MARHOLM.”

„Goddam! vloekte Baxter, „de duivel moge mij halen!”

Daarop wendde hij zich tot de beambten van politie, die in zijn kamer

zaten om hem naar het station te brengen:

„Ik neem alles weer terug, wat ik tegen den vorst heb gezegd. Hij is

niet de persoon, dien ik zoek. Ik beken, dat er hier een

persoonsverwisseling bestaat. Mijn man bevindt zich in Londen.”

De beambten antwoordden niets, maar begeleidden hem naar het station.

Toen Baxter daar in den trein zat, scheurde hij vol woede den ondersten

knoop van zijn vest af, wierp hem uit het venster en riep:

„Daar heb je je belooning voor je leugentaal, jij ellendeling!”

De knoop echter was blij, van Baxters vest bevrijd te zijn. — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Raffles bevond zich in zijn studeerkamer in het paleis en sprak tot

Charly Brand:

„Ik kreeg zooeven een brief van onzen vriend Plessenheim uit Londen.

Hij schrijft, dat hij naar huis terug wil komen en hij verzoekt mij,

onder eenig voorwendsel op reis te gaan en met hem in Londen samen te

komen.

„Daar zou ik hem dan verslag kunnen uitbrengen. Dan zou hij naar zijn

residentie terugkeeren en het bewind weer in handen nemen.”

„Nu”, sprak Charly Brand, „de vorst zal opkijken, als hij terugkomt.

Jij hebt hier den heelen boel op stelten gezet en ik zou er graag eens

getuige van willen zijn om te zien, hoe de vorst hier wordt ontvangen!

„De eenige man, die gebleven is zooals hij was, is de bankier Stern.

Die man is inderdaad een prachtkerel!

„Het meest sympathieke van hem heb ik het feit gevonden, dat hij steeds

genoegen nam met alle schenkingen voor liefdadige doeleinden, die je

gedaan hebt uit het vermogen van den vorst. Steeds verzekerde hij, dat

het hem zooveel genoegen deed, dat het opgestapelde geld eindelijk eens

voor verstandige doeleinden werd gebruikt!”— — — — — — — — — — — — — —

Vier-en-twintig uur later nadat Baxter was vertrokken, heette het dat

de vorst van Plessenheim met zijn vriend Charly Brand voor eenigen tijd

naar Berlijn reisde.

Inderdaad echter was het John Raffles, die de hoofdstad van het

vorstendom verliet, om weer plaats te maken voor den werkelijken vorst.

„Deze geschiedenis is van veel belang geweest voor mij zelf en voor de

goede onderdanen!” sprak Raffles in de coupé tot Charly Brand. „Ik heb

de menschen, die hier wonen, weer tot normale menschen gemaakt!

„Nu zullen wij zien, hoe mijn opvolger en voorganger, de vorst, zich

tegenover zijn onderdanen zal gedragen!”

„Het beste van de heele historie is, dat men jou eindelijk eens een

standbeeld heeft opgericht”, sprak Charly Brand.

Raffles stak een sigaret aan en lachte zachtjes.

Daarop sprak hij:

„Je ziet, mijn beste Charly, dat het geen moeite kost, om een

standbeeld te krijgen van de menschen.

„Mijn standbeeld hier echter heb ik eerlijk verdiend!”

„Ja, dat heb je!” antwoordde Charly Brand, „als je nog langer hadt

geregeerd, dan had het volk je minstens „den groote” genoemd.”

Zoodra inspecteur Baxter in Londen was aangekomen, haastte hij zich per

rijtuig naar Scotland Yard, zonder zich een oogenblik rust te gunnen.

Het was kort voordat het bureau gesloten werd en de Vloo wilde juist

met een zucht van verlichting zijn schrijftafel verlaten, toen zijn

hooge chef, de inspecteur, het bureau binnenstormde.

„Is Raffles nog in Londen?” was in plaats van een groet de eerste

vraag, welke bij tot de Vloo richtte.

Marholm echter was niet zoo haastig en, terwijl hij den inspecteur

gemoedelijk de hand toestak, sprak hij:

„Goeden avond, inspecteur!”

„Ik heb maling aan jouw goeden avond!” antwoordde deze, „ik wil weten,

of Raffles nog in Londen is. Daarvoor ben ik regelrecht van het station

naar het bureau gekomen, zonder mijzelf een oogenblik slaap te gunnen!”

De Vloo lurkte aan zijn tabakspijp en antwoordde:

„Hm, of Raffles nog in Londen is, weet ik niet!”

„Wat?!” schreeuwde Baxter. „Is hij misschien niet meer hier? En daarom

kom ik als een krankzinnige hierheen gesneld en dat alleen, omdat gij

hebt geseind, dat hij nog hier is?

„Ik herhaal je, Marholm, je brengt mij nog tot wanhoop!

„Als hij ons nu weer ontsnapt, dan is het dezen keer uw schuld en gij

alleen draagt de verantwoording!”

De Vloo zoog behaaglijk aan zijn tabakspijp, blies dikke rookwolken

voor zich uit en scheen zich niets aan te trekken van de opgewondenheid

van zijn superieur.

„Hedenmiddag”, zoo begon hij, „was Raffles nog in Londen. Ik zelf zag

hem in zijn hotel doodkalm met een dame zitten dineeren!”

„Wat?!” riep Baxter uit, „die kerel waagt het, in het publiek in een

hotel te dineeren en dat nog wel met een dame? Deze brutaliteit

overtreft alles!”

„Dat vind ik niet!” antwoordde de Vloo, „Raffles beweegt zich graag in

het publiek, ondanks onze aanwezigheid.

„Tot dusverre, inspecteur, hebben wij hem, hoewel hij zich in het

openbaar beweegt, nog niet te pakken kunnen krijgen!”

„Waarom hebt gij hem niet gearresteerd? Als mijn plaatsvervanger hadt

gij dat moeten doen!”

„Ik zal wel oppassen” lachte de Vloo, „de schande om John C. Raffles te

willen arresteeren en hem niet te kunnen krijgen, laat ik liever aan

anderen over!

„Ik heb nu eenmaal geen vertrouwen in onze zaak, wat betreft den

Grooten Onbekende, naar wien ik heden mijn hand slechts behoefde uit te

steken, maar een inwendige stem waarschuwde mij om niet zoo roekeloos

te zijn!

„Want als men John C. Raffles heeft, heeft men hem nog lang niet! Dat

is juist het meesterlijke van hem!”

„Beveel onmiddellijk alle detectives om ons bij te staan en laat hen in

de voorkamer aantreden!

„De duivel zelf zou in het spel moeten zijn,—als John C. Raffles ten

minste nog in het hotel is,—dat wij hem dezen keer niet zouden

krijgen!”— —

Een half uur later betrad inspecteur Baxter de vestibule van het hotel

en informeerde daar, nadat hij een nauwkeurige beschrijving van John

Raffles had gegeven, of een dergelijk persoon tijdelijk hier in het

hotel woonde met een dame.

De kellner, die den inspecteur kende, gaf hem na eenig nadenken de

gewenschte inlichtingen en sprak:

„Jawel, een heer, zooals gij hebt beschreven, woont als mijnheer Otto

Muller met zijn vrouw in de kamers der eerste étage, hij bewoont daar

zelfs de zoogenaamde vorstelijke vertrekken.”

„Juist iets voor hem!” mompelde Baxter, „iemand zooals ik ben, is blij,

als hij een eenvoudige kamer kan betalen, en deze schurk huurt de

vorstelijke vertrekken op de eerste étage. Maar dat komt, omdat hij van

het geld van anderen leeft.”

De kellner, die deze alleenspraak had gehoord, sprak:

„Ik verzoek u, mijnheer de inspecteur, als die persoon werkelijk een

bedrieger is, de arrestatie zonder veel opzien te baren te willen doen

plaats hebben met het oog op onze andere gasten.”

„Wees onbezorgd”, sprak de inspecteur, „ik zal u geen onaangenaamheden

bezorgen. Is de heer Otto Muller aanwezig?”

„Neen”, antwoordde de kellner, nadat hij even bij den portier had

geïnformeerd. „Mijnheer en mevrouw zijn een half uur geleden naar den

schouwburg gegaan. Voor middernacht zullen zij niet terugkomen.”

Er bleef Baxter niets anders over dan niet zijn beambten in de

conversatiezaal van het hotel te wachten.

Het was over éénen, toen Otto Muller met zijn dame in het hotel

terugkeerde.

Men liet hem ongestoord naar zijn kamers gaan en—juist op het oogenblik

toen hij zijn dame den kostbaren theatermantel afnam en haar in den nek

kuste—werd de deur geopend en Baxter, gevolgd door de Vloo en een massa

detectives, snelden de kamer binnen, pakten hem beet, wierpen hem op

den vloer en legden hem boeien aan.

„Goddank!” riep Baxter, „eindelijk heb ik u! De kruik gaat zoolang te

water tot zij breekt en dezen keer ontsnapt gij mij niet meer!”

„Om ’s hemels wil”, riep de dame uit, „wat doet gij? Wie zijt gij en

wat wilt gij?”

„Dat zult gij meteen wel zien, mijn lieve dame!” antwoordde Baxter, die

vermoedde, dat zij niet veel bijzonders was.

„Gij kunt uw vriend naar het hoofdbureau van politie volgen en zijt

voor ons ook een goede vangst.”

Nu had de vorst van Plessenheim zijn bezinning teruggekregen. Ondanks

de boeien van het zwaarste kaliber, zooals men die alleen gebruikt voor

gevaarlijke misdadigers, wierp hij een blik vol verontwaardiging naar

Baxter en riep:

„Zeg eens, gij idioot, wie zijt gij eigenlijk en wat valt u in om mij

op deze brutale wijze te beleedigen?”

„Wat?” schreeuwde Baxter, „durft gij mij een idioot te noemen? Gij hebt

mij lange jaren genoeg voor den gek gehouden, maar nu is daaraan een

einde gekomen!”

„Ik vraag u”, riep de vorst woedend uit, „wie gij zijt? Deze grap zal u

duur te staan komen!”

„Nu wil de kerel nog weten, wie ik ben. Hij kent mij zeer goed.

„Mijn lieve vriend, wij behoeven geen comedie voor elkaar te spelen. Al

het verdere zult gij op Scotland Yard vernemen, Mr. John C. Raffles!”

Op dit oogenblik kwam de directeur van het hotel binnen, om Baxter te

verzoeken, het hotel te verlaten, daar het lawaai reeds de aandacht der

andere gasten had getrokken.

„Mijnheer de directeur”, riep de vorst, „zeg mij als ’t u belieft, wat

deze lieden willen. Ik heb het gevoel alsof ik onder een bende

krankzinnigen ben terecht gekomen.”

„No, Sir”, antwoordde de directeur, „dat is niet het geval, maar dit is

inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard met zijn beambten.”

„Ik dank u”, antwoordde de vorst.

„Spaar uw woorden toch!” riep Baxter den directeur toe, „die man houdt

u voor den gek. Hij weet best, wie ik ben.”

„En deel mij nu mede”, vervolgde de vorst, „waarom gij mij behandelt

als een gevaarlijk misdadiger.

„Misschien omdat ik tijdelijk hier woon? Ik denk toch, dat in Engeland

iedereen zich mag noemen zooals hij wil.”

„Aha!” riep Baxter, „hij bekent al, dat hij onder een aangenomen naam

leeft!”

„Ik heb niets te bekennen!” klonk het antwoord. „Mijn naam gaat u niets

aan!

„Maar deze behandeling tegen mijn persoon zal voor u de onaangenaamste

gevolgen hebben.

„Opdat gij weet, met wien gij te doen hebt, zeg ik u:

„Ik ben de vorst van Plessenheim!”

De inspecteur van politie barstte in een luiden schaterlach uit.

„Dat is een prachtige mop, die gij daar vertelt, maar men mag mij

morgen ophangen, als gij de vorst van Plessenheim zijt!

„Vooruit, mannen! Pakt hem beet en brengt hem naar Scotland Yard en

neemt zijn liefje maar meteen mee!”

Geen woorden of bedreigingen hielpen den vorst en op wreede wijze kwam

er een eind aan zijn huwelijksreis.

Al zijn papieren had hij ter beschikking gesteld van Raffles; hij wist

werkelijk niet, hoe hij zich uit dezen toestand zou redden.

Den volgenden morgen verkondigden de kranten met vette letters het

volgende nieuws:

John C. Raffles eindelijk gepakt!

John C. Raffles in een hotel onder den naam Muller gearresteerd!

Zijn geliefde, een vroegere actrice, eveneens gevangen genomen!

Baxter was de held van den dag. De gezamenlijke detectives van Scotland

Yard brachten hun chef als bewijs hunner vereering een lauwerkrans en

Baxter was in den zevenden hemel.

Het was tegen den avond van den volgenden dag, toen John C. Raffles den

Engelschen bodem betrad en de eerste couranten kocht aan de haven.

„Vervloekt?” sprak hij tot Charly Brand, toen zij in de coupé zaten,

„het was hoog tijd, dat ik in Londen terug kwam.

„Hier lees ik in de krant, dat men den vorst Von Plessenheim in plaats

van mijne persoon gevangen heeft genomen. Dat kan Baxter duur te staan

komen.”

Nauwelijks was hij in Londen aangekomen of hij spoedde zich naar het

dichtstbijgelegen telegraafkantoor en verzond het volgende telegram aan

den hofmaarschalk:

„Ik ben naar Londen gereisd en hier ten gevolge van een

persoonsverwisseling in hechtenis genomen.

Neem onmiddellijk per telegraaf maatregelen via Duitschen gezant en

beklaag u bij de Engelsche regeering. Ik verlang algeheele

satisfactie. Om het u gemakkelijker te maken, deel ik u mede, dat

ik incognito in het hotel woonde onder den naam van Otto Muller.

Laat geen minuut verloren gaan, treed onmiddellijk handelend op.

Ik laat dit telegram door mijn reisgezel afgeven.

Lord Lister No. 0053: Een huwelijksreis · 第 11 / 14 题