Toen zij zich weer oprichtten, keken zij in zijn lachende oogen en
onmiddellijk verscheen op aller gelaat eveneens een glimlach.
De burgemeester begon nu een goed ingestudeerde rede voor Raffles af te
steken, waarin hij zijn vreugde te kennen gaf, den Vorst weer in zijn
Residentiestad terug te zien.
Daarop begaf de hooge persoon zich naar de genoodigden en begon zich
met hen te onderhouden over hun particuliere omstandigheden.
Daar hoorde hij veel, waarvan anders een Vorst weinig verneemt.
Vooral de vrouwen, die haar schroom voor den Vorst sneller overwonnen
dan de mannen, begonnen over de moeilijke levensomstandigheden, de
drukkende belastingen en de hooge prijzen van alle levensmiddelen te
vertellen of wel zij klaagden hem vrijmoedig over het ongeluk, dat
dezen of genen had getroffen.
Raffles, die door twee secretarissen was vergezeld, gaf dezen korte
bevelen omtrent datgene, wat zij moesten noteeren.
Daarop begaf Raffles zich naar de roode zaal, waar lange tafels met
gebak en vruchten waren gereedgezet.
Hij wachtte bij de hofdames en hooger geplaatste hovelingen en ook
Charly Brand.
Naast zijn secretaris liep een mooie kleine blondine, waarover men aan
het hof veel fluisterde, daar zij zich absoluut niet in de hofetikette
kon schikken.
Het was de kleine barones Von Brenkenhaus.
Het hofgezelschap dacht te zullen sterven van schrik, toen zij zonder
eenige plichtplegingen naar Raffles toetrad, hem de hand toestak en
zei:
„Goeden dag, Uwe Hoogheid!
„Dank, dat gij eindelijk weer terug zijt! Gij hebt mij indertijd
verteld, dat het hier bij u zoo vroolijk en amusant was, maar ik moet u
eerlijk bekennen, dat ik mij nog nooit in mijn leven zoo heb verveeld
als hier.”
„O! Dat doet mij leed!” antwoordde Raffles. „Dat spijt mij inderdaad!”
en de groote onbekende lachte hartelijk over de naïeveteit van het
blondje.
Op zijn lachen volgde een donderende echo.
De gasten, die vol spanning naar hun Vorst keken, begonnen volgens het
bevel van den hofmaarschalk eveneens luid te lachen.
Raffles keek verbaasd om zich heen.
„Nu, nu,” sprak hij tot den dichtbij hem staanden man. „Waarom lacht ge
zoo?”
„Ja,” sprak deze, „dat weet ik zelf niet, maar mijnheer de
hofmaarschalk heeft bevolen dat wij moesten lachen, als Uwe Hoogheid
lacht, dus......”
„Dat is ongelooflijk,” mompelde de Vorst hoofdschuddend.
„Ga als ’t u belieft rustig zitten, drink thee en eet gebak.”
Onmiddellijk namen de uitgenoodigden plaats en weer waren het de
vrouwen, die het eerst haar angst overwonnen en, nadat zij het kostbare
porselein en zilver hadden bewonderd, van de thee en het gebak
gebruikten.
„Staat uwe Hoogheid toe,” vroeg de kleine barones, „dat ik bij die
menschen ga zitten en een beetje met hen praat?”
„Gaarne,” lachte Raffles, „doe dat, barones!”
„Een ware verkwikking,” fluisterde de barones, „dat zijn tenminste
echte menschen! Weet gij, Uwe Hoogheid, gij kijkt werkelijk veel
verstandiger dan ik had gedacht, gij bevalt mij!”
De gezichten der hooggeplaatste personen werden bleek als lijken.
Maar toen Raffles de barones antwoordde:
„Daarvoor krijgt gij een belooning van mij,” werden zij het er over
eens, dat de vorst Engelsche manieren aan het hof wilde invoeren.
„Hij schijnt in het buitenland geheel en al Engelschman te zijn
geworden!” fluisterde de eene Kamerheer den ander toe, „wat zullen wij
nu doen?”
„Ja— — —ja— — —ja— — —,” klonk het antwoord: „Ik denk, dat de lui daar
precies zoo zijn als de barones.”
„Nu”, sprak de vorst juist tot deze twee heeren, „wilt gij niet bij ons
plaats nemen en een beetje aan het gesprek deelnemen?”
„Ja— — —ja— — —ja— — —” antwoordde de kamerheer, „ik was reeds van
plan, met mijn collega bij de lui plaats te nemen en hun eenige
anecdotes te vertellen.”
„Anecdotes?” vroeg Raffles. „Welke anecdotes kent gij dan wel?”
Het zou in vroegere dagen bepaald een misdaad zijn geweest, de etikette
op zulk een ruwe wijze te schenden, maar de Kamerheer wilde volgens
voorbeeld der barones ook zonder veel omslag met den vorst spreken en
op deze manier in de gunst komen.
„Vertel mij eens een anecdote, ik ben benieuwd, er een van u te
hooren.”
„Gaarne, Uwe Hoogheid! Ik heb juist weer een nieuwe Mikosch-mop
gehoord!”— — —
De hofmaarschalk meende een aanval van beroerte te krijgen en alle
hofdames waren van plan, in zoutpilaren te veranderen.
Alleen een paar jonge officieren trokken met een verlegen glimlachje
aan hun korte snorren en een van hen sprak tot zijn kameraden:
„Zeg, de tijden van koning Jerome schijnen hier te zijn teruggekeerd.”
„Uwe hoogheid,” begon de kamerheer en doodelijke stilte heerschte in de
zaal, „baron Mikosch kwam onlangs op het station Friedrichstrasse in
Berlijn en vroeg aan een kennis van hem: weet je geen nieuwe
mop?—Jawel, antwoordde deze, ga maar eens met mij mee.
„Hij bracht den baron naar de toilets in het sousterrain en wees hem de
opschriften, die daar waren aangebracht.
„Lees eens, wat daar staat, Mikosch!—Deze las: voor dames en
heeren.—Zoo, sprak zijn vriend, kijk nu eens, met ons hoevelen zijn wij
nu hier?
„O, lachte Mikosch, ik weet het— — —ik weet het, zwijg maar.
„Eenige maanden later, was de baron op een hofpartij bij Keizer Frans
Joseph in Weenen.
„Nu, baron Mikosch, sprak de Keizer lachend, wat voor een nieuwe
anecdote hebt gij?—O, sprak deze, ik heb een bijzonder mooie. Daarop
liet hij 4 hofdames en 4 generaals voor den Keizer plaats nemen en
vroeg: Uwe Majesteit, wat is dat?
„Maar noch de Keizer, noch het overige gezelschap kon de mop raden.
„O, lachte Mikosch, ik heb het ook niet geweten, wat het was. Dat zijn
de toilets op het station Friedrichstrasse in Berlijn.—”
Sprakelooze verbazing had zich van alle hovelingen meester gemaakt en
nog grooter werd hun ontzetting, toen zij zagen, dat Raffles zich
blijkbaar amuseerde en om de aardigheid lachte.
Onmiddellijk lachten zijn gasten mee.
Nu begonnen de aanwezigen onder elkaar te fluisteren en men voelde zich
meer en meer op zijn gemak.
Ja, de vorst nam zelfs aan tafel plaats en begon een sigaret te rooken.
„Rookt gij ook?” vroeg hij zijn gasten en hij gaf een teeken, sigaren
en sigaretten aan te bieden.
Weldra zag de zaal eruit als een tabaksfuif van Friedrich Wilhelm I en
toen slotenmaker Ernst in groote openhartigheid tot den vorst sprak:
„Ik begrijp niet, Uwe Hoogheid, dat gij thee lekker vindt en niet meer
houdt van een goed glas Münchener”, gaf Raffles bevel, bier te laten
serveeren en nu werd het pas recht gezellig.
Toen Raffles des avonds met zijn hofmaarschalk door de vertrekken liep,
waagde deze het te zeggen:
„Ik veronderstel, Uwe Hoogheid, dat de uitnoodigingen van hedenavond
niets anders dan een scherts zijn geweest?”
„Ik denk er niet aan!” lachte de vorst, „maar gij moet mij morgen
honderd andere gasten uitnoodigen en zoo steeds verder, totdat ik
andere bevelen geef.
„Ik wensch, dat mijn burgers vroolijke, aangename uren bij hun vorst
zullen doorbrengen.”
De hofmaarschalk wist niet, wat hij zou antwoorden.
Raffles echter zat nog in den nacht met Charly Brand samen en amuseerde
zich kostelijk over het verbaasde hofgezelschap, en het denkbeeld, den
eenvoudigen burgers van Plessenheim een genoegen te hebben bereid.
De vorstin van Plessenheim was, verontwaardigd over de nieuwste
zotheden van haar heer gemaal, afgereisd en had haar toevlucht gezocht
in een modebadplaats aan de Riviera.
Die omstandigheid droeg er veel toe bij, dat Raffles ongestoord zijn
baantje als plaatsvervanger van den vorst kon waarnemen.
„Een groot geluk”, sprak hij tot Charly Brand, „dat de vorstin is
opgerukt en dat zij van den aanvang af met haar echtgenoot op gespannen
voet heeft geleefd.”
„Ja”, lachte Charly, „zeer zeker is het dat!”— — — — — — — — — — — — —
— — —
Terwijl Baxter in Plessenheim was, amuseerde de werkelijke vorst van
Plessenheim zich met zijn geliefde in Egypte en hij rilde als hij eraan
dacht, dat hij op een goeden dag zijn huwelijksreis zou moeten afbreken
om weer als vorst zijn leven te moeten dwingen in de perken der
hofetikette.
Hij vermoedde niet, welke verrassingen hem thuis wachtten.
Geheel Plessenheim verkeerde in een roes van vreugde en vermaken.
Slechts een enkele nam daaraan geen deel.
Dat was de inspecteur van politie Baxter.
Hij had zijn intrek genomen in hotel „Zum goldenen Löwen”, het beste
hotel van Plessenheim.
Tevergeefs had hij tot dusverre gehoopt, den vorst te zien.
Het was, als had de vorst zijn vroegere levenswijze totaal veranderd en
uit het vorstendom Plessenheim een ideaal land geschapen.
Belastingen, welke de burgers tot dusverre hadden gedrukt, werden
afgeschaft, onvriendelijke ambtenaren, hardvochtige rechters, etc. uit
hun dienst ontslagen, en elken dag konden honderd personen zonder
bijzondere uitnoodiging des avonds in het paleis komen om zich daar met
den vorst te onderhouden.
Nimmer nog had zich een vorst zoo om de persoonlijke belangen zijner
onderdanen bekommerd, zooals deze vorst van Plessenheim en de
toestanden, welke op deze wijze in het vorstendom ontstonden, wekten in
de geheele wereld opzien en werden in de couranten besproken.
Raffles was nu als vorst van Plessenheim bijna drie weken aan de
regeering, toen het oogenblik naderde, waarop de keizer van Siam, Kai
Rusz, zijn officieel bezoek wilde brengen.
Tot dit doel kwam de hofmaarschalk van Zijne Majesteit ter bespreking
naar Plessenheim.
Deze durfde zijn oogen niet gelooven, toen hij zag, op welke wijze de
vorst van Plessenheim met zijn onderdanen omging.
Toen hij des avonds zag, dat de burgers in het slot samenkwamen,
schudde hij herhaaldelijk het hoofd en kreeg de stellige overtuiging,
dat de keizer geen bezoek zou willen brengen aan een op zoo
revolutionnaire wijze bestuurd vorstendom.
Hij kende de hofdames en heeren van vroegere bezoeken en verbaasde zich
er over, dat deze zoo geheel veranderd waren.
Zelfs de hofmaarschalk was een natuurlijk mensch geworden.
„Ha, ha, ha,” lachte deze tegen den Siameeschen hofmaarschalk, „ik
verzeker u, mijn waarde, dat het een genot is, hier te leven.
„Vroeger—ja, vroeger, toen moest men comedie spelen en elkaar naar de
oogen kijken. Tegenwoordig is dat niet meer noodig! Men kan zich nu
geven, zooals men is!
„De vorst heeft bevolen, dat wij ons als menschen en niet als apen
moeten gedragen.
„En degenen van ons, die niet mensch konden worden—wel, die zijn
gevlogen! Ha, ha, ha!”
„Ja—maar—ziet gij, ik moet Zijne Majesteit bericht brengen omtrent dit
hof.
„Het is toch onmogelijk, dat ik dit alles.... deze eigenaardige
voorvallen.... die aan den tijd der Fransche Revolutie herinneren....
dat ik dit alles voor den Keizer verzwijg!—ik houd het voor onmogelijk,
dat mijn groote Heer dit vorstendom bezoekt.”
„Ja, ziet gij”, antwoordde de hofmaarschalk, „vroeger, ja, toen had ik
al mijn tien vingers afgelikt, als de Keizer van Siam naar hier
kwam.—Maar nu!—Wel, voor den duivel, het is ons precies hetzelfde, of
uw Keizer hier komt of niet!”
De hofmaarschalk zonk bijna in den bodem over dit antwoord.
Op dit oogenblik klopte de kleine barones Von Brenkenhaus den
hofmaarschalk op den schouder en sprak:
„Nu, gij Siameesche tweeling, hebt gij hier nu genoeg rondgesnuffeld?
Of wilt gij misschien nog, voordat gij vertrekt, informeeren, of het
waschwater heet goed genoeg is voor uw heer en volkomen vrij van
bacillen?
„Ik verzeker u, hofmaarschalkje, de Keizer zal zich hier kostelijk
amuseeren. En hij kan bovendien nog leeren, wat het is, mensch te
zijn.”
„Dank u, dank u!” weerde de hofmaarschalk af, „wij zijn dat in Bankong
niet gewend!”
„Jammer voor u, Achter-Indiërs!” sprak de kleine barones.
Zonder met den vorst van Plessenheim persoonlijk te hebben gesproken,
verliet de hofmaarschalk het slot en begaf zich, daar hij pas den
volgenden dag kon vertrekken, naar het hotel „Zum goldenen Löwen”, waar
de bekende politie-inspecteur Baxter woonde.
Aan het souper begroetten zij elkaar vriendelijk, daar zij elkaar
kenden van de laatste reis van den Keizer van Siam.
„Wat doet gij hier, mijn waarde heer inspecteur?” vroeg de
hofmaarschalk nieuwsgierig.
„Ja”, antwoordde Baxter, „dat is een eigenaardige geschiedenis. Of ik
ben een groote domkop, of ik ben het niet, maar in elk geval is de
andere geslepener dan ik!
„Het helpt mij niets, al ben ik nog zoo intelligent!”
„Zal ik u eens wat zeggen”, sprak de hofmaarschalk, terwijl hij aan
tafel naast den Engelschen inspecteur van politie plaats nam, „hier in
Plessenheim gaat het raar toe, precies alsof de vorst plotseling
krankzinnig was geworden.”
„Ja”, knikte Baxter, „het is een eigenaardige geschiedenis. Ik zou
durven wedden, dat de zoogenaamde vorst van Plessenheim niet de vorst
zelf is, maar een veelgezochte avonturier en bedrieger uit Engeland,
die zich hier op een mij onverklaarbare wijze kostelijk amuseert!”
„Zoo?” vroeg de hofmaarschalk. „Gaat nu uw phantasie niet wat te ver?”
„Wel, zeg eens, hebt gij tot dusverre in de wereldgeschiedenis van een
dergelijk voorbeeld gehoord, dat een vorst op zulk een wijze met zijn
onderdanen omgaat?” riep de inspecteur.
„Neen, inderdaad niet, daarin hebt gij gelijk!” antwoordde de
hofmaarschalk. „Maar wacht eens, ik geloof het toch!”
„Zoo?” vroeg Baxter, den peinzenden hofmaarschalk aankijkend.
„Ik meen gelezen te hebben”, begon de hofmaarschalk, „dat Frederik de
Groote op zeer burgerlijke manier met zijn onderdanen omging en
ook—wacht—wacht eens—wij hebben in Rusland een der grootste monarchen
gehad, die ooit hebben geleefd—Peter de Groote—ja, en die deed precies
zooals deze vorst in Plessenheim.
„Boeren werden plotseling hertogen en vorsten, gewone vrouwen hofdames,
staljongens werden minister en eenvoudige schippers commandeerende
admiraals en dergelijke dingen meer!
„Ja!— — —Zeer zeker— — —merkwaardig!— —Ik had dat vergeten en andere
vorstengeslachten in Rusland uit den tegenwoordigen tijd zijn
nakomelingen van die eenvoudige lieden!—drommels—merkwaardig—men
vergeet dat weer! Het is mogelijk, dat deze vorst van Plessenheim de
voetstappen van Peter den Groote wil drukken.
„Maar in den tegenwoordigen tijd is dat immers onmogelijk!
„Dat zou revolutionnair zijn!”
Inspecteur Baxter zat ernstig na te denken.
Voor zijn geestesoog dook de gestalte op van Peter den Groote en, daar
hij niet volkomen thuis was in de geschiedenis van Rusland, zag hij hem
voor zich als de scheepsbouwer uit „Czar und Zimmermann.”
„Duivels, ja!” vloekte hij zacht voor zich heen, „ik moet mijn tijd
hier voor niets verzuimen, want wat Peter de Groote heeft gedaan, is
veel vreemder en verbazingwekkender geweest dan datgene, wat deze vorst
van Plessenheim heeft ondernomen, dien ik echter toch voor John C.
Raffles houd.”— — —
Het was den volgenden middag, toen Baxter door de hoofdstraat van
Plessenheim liep en overlegde, of hij met den middagtrein via Nederland
naar Londen terug zou keeren.
Plotseling hield voor een winkel een rijtuig stil en Baxter zag den
vorst van Plessenheim, alias Raffles, met Charly Brand uitstappen.
Beide heeren droegen eenvoudig civiel en daardoor zag Baxter duidelijk,
dat hij hier werkelijk te doen had met den zoo veelvuldig gezochten
John C. Raffles en diens vriend Charly Brand.
Hier was geen twijfel meer mogelijk.
Baxter kende het hoonende glimlachje, waarmee hij Raffles in Londen
steeds had gezien.
Hij kende het te goed, om het ooit in zijn leven weer te kunnen
vergeten.
De zoogenaamde vorst van Plessenheim bleef, toen hij Baxter zag, een
oogenblik staan, klemde zijn monocle vast en lachte tegen Baxter met de
gelaatsuitdrukking, die deze maar al te goed kende.
De inspecteur van politie werd beurtelings heet en koud.
Tevergeefs trachtte hij zich een houding te geven.
Terwijl hij nog voor zich uitstaarde, waren Raffles en Charly Brand in
den winkel verdwenen, waar zij eenige inkoopen te doen hadden.
Baxter stond buiten voor het étalage-venster, telde de knoopen van zijn
vest en mompelde:
„Het is Raffles—het is de vorst van Plessenheim—het is Raffles—het is
de vorst van Plessenheim.—
En de laatste knoop zei: „Het is Raffles!”
Toen Raffles den winkel verliet, trad Baxter op hem toe, legde hem de
hand op den schouder en sprak:
„Leg uw masker af, John C. Raffles! Ik verklaar u voor gevangen!”
Raffles keek hem eenige seconden in de oogen:
„Ik bewonder uw moed, inspecteur!” antwoordde hij op kalmen toon. „Ik
had werkelijk niet geloofd, dat gij zooveel courage hebt—maar ik kan u
nog altijd niet het genoegen doen, mij door u te laten arresteeren!
„Ik heb mij vast voorgenomen, mij noch in dit leven, noch na mijn dood
door u gevangen te laten nemen.
„Ik wensch hiernamaals beter gezelschap te krijgen en denk, dat het
heel vermakelijk moet zijn, als uw geest de drijfjacht voortzet op den
mijne na onzen dood.”
„Maak geen drukte, Mr. Raffles”, sprak Baxter, „en volg mij naar het
station. Ik ben van plan, u onmiddellijk over te brengen!”
De vorst lachte luidkeels, zoo luid, dat de nieuwsgierige
voorbijgangers, die met ontbloot hoofd eerbiedig op eenigen afstand
stonden, moesten meelachen.
„Neem uw handen weg”, beval hij den inspecteur nu.
„Ik laat u nooit weer los!” antwoordde deze; „nogmaals: ik verklaar u
voor gevangen! Volg mij!”
Nu gaf Raffles, zonder dat Baxter het zag, den geheimen politie-agent,
die vlak bij hem stond, een wenk en sprak:
„Bevrijd mij van dien man! Hij schijnt krankzinnig te zijn! Hij
vervolgt mij reeds langen tijd!”
Bliksemsnel wierpen zich twee geheime agenten van politie op Baxter,
bonden hem de armen op den rug en hielden hem stevig vast.
De vorst had met Charly Brand in het rijtuig plaats genomen; hij boog
zich uit het portier en riep den agenten toe:
„Zet dien man onmiddellijk over de grenzen. Mocht hij nog bagage hier
hebben, geef hem die dan mee!”
En zoo geschiedde het, dat Baxter onder geleide van twee
politie-agenten in zijn hotel terugkeerde.
Daar gaf men hem gelegenheid, zijn handkoffer te pakken en juist toen
hij wilde vertrekken, kwam er een telegram voor hem van Scotland Yard:
„Kom onmiddellijk hierheen. John C. Raffles bevindt zich sinds
gisteren in Hotel Cecilia.