Zijn Doorluchtigheid de vorst Von Plessenheim zat in zijn kajuit, welke
hij op het schip bewoonde, voor de sierlijke mahoniehouten schrijftafel
en trommelde nerveus met de slanke, aristocratische vingers op het
spiegelglad gepolijste tafelblad.
Af en toe luisterde hij naar een aangrenzende kajuit, waarvan de deur
in de zijne uitkwam, maar die gesloten was.
Daar was de hut van zijn beminde, of, zooals men veronderstelde, van
mevrouw Amanda Muller.
De steward trad binnen en kondigde aan:
„Mr. Schmidt!”
Onmiddellijk stond de vorst op en ging Lord Lister, alias Charly
Schmidt, eenige schreden tegemoet.
Hij stak hem beide handen toe en riep:
„Ik dank u, mijn beste Lord,—pardon, Mr. Schmidt, dat gij zoo
vriendelijk zijt, mij op te zoeken. Maar wat ik tot u te zeggen heb,
kan alleen geschieden in een gesloten kajuit.”
„Gij maakt mij nieuwsgierig, Mr. Muller”, lachte Raffles, „welke
gewichtige dingen kunt gij met mij te verhandelen hebben?”
De vorst bood John Raffles een der gemakkelijke leeren fauteuils aan,
schoof hem een zilveren sigarettenkoker toe en bediende ook zichzelf,
toen de Groote Onbekende er een uit had genomen.
Nadat beide heeren hadden opgestoken, haalde de vorst den
expresse-brief, dien hij eenige uren geleden had ontvangen, te
voorschijn en sprak:
„Ik heb een zeer vriendelijk verzoek aan u, beste Lord. Een verzoek,
dat ik alleen daarom durf uit te spreken, omdat ik mij vanuit Ostende
nog uw groote beminnelijkheid herinner.
„Gij waart voor mij sinds dien tijd het type van een volmaakt gentleman
en ik vlei mij met de gedachte, dat ik mij u als voorbeeld heb genomen,
sinds ik u heb leeren kennen.”
„Om ’s hemels wil!” riep Raffles met een afwerende beweging, „neem mijn
persoon toch niet als voorbeeld! Gij zoudt u daar niet goed bij
bevinden.”
„Nu, nu,” antwoordde de vorst, die meende dat Raffles alleen uit
bescheidenheid zoo sprak.
„Het is zooals ik zeg. Ik heb groote achting voor uw beminnelijkheid,
mijn vriend, ik zie in uw geheele wezen het beeld van den volmaakten
edelman, slechts één ding verbaast mij: gij schijnt weinig
belangstelling te hebben voor het schoone geslacht.”
Hij keek zijn bezoeker met vorschenden blik aan en hoopte eenig
antwoord te zullen krijgen.
Maar Raffles zat met onveranderde gelaatsuitdrukking, met het eene been
over het andere geslagen en keek den rook zijner sigarette na.
Na eenige oogenblikken sprak de vorst weer:
„Ik bedoel namelijk, dat ik u nog nooit aan de zijde van een schoone
vrouw heb gezien.
„Heeft dit een bepaalde reden?”
De Groote Onbekende klopte de asch van zijn sigaret af en sprak:
„Zeer zeker, Uwe Hoogheid! De vrouwen, die werkelijk schoon en geestig
zijn, de vrouwen, die een man van karakter, zooals ik mij verbeeld er
een te zijn, in werkelijkheid slechts kunnen bekoren, deze vrouwen, Uwe
Hoogheid, zijn helaas niet meer vrij.
„Ik heb tot dusverre altijd het ongeluk gehad, een beetje te laat te
komen. En voor andere vrouwen bedank ik.”
„Wel”, sprak de vorst, „dan ben ik gelukkiger. Kijk eens hier!”
Hij maakte een handbeweging naar de deur en hij wierp een
hartstochtelijken blik in die richting, alsof zijn geliefde vóór hem
stond.
„Daar heb ik de bekoorlijkste vrouw van de wereld, naar wie mijn hart
jarenlang heeft gesmacht en toch ben ik door vreeselijke banden
geketend. Slavenketenen van stand en geboorte—de boeien van een
gedwongen huwelijk, zoodat ik als een misdadiger onder een valschen
naam met mijn geliefde op reis moet gaan, om het noodlot eenige uren
van geluk af te persen.
„Tracht u eens in mijn geval in te denken, bedenk, dat mij niets
heiliger is dan mijn liefde voor deze aangebeden vrouw—en gij zult het
verzoek dat ik tot u wil richten, niet verkeerd opvatten!
„Om kort te gaan, Lord Lister, mijn verzoek is dit:
„Wees mijn plaatsvervanger!”
Een oogenblik was Raffles stom van verbazing.
De zaak had een zeer grappigen kant, vooral wanneer hij aan de vrouw
dacht, die door den vorst werd bemind.
Nog begreep hij niet precies, wat de vorst eigenlijk bedoelde. Hij
bedwong een glimlach en sprak:
„Hoe bedoelt gij dat, Uwe Hoogheid?”
De vorst stak een nieuwe sigaret aan en antwoordde:
„De zaak is eenvoudig. Ik ontving zooeven van mijn hofmaarschalk Von
Bücklingsburg gewichtige tijdingen, welke in verband met verschillende
regeeringszaken mijn onmiddellijke terugkomst noodig maken.
„Eigenlijk zijn het geen regeeringszaken, doch slechts een quaestie van
aanwezig zijn.
„De Keizer van Siam heeft namelijk in de onmiddellijke nabijheid van
mijn vorstendom een kasteel en is van plan, zich daar gedurende de
eerstvolgende weken op te houden.
„Hij neemt die gelegenheid te baat om mijn residentie te bezoeken, er
wordt dan een kleine inspectie over de troepen gehouden, ik dineer met
hem en de zaak is afgeloopen.
„Het geheel is niet meer dan een tooneeleffect, zooals ik u vertelde,
niets anders dan eenvoudig een quaestie van aanwezig zijn.
„Ik speel in deze comedie de rol van een pop met mechaniek.
„In plaats van klein tenue trekt men ’s morgens groot tenue aan,
ontvangt dan in een rijtuig met tien paarden bespannen zijn machtigen
neef neef Achter-Indië.
„De voorgeschreven broederkussen op linker- en rechterwang worden
gewisseld, daarbij eenige innige handdrukken, eenige beminnelijke
woorden, men laat een paar regimenten voorbij defileeren, spreekt over
Zeppelin en de laatste vlootrevue, spreekt op beleefden toon tegen
elkaar, vermijdt uit principe elk ernstig gesprek, gaat aan tafel
zitten, eet wat de hofkeuken opdischt, houdt een toast op den machtigen
neef, krijgt een toast terug en vergezelt hem tot aan de deur der
eetzaal.
„Dan omhelst men elkaar zooals dat is voorgeschreven, drukt elkaar
nogmaals de handen en gaat naar bed met het aangename bewustzijn, zijn
plicht als een trouw vader te hebben vervuld voor de welvaart van het
land.
„Ziet gij, mijn beste Lord, voor die ceremoniën wensch ik u als
plaatsvervanger.
„Dat wil zeggen, alleen wanneer gij mij gaarne dezen grooten dienst
bewijst.
„Ik zou nu niet graag afscheid willen nemen van het voorwerp mijner
liefde. Wilt gij het uitstapje voor mijn rekening maken?
„Gij weet niet, welk een genoegen gij mij doet door het inwilligen van
mijn verzoek. Wanneer u iets gelegen is aan een orde van mijn
vorstendom, zoek dan uit mijn koffer die uit, welke u het best bevalt.”
John Raffles glimlachte.
„Hebt gij uw orden in uw koffer, evenals men overhemdknoopjes en
dergelijke dingen meeneemt, Hoogheid?”
„Ja”, lachte de vorst, „soms vergelijk ik mijzelf bij een
handelsreiziger.
„Elke kellner, commissaris van politie of andere officieele persoon van
groot gewicht kan zoo’n ding uit mijn koffer krijgen.
„Als ze op zijn, bestel ik weer nieuwe.”
John Raffles dacht eenige minuten na, rookte zijn sigaret op en sprak
toen:
„Uit vriendschap voor u, Hoogheid, en omdat ik mij geheel in uw
toestand kan verplaatsen, wil ik u gaarne van dienst zijn en u voor
eenige dagen in uw vorstendom vertegenwoordigen.
„Natuurlijk moet ik nauwkeurig door u worden ingelicht, opdat ik niet
uit mijn rol val, vooral bij inspectie van de troepen.”
„Als er een oogenblik mocht komen, waarin gij niet weet, wat gij moet
doen, laat gij de kerels eenvoudig aantreden en sneller marcheeren, dat
is mijn methode altijd en daarmee heeft men altijd succes.
„En wees voor het overige onbezorgd, ik wil u namelijk eerlijk
bekennen, dat ik zelf zelden weet, wat ik te doen heb.
„Daarvoor is mijn hofmaarschalk er, die kerel is wonderlijk goed op de
hoogte!
„Ik zeg u, Lord Lister, gij zult verbaasd staan over alles wat hij
weet.
„Te beginnen met de uniformen welke gij te dragen hebt, tot aan de
orden, waarmee gij u moet tooien, van de hoofdbedekking tot aan de
laarzen, wanneer gij moet opstaan en om hoe laat gij moet eten, hij
weet het allemaal precies.
„Bovendien is er ook mijn minister van staat, dr. Von Thorn, die alle
mogelijke speechen in elkaar zet. Mensch, gij behoeft u om niets te
bekommeren.
„Die man komt ’s morgens bij u en zegt:
„Uwe Hoogheid! Vandaag moet gij dat en dat zeggen, hij leest u den
inhoud van uw rede voor en legt die dan meteen, keurig met de
schrijfmachine geschreven, voor u op de schrijftafel neer.
„En zoo gaat het den geheelen dag door.
„De dokter komt en zegt: Uwe Hoogheid moet een rijtoer gaan maken.
„De kamerdienaar meldt: Uwe Hoogheid, het bad is gereed!
„Kort en goed, gij hebt verder niets te doen, dan u door al die
menschen, die er voor zijn, als een uurwerk te laten opwinden, te laten
kleeden en opvoeden.”
John Raffles lachte zoo hartelijk, dat de vorst er mee instemde.
„Maar zeg eens, Uwe Hoogheid”, begon hij weer, „hoe wordt het echter,
als uwe gemalin mij wenscht te spreken?”
„Heel eenvoudig”, antwoordde de vorst, „dan wendt gij regeeringszaken
voor.
„Ik heb bijvoorbeeld de gewoonte om het licht te laten branden tot ’s
morgens drie of vier uur.
„Ook laat ik achter de ramen, waarvan de gordijnen dan zijn gesloten,
een kamerdienaar heen en weer loopen, zoodat zijn schaduw op de
gordijnen valt.
„Tegenover de vensters van mijn werkkamer bevinden zich namelijk de
slaapkamers mijner hooge gemalin.
„Op die manier toon ik haar, hoe ik, overladen met regeeringszaken, tot
in den morgen door moet werken.
„Dat is namelijk de hoofdzaak bij ons, vorsten. Men moet de kunst
verstaan, zich altijd zeer gewichtig voor te doen en nooit uit zijn rol
te vallen.”
„En hoe is het met de financiën?” vroeg Raffles, „als ik betalingen
moet doen?”
„Onzin!” lachte de vorst, „gij hebt geen betalingen te doen; betalingen
worden alleen aan u gedaan. Dat wil zeggen, gij ziet daarvan niets.
„Maar het is goed, dat gij mij daaraan herinnert, want de eerste, die
bij u zal verschijnen en u zijn diensten zal komen aanbieden, is de
financier Stern.
„Dat is mijn vertrouwde.
„Een uitstekend mensch, een kolossale kop, alleen houdt hij de duiten
een beetje te zeer vast.
„Meestal klaagt hij, dat hij geen geld heeft, maar dat moet gij niet
gelooven. Hij wil altijd het voordeel van den Staat.
„Elk oogenblik zucht hij: Uwe Hoogheid, gij verlangt te veel geld. Uwe
Hoogheid, ik begrijp niet, wat gij met al dat geld doet!
„Kort en goed, deze Stern is mijn portemonnaie, van hem leef ik en hij
kent mijn wenschen beter dan ik zelf.
„Hij legt mij altijd quitanties voor, die ik dan onderteeken en dat is
alles, wat ik aan financieele zaken doe.”
„Een prachtige inrichting, ik wou, dat ik ook zoo’n geheimen financier
had”, lachte Raffles.
„Bijna had ik nog iets vergeten”, sprak de vorst, „er is een persoon
aan mijn hof, dien ik zooveel mogelijk uit den weg ga. Dat is de
hofpredikant.
„Ziet gij, Lord, ik ben geen godloochenaar, maar zijn sluwe manieren
stuiten mij tegen de borst. Hij is mij onsympathiek.”
„Nu”, sprak Raffles, „ik zal hem op zijn eksteroogen trappen.”
„Doet dat!” sprak de vorst, „ik kan hem namelijk niet kwijt raken.
„Alleen het idee, dat die man eindelijk eens zijn meerdere zou hebben
gevonden, zou voldoende zijn om u als mijn plaatsvervanger naar huis te
zenden.
„En nu zal ik u dit cheque-boek op de Duitsche Bank geven en dan
verzoek ik u, al uw uitgaven op reis te trekken op de Duitsche Bank.”
„Gij schenkt mij een groot vertrouwen”, sprak Raffles, „maar omdat ik
eenmaal „ja” heb gezegd, zal ik beproeven, mijn uitgaven, die
gewoonlijk vrij aanzienlijk zijn, niet hooger te maken dan uw middelen
dat veroorloven.”
Samen zaten zij nog een half uur aangenaam te babbelen bij een snel
opgediend ontbijt. De vorst gaf Raffles nog eenige documenten en
papieren, benevens zijn zegelring en den kleinen koffer met
ordeteekenen.
„Als ik de ordekist nu eens leeg maak?” vroeg Raffles.
„Hindert niets!” antwoordde Zijne Hoogheid. „Als ze op zijn, worden er
weer nieuwe gemaakt”
Daarop maakte de vorst snel een einde aan het gesprek. Hij haastte zich
naar de deur om te informeeren, of zijn geliefde klaar was.
„Wanneer ontmoeten wij elkaar weer, Uwe Hoogheid?” vroeg Raffles bij
het afscheid nemen.
De vorst dacht eenige seconden na en antwoordde:
„Ik had mij voorgenomen, een huwelijksreis van zes weken te maken.
„Drie zijn er reeds om. Wij zien elkaar dus over drie weken terug in
hotel Kaiserhof te Berlijn, waar ik weer zal opduiken als vorst Von
Plessenheim.”
Zij namen afscheid en Raffles verliet met het leeren valies in de hand
de kajuit.
Charly Brand verwachtte hem in hun gemeenschappelijke hut.
Hij zag aan het lachende gelaat van zijn vriend, dat dezen iets
bijzonder amusants moest zijn overkomen.
„Kom eens hier, mijn jongen”, sprak Raffles, „jij hebt immers al
zoolang naar een orde verlangd? Ik zal je aan eentje helpen.”
Charly Brand wist eerst niet, wat hij van die woorden moest denken.
Hij geloofde, dat Raffles hem voor den gek hield.
Maar hoe verbaasd was hij, toen Lord Lister het leeren valies opende en
er eenige dozijnen kleine doosjes uitnam, waarin, in watten gehuld,
allerlei medailles, kruisen en met steenen versierde ordeteekenen
lagen, terwijl ook allerlei gekleurd ordelint te voorschijn kwam.
Dit laatste liet Raffles door zijn vingers glijden en sprak:
„Hoeveel meter heb je noodig om over de borst te dragen? Je ziet, dat
hier genoeg voorradig is om je er mee te tooien.”
Charly Brand keek met groote verbaasde oogen naar het koffertje met
orden en dacht, dat Raffles ze gestolen had.
„Ik bid je, sluit dien rommel weer weg, of liever, gooi het over boord.
Wat wil je met dien boel doen? Als de eigenaar bemerkt, dat hij
bestolen is, laat de kapitein alle kajuiten doorzoeken en ik zou hier
geen enkel plaatsje weten waar je dat waardelooze tuig zoudt kunnen
verbergen.”
„Domkop!” lachte Raffles, „deze orden zijn mijn eigendom!
„En opdat je alles weet, ik ben niet meer Charly Schmidt, maar Zijne
Hoogheid vorst van Plessenheim en jij bent mijn adjudant baron Charly
von Brand.
„Ga nu naar de kajuit van den heer Otto Muller en laat je daar den
koffer met de uniformen, sabels en andere dingen geven, zooals ik dat
met hem heb afgesproken.”
„Wat moet ik doen?” vroeg Charly, wien het geheele geval als een flauwe
grap voorkwam.
John Raffles herhaalde nogmaals langzaam en duidelijk:
„Ga naar de kajuit van den heer Otto Muller en laat je daar den koffer
geven met de kleedingstukken, zooals ik dat met hem heb besproken.”
Hoofdschuddend ging de secretaris heen.
Hij begreep van de zaak niet veel en nog minder, toen de zoogenaamde
heer Otto Muller hem een grooten leeren koffer, benevens twee stuks
handbagage, welke laatste, naar den vorm te oordeelen, helmen en mutsen
moesten bevatten, meegaf.
„Ik verzoek u,” sprak de vorst, „let er op, dat gij door geen steward
wordt verrast. Dat moet vermeden worden.”
Charly Brand had geluk op den korten weg, dien hij moest afleggen, want
het was juist vóór het diner en nergens een steward te zien.
„Het duurde vrij lang, eer je terugkwam,” merkte Raffles op, „ik wilde
je juist tegemoet gaan.”
Met de sleutels, die Charly ook meegekregen had, opende hij den
uniformkoffer en nam er de klein-generaalsuniform uit, welke gewoonlijk
door vorsten wordt gedragen.
Charly Brand hielp zijn vriend om zich te kleeden en daar deze
hetzelfde figuur had als de vorst, paste alles hem als aangegoten.
„Het staat je prachtig!” riep Charly vol bewondering uit, „ook de helm
past!”
„Zoo!” sprak Raffles, „ga nu naar den kapitein en deel hem mede, dat de
vorst Von Plessenheim hem wenscht te spreken.”
De kapitein meende eerst, dat Charly dronken was.
Hij lachte hartelijk, toen deze den wensch van den vorst Von
Plessenheim te kennen gaf en ook de bij hem staande officieren lachten
mee.
„Neem mij niet kwalijk!” sprak Charly Brand op scherpen toon, „gij hebt
zeker gehoord, wat ik u zei:
„Zijne Hoogheid de Vorst von Plessenheim wenscht u te spreken en ik
verzoek u, mij te volgen.”
„Mijnheer!” riep de kapitein uit, „houdt gij mij voor krankzinnig of
zijt gij het zelf! Ik heb geen vorst Von Plessenheim aan boord!”
„Gij hebt hem aan boord zonder het te weten,” antwoordde Charly Brand,
„Zijne Hoogheid staat op uw passagierslijst ingeschreven als de heer
Charly Schmidt.”
Nu zette de kapitein een verbaasd gezicht.
Hij wendde zich tot zijn eersten officier met de woorden:
„Deze man maakt toch niet den indruk alsof hij onwaarheid spreekt.
Misschien is het een feit, en is Zijne Hoogheid hier werkelijk aan
boord. Ik zal den gentleman volgen.”—
Eenige minuten daarna stond hij zwijgend en verbaasd tegenover Raffles
en groette op militaire wijze.
„Kom naderbij, kapitein,” sprak Lister, „ik wil u over dienstzaken
spreken.
„Ik verzoek u, daar ik mijn reis moet afbreken, de eerste stoomboot,
die passeert, door vlagge-signaal te roepen en mij door een boot te
laten overbrengen.”
„Zeer goed, Uwe Hoogheid!”
„Als u dit mocht gelukken, dan zal ik zoo vrij zijn, u voor dezen
dienst een onderscheiding toe te kennen,” sprak Raffles.
„Ik dank Uwe Hoogheid onderdanig. Ik zal mijn uiterste best doen in den
koers te blijven van de Hamburger Lloydbooten, opdat uw wensch kan
worden vervuld.”
Raffles gaf door een handbeweging te kennen, dat het gesprek was
afgeloopen. De kapitein salueerde en verliet de kajuit.
De passagiers waren nog niet voor het diner bijeengekomen, toen het
gerucht als een loopend vuurtje de rondte deed:
„Zijne Hoogheid de Vorst von Plessenheim is aan boord.”— — —
Aan tafel werden voor den vorst, alias Raffles en voor den nieuwbakken
baron Von Brand bijzondere eereplaatsen ingericht en niemand vermoedde,
dat de zich onder de passagiers bevindende Otto Muller de vorst was en
dat op zijn eereplaats de plaatsvervanger, de veel gezochte Lord
Lister, alias John C. Raffles zat.
Reeds des namiddags gelukte het den kapitein, een stoomschip door
vlaggensignalen zijn wensch te kennen te geven.
Tegen zes uur verliet Lord Edward Lister het schip en begaf zich op een
stoomsloep naar de Duitsche boot.
In eerbiedige houding, met ontbloote hoofden, keken de mannelijke
passagiers hem na, terwijl de dames met zakdoeken wuifden.
De kapitein echter stond in militair salueerende houding aan de valreep
en had een nieuwe decoratie op de borst. Een zalig glimlachje lag op
zijn gelaat. Hij wilde wel, dat hij elken dag een vorst incognito aan
boord had.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Toen het schip de haven van Napels binnenliep, verscheen er dadelijk
een politieboot.
Een Italiaansche officier van politie met een dozijn detectives kwamen
aan boord en de officier wendde zich tot den kapitein.
„Wij hebben uit Londen van den inspecteur van politie Baxter bericht
gekregen,” sprak hij, „dat zich hier aan boord de veelgezochte
avonturier Lord Edward Lister moet bevinden. Ik moet alle passagiers om
hun identiteitsbewijzen verzoeken.”
De Italiaansche beambten doorzochten het schip.
De passen van alle reizigers, ook die van majoor Muller en echtgenoote,
werden in volkomen orde bevonden.
De detectives konden geen verdachte personen ontdekken.
Als laatste passagier, die geen pas had, werd de Parijsche stille agent
van politie Margotte door de Italiaanschen politieofficier aan een
verhoor onderworpen.
„Gij komt mij uiterst verdacht voor,” sprak de Italiaan.
„Spreek toch geen nonsens,” antwoordde de politieagent, „ik ben een
collega van u.”
„Dat kan iedereen zeggen,” lachte de Italiaan, „bewijs het mij door uw
papieren.”
„Ik heb geen papieren bij mij,” sprak de agent. „Ik ben in opdracht van
mijn regeering hals over kop aan boord van dit schip gezonden, om den
vorst Von Plessenheim, die wij van spionnage verdenken, in het oog te
houden.
„Mijn regeering heeft zich helaas vergist.
„Hij, dien ik voor den vorst moest houden, is een eenvoudig majoor,
terwijl de werkelijke vorst Von Plessenheim, dien ik niet kende,
gistermiddag het schip heeft verlaten.”
„Wie heeft het schip gistermiddag verlaten?” vroeg de Italiaan.
„Ik zei het u reeds”, antwoordde de Franschman, „de vorst Von
Plessenheim met zijn adjudant.”
De kapitein, die het gesprek bijwoonde, mengde er zich nu in en
vertelde den officier van politie het voorgevallene.
De Italiaan vloekte en beweerde, dat dit geen zuivere koffie was.
„Ik geloof”, sprak hij, „dat de vogel mij ontsnapt is. Merkwaardig,
zooveel geluk als die kerel heeft. Maar misschien zal het mij toch
lukken en ik zal dadelijk naar Londen telegrafeeren. Misschien kan
inspecteur Baxter met zijn beambten den avonturier in Londen vangen.”
„Haal uzelf geen onaangenaamheden op den hals! Het is geen avonturier
geweest, dien ik aan boord had, maar inderdaad de vorst Von
Plessenheim. Overtuig u zelf!”
Hij wees naar de orde op zijn borst.
„Deze onderscheiding heb ik van Zijne Hoogheid gekregen. Een avonturier
kan geen decoraties verleenen!”
„Ik zal het aan mijn collega’s in Londen overlaten, zich
onaangenaamheden op den hals te balen”, antwoordde de Italiaansche
officier van politie.
„Voorloopig moet ik dezen heer”, hij wees naar den Franschen beambte,
„voor gevangen verklaren, daar hij geen papieren betreffende zijn
persoon bij zich heeft.”
„Nu, ik denk”, lachte de Franschman, „dat u juist op dit oogenblik het
ontbreken mijner papieren mijn identiteit als detective het beste moest
bewijzen.”
„Eigenlijk hebt gij gelijk!” antwoordde de Italiaan, „iemand die geen
papieren bij zich heeft, en niet kan bewijzen wie hij is, zou best een
detective kunnen zijn.
„Maar ik kan niet anders handelen. Ik moet u, totdat ik de bevestiging
uwer opgaven uit Parijs heb ontvangen, in hechtenis nemen. Volg mij in
naam der wet.”
Zoo geschiedde het, dat de eene politiebeambte den anderen gevangen
nam, inplaats van Raffles.— —
Inspecteur Baxter had zooeven een telegram ontvangen en de vloo,
secretaris Marholm, sloeg hem in het geheim gade om te zien, welken
indruk het telegram op den machtigen chef maakte.
De vloo kon tevreden zijn, want Baxter glimlachte vergenoegd, wreef
zich de handen en sprak op luiden toon:
„Fameus! Nu heb ik hem eindelijk in de val!”
„Wien hebt gij in de val?” vroeg de vloo. „Onzen vriend Raffles soms?”
„Goddam! De duivel hale je grootmoeder!” vloekte Baxter, „wat gaat het
jou aan, als ik in mezelf spreek?”
„Dat gaat mij inderdaad niets aan!” antwoordde Marholm en hij legde de
pen op tafel, een teeken, dat hij graag een langdurig gesprek met zijn
chef wilde houden.
„Welnu dan!” snoof de inspecteur, „zwijg dan en antwoord mij, als ik u
wat vraag!”
„Dat ben ik met u eens!” antwoordde de vloo kalm, haalde zijn kort
pijpje uit den zak, benevens een pakje tabak en begon langzaam als een
philosoof en zoo nauwkeurig mogelijk zijn pijp te stoppen.
Daarna streek hij aan zijn broek een lucifer aan en begon te rooken.
Hij wist, dat inspecteur Baxter al zijn bewegingen volgde als de kat
een muis, daarom deed hij zijn best om zich zoo weinig mogelijk te
haasten.
Hij had zich reeds den geheelen morgen over zijn chef geërgerd, omdat
deze hem, zooals herhaaldelijk voorkwam, achterstallig werk, dat hij
zelf reeds twee dagen geleden had moeten afdoen, had opgedragen.