was en hetgeen zij steeds zijn zal op onze aarde, die, in weerwil
dat zij niet volmaakt is en ook niet zijn kan, de beste aller werelden
genoemd moet worden.
V.
WAARIN EEN SCHORSING VAN VIJANDELIJKHEDEN TUSSCHEN DEN VOORZITTER
EN DEN SECRETARIS VAN WELDON-INSTITUTE INGEWILLIGD WORDT.
Het was een rare toestand, waarin Uncle Prudent, Phil Evans en de
knecht Frycollin zich bevonden.
Zij hadden een band voor de oogen, en een prop in den mond. Vandaar
dus eene totale onmogelijkheid, om te kunnen zien, om te kunnen hooren.
Hunne handen en voeten waren met stevige touwen gebonden. Vandaar
dus eene totale onmogelijkheid, om van de plaats te kunnen komen of
zichzelven te kunnen bevrijden.
Dat alles was niet geschikt om den toestand van ons drietal prettig
of zelfs maar dragelijk te maken.
Daarenboven niet te weten, welke de uitvoerders van zoo'n oplichting
waren; onbekend te zijn met de plaats, waarin zij gesmeten waren,
alsof het ijlgoed in een goederenwagen van een sneltrein ware; geen
denkbeeld te hebben noch van de plek op Gods lieve aarde, waar zij
zich bevonden, noch van het lot, hetwelk hen beschoren kon zijn;
dat alles was wel geschikt om zelfs wezens, tot het schapengeslacht
behoorende, buiten hun humeur te brengen. En de lezers weten dat de
leden van Weldon-Institute, wat het geduld betreft, nu niet precies
voor schapen konden doorgaan.
Als men de heftigheid van karakter van Uncle Prudent in aanmerking
neemt, dan valt licht te beseffen, wat er in diens ziel moest omgaan.
Maar wat er ook van aan zij, zooveel is zeker, dat hij en Phil Evans
tot de overtuiging kwamen dat het moeielijk zou zijn, om den volgenden
avond op de vergadering van de club tegenwoordig te zijn.
Wat Frycollin betrof, die lag daar met gesloten oogen en met gesloten
mond. Het was hem onmogelijk zijne bovendien reeds zoo schrale
gedachten op iets te vestigen. Hij was eer dood dan levend.
De toestand der gevangenen onderging gedurende het eerste uur van
hunne inhechtenisneming geene wijziging. Niemand kwam hen opzoeken
en niemand kwam hun het gebruik van hunne armen, oogen en mond
weergeven. Toch snakten zij daar zeer naar.
Alles, waartoe zij zich bepalen konden, was het slaken van zuchten,
het kreunen van een erbarmelijk "helaas!" voor zooveel de prop in hun
mond zulks toeliet, of het volvoeren van sprongen, niet ongelijk aan
jammerlijke karpers, die op het droge liggen te gapen. De lezer zal
begrijpen, hoeveel innerlijke, of beter: gebonden toorn en woede daar
opgevreten werd. Eindelijk, na eene reeks van vruchtelooze pogingen,
om zich te bevrijden, bleven zij als machteloos liggen. Maar toen
poogden zij, daar het zintuig van het gezicht hun ontnomen was,
door het gehoor te vernemen of te raden, in welken onrustbarenden
toestand zij zich bevonden. Ook dat was geheel en al vergeefs, want
zij vernamen geen ander geluid dan het eindeloos en onverklaarbaar
"frrr", dat hen als met een trillenden dampkring omgaf.
Evenwel gebeurde het, dat de secretaris Phil Evans, die niet zoo heet
gebakerd was als Uncle Prudent, en derhalve met meer kalmte te werk
ging, er in slaagde het koord, dat zijn polsgewrichten samenbond,
los te maken. Eindelijk knelde de knoop niet meer zoo sterk, zijne
vingers gleden over elkander en weldra had hij het gebruik zijner
handen herkregen.
Hij wreef zich de gewrichten met kracht, ten einde den bloedsomloop
te herstellen, die door dat binden gestremd geweest was. Een
oogenblik later had de secretaris Phil Evans den band afgerukt,
die hem blinddoekte, den prop uitgehaald, die hem den mond snoerde,
en met behulp van het scherpe lemmet van zijn bowie-knife de touwen
doorgesneden, die hem handen en voeten gekneveld hadden. Een echte
Amerikaan verlaat zijne woning niet, zonder zijn bowie-knife op zak;
zonder dit zou hij geen Amerikaan genoemd kunnen worden.
Maar al kon de secretaris Phil Evans zich nu ook bewegen en spreken,
dan was dat toch alles, wat hij met zijne pogingen verworven had. Van
zijne oogen kon hij in dit oogenblik ten minste geen nuttig gebruik
maken; want het was pikdonker in de cel of het hok, waarin zij zich
bevonden. Toch sijpelde als het ware een zwakke lichtstraal door een
soort schietgat, hetwelk in den wand op eene hoogte van ongeveer zes
of zeven voet boven hen aangebracht was.
In weerwil van den plaats gehad hebbenden twist, aarzelde de
secretaris Phil Evans geen enkel oogenblik, om zijn mededinger te
verlossen. Eenige bewegingen met zijn bowie-knife waren voldoende, om
de touwen door te snijden, die de handen en voeten van Uncle Prudent
knevelden. Onze voorzitter richtte zich, half razend van woede, op
de knieën overeind en rukte den doek van zijne oogen en den prop uit
zijn mond.
Daarop zei hij met eene stem, alsof hij op het punt was van te stikken:
"Dankje!"
"Neen, dat niet."
"Wat niet?"
"Je behoeft mij niet te bedanken."
"Phil Evans?...."
"Uncle Prudent?...."
"Hier bestaat geen voorzitter meer van Weldon-Institute!"
"En geen secretaris meer van de club!"
"Dus geen mededingers meer!"
"Juist gezien!"
"Gij hebt gelijk." ging Phil Evans voort.
"Ik heb altijd gelijk!" bevestigde Uncle Prudent.
"Er zijn hier slechts twee mannen aanwezig, die zich wreken willen
en wreken zullen...."
"Op wien?"
"Op een derde, wiens aanslag weergaloos te noemen is!"
"Ja, weergaloos en die de strengste weerwraak eischt."
"En die derde is?...."
"Dat is Robur!...."
"Ja, dat is Robur!...."
Dat was dus een punt, waaromtrent de gewezen mededingers het eens
waren. Hierover was geen twist te vreezen.
"En uw knecht," merkte de secretaris op, terwijl hij op den neger
Frycollin wees, die als een bruinvisch blies, "moeten wij hem ook
losmaken?"
"Nog niet," antwoordde Uncle Prudent.
"Waarom nog niet?" vroeg Phil Evans.
"Omdat de kerel ons meer dan half dol zou maken met zijne
klaagliederen."
"Dat's juist."
"En wij hebben wel wat anders te doen, dan naar klaagliederen te
luisteren."
"Wat dan, Uncle Prudent?"
"Vraagt gij dat nog, Phil Evans?"
"Het schijnt zoo."
"Wel, wij moeten er aan denken, om te ontvluchten, als het mogelijk
is."
"Dat's waar ook! En wij moeten ontvluchten, zelfs wanneer het
onmogelijk is!"
"Gij hebt gelijk, Phil Evans. Zelfs wanneer het onmogelijk is!"
Overigens twijfelden zij er geen oogenblik aan, dat die oplichting van
hunne personen door dien vreemdsoortigen kerel, die zich Robur noemde,
gepleegd was. Iets anders kwam hun niet in het brein op, kon er ook
niet in opkomen. Eenvoudige en eerlijke dieven zouden hen van hunne
uurwerken, hunne juweelen, hunne portefeuilles en hunne porte-monnaies
ontlast en hunne lijken, na een flinken dolksteek in de keel, in de
diepte van de Schuylkill-rivier geworpen hebben, in stede van hen
zonder poging tot stelen levend op te sluiten in.... Ja, waarin?....
Dat was inderdaad een belangrijk vraagstuk, dat noodzakelijk opgelost
moest worden.
Ja, waarin zaten zij opgesloten? Dat moesten zij weten, alvorens
zij eene poging tot ontsnapping, met eenige hoop op welslagen,
konden ondernemen.
"Phil Evans," hernam Uncle Prudent, "in stede van bij het verlaten der
vergadering zulke zoete bitterheden of bittere zoetigheden te wisselen,
zooals wij gedaan hebben en waarop dus niet meer teruggekomen kan
worden, hadden wij beter gedaan van minder vertoornd te zijn en beter
rondom ons te kijken...."
"Dat's waar, Uncle Prudent, zeer waar!" antwoordde de secretaris
Phil Evans.
"Wanneer wij in de straten van Philadelphia gebleven waren," ging de
voorzitter voort, "dan zou van dat alles niets gebeurd zijn. Dunkt
u dat ook niet!"
"Zeer waar," herhaalde de secretaris Phil Evans, "zeer waar, Uncle
Prudent!"
"Klaarblijkelijk heeft die Robur met veel snuggerheid gegist, wat er
in de club gebeuren zou. Hij heeft voorzien, tot welken toorn en welke
woede zijne tartende houding en gesprekken aanleiding zouden geven...."
"Zeer waar, Uncle Prudent, zeer waar!"
"Waarschijnlijk stonden eenige zijner bandieten bij de deur op post,
om hem, als de nood aan den man kwam, te hulp te schieten. Zoo dunkt
mij ten minste...."
"Mij ook," betuigde Phil Evans goedkeurend knikkend.
"Toen wij de Walnutstreet verlieten, hebben die bandieten ons gevolgd
en bespied...."
"Zeer waar, Uncle Prudent, zeer waar!"
"En toen zij zagen, dat wij zoo onvoorzichtig de donkere lanen
insloegen van het eenzame Fairmont-Park, toen was de zaak klaar en
de volvoering van den aanslag gemakkelijk gemaakt."
"Waar, zeer waar, Uncle Prudent," herhaalde de secretaris Phil
Evans. "Ja, wij hebben zeker groot ongelijk gehad, dat wij na de
zitting niet dadelijk naar huis zijn gegaan. Groot ongelijk!"
"Men heeft altijd ongelijk, wanneer men geen gelijk heeft," betuigde
Uncle Prudent heel snedig.
"Inderdaad!" beaamde de secretaris.
In dit oogenblik weerklonk een lange zucht in het donkerste gedeelte
van de cel, waarin zij opgesloten waren.
"Wat is dat?" vroeg Phil Evans.
"Wat?"
"Hoordet gij dien zucht niet?"
"Och loop.... dat's Frycollin, die droomt."
"Meent ge?"
"Ik ben er zeker van," antwoordde Uncle Prudent.
Daarna hernam hij:
"Tusschen het oogenblik, waarin wij op weinige passen van de open
plek in het park gegrepen zijn geworden, en dat, waarin wij in dit
hok gesmeten zijn, zijn hoogstens twee minuten verloopen...."
"Ja, hoogstens!" beaamde Phil Evans.
"Het is dan buiten kijf, dat die lieden ons niet buiten het
Fairmont-Park gebracht hebben. Zijt gij dat niet met mij eens,
Phil Evans?"
"Voorzeker, Uncle Prudent; want volgens mij, wanneer zij ons buiten
het Park gebracht hadden; dan zouden wij de beweging van het vervoer
moeten ontwaard hebben."
"Zeer juist!" antwoordde Uncle Prudent. "Het is dus aan geen twijfel
onderhevig, dat wij in een compartiment van een voertuig opgesloten
zitten; misschien wel in een van die lange karren, in de Prairiën in
gebruik, of in een wagen van heidenen of kermispotsenmakers."
"Dat gevoelen deel ik geheel en al," zei Phil Evans. "Wanneer wij toch
aan boord van een vaartuig gebracht waren, dat aan een der oevers van
de Schuylkill-rivier vastgemeerd gelegen had, zouden wij dat door de
schommelingen van de schuit bemerkt hebben bij het aan boord brengen,
ook door die, veroorzaakt door den snellen stroom der rivier."
"Juist, steeds zeer juist!" herhaalde Uncle Prudent. "Daaruit
maak ik twee stellingen op. De eerste is, dat wij de open plek van
Fairmont-Park nog niet verlaten hebben. En de tweede daaruit afgeleide
is, dat het nu of nooit het oogenblik is om te vluchten."
"En Robur dan?"
"O, die zullen wij later wel terugvinden! Wees gerust. Dat neem ik
op mij!"
"Ja, hem weervinden, om hem betaald te zetten...."
"Dubbel betaald te zetten, Phil Evans. Gij weet het heilig woord:
Die zaait zal dubbel maaien!"
"Om hem duur betaald te zetten dien aanslag, dien hij zich op de
vrijheid van twee burgers van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika
veroorloofd heeft!"
"Juist.... duur.... zeer duur betaald zetten!"
"Maar,.... wie is die man?"
"Dat weet ik niet, Uncle Prudent."
"Vanwaar komt hij?"
"Dat weet ik ook niet."
"Is het een Engelschman, een Duitscher, een Franschman, een...."
"Dat weet ik evenmin," viel Phil Evans den voorzitter in de rede. "Maar
wat ik weet...."
"Welnu, wat weet gij?"
"Dat het een ellendeling is! En dat is genoeg, dunkt mij."
"Mij ook."
"En nu aan het werk!"
"Aan het werk!"
Beiden staken nu de handen met uit elkander gespreide vingers voor
zich uit en betastten de omwanding van het hok, waarin zij opgesloten
waren, om een naad of een voeg te ontdekken. Maar niets, niets. Ook
niet bij de deur. Die sloot volkomen hermetisch en het zou onmogelijk
geacht moeten worden het slot te doen springen. Zij moesten dus een
gat maken om daardoor te ontsnappen.
Het was nu evenwel zaak om te onderzoeken, of hunne bowie-knifes die
omwanding zouden kunnen aantasten, of de lemmeten bij dat werk niet
geschaard zouden worden of wel zouden breken.
"Maar waar vandaan zou die trilling toch komen, die geen oogenblik
ophoudt?" vroeg Phil Evans, die verbaasd was over dat onafgebroken
"frrr, frrr".
"Dat is ongetwijfeld de wind," antwoordde Uncle Prudent.
"De wind?.... Maar ik dacht, dat tot middernacht volkomen stilte in
de atmosfeer geheerscht had?"
"Volkomen juist, Phil Evans; maar als het de wind niet is, wat zou
het volgens u dan kunnen zijn?"
Phil Evans antwoordde niet, maar opende het beste lemmet van zijn
bowie-knife en poogde de omwanding in de nabijheid van de deur aan
te tasten. Misschien was het voldoende een klein gat te maken, om
de deur te kunnen openen, wanneer die door een eenvoudigen grendel
gesloten was, of dat men aan de buitenzijde den sleutel in het slot
had laten steken.
Na eenige minuten hard gearbeid te hebben, had de secretaris van
Weldon-Institute geen ander resultaat verkregen, dan dat al de lemmeten
van zijn bowie-knife zoodanig geschaard waren, dat zij veel geleken
op eene duizendtandige zaag, en dat de punten er van gebroken waren.
"Slaagt gij?" vroeg Uncle Prudent.
"Neen!"
"Zou de omwanding van deze cel ook van plaatijzer vervaardigd kunnen
zijn?"
"Neen, Uncle Prudent. Wanneer men op die omwanding klopt, dan geeft
zij geen metaalklank."
"Dan is zij van ijzerhout vervaardigd misschien?"
"Ook niet. Zij is noch van ijzer noch van hout."
"Maar waaruit bestaat zij dan?"
"Dat kan ik niet zeggen. Maar in elk geval uit eene stof of substantie,
waarop het scherpste staal geen vat heeft."
Uncle Prudent kreeg een aanval van hevige woede. Hij vloekte en stampte
met den voet op den holklinkenden vloer, terwijl hij met beide handen
het gebaar maakte, alsof hij een denkbeeldigen Robur worgde.
"Kalmte, Uncle Prudent!" vermaande de secretaris Phil Evans. "Kalmte
en probeer gij op uwe beurt ook eens."
Uncle Prudent ging aan den gang; maar zijn bowie-knife kon de omwanding
evenmin ergens aanraken. Het lukte hem zelfs niet met zijn beste
lemmet een kras er op te maken. Het was waarlijk, alsof die omwanding
van bergkristal was.
Dus iedere vlucht werd daardoor onmogelijk, hierbij van de
veronderstelling uitgaande, dat zij uitvoerbaar ware, wanneer zij er in
geslaagd waren de deur te openen, of een gat in de omwanding te maken.
Zij moesten zich, althans voor het oogenblik, aan hun noodlot
onderwerpen, hetgeen met hunne Yankee-geaardheid volstrekt niet
overeenkwam. Zij moesten alles aan het toeval overlaten, iets wat
iederen practischen man tegen de borst stuit. Maar die onderwerping,
die gelatenheid geschiedde niet zonder pruttelen, zonder groote
woorden, zonder heftige uitingen, aan het adres van dien Robur
gericht, die de man er niet naar was, om zich daarvan veel aan te
trekken, wanneer hij althans in het gewone dagelijksche leven dezelfde
geaardheid aan den dag legde, waarvan hij te midden van de vergaderde
leden van Weldon-Institute had doen blijken.
Frycollin begon intusschen zulke teekenen van onpasselijkheid te
geven, dat omtrent hare beteekenis geen twijfel bestond. Hij boog en
krimpte zoo pijnlijk mogelijk, alsof hij aan maagkrampen of wel aan
zenuwtrekkingen in alle lichaamsdeelen leed.
Uncle Prudent meende, dat het tijd was, om aan die acrobatische
bewegingen een einde te maken; althans hij sneed de touwen door,
die de handen en voeten van den neger knevelden.
Wie weet, of hij er geen berouw over gevoelen zou? Want al dadelijk
barstte eene eindelooze reeks van klaagliederen los, waarbij kreten
van pijn zich afwisselden met gekerm van honger.
Frycollin was niet alleen in het brein, maar ook in de maag
aangetast. Het zou zeer moeielijk geweest zijn, uit te maken, aan
welke dier beide lichaamsdeelen het akelige gevoel moest toegeschreven
worden, hetwelk de arme neger beving.
"Frycollin!" riep Uncle Prudent.
"Master Uncle!... Master Uncle!..." antwoordde de bediende tusschen
twee akelige jammerkreten.
"Het is mogelijk, dat wij veroordeeld zijn, om in deze gevangenis
van honger te sterven..."
De neger rilde van angst over zijn geheele lichaam, van het hoofd
tot de voeten.
"Maar," ging Uncle Prudent met indrukwekkende stem voort, "wij zijn
vast besloten, om tot het uiterste vol te houden en om niet het
onderspit te delven, dan wanneer wij alle aanwezige voedingsmiddelen
zullen verorberd hebben, die geschikt zullen bevonden worden, om ons
bestaan te rekken..."
"Gij wilt mij opeten?" riep Frycollin ten uiterste ontsteld en
handenwringend uit.
"Zooals men steeds met een neger in dergelijke omstandigheden
doet!...."
"Master Uncle!... Master Uncle!"
"Zorg er dan voor, dat wij je vergeten, dat wij je niet gewaar worden,
Frycollin!"
"Anders zullen wij je fricasseeren!" voegde de secretaris Phil Evans
er bij.
"Master Uncle!... Master Uncle!"
En waarachtig, de onnoozele Frycollin was ernstig beangst, dat hij met
zijn lichaam zou moeten dienen, om die twee levens, die klaarblijkelijk
veel kostbaarder waren dan het zijne, te verlengen. Hij bepaalde er
zich dan ook toe, om slechts in petto te zuchten.