Daar lagen spoedzaken en andere dingen, die door de nonchalante
onverschilligheid van den inspecteur het grootste onheil konden
aanrichten, als zij niet werden behandeld.
Marholm had zich na vier uur lang ingespannen te hebben gewerkt, door
den hoop acten heenworsteld en kon zich nu gerust de weelde van een
pijp tabak veroorloven.
Hij wist, dat Baxter den rook niet kon verdragen, maar dat liet hem
koud.
Al kon de inspecteur den tabaksrook niet verdragen, toch was hij
genoodzaakt om Marholm, die al zijn werk in orde maakte, in zijn bureau
te dulden, want de vloo had hem eens voor altijd verklaard, dat hij
zonder zijn pijpje het niet in het bureau kon uithouden.
Baxter wierp hem een giftigen blik toe en sprak:
„Waarom rook je toch geen sigaren?”
„Ja”, antwoordde de vloo, „zoo gaat het nu eenmaal in de wereld. Ik kan
uw sigaren niet ruiken en gij mijn shagpijpje niet. Dat is
wederzijdsche antipathie! Ik zeg er u ook immers niets van, als gij
rookt?
„Als ik iemand zie met een sigaar in den mond, denk ik altijd aan een
zuigeling met een speen.”
„Zijt gij eindelijk uitgesproken?” vroeg Baxter, „wij hebben wel wat
anders te doen! Kijk eens na in het koersboek, hoe de beste aansluiting
is naar Cuxhaven.”
„Wilt gij op reis gaan?” vroeg de vloo.
„Ja! En gij met verscheiden andere beambten zult mij vergezellen!”
„Dus naar Duitschland? Wat is daar aan de hand? Moeten wij soms
verbieden, dat zij hun vloot uitbreiden?”
„Klets niet! Kijk het koersboek na! Wij moeten ons haasten opdat de
schurk ons niet ontsnapt.”
„Een schurk?” vroeg de vloo. „Ik weet niet, dat er in Engeland, de
koloniën of ergens anders ter wereld een groote misdaad is gepleegd.”
Hij nam zijn grooten reisgids van zijn schrijftafel, keek dien in en
antwoordde:
„De beste verbinding is via Vlissingen en dan verder per spoor.
„De trein vertrekt om zes uur van hier naar de haven.”
„Allright!” antwoordde de inspecteur van politie. „Zeg tegen sergeant
Thomson en ook tegen detective Schmidt, dat zij zich hier om 5 uur in
het bureau moeten gereed houden voor de reis naar Duitschland.”
„Wilt gij mij niet vertellen, mijnheer de inspecteur, waarom het
handelt?”
„Gij hebt alleen te doen wat ik beveel!”
„Ik vraag u ook niet als beambte, heer inspecteur, maar gij weet, dat
ik u reeds dikwijls een goeden raad heb gegeven, die u voor allerlei
onheil zou hebben behoed, als gij hem hadt opgevolgd en alleen daarom
ben ik zoo vrij, deze vraag tot u te richten.”
„Neen”, antwoordde Baxter, „in dit geval heb ik uw raad niet noodig en
ik kan mij ook niet herinneren, ooit goeden raad van u te hebben
gekregen!
„Ik was altijd heel dom...”
„Dat ben ik met u eens”, lachte de vloo.
„Wat zegt gij?” vroeg Baxter woedend, omdat hij niet wist, waarom de
vloo lachte.
„Ik zeg niets!” antwoordde de vloo. „Gij hebt zooeven zelf gezegd, dat
ik in uw tegenwoordigheid er geen meening op na mag houden. Beveel
slechts en dan zal ik doen, wat gij wenscht. Ik zal nu mijn collega’s
berichten, dat zij zich gereed moeten maken.”
Met den zes uurstrein vertrokken de inspecteur van politie Baxter, de
vloo, de politiesecretaris Thomson en de detective Von Schmidt naar de
haven, maar alleen Baxter wist, met welk doel.
Hij vermeed het, gedurende de geheele reis, meer te spreken dan hoog
noodig was.
De vloo, die voor zijn vermaak de eene pijp na de andere rookte, kon
het idee niet van zich afzetten, dat Baxter weer op weg was, een groote
domheid te begaan.
„Ik ben nieuwsgierig wat deze reis weer te beteekenen heeft!”
Zonder oponthoud reisden zij naar Cuxhaven en daar begaven zij zich
onmiddellijk naar de aanlegplaats der stoombooten.
Reeds over een paar uur zou een schip der Middellandsche Zeelijn
binnenkomen.
De vloo hoorde dit uit een gesprek tusschen Baxter en een
douaneofficier.
„Ik ben werkelijk nieuwsgierig,” fluisterde Marholm tot sergeant
Thomson, „wien wij verwachten.”
Intusschen hadden Baxter en zijn beambten zich verzekerd van de hulp
van den Hamburgschen commissaris van politie voor de arrestatie.
Deze beambte zorgde voor de hulp van twintig manschappen aan den
steiger. Deze waren aangekomen en twaalf van hen hadden zich op de kade
opgesteld, toen de boot langzaam, door de loodsen gestuurd, de
landingsplaats naderde.
„Let op, mannen”, sprak de Hamburger commissaris van politie, „de boot
voert in top een vorstelijke vlag. Er is een of andere Hoogheid aan
boord.”
Nauwelijks legde de boot aan of de beambten van politie met Baxter aan
het hoofd, begaven zich aan boord en de laatste sprak tot den
verbaasden kapitein:
„Wijs mij de passagiers, welke gij in de Middellandsche Zee van boord
der „Rotterdam” hebt overgenomen.”
Hij moest zijn bevel tweemaal herhalen, want de kapitein vertrouwde
zijn ooren niet en keek zeer verbluft.
Eindelijk sprak hij:
„Gij bedoelt toch niet Zijne Hoogheid den vorst Von Plessenheim?”
„Nonsens!” antwoordde Baxter, „ik bedoel een der slimste oplichters,
dien wij sinds lange jaren vervolgen, een zekeren John C. Raffles!”
„Mooi, Sir!” sprak de kapitein, die nu over de eerste verbazing heen
was, „zoekt hem dan maar!
„Ik heb behalve den vorst en diens adjudant geen passagiers aan boord
genomen.”
De passagiers begonnen reeds ongeduldig te worden en begonnen reeds aan
wal te gaan.
Zoodoende bleef Baxter niets anders over dan met zijn beambten het
schip te verlaten, daar de kapitein geen onderzoek veroorloofde.
Hij nam plaats aan den voet der landingsbrug, welke de stoomboot met
den wal verbond, om ieder der passagiers nauwkeurig op te nemen, zoodra
hij over de brug aan land ging.
De stewards kwamen het eerst met de handbagage der passagiers, daarop
volgden de reizigers zelf.
Bijna het laatst kwam John C. Raffles in klein generaalstenue, dat hij
als plaatsvervanger van den vorst Von Plessenheim droeg.
Nauwelijks had Baxter hem opgemerkt, of een gejoel van blijde
verrassing maakte zich van hem meester.
Hij herkende zijn vijand, ondanks de schitterende uniform. Zijn hart
klopte hoorbaar van vreugde!
Eindelijk had hij John Raffles!
Aan ontsnappen viel niet te denken. De brug was slechts zoo smal, dat
twee passagiers er tegelijkertijd naast elkaar op konden loopen en aan
het eind stond Baxter met zijn beambten en daarachter de Hamburger
politiecommissaris met twaalf agenten.
„Aha!” riep Baxter zacht tot Marholm, „ook zijn trouwe vriend en
helper, de beruchte Brand! Dat is een goede vangst!”
„Bega geen dwaasheden!” fluisterde de vloo terug.
„Ik waarschuw u! Wie weet, of het inderdaad John C. Raffles is?”
„Vergissing is onmogelijk!” sprak Baxter. „Hij is het—hij is het! En nu
zal ik hem gevangen nemen!”
De groote onbekende was langzaam de landingsbrug afgekomen en stond nu
op een armlengte verwijderd van den inspecteur van politie.
„In naam der wet, John C. Raffles, verklaar ik u voor gevangen!” sprak
Baxter, den heer in generaalsuniform naderend.
Verbaasd keek de commissaris van politie naar zijn Engelschen collega.
Hij wist niet, wat hij van het geval moest denken.
Daar klonk helder en duidelijk van de landingsbrug, als een Pruisisch
commando, de stem van Raffles:
„Wachtmeester, arresteer dezen man! Hij waagt het, mij te beleedigen!”
(Zie het titelblad.)
Handig sprongen de commissaris en agenten naderbij. Nog voordat Baxter
een woord verder kon spreken, voelde hij zware handen op zijn
schouders, werd hij van de brug weggetrokken en hoorde hij den
commissaris van politie zeggen:
„Gij hebt den vorst zwaar beleedigd, ik verklaar u voor gevangen!”
Snel boog zich een der beambten over hem heen en deed hem boeien aan.
„Laat mij los!” riep Baxter en hij trachtte te vergeefs zich uit de
vuisten der agenten los te werken.
Maar deze waren gewend, dat, wat zij vastpakten, niet weer los te
laten, behalve wanneer een hunner meerderen het beval.
Hun chef echter stond in militaire houding tegenover den vorst Von
Plessenheim.
„Commissaris!” sprak de vorst, „het is een ongehoorde brutaliteit mij,
die generaalsuniform draagt en die dus niet verwisseld kan worden met
een persoon in civiel, te willen arresteeren.”
De commissaris verontschuldigde zich en na een toestemmende
handbeweging van den vorst commandeerde hij zijn manschappen:
„Brengt den man weg!”
„Hij is het! Hij is het! Het is John Raffles!” schreeuwde de wanhopige
Baxter, terwijl hij een laatste poging deed om zich los te rukken.
Maar te vergeefs.
„Als je niet dadelijk stil bent, dan sla ik je met mijn vuist in het
gezicht, zoodat je je tanden wel uit kunt spuwen. Wij maken hier in
Hamburg weinig complimenten,” dreigde een der agenten en een andere
riep:
„Je moogt blij zijn, dat je er zoo gemakkelijk afkomt! Ge schijnt niet
te weten, dat, als een particulier zijn hand opheft tegen een officier,
deze hem aan zijn sabel mag steken, zoodat hij daaraan spartelt als een
kever aan een speld. Ik geloof, dat je dronken bent!”
Zij brachten Baxter naar de wacht, terwijl de vloo met zijn collega’s
stond te praten.
„Jongens,” sprak hij, „dat is de mooiste grap, die ik ooit heb beleefd.
„Daar heeft onze inspecteur zich weer eens terdege de vingers gebrand.
„Goddam, als de Londenaren dat gewaar worden, lachen zij zich half
dood! Het was een schitterend tooneeltje, toen Baxter door de
politieagenten in hechtenis werd genomen— — — —
„Ik had groote moeite om mijn lachen te verbergen.
„Let eens op, dat wordt een amusant zaakje! Ik verzeker u, wat alle
kranten te zamen niet kunnen klaarspelen, oorlog uit te lokken tusschen
Engeland en Duitschland, dat zal onzen Baxter in zijn domheid nog wel
gelukken.
„Wel mijn hemel! Dat is een ontzettende misslag, een vorst in
generaalsuniform aan te zien voor John C. Raffles!”
„Nu,” sprak sergeant Thomson, „de vorst leek vervloekt veel op John
Raffles!”
„Dat is waar,” antwoordde de vloo, „maar wanneer hier in Duitschland
iemand een uniform draagt, al is hij de grootste schurk, dan is hij
onder dat kleed veiliger dan achter de gepantserde wanden van een
dreadnought.
„Hier moet men altijd tegenover de uniformen staan met de pinken op de
naden van den broek!
„Dat is immers het ideaal van Baxter, dat hij ook bij ons in Scotland
Yard wil invoeren.—
„En nu ben ik werkelijk zeer nieuwsgierig, of dat John C. Raffles dan
wel inderdaad de vorst Von Plessenheim is.”
Zij gingen naar het station en keken naar het vertrek van den
sneltrein.
Zij zagen, dat voor den vorst Von Plessenheim een extra wagon werd
aangehaakt en dat de stationschef en diens beambten in groot tenue hem
de noodige eer bewezen.
Tot den volgenden dag moesten zij op de invrijheidstelling van hun chef
wachten.
Meterlange telegrammen werden eerst gewisseld tusschen Hamburg,
Cuxhaven en Londen.
Toen Baxter eindelijk des avonds om 6 uur werd vrijgelaten, vloekte
hij:
„Als gij weer grijnst, Marholm, dan sla ik u, zoo waarachtig als ik
Baxter heet, de ribben stuk!”
„Wie grijnst er?” vroeg de vloo. „Gij schijnt hallucinaties te hebben;
ik vind, dat de zaak meer om te huilen is!
„Den vorst Von Plessenheim verwisselt gij met Raffles en mijn
doodbiddersgezicht met grijnzen.”
„Gij schijnt er bijzonder veel pleizier over gehad te hebben,
nietwaar?” vervolgde Baxter. „Ik ken u immers.”
„Daarin vergist ge u weer,” sprak de vloo. „Vraag mijn collega’s. Dat
is werkelijk geen pleizier, wat wij sinds gisteren hebben doorgemaakt.
Ik ben er ziek van geweest.—Vooral, omdat ik bijna in mijn lachen was
gestikt!”
Deze laatste woorden sprak Marholm echter niet luid.
„Maar dit zeg ik u, lieden,” snoefde Baxter, „ondanks mijn ellendigen
toestand heb ik daar in de gevangenis veel geleerd.
„Daar mag niemand tot zijn superieur spreken zonder de hakken tegen
elkaar te slaan en de pink op den naad van den broek te doen. Hij mag
verder niets anders zeggen dan: „Tot uw dienst, ja!” of: „Tot uw
dienst, neen!”
„Ik zal een nieuw reglement voor Scotland Yard in elkaar zetten en zal
jelui drillen, dat geheel Londen er pleizier van zal hebben.—
„Alleen het eten is vervloekt slecht in de gevangenis.
„Ik heb een reuzenhonger,” voegde hij er aan toe.
Hij ging met Marholm naar een restaurant en at als een slootgraver.
Daarop sprak hij, nadat hij zich verzadigd had:
„Zoo goed heeft het mij in mijn geheele leven nog niet gesmaakt.”
Na het diner maakten zij een wandeling en begaven zich daarop naar hun
hotel.
„Ik ben op een prachtig idee gekomen,” sprak Baxter plotseling.
„Nu, nu,” bromde Marholm, „houd uw prachtige invallen liever voor u.”
Baxter’s oogen rolden woest.
„Wilt ge mij alweer tergen, Marholm? Als ik zeg, dat ik een prachtig
idee heb, dan is dat zoo. Morgen zullen wij met den vroegtrein naar
Bücklingsburg reizen. Daar zal ik mij er van overtuigen, of dat Raffles
dan wel de vorst Von Plessenheim was.
„Als het werkelijk de vorst was, dan zweer ik, dat ik mijn ontslag
indien.
„Maar ik durf er mijn hoofd op verwedden, dat de commissaris te Hamburg
een vriend is van Raffles.”
„Wel,” sprak de vloo, „dat vind ik niet erg voor de hand liggen. Gij
schijnt grooten lust te hebben u nog meer te blameeren.”
„Wat?” riep Baxter uit, „wat zegt gij daar? Ik zou mij geblameerd
hebben? Mijnheer! Gij schijnt niet te weten, met wien gij spreekt. Ik
blameer mij in het geheel niet! Ik ben in dienst en— — — —”
Hij hijgde naar adem, omdat hij verder geen woorden kon vinden. Daarop
vervolgde hij, zonder zijn zin te kunnen eindigen:
„Maar in Bücklingsburg zal ik alles te weten komen. Gij kunt
morgenochtend per boot naar Engeland terugkeeren. Uw collega’s kunt gij
meenemen, ik zal de verdere reis alleen maken.”
„Goddank!” zuchtte de vloo.
„Wat bedoelt gij?” riep Baxter, „beweerdet gij nog iets? Voortaan hebt
gij mij alleen te antwoorden: Tot uw dienst, ja! Tot uw dienst, neen!
Begrepen?”
„Dat kan vermakelijk worden,” lachte de vloo, „ik geloof niet, dat de
Lord-mayor met deze nieuwe schikking genoegen zal nemen.”
„Ik vind mij zelf precies een hoofdfiguur uit een operette”, sprak
Raffles, even voordat de trein, die hem naar de hoofdstad Bücklingsburg
bracht, het station binnenliep.
„Ja”, antwoordde Charly Brand, „het gaat zeer komiek toe in de wereld
en vooral de dingen, die met jou gebeuren, hebben in de meeste gevallen
een zeer vermakelijk tintje.”
„Pas nu eens op, mijn lieve jongen”, vervolgde Raffles, „nu zal je de
menschen in al hun kleinheid leeren kennen!
„Voortaan zal je niets dan gebogen ruggen te zien krijgen.
„Aan de eene zijde gebogen ruggen van mannen, die wel zooveel karakter
bezitten, dat zij zich over hun gebukte houding schamen en aan den
anderen kant kromme ruggen van hen, wier hersenen totaal verstompt
zijn.
„Zulke lieden, mijn beste Charly, vormen het grootste gedeelte van hen,
met wie wij te doen zullen krijgen.
„Ik zeg je, Charly, het slechtste gepeupel, dat je in het Oosten van
Whitechapel en in de Berlijnsche achterbuurten kunt ontdekken, heeft
nog meer menschelijk gevoel dan deze lieden.
„Well, daar zijn wij in Bücklingsburg!”
Hij begaf zich naar het open venster en keek naar het perron waar een
eere-wacht en een muziekkorps waren opgesteld.
De geweren werden gepresenteerd, terwijl de muziek het volkslied
aanhief.
Adjudanten en hofdienaren snelden als door elkaar krioelende mieren
naar het salonrijtuig en nu moest Raffles al zijn verstand,
voorzichtigheid en koelbloedigheid aanwenden, om de hem omringende
beambten niet met elkaar te verwisselen.
Het eerst kwam de hofmaarschalk zijn coupé binnen.
Hij geleek op een dikken kikker, die de oogen verdraait en met
keelgeluid zijn kwak, kwak roept.
Daar hij kortademig was moest hij telkens zijn zin afbreken, voordat
hij verder kon spreken.
Met een diepe buiging kwam hij nader en sprak:
„Ik ben gelukkig— — — —Uwe Hoogheid, innig gelukkig ben ik— — —Uwe
Hoogheid weer in Zijn schoon land te kunnen begroeten.”
„Ik ben zeer vermoeid”, antwoordde Raffles met een genadig knikje, „de
reis heeft mij aangegrepen. Ik hoop niet dat er veel formaliteiten voor
de ontvangst zijn mee te maken.”
„Slechts de allerkleinste. Wil Uwe Hoogheid zoo vriendelijk zijn, de
eerewacht te inspecteeren?”
„Natuurlijk”, antwoordde Raffles. „De plichten, welke wij moeten
vervullen, zijn helaas niet te vermijden.”
Hij volgde den hofmaarschalk, liep door een haag van dienstdoende
hofbeambten, de muziek zette sterker in, de officier van de eerewacht
riep met donderende stem:
„Geeft acht! Presenteert het geweer!— — —”
Met een hoorbaren ruk vlogen de hoofden der brave grenadiers naar links
en met een enkele beweging ploften de geweren loodrecht voor het
lichaam neer.
John Raffles liep vriendelijk groetend, de hand aan zijn uniformpet,
langs de mannen heen om daarop, door den hofmaarschalk geleid, in het
achter het station staande hofrijtuig plaats te nemen.
De hofmaarschalk was op een uitnoodigende handbeweging van hem mee in
het rijtuig gaan zitten en, verblijd over deze onderscheiding, aan deze
zijde van zijn vorst te zitten, en zich zoo aan het publiek te mogen
vertoonen, keek hij om zich heen als een pauw.
„Nu, wat is er voor nieuws?” vroeg Raffles gedurende den rit.
De hofmaarschalk snakte naar lucht, en terwijl Raffles onophoudelijk de
hand aan zijn hoofddeksel hield en voorbijgangers groette, begon hij te
vertellen:
„Hare Hoogheid de vorstin is sedert eenige dagen ongesteld, daar Hare
Hoogheid op eene wandeling een lichte verkoudheid heeft opgeloopen.— —
—
„Hare Hoogheid zal daardoor verhinderd zijn Zijne Hoogheid te kunnen
ontvangen.
„Dan heb ik, hoewel Hare Hoogheid— — —het niet wenschte— — — —de kleine
barones Brenkenhaus in den hofdienst aangesteld.”
„Brenkenhaus?” herhaalde Raffles.
„Jawel, Hoogheid.— — —Uwe Hoogheid herinnert zich misschien, indertijd
bij het bezoek op slot Brenkenhaus te hebben gezegd, dat de kleine
barones zeer in uw smaak viel, en daarom meende ik— — —mij de genade
van Uwe Hoogheid te verzekeren— —als ik de kleine barones aan het hof
bracht.
„Hare Hoogheid de vorstin is hierover niet zeer gesticht!”
„Dat begrijp ik”, lachte Raffles, en de hofmaarschalk stemde
onmiddellijk, zooals dat was voorgeschreven, met lachen in.
„Verder hebben burgemeester en wethouders verzocht— — —nog heden bij
Uwe Hoogheid te worden ontvangen, opdat zij de wenschen van Uwe
Hoogheid betreffende de feestelijkheden ter ontvangst van Zijne
Majesteit den Keizer van Siam vernemen.”
„Ja, ja, zeer juist”, antwoordde Raffles, „de menschen kunnen vanavond
komen.”
„Vanavond?” herhaalde de hofmaarschalk, en hij vervolgde: „Ik vraag
excuus, Uwe Hoogheid.— — —Ik had vanavond— — —voor de officieren van
het garnizoen en de hoogere ambtenaren van het hof een klein souper
vastgesteld.— — —Maar, als Uwe Hoogheid het beveelt, dan kan er om zes
uur thee worden geserveerd!”
„Zorg voor de thee! Het zou mij overigens zeer aangenaam zijn”, ging
Raffles voort, „als ik bij de ontvangst van den burgemeester ook eens
eenige andere stemmen van burgers mijner hoofdstad kon vernemen. En
niet alleen van mannen, ook van vrouwen.
„Noodig beslist voor hedenavond honderd burgers van verschillende
standen met hunne vrouwen uit in het slot te komen en laat al het
andere aan mij over.”
Als door een bliksemstraal getroffen, zoo verschrikt keek de
hofmaarschalk op, toen hij dit bevel van zijn vorst vernam, om honderd
burgers uit te noodigen.
„Pardon, Uwe Hoogheid— — —” begon hij, „adellijke of burgerlijke— — —”
Raffles trok de wenkbrauwen samen, bij welk teeken van misnoegen de
hofmaarschalk als een mishandeld insect in een hoek van het rijtuig
wegkroop.
„Ik bedoel burgerlijke! Hebt gij mij niet begrepen?” sprak hij scherper
dan te voren.
„Jawel, Uwe Hoogheid!”
„En weliswaar”, ging Raffles door, „niet de heeren pastoors, leeraren,
post- en politie-ambtenaren, maar ik wensch de heel eenvoudige
burgerij, kleermakers en schoenmakers, bij mij te zien.”
De mond van den hofmaarschalk ging machinaal eenige keeren open en
dicht. Hij snakte naar lucht.
Doch in plaats van te spreken, stamelde hij slechts:
„Hoog— — —Hoog— — —Hoog— — —”
„Wel”, zei Raffles, „wat zit u toch zoo hoog? Voor den dag er mee!”
„Uwe Hoogheid houdt van een grapje!” lachte de hofmaarschalk vleiend.
Daarna wierp hij een scherpen blik op Charly Brand, die op de
achterbank van het rijtuig zat, en zich tot Raffles wendend, sprak hij:
„Uwe Hoogheid vergeve mij, dat ik u met een vraag kom lastig vallen.
Zou ik den naam en den stand van uwen begeleider mogen weten, opdat ik
en de overige beambten der hofhouding Uwen begeleider overeenkomstig
rang en stand kunnen aanspreken.”
„Zeker”, antwoordde Raffles, „deze meneer is baron Von Brand en zal mij
voorloopig persoonlijke diensten bewijzen. Hij is mijn reisgezel.”
De hofmaarschalk maakte een diepe buiging voor Charly.
Juist op dit oogenblik reed het rijtuig het slotplein op. De paarden
stonden door een ruk aan den teugel opeens stil.
De hofmaarschalk sprong er uit, boog opnieuw, zette zijn hoed af, en
langs een nieuwe haag van roode uniformen wandelde Raffles over de
purperen looper naar het slot van den vorst Von Plessenheim.
Hij hield zich, om geen fouten te begaan, geheel aan de voorschriften
van zijn vorstelijken vriend. Hij deed niets, dat hem niet door den
hofmaarschalk werd voorgeschreven.
Aldus wekte het bij niemand achterdocht, dat Raffles, hoewel hij de
vertrekken niet kende, zich onder leiding van den hofmaarschalk, die
met alles vertrouwd was, naar de vorstelijke vertrekken begaf, waar hij
zich door de kamerdienaren liet bedienen.
Een half uur later zat hij in de werkkamer op een met een tijgervel
overdekte chaise-longue uit te rusten van de vermoeienissen der reis.
Terwijl Raffles sliep, was de hofmaarschalk naar de kanselarij gegaan
om met de aanwezige hofdignitarissen een gewichtige conferentie te
houden.
Hier was uit het kruipend insect, uit den opgeblazen kikvorsch een
geweldige, forsche natuur gegroeid.
„Mijne heeren”, begon hij, toen allen bijeen waren. „Het is de wensch
van Zijne Hoogheid, de burgers van zijn land te leeren kennen.
„Zijne Hoogheid heeft deze wijze van ontvangst aan het hof van den
Koning van Engeland leeren kennen, en wenscht die hier in te voeren.
„Zend door middel van boden invitaties aan honderd personen in de stad,
en weliswaar aan eenvoudige lieden, ambachtslui en wat daartoe behoort.
„De ontvangst heeft plaats om 6 uur. De uitgenoodigde gasten moeten om
5 uur in de kleine groene zaal bijeenkomen, waar ik zelf de noodige
aanwijzingen zal meedeelen.”
De hovelingen stonden verbaasd.
Zoolang zij in dienst waren, was hun zooiets niet overkomen.
Doch de wensch van den vorst was bevel; dus begaven zij zich weer naar
hun secretarissen en deelden dezen de opdracht van den Vorst ter
verdere uitvoering mee.
Deze beambten stelden zich daarna in verbinding met de politieoverheid
om de namen en adressen te vragen van menschen, die waardig waren door
den Vorst van het land te worden ontvangen.
De politie doorsnuffelde onmiddellijk met grooten ijver de boeken van
den burgerlijken stand en er werd speciaal op gelet, dat de in
aanmerking komenden vóór alles militair waren geweest en nimmer eenige
straf hadden ondergaan.
Na een uur lang hard gewerkt te hebben, hadden zij de namen bij elkaar
en een half uur later verschenen de hoflakeien met de
uitnoodigingsbrieven in de huizen der uitverkorenen.
Als een loopend vuurtje verspreidde zich het bericht, van den vreemden
wensch des vorsten door de Residentie.
Tegen 5 uur in den namiddag begaven de uitgenoodigden zich met hoorbare
hartkloppingen en het gevoel of zij ter dood gebracht moesten worden
naar het slot.
De meeste van hen waren liever thuisgebleven dan zich door de genadige
zonnestralen van den Vorst te laten beschijnen.
Ja, eenige hadden zelfs den moed, dicht bij het paleis met hun vrouwen,
want deze waren, zooals het bevel luidde, meegegaan, terug te keeren.
Maar de voor de veiligheid zorgende politiebeambten beletten hun dit en
brachten hen met zachte vermaningen op den goeden weg terug.
Toen de hofmaarschalk de groene zaal binnentrad, waar de uitgenoodigden
bijeen waren, had hij het gevoel, zich tegenover een kudde schapen te
bevinden.— — —
De gasten durfden nauwelijks ademhalen, toen de hofmaarschalk met zijn
van goud overladen uniform voor hen trad. Zij keken schuw naar den
vloer en zouden het liefst, evenals de struisvogels, hun hoofd
verborgen hebben gehouden.
De hofmaarschalk nam een lijst op, waarop de namen der uitgenoodigden
stonden genoteerd en begon voor te lezen, waarop iedereen met een
duidelijk „hier!” moest antwoorden.
„Slotenmaker Ernst?”
„Hier!” antwoordde de diepe stem van bedoeld persoon.
„De echtgenoote van Slotenmaker Ernst?”
„Ook hier,” sprak met een hoofdbuiging en een piepstem de broodmagere
schoone.
„Kleermaker Vos?”
Een stilzwijgen volgde. De man was niet verschenen.
De hofmaarschalk fronste de wenkbrauwen en vernam, dat de kleermaker
ziek was.
„Noteer dit feit!” sprak hij tot den hem assisteerenden secretaris.
„Daar kan men weer zien, hoe slordig onze politie werkt! Dat hadden zij
mij toch moeten meedeelen!...
„Inplaats daarvan...... Het is niet te gelooven! Wij zullen morgen een
bericht— — —aan den inspecteur van politie zenden.”— —
En zoo ging het voort; eindelijk gaf hij den secretaris de lijst en
sprak tot de verzamelde menigte:
„Luistert nu eens oplettend naar mij.
„Gij moet, wanneer Zijne Hoogheid, de Vorst, binnenkomt, een diepe
buiging maken.
„Gij moet, als Zijne Hoogheid u aanspreekt, altijd zeer kort
antwoorden. „Jawel uwe Hoogheid”, of: „neen, uwe Hoogheid!”— — —
„Gij moet meelachen, als de Vorst lacht!
„Gij moet, als hij ernstig kijkt, eveneens een ernstig gezicht zetten.
„Kort en goed—gij moet in alles den Vorst volgen, nauwkeurig volgen.
„Hebt gij dat begrepen?”
„Ja!” weerklonk het.
„Gij moet ook later, als er thee en broodjes worden rondgediend, met
handschoenen iets nemen. Begrepen?”
„Jawel!” klonk het weer in koor.
Nu verliet de hofmaarschalk het gezelschap, om den Vorst te berichten,
dat de uitgenoodigde gasten waren bijeengekomen.
Gedurende zijn afwezigheid kwamen de burgemeester, de wethouders en
andere autoriteiten eveneens in de groene zaal en keken met opgetrokken
neuzen naar de gewone burgers, die zich daar bevonden.
Terwijl zij zacht fluisterend met elkaar spraken en hun opmerkingen
maakten over het vreemde gedrag van den Vorst, klonk plotseling achter
de vleugeldeuren het driemaal herhaalde kloppen van den hofmaarschalk,
ten teeken, dat de Vorst naderde.
Nu openden eenige bedienden de deur en Raffles, de vorst Von
Plessenheim, naderde zijn onderdanen.