VON PLESSENHEIM.”

„Ziezoo,” sprak Raffles, „als Baxter zich er ooit leelijk heeft

ingedraaid, dan is het zeker dezen keer.”

Den volgenden morgen nam Baxter zijn gevangene het eerste verhoor af.

Een geheele rij van de voornaamste juristen uit Engeland, rechters en

advocaten, waren hiervoor samengekomen en zelfs de Lord-mayor was uit

nieuwsgierigheid verschenen.

Om van zijn triomf ten volle te genieten, had Baxter zelfs den gehaten

journalisten toegang verstrekt.

Vol belangstelling keken alle aanwezigen naar den gevangene, die

bewaakt werd door zes tot de tanden gewapende agenten van politie en

verwonderden zich over de trotsche, zelfbewuste houding, welke hij

bleef aannemen.

„Het is jammer van den kerel,” fluisterden de journalisten tegen

elkaar. „Hij ziet er uit als een geboren vorst.”

Met een verachtelijk glimlachje luisterde beklaagde naar de eindelooze

acte van beschuldiging, welke Baxter voorlas.

Bijna twee uur lang duurde dit en aan het slot vroeg Baxter:

„Bekent gij, de u ten laste gelegde misdaden, te hebben gepleegd?”

„Gij zijt stapelgek!” antwoordde de gevangene. „Gij zijt zóó volslagen

krankzinnig, dat ik voor u een speciale cel in mijn

krankzinnigengesticht zou laten bouwen, als ik u in mijn residentie

had.”

Baxters gelaat werd purperrood, terwijl de vloo zich op de lippen beet

en de journalisten elkaar glimlachend aanstieten.

„Een ongehoorde brutaliteit,” mompelden echter de juristen en Baxter

sprak:

„Jammer, dat bij ons de lijfstraffen zijn afgeschaft, anders zou ik

deze beleediging van mijn persoon weten te wreken.”

„Prettig, als gij mij eens komt bezoeken!” lachte de vorst.

„Zwijg!” schreeuwde Baxter. „Mij kunt gij niet bedriegen! Ik kom

regelrecht uit uw vorstendom.

„Ik heb een paar dagen geleden nog met den vorst van Plessenheim

gesproken.”

„Dat kan wel zijn,” antwoordde de gevangene, terwijl een lachje om zijn

lippen speelde.

„Maar wat gij vertelt, komt toch niet uit!”

„Wij zullen daar niet over twisten,” riep Baxter, „bekent gij nu

eindelijk, dat gij John C. Raffles zijt?”

„Ik herhaal u nog eenmaal,” antwoordde de vorst, „dat gij stapelgek

zijt! Ik ken uw John C. Raffles alleen uit de kranten en wil u en al

dezen heeren gaarne bekennen, dat ik mij dikwijls kostelijk om hem heb

geamuseerd.”

„Gij bekent dus niet,” riep Baxter tandeknarsend van woede terwijl de

aderen op zijn voorhoofd als koorden waren opgezwollen.

De vorst antwoordde met een schouderophalen en keek hem vol minachting

aan.

„Allright!” riep Baxter uit. „Dan lever ik u over aan den rechter?

Breng den gevangene weg!”

Op dit oogenblik werd een deur der zaal geopend en verschillende

hooggeplaatste Engelsche ambtenaren en een vertegenwoordiger van het

Duitsche gezantschap snelden binnen.

Nauwelijks hadden de binnenkomende heeren den gevangene gezien of zij

liepen haastig naar hem toe, maakten diepe buigingen en een der

Engelschen, Lord Ruston, adjudant van den koning, beval op scherpen

toon den verbluften politie-agenten:

„Neemt onmiddellijk Zijne Hoogheid de boeien af!”

Daarop wendde hij zich tot Baxter, die er als een steenen beeld

bijstond en bulderde hem toe:

„Mijnheer, gij zijt de grootste idioot en lomperd, die er ooit in

Engeland heeft geleefd. Zijt gij krankzinnig of dronken?

„Om een vorst hier in een dergelijken toestand te brengen!”

Baxter deinsde bij die woorden achteruit, alsof een granaatvuur tegen

hem geopend was.

Met beide handen steunde hij zich op de schrijftafel en stamelde:

„Uwe Lordschap—Uwe Lordschap—ik begrijp niet—ik begrijp niet—ik begrijp

niet—”

„Gij hebt gelijk,” vervolgde Lord Ruston, „gij begrijpt inderdaad niet.

„Gij verstaat het alleen, om de grootste verwarringen in het leven te

roepen. Gij hebt ons een potje gekookt, waaraan wij allen onze vingers

en lippen weleens leelijk kunnen branden. Maar de duivel hale u! Ik zal

ervoor zorgen, dat gij een voorbeeldige straf krijgt!

„Het zou het beste voor u zijn, dat gij om uw zenuwen weer te

kalmeeren, naar een koudwater-inrichting gingt.

„Iedere dokter in Engeland en ieder van ons zal gaarne constateeren,

dat gij krankzinnig zijt!”

Baxter, voor wien de geheele kamer in het rond draaide, staarde Lord

Ruston aan en stotterde:

„Ja, uw Lordschap, ik geloof werkelijk, dat ik krankzinnig ben!”

„Goed, dat gij het inziet!”

Daarop wendde de Lord zich tot den vorst, die nu ontdaan was van de

boeien en begon, in naam der Engelsche regeering, de eene

verontschuldiging na de andere te uiten.

De vorst, die zijn goed humeur reeds had teruggekregen, stelde den Lord

gerust en noodigde hem en alle aanwezige grootwaardigheidsbekleeders

uit voor een diner in zijn hotel.

Eenige minuten later waren Baxter en Marholm alleen gebleven.

De inspecteur had het hoofd in de handen geleund en staarde als een

waanzinnige naar den grooten lauwerkrans boven zijn schrijftafel,

waarop met gouden letters gedrukt stond:

Aan den nieuwen Sherlock Holmes,

den besten detective der 20 eeuw

Hun hooggeëerden inspecteur

JAMES BAXTER.

De beambten van Scotland Yard.

Herinnering aan de arrestatie van John C. Raffles

op 2 September 1909.

De vloo las eveneens dit opschrift, klopte den inspecteur op den

schouder en sprak:

„De 2e September is uw Sedan geworden. Gij zijt de tweede Napoleon III

en wel de Engelsche politie-Napoleon.”

Terzelfder tijd boden reeds de krantenjongens in Londen een

extra-sensatienummer te koop aan en in Scotland Yard zat nog steeds

Baxter naar den lauwerkrans te staren. Hij wist niet, wat hij moest

doen.

Plotseling sprong hij op, greep Marholm met beide vuisten beet en

schreeuwde:

„Gij zijt een gemeene hond! Wurgen zou ik u wel willen voor deze

schandelijke daad!”

„Om ’s hemels wil,” sprak de vloo en snakte naar adem, „wordt geen

moordenaar ook nog!”

Baxter beschikte in zijn woede over reuzenkrachten en hij zou inderdaad

de arme vloo misschien om het leven hebben gebracht, als op dit

oogenblik de deur niet was geopend.

Baxter staarde naar de deur en stamelde:

„Wat wenscht gij, uwe Hoogheid?”

„Ik ben nog even teruggekomen,” antwoordde de binnentredende, „om met u

een paar woorden in vertrouwen te spreken:

„Ik zie in, dat gij u in deze zaak ondanks alles correct hebt gedragen

en kom derhalve terug om u te verzekeren dat ik u volkomen vertrouw en

u deze orde te overhandigen voor uw plichtsbetrachting.”

Baxter staarde, alsof het een hemelwonder was, haar het met briljanten

bezette gouden kruis van het vorstendom Plessenheim.

Tevergeefs snakte hij naar lucht, om zijn dank te kunnen uitspreken.

Nog voordat hij een woord had kunnen zeggen, was de bezoeker als een

spook verdwenen en de vloo sprak:

„Ik geloof niet, dat zooiets al ooit is voorgekomen.”

Beneden voor de deur stapte John Raffles met Charly Brand in een

rijtuig en terwijl dit heenrolde, sprak Lord Lister tot zijn vriend:

„Zoo, mijn beste jongen, nu heb ik voor den laatsten keer voor den

vorst Von Plessenheim gespeeld en een pleister gelegd op de wond van

Baxter in den vorm van een orde.”

De vloo had het etui, dat op de schrijftafel lag, geopend.

Baxter, die nog steeds naar de orde in zijn hand staarde, werd

plotseling door een luiden uitroep van Marholm in zijn verrukking

gestoord.

„Alle duivels,” riep de vloo, „gij zijt niet meer alleen krankzinnig,

ik ben het ook!”

„Waarom?” vroeg Baxter.

„Daarom!” antwoordde de vloo, hem een kaartje voor den neus houdend.

„Ziet gij, dit vond ik in het etui van de orde.

Hier staat geschreven:

„Mijn lieve Baxter!

Voor trouwe diensten overhandig ik u hierbij mijn ridderorde en

blijf ik uw zeer toegenegen

Lord Lister No. 0053: Een huwelijksreis · 第 12 / 14 题