geweld te openen, of om een gat in de omwanding der cel te maken,
was vruchteloos gebleven.
Waaruit bestond de bouwstof toch van die omwanding? Waarlijk, dat
was onmogelijk te zeggen.
Het was geen metaal, het was geen hout, het was geen steen. Dat was
alles, wat er van te vertellen viel.
De vloer daarenboven van de cel scheen van hetzelfde materiaal
vervaardigd te zijn. Wanneer men met den voet trapte, dan veroorzaakte
dit een eigenaardigen toon, dien Uncle Prudent onmogelijk onder de
bestaande en bekende geluiden kon rangschikken.
Een andere bijzonderheid werd opgemerkt, namelijk dat het onder
den vloer hol klonk, alsof hij niet op den bodem van Fairmont-Park
rustte. Ja, als men goed luisterde, was het alsof dat onverklaarbare
"frrr, frrr" langs den buitenkant van dien vloer scheerde.
Dat alles was voor ons drietal niets geruststellend.
"Uncle Prudent?" zei Phil Evans.
"Phil Evans?" antwoordde Uncle Prudent.
"Denkt gij, dat onze cel van plaats veranderd heeft?"
"Hoegenaamd niet!"
"Denkt ge?"
"Daar ben ik zeker van."
"Toch kreeg ik, op het oogenblik dat wij in dit hok opgesloten werden,
de frissche lucht van het gras en den harsachtigen geur van de boomen
in Fairmont-Park in den neus..."
"Ik ook."
"Maar nu mag ik de lucht zooveel opsnuiven als ik wil, daarvan ruik
ik thans volstrekt niets meer."
"Inderdaad, gij hebt gelijk."
"Ja, maar hoe is dat te verklaren?"
"Verklaar het op de wijze als gij wilt, Phil Evans, mits gij maar de
veronderstelling niet oppert, dat onze gevangenis van plaats veranderd
kan hebben. Ik herhaal het, wanneer wij ons in een wagen bevinden,
die voortgetrokken wordt, of in een vaartuig, dat op de oppervlakte
van het water glijdt, zouden wij het moeten voelen."
Frycollin liet toen een akelig langgerekt gesteen hooren, dat er wel
wat van weg had, of het zijn laatste ademtocht was. Geruststellend
was het echter, dat het door verscheidene zware zuchten gevolgd werd.
"Ik houd het er voor, dat die Robur ons weldra voor zich zal doen
verschijnen," hernam Phil Evans.
"Ik hoop het," riep Uncle Prudent uit. "Dan zal ik hem zeggen...."
"Wat?"
"Vraagt ge wat, Phil Evans?"
"Ja, Uncle Prudent, dat vraag ik."
"Wel, ik zal hem zeggen, dat hij begonnen is als een onbeschofte
kerel en dat hij geëindigd is als een gemeene kerel te handelen."
"Juist, Uncle Prudent. Dat zal raak zijn."
Phil Evans bemerkte thans, dat de dag aanbrak. Een nog ijle en
onduidelijke lichtstraal gleed door het nauwe schietgat, hetwelk in het
bovenste gedeelte van de omwanding vlak tegenover de deur aangebracht
was. Het moest toen ongeveer vier uren in den ochtend zijn, daar de
dageraad op de breedte van Philadelphia in de maand Juni op dat uur
begint aan te breken. Daar viel niets tegen in te brengen.
Uncle Prudent haalde evenwel zijn repetitie-uurwerk, een meesterstuk,
door de fabriek van zijn lotgenoot voortgebracht, uit den zak en liet
het slaan. Het duidde aan, dat het kwart vóór drieën was. Toch was
het niet blijven stilstaan, daarvan waren beiden verzekerd.
"Dat's vreemd!" zei de secretaris Phil Evans. "Om kwart vóór drieën
moest het nog nacht zijn."
"Of de gang van het uurwerk moet vertraagd zijn..." antwoordde Uncle
Prudent.
"Een uurwerk van de _Walton Watch Company_!!!" riep de secretaris
Phil Evans uit. "Onmogelijk!"
Hoe het ook zij, zooveel was onbetwistbaar zeker, dat het wel degelijk
de dag was, die aanbrak. Langzamerhand teekende zich het schietgat
scherp wit af in de diepe duisternis der cel.
Hoewel de dageraad nu vroeger verschenen was dan wel veroorloofd
mocht heeten op den veertigsten breedtegraad, waarop Philadelphia
gelegen is, zoo brak het daglicht toch met die snelheid niet door,
welke aan lage breedte eigen is.
Dat lokte andermaal eene bemerking van Uncle Prudent uit, die
daarop dan ook wees als op een vreemdsoortig en onverklaarbaar
natuurverschijnsel.
Phil Evans en Uncle Prudent zagen toe, maar konden er zich geen
rekenschap van geven. Daarenboven, het schemerdaglicht vorderde
slechts langzaam in de cel, waarin zij opgesloten zaten.
"Wij kunnen niet uitkijken," merkte de voorzitter van Weldon-Institute
op.
"Uitkijken, waarnaar?"
"Wel uitkijken, om waar te nemen, waar wij zijn," vulde Uncle
Prudent aan.
"Dat zouden wij kunnen doen," antwoordde de secretaris Phil Evans.
"Hoe zoo?"
"Wel door ons tot bij dat schietgat op te hijschen. Dat is waarlijk
zoo moeielijk niet."
"Daar zegt ge zoo iets!" riep Uncle Prudent opgewonden en opgetogen
uit.
"Dat zal wel gaan, dunkt mij."
"Mij ook!" bevestigde de voorzitter van Weldon-Institute.
En zich tot zijn knecht Frycollin wendende:
"Kom Fry!" zeide hij. "Kom, op! En vlug ter been!"
De neger stond met loome bewegingen op.
"Steun je rug tegen dien wand daar," beval hem Uncle Prudent.
Frycollin voldeed aan die lastgeving.
"En gij, Phil Evans," ging de voorzitter van Weldon-Institute voort,
"en gij, Phil Evans, klim thans op de schouders van dien lummel...."
"Zal Frycollin sterk genoeg wezen, om mijn last te dragen?" vroeg de
secretaris Phil Evans.
"Om u te dragen? Hij is sterk als een os! Daarenboven, ik zal hem
schoren en steunen. Wees gerust, Phil Evans, gij zult niet vallen. Dat
verzeker ik u."
"Welnu, dan klim ik."
Een oogenblik later stond de secretaris van Weldon-Institute op de
schouders van Frycollin. In dien stand kwamen zijne oogen ter hoogte
van het bedoelde schietgat.
Dit schietgat was gesloten niet door een lensvormig glas, zooals
dat bij de patrijspoortjes van zeeschepen aangetroffen wordt, maar
door eene eenvoudige ruit. Hoewel zij niet zeer dik van glas was,
hinderde zij toch het gezichtsvermogen van den secretaris Phil Evans,
wiens gezichtsveld zeer begrensd was. Hij merkte dat al grommende op.
"Welnu," zeide Uncle Prudent, "sla die ruit stuk, dan zult gij beter
kunnen zien, dunkt me."
De raad was goed en werd dus opgevolgd. Phil Evans gaf een hevigen slag
met de greep van zijn bowie-knife op de ruit, die een zilverachtigen
toon liet vernemen.
"Te drommel!" zeide de secretaris, "dat is sterk glas. Maar ik zal
nog eens probeeren."
Bom!... Een nieuwe slag nog harder dan de eerste, maar met even
ongunstig resultaat.
"Mooi!" hernam Phil Evans. "Het is niet alleen sterk, maar totaal
onbreekbaar glas!"
Inderdaad, die ruit moest vervaardigd zijn van een soort glas, te
zaam gesteld volgens de uitvinding van Siemens, daar het, in weerwil
van de hevige slagen en stooten, die Phil Evans daarop uitvoerde,
onaangetast bleef.
Toch was de ruimte bij het vorderen van het daglicht nu genoeg
verlicht om den blik te veroorloven iets waar te nemen van hetgeen
in het beperkte gezichtsveld van de omlijsting van het schietgat te
zien zoude zijn.
"Wat ziet ge?" vroeg Uncle Prudent, trappelend van ongeduld. "Nu,
wat ziet ge, Phil Evans?"
"Niets, Uncle Prudent," antwoordde de secretaris bedaard.
"Wat, niets?"
"Neen."
"Ziet gij dan geen boomen, geen bosch?"
"Neen."
"Dan toch het bovenste gedeelte der takken?"
"Ook dat niet."
"Wij zijn dan niet meer in de open ruimte?"
"Neen."
"Niet meer in het Fairmont-Park?"
"Neen."
"Ontwaart gij dan geen daken van huizen?"
"Neen."
"Geen nokken van monumenten?" vroeg Uncle Prudent, wiens
teleurstelling, gepaard aan woede, iedere seconde vermeerderde.
"Ook geen nokken van monumenten," antwoordde Phil Evans. "Niets,
niets!"
"Wat! Zelfs geen scheepsmast, geen vlaggestok, geen kerktoren?"
"Neen."
"Geen fabrieksschoorsteen?"
"Neen."
"Wat ziet ge dan?"
"Niets! Niets dan de ijle ruimte!"
In dit oogenblik ging de deur der cel open en een man verscheen op
den drempel.
Het was Robur.
"Eervolle en hooggeachte ballonisten," zeide hij met ernstige stem,
"gij zijt thans vrij, geheel vrij om te gaan en te komen, zooals gij
zulks zult verlangen...."
"Vrij en frank?" vroeg Uncle Prudent.
"Ja, zeker,.... althans binnen de grenzen van den _Albatros_!"
Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans stormden de cel uit.
Op twaalf- of dertienhonderd meters onder hen ontwaarden zij de
oppervlakte van eene landstreek, die zij, hoe zij ook tuurden,
tevergeefs poogden te herkennen.
VI.
DAT DE INGENIEURS, DE WERKTUIGKUNDIGEN EN ANDERE GELEERDEN GEVOEGELIJK
ZOUDEN KUNNEN OVERSLAAN.
Wanneer zal de mensch toch ophouden op dit tranendal rond te kruipen,
om eindelijk te gaan leven in het azuurblauw en den vrede des hemels?
Op die vraag van Camille Flammarion is het antwoord gemakkelijk
te geven.
Dat zal gebeuren wanneer de vorderingen der werktuigen veroorloven
zullen het vraagstuk van de vliegkunst op te lossen. En, zooals
reeds sedert eenige jaren te voorzien was, zou eene meer practische
aanwending van de electriciteit de oplossing van dat vraagstuk meer
nabij brengen.
Reeds in 1783, dus vóórdat de gebroeders Montgolfier het eerste toestel
uitdachten, hetwelk hun naam voerde en Montgolfière heette, en vóórdat
de natuurkundige Charles zijn eersten ballon vervaardigde, waren
eenige stoutmoedige breinen er op bedacht geweest om de verovering
der luchtruimte door middel van werktuigkundige toestellen te
volvoeren. Die eerste uitvinders hadden dus niet gedacht aan toestellen
lichter dan de lucht, hetgeen door de trap, waarop de wetenschap
toenmaals stond, totaal onmogelijk geweest ware. Zij vroegen dus de
oplossing van het vraagstuk der beweging in de bovenste luchtlagen aan
toestellen, die zwaarder dan de lucht waren, aan vliegende machines,
die de bewegingen van den vogel nabootsten.
Dat was juist, wat die dwaze Icarus, de zoon van Daedalus, gedaan
had. Hij had evenwel de penvederen zijner vleugels met was vastgehecht,
en die was smolt, toen de stoutmoedige jongeling de zon te nabij kwam.
Maar zonder nog tot de mythologische tijdperken op te klimmen, zonder
te spreken van den geleerden Archytos van Tarente, kunnen wij reeds
wijzen op de werken van Dantes van Perussa, van Leonard de Vinci en
van Guidotti. Daarin wordt reeds de kiem aangetroffen van werktuigen,
die bestemd waren, om zich in de luchtlagen te bewegen.
Twee en een halve eeuw later werden de uitvinders op dat gebied
talrijker.
In 1742 werd door den markies de Bacqueville een systeem van vleugels
vervaardigd, waarmede hij poogde boven de Seine te vliegen. Hij viel
en brak een arm.
In 1768 dacht Paucton een toestel met twee schroeven uit, waarvan de
eene een opvoerende en de andere een voortdrijvende kracht bezat. Of
hij daarmee proeven nam, weet men niet.
In 1781 vervaardigde Meerwein, de architect van den keurvorst van
Baden, een werktuig met orthopterische beweging, en teekende protest
aan tegen de mogelijkheid van de bestuurbaarheid der ballons, die
toen uitgevonden waren.
In 1784 lieten Launoy en Bienvenu een helicopterisch werktuig
manoeuvreeren, dat door stalen veeren werd in beweging gebracht.
In 1808 beproefde de Oostenrijker Jakobus Degen te vliegen.
In 1810 verscheen eene brochure, door Denian van Nantes geschreven,
waarin de grondbeginselen van de stelling: _"zwaarder dan de lucht"_
uiteengezet werden.
In het tijdperk van 1811 tot 1840 volgden de studiën en uitvindingen
van Berblingen, van Vigual, van Sarti, van Dubochet, van Cagniar en
van Latour.
In 1842 trad de Engelschman Henson op met zijn systeem van hellende
vlakken en van schroeven, die door stoom bewogen werden.
In 1845 vervaardigde Cossus een toestel met opdrijvende schroeven.
In 1847 kwam Camille Vert op het denkbeeld, zijnen helicopteer van
veêren vleugels te voorzien.
In 1852 beweerde Letur een bestuurbaar valscherm te hebben
uitgevonden. Bij eene proefneming met zijne uitvinding kwam hij
jammerlijk om het leven.
In hetzelfde jaar vertoonde Michel Loup een stelsel van een glijdend
vlak, dat van vier draaiende wielen voorzien was.
In 1853 verscheen Béléguie met zijn in de lucht zwevend toestel, dat
door trekkingsschroeven voortbewogen werd; Vaussin Chardanne met zijnen
vrijen maar bestuurbaren vlieger; Georges Cauley met zijne plannen
van vliegende machines, die een gasmotor tot beweegkracht hadden.
Van 1854 tot 1863 traden vele uitvinders op, waaronder Joseph Gline,
die voor verschillende systemen van luchtvaart octrooien ontving,
Breant, Carlingfort, Le Bres, Du Temple, Bright, wiens opdrijvende
schroeven ook achteruit slaan konden, Smythies, Panafieu, Crosnier
enz. enz.
Eindelijk werd onder den invloed van Nadar in 1863 de maatschappij
_"Zwaarder dan de lucht"_ te Parijs opgericht. Daar lieten toen
verscheidene uitvinders hunne werktuigen beproeven en verwierven enkele
octrooien, aanmoedigende getuigschriften, zooals: de Ponton d'Amecourt
met zijn stoomhelicopteer, de la Landelle met zijn ingewikkeld stelsel
van schroeven met hellende vlakken en met valschermen, de Louvrié
met zijn vuurschip, d'Esterno met zijn kunstvogel, de Groof met zijn
vliegtoestel, waarvan de vleugels door hefboomen bewogen werden.
In één woord, de stoot was gegeven, en wij zijn nu het tijdperk
ingetreden, waarin de uitvinders alles uitvinden en de wiskunstenaars
alles berekenen kunnen, wat de luchtvaart van de droombeelden der
theorie tot de daadwerkelijke uitvoering in de praktijk zal moeten
voeren.
Bourcaft, Le Bris, Kaufmann, Smyth, Shingfellow, Prigent, Danjard,
Powés, de la Pauze, Moy, Penaud, Jobert, Hureau de Villeneuve,
Achenbach, Garapon, Duchesne, Danduran, Pauzel, Dieuaide, Melkirff,
Forlanini, Brearey, Tatin, Dandrieux, Edison zijn de mannen, die zich
beijveren de zaak tot oplossing te brengen, de eene met vleugels of
met schroefbladeren, de andere met hellende vlakken. Die vernuften
scheppen, fabriceeren, volmaken en verbeteren hunne vliegmachines,
die op het gewilde oogenblik gereed zullen zijn, namelijk op den dag,
wanneer de een of andere uitvinder een motor van aanzienlijke kracht,
gepaard aan eene buitengewone lichtheid, zal weten toe te passen.
Dat de lezer ons die lange lijst van namen vergeve. Maar was zij niet
noodzakelijk om al de sporten der ladder van de luchtvaart, op welker
hoogste punt Robur de Veroveraar aangekomen was, aan te toonen? Zou
die werktuigkundige, zonder de proeven, zonder de mistastingen zijner
voorgangers, ooit een toestel hebben kunnen uitdenken, dat zoo volmaakt
was als het zijne? Immers neen!
En al sprak hij ook al kleinachtend van hen, die zich nog steeds
onledig hielden met het vraagstuk der bestuurbaarheid van de
luchtballons, zoo waardeerde hij daartegenover ten volle de aanhangers
van het _Zwaarder dan de lucht_. Hij was in de leer geweest bij
Engelschen, bij Amerikanen, bij Italianen, bij Oostenrijkers, bij
Franschen,--ja vooral bij Franschen. Hij had de toestellen zijner
meesters vervolledigd en verbeterd, en was er zoo toe gekomen, om
die vliegmachine te vervaardigen, waarmede hij thans door de hoogere
luchtlagen trok en dien hij _Albatros_ noemde.
"De duif vliegt!" had een van de hardnekkigste en vurigste aanhangers
van de vliegkunst uitgeroepen.
"Men zal op het gegeven oogenblik de lucht betreden, zooals men den
grond betreedt," had daarop een niet minder geestdriftvolle aanhanger
geantwoord.
"Tegenover de locomotief stellen wij de aéromotief!" had de meest
opgewondene uitgeroepen met eene stem, die schetterde als een trompet,
en wel geschikt was om de echo's der publiciteit, zoowel in de Oude
als in de Nieuwe Wereld op te wekken.
Niets is toch inderdaad meer door proefneming en door berekening
bevestigd, dan dat de lucht een zeer stevig steunpunt aanbiedt. Eene
oppervlakte van een meter doorsnede, welke een valscherm vormt,
kan niet alleen de beweging van een vallend lichaam vertragen,
maar ook isochronisch werken, d.w.z. zulke paracentrische lijnen
beschrijven, volgens welke een lichaam, door eene zekere kracht
gedreven, een gegeven punt in gelijke tijden kan naderen of zich
daarvan verwijderen. Ziedaar, wat men wist.
Men wist ook dat, wanneer de snelheid van overbrenging groot is,
de arbeid van de zwaartekracht vermindert in omgekeerde reden van
het kwadraat dier snelheid en dat zij dan bijna onbeduidend wordt.
Men wist ook dat, hoe meer het gewicht van het vliegend dier toeneemt,
de vergrooting van het vleugelvlak, noodzakelijk om het geheele lichaam
in de lucht te dragen, niet in diezelfde evenredigheid toeneemt,
hoewel de bewegingen, die noodzakelijk gemaakt moeten worden, veel
langzamer zijn.
Een vliegtoestel moet dus zoodanig vervaardigd worden, dat het den
vogel nabootst, wil men die natuurlijke wetten benuttigen. En de vogel
is "de meest bewonderenswaardige type van de bestuurbare beweging der
lucht" volgens de uitspraak van dokter Marey, lid van het Instituut
van Frankrijk.
Om kort te gaan, de toestellen, die het gestelde vraagstuk, omtrent
de vliegkunst zullen kunnen oplossen, kunnen tot drie soorten
teruggebracht worden, te weten:
1ens. De helicopteren of spiraalvoerders. Dit zijn slechts schroeven
met verticale assen.
2dens. De orthopteren of toestellen, die de natuurlijke vogelvlucht
pogen na te bootsen.
En 3dens. De luchtzwevers, die eigenlijk niets anders zijn dan
hellende vlakken, zooals de vlieger, maar gesleept of voortgestuurd
worden door horizontale schroeven.
Ieder dier stelsels had aanhangers gehad en had ze nog, koppige,
onhandelbare aanhangers, die van geen toegeven aan anderer meeningen
weten wilden.
Evenwel, onze Robur had na vele overwegingen, na veel wikken en wegen,
eindelijk de twee eerst aangehaalde stelsels, namelijk de helicopteren
en de orthopteren, bepaald verworpen.
Ongetwijfeld biedt de orthopteer, of de mechanische vogel, enkele
voordeden aan. Daaromtrent is iedereen het eens. De geschriften en de
proefnemingen van den heer Renaud, in 1884 geschreven en volvoerd,
hebben het bewezen. Maar, zooals men het hem meer dan eens aan het
verstand gebracht heeft: men moet de natuur niet slaafs navolgen. De
locomotieven zijn geen kopieën van de hazen en de stoomvaartuigen niet
van de visschen. Aan de eerste heeft men wielen verleend, die toch
geen beenen genoemd kunnen worden. De tweeden hebben schroefbladen,
die toch geen zwemvinnen zijn. En daarom bewegen zij zich niet slechter
voort. Integendeel. Weet men daarenboven welke mechanische arbeid door
een vogel, wanneer hij vliegt, verricht wordt? De bewegingen, door het
dier daarbij verricht, zijn zeer samengesteld en ingewikkeld. Dokter
Marey heeft toch de meening geopperd, dat de baarden der slagpennen
zich gedurende de beweging van het terugbrengen van den vleugel,
openden, om de lucht gelegenheid te geven te ontsnappen. En zou nu
die zoo ingewikkelde beweging door eene kunstmatige machine na te
bootsen wezen? Waarlijk, dat zou zeer moeielijk zijn.
Van een anderen kant stond het als een paal boven water, dat de
zoogenaamde luchtzwevers met hunne hellende vlakken ook zeer goede
resultaten hadden opgeleverd, Wanneer toch bij de voortstuwende
beweging der schroeven tegen de inwerking der luchtlaag een schuin
vlak gesteld wordt, dan wordt daardoor een naar boven drijvende
arbeid verkregen, en de proefnemingen, die men met kleine toestellen
uitgevoerd heeft, hebben het bewijs geleverd, dat de ter beschikking
staande zwaarte, dat wil zeggen een zeker gewicht, behalve dat van het
toestel, in evenredigheid van de vierkanten der snelheid toeneemt. Dat
zijn groote voordeelen, oneindig grooter dan die der luchtgevaarten,
die aan eene overbrengingsbeweging onderworpen zijn.
Intusschen had Robur de gezonde gedachte haren invloed laten
uitoefenen, dat het eenvoudigste stelsel het beste is. De schroeven,
"die heilige schroeven", die men hem in de vergadering van Weldon
Institute zoo naar het hoofd gegooid, zoo vinnig verweten had, waren
dan ook voldoende geweest, om in alle behoeften zijner vliegende
machine te voorzien. De eene diende, om het toestel in de lucht
zwevende te houden, de andere bewoog het onder bewonderenswaardige
omstandigheden van snelheid en veiligheid voort.
En inderdaad, volgens de theorie, kan "door middel van eene schroef met
betrekkelijk korte bladen, maar van eene aanmerkelijke oppervlakte",
luidens de verklaring van den heer Victor Tatin, "wanneer men de
zaken tot het uiterste wil drijven, een onbepaald zwaar gewicht met
de minst mogelijke kracht opgetild worden."
De orthopteer, die evenals de vogels vleugelslagen volbrengt, verheft
zich door eenvoudig op de luchtlagen te steunen. De helicopteer
daarentegen verkrijgt zijn stijgende kracht, door schuins de luchtlagen
met de bladen zijner schroef te zweepen en verkrijgt daarbij eene
beweging, alsof hij tegen een hellend vlak opstijgt. In werkelijkheid
zijn het schroefvormige vleugels in plaats van wieken met platboorden.
De schroef beweegt zich noodzakelijk in de richting harer as
voort. Staat die as rechtstandig, dan beweegt de schroef zich in
verticale richting, staat zij horizontaal, dan ook geschiedt de
beweging in horizontale richting.
Het geheele vliegende toestel van den ingenieur Robur was op het
benutten van die twee beweegkrachten gegrondvest.
En wij laten hieronder eene nauwkeurige beschrijving van dat toestel
volgen, hetwelk gevoegelijk in drie hoofddeelen verdeeld kan worden,
namelijk: het platform of dek, de toestellen tot opheffing en
voortstuwing, en eindelijk de machinerie.
Het platform had eene oppervlakte van een honderd twintig vierkante
meters en was lang dertig en breed vier meters. Het was in den volsten
zin des woords een dek van een schip, welks voorsteven den vorm van
een wig zoude hebben. Onder dat dek rondde een romp af, met stevige
inhouten, welke bestemd was om de toestellen, die de mechanische
kracht zouden voortbrengen, alsook de kruitkamer, de kaarten- en
seinvlaggenkamer, het levensmiddelenruim, de bottelarij en de kisten
voor den watervoorraad te bevatten. Rondom dat platform verhieven
zich eenige lichte stutten daarboven, die door een traliewerk van
stevig ijzerdraad verbonden waren, waardoor eene soort van reeling of
verschansing gevormd was, welke door een stevigen raambalk gedekt werd,
die een flink scheepsboord als het ware vormde. Op de oppervlakte
van dat dek verhieven zich vier roeven, die tot verblijf dienden,
de eerste der middenvakken voor het personeel, de anderen voor de
werktuigen. In de middenroef was de machinerie daargesteld, die de
opheffingstoestellen, in de voorste roef de machine, die de schroef
van het voorschip, en in de achterste roef, die, welke de schroef
van het achterschip in beweging brachten. Die drie werktuigen hadden
ieder hun eigen beweegkracht en hun eigen toezicht. In de eerste roef
bij den voorsteven was de hut van den hofmeester, de kombuis en het
logies der bemanning. In de laatste roef bij den achtersteven waren
verscheidene hutten aangebracht, onder anderen die voor den ingenieur,
alsook een eetzaal. Daarboven verrees een glazen kooi of schuilplaats,
waarin de roerganger stond, die het geheele gevaarte door middel
van een krachtig stuurrad stuurde. Al die roeven en die hutten waren
door middel van patrijspoortjes verlicht, die gesloten konden worden
door vensters van gehard glas, hetwelk een weerstandsvermogen heeft
tienmaal grooter dan gewoon glas.
Onder den romp was een stelsel van buigzame veeren aangebracht, die
bestemd waren om het stooten te verminderen of te verzachten, hoewel
het aan land komen zeer zacht geschieden kon, omdat de werktuigkundige
het gevaarte geheel en al in zijne macht had.