vergeefs alle pogingen aanwendde om kalm te blijven, "gij vergeet wat
onze onsterfelijke Franklin gezegd heeft, toen de eerste montgolfière
verscheen, die de geboorte van den hedendaagschen ballon voorafging:
'het is slechts een kind, maar het zal groeien.' En ziet het kind
is gegroeid."
"Mis president, mis! Het kind is niet gegroeid!... Het is slechts
in dikte toegenomen.... En, gij zult moeten bekennen, dat dit niet
hetzelfde is!"
Dat was een rechtstreeksche aanval op de zoo dierbare plannen van
geheel Weldon-Institute, welker leden besloten hadden, na langdurige
en heftige beraadslagingen, een monster-ballon te doen vervaardigen en
daartoe de noodige gelden beschikbaar hadden gesteld. De opgewondenheid
steeg dan ook ten top en het was waarlijk niet te verwonderen,
dat kreten, verwenschingen en voorstellen als de ondervolgende zich
kruisten en allerwege gehoord werden:
"Weg met dien indringeling!"
"Weg met dien zotskop!"
"Werp hem van het spreekgestoelte!"
"Om hem te doen ondervinden, dat hij zwaarder dan de lucht is!"
"En dat hij, in weerwil van zijne praatjes daarin niet zal kunnen
opstijgen!"
"Werp dien snoeshaan eenvoudig de deur uit!"
"Wat hebben wij naar dien dwazen kerel te luisteren!"
"Aan de deur met hem! Aan de deur!"
En zoo ging het voort. Het was om hooren en zien te doen vergaan. Het
tumult klom als de branding van den oceaan bij hevigen storm en bij
hooggaanden vloed.
Maar men schreeuwde nog maar en hield voorloopig de handen te
huis. Robur bleef onwrikbaar als een rots op het spreekgestoelte staan,
en vond eindelijk gelegenheid om nog uit te roepen:
"Die luchtgevaarten hebben geene vorderingen gemaakt, burgers
ballonisten! Maar de toekomst behoort aan de vlieg-werktuigen! De
vogel vliegt, toch is het geen ballon maar wel degelijk een machine!"
"Ja! hij vliegt!" riep de van woede kokende Bat. T. Fijn uit;
"maar hij vliegt tegen alle wetten der werktuigkunde in! Dat zult
gij moeten erkennen, als gij maar een greintje gezond verstand in uw
dwaas hoofd hebt!"
"Zoo, zou ik dat moeten erkennen!" antwoordde Robur, terwijl hij
minachtend de schouders optrok.
Daarop vervolgde hij:
"Sedert men de vlucht der groote en kleine vliegende dieren bestudeerd
heeft, heeft deze eenvoudige meening zich geheel en al op den voorgrond
gedrongen, namelijk: dat om te slagen, men slechts de natuur na te
volgen heeft, want die vergist zich nooit. Tusschen den albatros,
die ter nauwernood tien vleugelslagen in de minuut volvoert...."
"Negen en een halve!" riep eene spottende stem uit.
"En den pelikaan, die er zeventig volvoert...."
"Een en zeventig!"
"En de bij, die haar vleugeltjes honderd twee en negentig malen in
de seconde op en neer beweegt...."
"Honderd drie en negentig malen!...." werd er hatelijk spottend
geroepen.
"En de gewone huisvlieg, die dat drie honderd en dertig malen
verricht...."
"Drie honderd dertig en een halven keer!...."
"En de muskiet, die dat millioenen malen doet...."
"Milliarden malen, wilt gij zeggen, niet waar?"
Maar Robur liet zich niet van zijn stuk brengen, hoe dikwijls hij
ook in de rede gevallen werd. Hij vervolgde dan ook onverstoorbaar
zijn betoog:
"Tusschen die verschillende afwijkingen...."
"Behoort op de allergrootste afwijking, die van uwe hersenen gelet
te worden!"
".... bestaat de mogelijkheid, om eene practische oplossing te vinden."
"Gekheid! Onverstand! Het scheelt den kerel in zijn bol!"
"Toen de heer de Lucy afdoend bewees...."
"Wat bewees?"
"Dat de schalebijter, een insect, hetwelk, zooals de leden van
Weldon-Institute wel weten zullen, slechts twee grammen weegt..."
"Twee en een kwart!"
"Nu dan, een insect dat twee en een kwart grammen weegt, een gewicht
van vier honderd grammen kan optillen...."
"Vier honderd en vijftig grammen."
"Dus twee honderd malen zwaarder dan het zelf weegt, was het vraagstuk
van de vliegkunst opgelost...."
"De kerel is krankzinnig!"
"Men heeft daarenboven aangetoond en bewezen, dat de afmeting van de
oppervlakte van den vleugel betrekkelijk vermindert, naarmate de omvang
en het gewicht van het dier verminderen. Daarop afgaande, heeft men
de vervaardiging uitgedacht van meer dan zestig toestellen, die...."
"Die nimmer hebben kunnen vliegen!" riep Phil Evans, de secretaris
van Weldon-Institute uit.
"Die gevlogen hebben of die vliegen zullen," ging Robur voort, zonder
zich uit het veld te laten slaan. "En of men ze nu ook al streophoren,
helicopteren of orthoptheren noemde, of dat men ze ook al vaartuig
heette, het toestel bestaat dat den mensch tot heer en meester van
de luchtruimte zal maken."
"O, gij bedoelt de schroef," hernam Phil Evans sarcastisch. Maar geen
vogel is in het bezit van eene schroef.... ten minste voor zoover
wij weten."
"Welnu, dan weet gij het niet goed. Zooals de heer Penaud degelijk
bewezen heeft, is de geheele vogel eene schroef en is zijne vlucht
aan die der helicopteren gelijk. De schroef is dan ook de motor van
de toekomst...."
D'un pareil maléfice
Preservez nous, _Sainte Hélice_!
neuriede een der aanwezigen, die bij toeval dat wijsje uit de _Zampa_
van Herold onthouden had.
Het geheele gezelschap viel daarop in koor in en herhaalde dat refrein
met zulke oorverscheurende tonen, dat de Fransche componist voorzeker
zich van afschuw in zijn graf heeft moeten omkeeren.
Toen eindelijk de laatste tonen van die kattenmuziek zich in een
vervaarlijk geschreeuw opgelost hadden, meende Uncle Prudent, die
van eene zeer kortstondige verademing bij dat leven maken behendig
gebruik maakte, te moeten zeggen:
"Burger vreemdeling, men heeft u tot nog toe het woord laten voeren,
zonder u in de rede te vallen...."
Het scheen dat voor den voorzitter van Weldon-Institute, die toornige
uitroepen, dat geschreeuw, de bedreigingen, die geuit waren, niet
golden, maar dat die slechts beschouwd werden als eene eenvoudige
wisseling van gedachten of van argumenten.
"Intusschen meen ik u te moeten herinneren," ging de president voort,
"dat de theorie der vliegkunst door het meerendeel der Amerikaansche
werktuigkundigen en ook door anderen bij voorbaat veroordeeld en
verworpen is. Dat systeem, hetwelk den dood van Sarrazin Volant
te Constantinopel, dien van den monnik Voador te Lissabon, dien van
Letur in 1852, van Groof in 1864 op zijne rekening heeft, zonder nog
te tellen de slachtoffers, die ik vergeet, en waarbij de mythologische
Icarus niet mag vergeten worden...."
"Dat systeem," viel Robur den voorzitter in de rede, "is niet in
meerdere mate te veroordeelen, dan dat welker martelaarslijst de namen
van Pilatre des Roziers te Calais, van mevrouw Blanchard te Parijs,
van Donaldsen en Greinwood, in het meer van Michigan verdronken,
van Swel en van Crocé-Spinelli en van zooveel anderen bevat, die wel
nimmer vergeten zullen worden."
Dat was een degenstoot "á fond", zooals men in de schermzaal zou
zeggen.
"Daarenboven," hernam Robur, "met uw luchtballon, hoe volmaakt zij ook
zijn moge, zult gij nimmer eene snelheid bereiken, die daadwerkelijk
practisch bevonden zal worden. Gij zoudt drie jaren noodig hebben om
de reis rondom de wereld te volvoeren, wat eene vliegmachine in acht
dagen zal kunnen doen."
Andermaal had er eene uitbarsting van verwenschingen plaats, die als
protest moesten dienen, maar die in de eerste vijf minuten niet tot
bedaren te brengen waren.
Eindelijk toch gelukte het aan den secretaris Phil Evans, om aan het
woord te komen.
"Mijnheer de vliegkundige," vroeg hij, "gij die zoozeer de voordeelen
der vliegkunst bij ons komt ophemelen, zeg mij: hebt gij ooit
gevlogen?"
"Bepaald!"
"Dus gij hebt de lucht veroverd?"
"Misschien, mijnheer de secretaris."
"Hurrah! voor Robur den Veroveraar!" riep eene spottende stem
snijdend uit.
"Hurrah! voor Robur den Veroveraar!" herhaalden al de aanwezigen met
vijandigen geestdrift.
"Welnu, ja! Robur de Veroveraar!" hernam de spreker. "Dien naam neem
ik aan, dien naam zal ik dragen; want ik heb er alle recht op!"
"Gij zult ons veroorloven dat te betwijfelen!" riep Jem Cip met
schrille stem uit.
"Betwijfelen?"
"Ja, zeker, betwijfelen! Hebt gij daar iets op tegen? Komaan, zeg
het dan maar!"
"Mijne heeren," hernam Robur, terwijl hij de wenkbrauwen fronste,
"wanneer ik eene ernstige zaak op de meest ernstige wijze bij u kom
bepleiten, dan wil ik niet, dat men mij voor leugenaar houdt. Mag ik
den naam weten van hem, die mij het laatst in de rede gevallen is?"
"Zijn naam?" vroeg Uncle Prudent.
"Ja, zijn naam, mijnheer de voorzitter!"
"Ik heet Jem Cip.... en ben vegetariër...."
"Burger Jem Cip," hernam Robur, "ik wist reeds lang, dat de darmen
van de vegetariërs langer zijn, dan die van andere menschen."
"Wat heeft dat met de zaak te maken?" vroeg Jem Cip stoutmoedig bij
die onverwachte wending van het gesprek.
"Laat mij voortgaan. Die darmen zijn, wel is waar, slechts een voet
langer dan die van anderen. Dat is reeds veel,--dat beken ik,--maar
noodzaak mij nu niet, ze nog langer te doen worden, door u bij de
ooren te trekken....!"
"De deur uit met den kerel!"
"Smijt hem de straat op!"
"Verscheurt hem:"
"Met vier paarden!"
"De lynchwet!"
"Hij moet aan de ooren getrokken worden!"
"Neen, wij zullen hem als eene schroef draaien en wringen!...."
"Dat heeft hij verdiend!"
"En meer dan dat!"
De woede der vereenigde ballonisten in Weldon-Institute was ten
top gestegen.
Zij waren van hunne stoelen opgevlogen en omringden thans gillend en
schreeuwend het spreekgestoelte.
Robur verdween als het ware in een woud van armen, die zich krampachtig
bewogen, alsof zij door een hevigen stormwind heen en weer geschud
werden.
Te vergeefs gilde de stoomfluit van den voorzitter te midden van
die menigte!
Geheel Philadelphia moest dien avond wel gelooven, dat een hevige brand
een der voornaamste stadskwartieren verwoestte, en dat al het water van
de Schuylkill-rivier niet voldoende zoude zijn om dien te blusschen.
Plotseling stoof de menigte achteruit. Robur had zijne handen uit
zijne zakken gehaald en stak die plotseling naar de eerste rij van
die verbitterden uit.
In beide handen hield hij een van die Amerikaansche ploertendooders,
die behoorlijk de vuist wapenen en haar als eene knots doen neerkomen,
maar tegelijkertijd ook revolvers zijn, waarop de vingers slechts
te drukken hebben, om de schoten te doen afgaan; in één woord:
ware zak-mitrailleuses.
En toen gebruik makende van het achteruitstuiven der aanvallers en
ook van de stilte, die dien terugtocht vergezelde, zeide hij:
"Inderdaad, het is niet Americus-Vespucius, die de Nieuwe Wereld heeft
uitgevonden, maar Jocrisse. Gij zijt, bij mijne ziel, geen Amerikanen,
maar ware Jocr...."
In dit oogenblik knalden vier of vijf schoten, welker projectielen
slechts gaten in den wand maakten en derhalve niemand kwetsten. De
werktuigkundige verdween te midden van den kruitdamp, en toen die
opgetrokken was, vond men geen spoor van dien zonderling.
Robur de Veroveraar was weggevlogen, alsof een of andere vliegmachine
hem door de lucht naar de bovenste dampkringslagen vervoerd had.
IV.
WAARIN DE SCHRIJVER, HANDELENDE OVER DEN KNECHT FRYCOLLIN, POOGT DE
MAAN IN HARE EER TE HERSTELLEN.
Ontegenzeggelijk hadden het geschreeuw en het spektakel, die
in den regel het gevolg waren der stormachtige zittingen van
Weldon-Institute, en door de leden bij het verlaten van het
gebouw aangeheven en veroorzaakt werden, meer dan eens de rust
van de bewoners van Walnut-street en van de aangrenzende wijken
gestoord. Herhaaldelijk hadden die eerzame burgers terecht klachten
ingebracht over die eindberaadslagingen in de open lucht, welke hen
gewoonlijk in hunne vreedzame verblijven deden opschrikken. Meer
dan eens hadden de politie-agenten hulp moeten verleenen om het
openbaar verkeer open te houden voor de voorbijgangers, die voor het
meerendeel zeer onverschillig waren voor de behandelde vraagstukken
der luchtvaart. Maar tot heden had het straatrumoer nimmer zulke
afmetingen aangenomen, als nu geschiedde. Nooit waren de klachten
meer gebillijkt en nimmer was de tusschenkomst der politie-agenten
meer noodzakelijk geweest.
Toch waren, volgens onze zienswijze, de leden van Weldon-Institute
wel eenigermate te verontschuldigen. Men was er toch niet voor
teruggedeinsd, hen op hun eigen grondgebied te komen aanvallen. Tot
die heethoofdige aanhangers van het stelsel: "lichter dan de lucht",
had een niet minder heethoofdige aanhanger van het stelsel: "zwaarder
dan de lucht" zeer onaangename dingen gezegd. Daarbij kwam nog,
dat hij plotseling verdwenen was, toen men hem eene tuchtiging had
willen toedienen, die hij, volgens aller meening, zoozeer verdiend had.
Dat schreeuwde natuurlijk om wraak.
Kon men zulke beleedigingen in gemoede ongestraft laten! Neen,
dat kon niet! Men zou geen Amerikaansch bloed in de aderen moeten
hebben! Nakomelingen van den roemrijken Americus Vespucius voor
Jocrisse uit te schelden! Dat was eene beleediging, die onvergeeflijk
was, daar zij toch eenigermate doel had getroffen.
"Niets kwetst meer dan waarheid," zegt een oud spreekwoord.
De leden van de Club verschenen dus in verscheidene groepen in
Walnut-street en verspreidden zich van daar, steeds heftig opgewonden,
in de naburige straten en van daar door het geheele stadskwartier. Door
hun vreeselijk tumult wekten zij de bewoners uit hunnen zoeten
slaap. Zij noodzaakten hen, om hunne huizen te laten doorzoeken en
waren volstrekt niet ongenegen, om later schadevergoeding te betalen
voor den overlast, dien zij veroorzaakt, en voor de inbreuk, die
zij zich veroorloofd hadden op de onschendbaarheid van het private
leven, die bij de volkeren van het Anglo-Saksische ras zoo zeer
geëerbiedigd is.
Al die nasporingen en die plagerijen waren evenwel te vergeefs. Robur
werd nergens bespeurd.
Geen enkel spoor was van hem achtergebleven. Als hij met de _Go ahead_,
de luchtballon van Weldon-Institute vertrokken ware, zou hij niet
meer onvindbaar geweest zijn.
Na een vol uur met nasporingen zoek gebracht te hebben, moest men
het opgeven. De Club-leden scheidden evenwel niet dan nadat zij bij
plechtigen eed gezworen hadden, dat zij hunne nasporingen over het
geheele grondgebied zouden uitstrekken, hetwelk zoowel tot Noord- als
tot Zuid-Amerika behoort, en dat het Nieuwe Vasteland genoemd wordt.
Het was intusschen reeds elf uur geworden, alvorens de rust in het
stadskwartier hersteld was. Eindelijk dan toch konden de bewoners zich
aan een diepen slaap overgeven, die slechts genoten wordt in steden,
die niet met de nijverheid te doen hebben en waarin derhalve geene
fabrieken met hunne geraasmakende machines en stank verspreidende
schoorsteenen aangetroffen worden. De verschillende Club-leden begaven
zich naar hunne respectieve woonhuizen. Zoo deed William T. Forbes,
toen hij zijne schreden naar zijne lompen-suikerfabriek richtte,
waar miss Doll en miss Matt hem met een kopje thee wachtten, die zij
met zijn eigen lompen-glucose gesuikerd hadden. Zoo begaf zich Frank
Milner ook naar de afgelegen voorstad, waar zijne fabriek gebouwd
was, welker werktuigen nacht en dag door stoomden en stampten. Zoo
ging ook Jem Cip, die in het openbaar beschuldigd was een voet meer
darmen te bezitten dan een gewoon menschenkind, naar huis, waar hem
als vegetariër een avondmaal van groenten en peulvruchten wachtte.
Twee der voornaamste ballonisten--twee slechts--dachten er niet aan
om hunne woonhuizen op te gaan zoeken. Zij maakten van de gelegenheid
gebruik, om met nog meer verbittering dan gewoonlijk te kibbelen. Dat
waren onze onverzoenbare bekenden, Uncle Prudent en Phil Evans,
de president en de secretaris van Weldon-Institute.
De knecht Frycollin wachtte Uncle Prudent, zijn meester, aan de deur
van de Club.
Hij volgde hem zonder zich om de redenen van den twist tusschen die
twee te bekommeren.
Hierboven werd van kibbelen gesproken. Dat geschiedde uit een gevoel
van welwillendheid jegens die twee, om hun gedrag eenigermate
te vergoelijken. Maar zij twistten inderdaad en nog wel met die
geestkracht, die door hunne oude mededinging gevoed werd.
"Neen, mijnheer, neen!" herhaalde Phil Evans. "Wanneer ik de eer had
gehad voorzitter te zijn van Weldon-Institute, dan zou nooit, neen,
nooit zoo'n schandaal plaats gegrepen hebben!"
"En verondersteld, dat gij die eer gehad hadt, wat zoudt gij dan
gedaan hebben?" vroeg Uncle Prudent.
"Wat ik zou gedaan hebben?"
"Ja, ik vraag u: wat gij in dat geval zoudt gedaan hebben?"
"Ik zou dien openbaren beleediger het woord ontnomen hebben...."
"Zoo?...."
"Nog voordat hij tijd gehad zou hebben, om den mond te openen!"
"Ei, ei! Maar om iemand het woord te ontnemen, moest men hem toch
eerst laten spreken, dunkt me?"
"Niet in Amerika, mijnheer! Niet in Amerika!"
En terwijl zij elkander zoo schimpscheuten naar het hoofd wierpen,
stapten zij de straten door, die hen al meer en meer van hunne woningen
verwijderden. Zij doorsneden stadskwartieren, welker ligging hen tot
aanmerkelijke omwegen noopte.
Frycollin volgde hen steeds; maar hij gevoelde zich toch niet op
zijn gemak, toen hij bespeurde, dat zijn meester zich naar zeer
eenzame plaatsen begaf. En de bediende Frycollin hield niet van die
plaatsen, vooral wanneer het middernachtuur nabij was. Inderdaad het
was pikdonker en de maan, die wassende en nog maar als een zilveren
sikkeltje aan den hemel verschenen was, had die duisternis maar zeer
weinig verminderd. Daarenboven was zij op het punt van onder te gaan.
Frycollin keek dan ook rechts en links, om te zien of geen verdachte
schaduwen hen bespiedden. En, waarachtig, hij meende dat vijf of zes
groote duivelengedaanten hen niet uit het oog verloren.
De bange kerel naderde instinctmatig zijn meester; maar voor niets
ter wereld zou hij dezen hebben durven in de rede vallen, vooral niet
te midden van een zoo heftig gesprek, waarvan hij waarschijnlijk de
onaangenaamheden in den vorm van klappen zou ondervinden.
Om kort te gaan, het toeval alleen was schuld, dat de voorzitter en
de secretaris van Weldon-Institute, geheel onbewust en al twisttende,
hunne schreden naar Fairmont-Park richtten.
Daar overschreden zij, terwijl zij onafgebroken voorttwistten,
de Schuylkill-rivier langs de beroemde metaalbrug. Zij ontmoetten
slechts eenige voorbijgangers, die zich verlaat hadden, en bevonden
zich eindelijk op een onmetelijk terrein, waarvan het eene gedeelte
uitgestrekte weilanden vormde, terwijl het andere gedeelte een
overheerlijk park daarstelde, hetwelk door zijn hoog geboomte en
zijn doelmatigen aanleg, als het fraaiste van de geheele wereld kan
geroemd worden.
Daar werden de schrik en de angst van den knecht Frycollin ten
top gevoerd. En ditmaal niet zonder reden; want thans had hij heel
duidelijk gezien en waargenomen, dat die vijf of zes spookachtige
gedaanten hen tersluiks over de brug van de Schuylkill-rivier gevolgd
waren. Zijn oogappels waren dan ook door den angst zoodanig uitgezet,
dat zij zich zoo groot vertoonden als het geheele regenboogvlies
zijner oogen. Maar ter zelfder tijd dat die oogappels zich uitzetten,
kromp zijn lichaam als het ware in, alsof het bedeeld ware met die
kracht van samentrekking, eigen aan de meeste weekdieren en aan
sommige geleede dieren.
Ja, inderdaad, de knecht Frycollin was een bange kerel. Een lafaard
in een woord.
Frycollin was een neger, in Zuid-Carolina geboren. Hij had een
groot dom hoofd, hetwelk met een langen nek op een ellendig mageren
romp geplant stond. Hij telde een en twintig jaren en was derhalve
nimmer slaaf geweest, zelfs krachtens zijne geboorte niet. Maar
of hij daardoor meer waarde als mensch had, kan gerust ontkend
worden. Hij was een grappenmaker, die gewoonlijk leelijke gezichten
trok, daarbij gulzig, lui en boven alle beschrijving laf was. Hij was
sedert drie jaren in dienst bij Uncle Prudent. Deze was honderd malen
op het punt geweest, om hem de deur uit te zetten; de vrees voor nog
erger had hem weerhouden. Dat die lafhartigheid den armen drommel,
wiens bestaan om zoo te zeggen innig met het leven van zijn meester,
die steeds gereed stond aan de dolste en stoutmoedigste ondernemingen
deel te nemen, saâmgeweven was, menig angstig oogenblik berokkende, zal
wel niet behoeven gezegd te worden. Maar die oogenblikken van dollen
angst hadden hunne tegenstellingen, werden door andere hoedanigheden
voldoende opgewogen. Zoo liet men zijne gulzigheid nagenoeg den vrijen
teugel en zoo ook zijne luiheid.
Maar.... Maar.... O, arme Frycollin, als ge eens in de toekomst hadt
kunnen lezen!
Waarom was Frycollin niet te Boston gebleven, waar hij in dienst
was van eene zekere familie Sneffel? Wel is waar, was die op het
punt geweest, om eene reis naar Zwitserland te ondernemen. Dit had
Frycollin minder aangestaan en daarom had hij toen op zijn ontslag
aangedrongen. Toen de familie Sneffel van die reis afzag, bij het
vernemen der aardstortingen, die in de Alpen plaats gehad hadden,
was het te laat. En toch zou de dienst bij dat vreedzame gezin hem
beter geleken hebben, dan bij Uncle Prudent, die de stoutmoedigheid
en de waaghalzerij in eigen persoon was.
Er viel niet veel meer aan te doen. Frycollin was in dienst van
den voorzitter van Weldon-Institute en deze was er zelfs mede
geëindigd, zijne gebreken over het hoofd te zien. En die gebreken,
wij weten het reeds, waren velen. Maar tegenover die gebreken stond
eene goede hoedanigheid. Hoewel hij neger van oorsprong was, sprak
hij geen neger-engelsch. En dat was te waardeeren; want er bestaat
niets afschuwelijkers dan die platte taal, waarin de bezittelijke
voornaamwoorden en de onbepaalde wijs voor de werkwoorden tot in het
oneindige voorkomen.
Het is dus als onwraakbaar bewezen aan te nemen, dat Frycollin laf was,
"laf als de maan", zoo als een volksgezegde zich uitdrukt.
Tegen die volksuitdrukking, die zoo beleedigend mogelijk is voor de
blonde Phoebé, de zachte Selena, de kuische Diana, de zuster van den
schitterenden Apollo, valt onzes inziens protest aan te teekenen. Welk
recht heeft men om dien trouwen wachter, die, zoolang als de aarde
bestaat, haar steeds het aangezicht, maar nimmer hare keerzijde
vertoond heeft, van lafhartigheid te beschuldigen?
Maar die quaestie daargelaten, zooveel is zeker, dat thans, op dat
middernachtuur, de sikkel van de "bleeke belasterde" op het punt
was in het westen, achter de loofkruinen van het hooge geboomte te
verdwijnen. Hare stralen gleden als het ware tusschen de takken door
en teekenden op den grond grillige lichtbeelden, die de duisternis
er naast nog zwarter maakten.
In weerwil daarvan keek Frycollin steeds scherp uit. Het was alsof
hij de eigenschap der katten en der uilen bezat, namelijk in het
donker te kunnen zien.
"Br!" zei hij bij zich zelven. "Die schoften volgen ons steeds! En
inderdaad zijn zij reeds meer nabij gekomen."
Eindelijk kon hij het niet meer uithouden. Hij naderde zijn baas.
"Master Uncle," zei hij.
Zoo noemde hij zijn meester en zoo wilde de voorzitter van
Weldon-Institute aangesproken worden.
In dit oogenblik was de twist tusschen de beide mededingers tot zijn
hoogsten graad van opgewondenheid gestegen. En daar zij elkander
hartelijk naar den duivel wenschten, werd Frycollin barweg verzocht
de reis ook derwaarts te ondernemen. De arme neger was zeer beangst
voor Beëlzebub en durfde derhalve den mond niet meer open doen.
Maar terwijl die twee Yankees zoo twistten en elkander afsnauwden,
stapten zij al verder en verder de eenzame weilanden, die Fairmont
Park begrenzen, door, waarbij zij zich steeds verder van de
Schuylkill-rivier verwijderden, en dus ook van de brug, die haar
overspande en het eenige toegangspunt was, om de stad weer binnen
te komen.