TIENDE HOOFDSTUK.

Het zilveren feest.

»Kom, Marie, word wakker!" zeide Frédérique op den morgen van Maandag

den 11den Mei tegen haar nichtje, dat met haar op dezelfde kamer sliep.

»'t Is allerprachtigst weer en de zon schijnt al zoo vriendelijk, alsof

ze alle langeslaapsters als u ten bedde wil uithalen."

»Ik was net zoo prettig aan het droomen," antwoordde Marie, terwijl zij

zich uitrekte. »Gij buitenmenschen spookt ook altijd zoo vroeg. Dat kun

je maar niet afleeren."

»Vroeg?" hernam Frédérique. »De Westerklok is daar zoo even zeven uur

geslagen. Kom, sta nu maar gauw op. 't Is heden de dag, waarop Hunne

Majesteiten in de hoofdstad komen."

»Nu, als ik daarvoor om zeven uur moet opstaan, dan mag ik 't morgen wel

om vier uur doen. Maar, in vredesnaam! Ik ben nu toch wakker, en dus zal

ik u uw zin maar geven."

Allerprachtigst weer! Ja, dat was het in den vroegen morgen van den

11den Mei. En er was dan ook vrij wat volk op de been, om de schoon

versierde stad te zien. En wat een tal van vreemdelingen! In de

logementen was geen plaats meer te krijgen; ja, vele particulieren

hadden tegen groote sommen gelds hun kamers voor drie of vier dagen

verhuurd. 't Bracht veel geld in de hoofdstad; maar er is in die dagen

ook vrij wat geld besteed. Want ~Amsterdam~ was met recht in feestgewaad

getooid en de burgerij heeft geen kosten ontzien, om alles mooi te

maken. We willen in gezelschap van Frédérique, Marie, Henri en Leonard

eens een kleine wandeling door de stad doen.

Eerst gaan we met hen naar de Willemstraat, die er keurig netjes

uitziet, met haar slingers van groen en haar drie eerepoorten; dan door

een dwarsweg naar de Westerstraat, waar we een door de feestcommissie

opgerichte obelisk en een door de bewoners daargeplaatst fraai

borstbeeld van koning Willem III zien, gekroond door de ~Nederlandsche~

Maagd.

»Die kroon zal van avond met gas geïllumineerd worden," zegt Henri.

»Nu, dat zal een goed effect maken," oordeelt Marie. »Doch we kunnen

hier niet lang staan kijken; anders komen we niet op onzen tijd aan 't

station."

»Waar zullen we nu heengaan?" vraagt Frédérique.

»Wel naar den prachtigen bloementempel op 't Koningsplein," antwoordt

Henri. »Dan bekijken we meteen de schoone decoratie bij den

burgemeester."

Zoo gezegd zoo gedaan. We wandelen langs 't Singel naar 't Koningsplein;

waar we een prachtigen bloementempel zien staan, versierd met de

schoonste kinderen van Flora. Daarna gaan we even de Heeregracht

op, waar we, onder verschillende prachtige decoratiën, die van den

burgemeester van ~Amsterdam~ bewonderen, vooral om zijn rijkdom.

»En nu naar de Botermarkt," zegt Henri.

»Wat is daar te zien?" vraagt Leonard.

»Wel een groote eerepoort met het ruiterstandbeeld van Willem den

Zwijger er op," antwoordt Henri.

Van de Botermarkt gaan we met onze jongelieden naar het

Jozua-Daniël-Meyersplein, waar we een oud kasteel vinden opgericht,

zoo natuurlijk, alsof het er wezenlijk stond.

»O, dat is prachtig!" roept Marie uit. »'t Doet me denken aan den

Dillenburg, 't stamslot der Nassau's."

»Als ik 't niet beter wist, zou ik denken, dat er zoo straks een stoet

van edelen uit de burchtpoort zou te voorschijn komen," zegt Frédérique;

»zoo natuurlijk is 't geschilderd."

»Maar we moeten voort," zegt Henri, terwijl hij op zijn horloge kijkt.

»Indien we ten minste nog koffie willen drinken, vóor we naar 't station

gaan."

»Mij goed," antwoordt Marie. »Dan gaan we den Dam over, en zien daar

meteen 't versierde monument en de eerepoort."

»'t Weer schijnt te betrekken," merkt Frédérique aan, terwijl zij naar

de lucht kijkt. »'t Zou me niet verwonderen, of we krijgen regen."

»O, ongeluksprofetes!" roept Henri uit. »Doch ik vrees, dat je gelijk

hebt. 't Zou vreeselijk jammer zijn."

»Als de koning 't maar droog treft," wenscht Leonard.

»We willen 't hopen," antwoordt Frédérique, met de zekerheid van iemand,

die lang buiten heeft gewoond. »Ik zou er echter aan twijfelen."

»Welnu, dan nemen we onze parapluie's mee!" troost Marie. »Als het niet

anders is, in vredesnaam."

We gaan met ons viertal den Dam over; drinken koffie, en wandelen met

hen, met parapluie's gewapend, naar 't station.

't Is bij halftwee. Een kanonschot verkondigt ons, dat de trein met

H. H. M. M. gearriveerd is. Vergezeld van den prins van ~Oranje~, prins

Alexander en Frederik, alsook van den hertog van Saksen-Weimar en

diens gemalin, 's konings eenige zuster, komen ze 't station binnen.

Amsterdams burgemeester houdt een toespraak, en zijn dochtertje, in 't

wit gekleed en met de Amsterdamsche kleuren op ceintuur en strikken,

biedt der koningin een prachtigen bouquet aan. 't Zelfde doet de jonge

juffrouw Westervoudt, na een aanspraak van den president der

feestcommissie.

»Mijnheer de burgemeester," zegt de koning, terwijl hij dezen hartelijk

de hand schudt. »Het doet mij onuitsprekelijk veel genoegen, het

vijfentwintigjarig feest mijner regeering in de hoofdstad te zullen

vieren."

En nu spoeden we ons met de jongelui naar 't huis van mijnheer de

Winter, om den stoet te zien passeeren. Jammer, dat het regent--wel niet

hard; maar toch, er valt vocht. Wat den stoet aangaat, die is uiterst

eenvoudig. Na een escadron huzaren en de helft der eerewacht, komt

Z. M., omstuwd door zijn adjudanten en gevolgd door de prinsen met de

hunne, allen te paard gezeten, aan. Daarachter H. M. de koningin in een

open rijtuig met de groothertogin van Saksen-Weimar en prins Frederik,

en eindelijk de andere helft der eerewacht.

»Ziezoo! Nu gaan we naar den Dam," zegt Henri. »We hebben echter tijd

in overvloed; want behalve dat de stoet een heelen weg te maken heeft,

moet die aan 't Burger-weeshuis nog tweemalen wachten, daar de weezen

voor koning en koningin elk een couplet zullen zingen."

En zoo vergezellen we hen naar den Dam, waar 't geducht vol is, en

moeten nog een heelen tijd wachten, eer de stoet de Kalverstraat uit is.

Doch daar komt hij onder 't uitbundig gejuich der menigte aan. Jammer,

dat het zulk ongunstig weer is; wel zien we H. H. M. M. op 't balkon

verschijnen; maar dat duurt slechts kort: de regen jaagt hen spoedig

in huis. Dien avond om 9 ure gaan we nog eenmaal naar den Dam, om er

door Amstels mannenkoor den »Jubeltoon" van Hofdijk en een paar andere

stukken van Hol en Verhulst te hooren zingen. Gelukkig is 't weer goed,

en, ofschoon we er niet veel van kunnen verstaan, door 't leven hetwelk

de bijeengestroomde menigte maakt, is het toch een aardig gezicht, de

zangers met hun verlichting à la giorno te zien aftrekken.

't Is Dinsdagmorgen, en, daar we kaarten voor de kerk hebben gekregen en

we er al om acht uur moeten zijn, kunnen we de bidstond in de Westerkerk

niet bijwonen. In 't naar de kerk gaan vangen wij nog eenige tonen op,

welke de militaire muziek op den Dam doet hooren, in 't programma voor

de feestviering »reveille" genoemd.

We treden de kerk binnen, waar we, vijfentwintig jaren geleden, met de

ouders onzer jongelieden de inhuldiging bijwoonden. We zullen er nu den

koning door de natie hooren gelukwenschen. Een koor van niet minder dan

vijfhonderd zangers en zangeressen, begeleid door twee orkesten, zal de

feestcantate zingen, door J. J. L. ten Kate vervaardigd en op muziek

gezet door Joh. J. H. Verhulst, onder wiens directie de cantate zal

worden uitgevoerd. Daar laat zich een fanfare hooren; de vorstelijke

familie treedt de kerk binnen en neemt plaats op den troon. In 't midden

de koning, naast hem de koningin, aan wier linkerhand de groothertog van

Saksen-Weimar en diens gemalin prinses Sophia zich bevinden; aan 's

konings rechterhand zitten de prinsen van Oranje, Alexander en Frederik.

De stoel van prins Hendrik is ledig, daar deze keizer Alexander II van

~Rusland~ tegemoet is gereisd.

Daar doet het orkest het eerste gedeelte van de schoone feestcantate

hooren, en plechtig klinken die heerlijke tonen door 't ruime

kerkgebouw. Juffrouw Gips van ~Dordrecht~ zingt de solo's. Hierop

naderen achtervolgens de leden van de Eerste en de Tweede Kamer der

Staten-Generaal, die bij monde van hun voorzitters den koning uit naam

van het Nederlandsche volk geluk wenschen, waarop de koning antwoordt:

»Mijne heeren! Leden van de Eerste en de Tweede Kamer der

Staten-Generaal! Diep geroerd ben ik door de woorden, die het

Nederlandsche volk door uw mond tot mij heeft gesproken. Aan de liefde

en trouw, Mij en Mijn huis zoo ondubbelzinnig gebleken, wensch Ik te

beantwoorden door een ernstig streven om den bloei en den voorspoed van

ons aller dierbaar Vaderland te bevorderen. De Almachtige God geve mij

daartoe Zijn onmisbare hulp en schenke aan ~Nederland~ Zijn besten

zegen."

Daarop nadert de burgemeester van ~Amsterdam~, met de Wethouders en

de leden van den gemeenteraad; toen de Commissarissen des konings met

deputatiën uit de Provinciale Staten; eindelijk een aantal burgemeesters

uit alle oorden des lands, om Z. M. het geschenk van de natie aan

te bieden, bedragende een som van f 193.000, waaraan de koning

beloofd heeft, een bestemming te zullen geven. En die bestemming is de

ondersteuning van de invaliden der land- en zeemacht, zoo in ~Nederland~

als in Indië. Met donderend gejuich wordt dat woord des konings begroet.

Nu wordt de tweede helft der feestcantate gezongen, waarin de heer W.

Deckers Jr. van ~'s-Hertogenbosch~ de solopartijen zingt: na 't eindigen

daarvan is de plechtigheid afgeloopen.

O, wat een weer, nu we uit de kerk komen! 't Is geen Meiregen--'t lijkt

wel November, zoo koud en guur is 't er bij. In vredesnaam; we gaan

maar even mee naar 't huis van mijnheer de Winter, waar we de koffie

gebruiken, doen onze winterjassen aan en spoeden ons, met een parapluie

gewapend, naar 't station van den Rijnspoorweg, om--den Czaar van

~Rusland~ te zien aankomen. Dat station is keurig met bloemen getooid.

Onze koning komt er met de prinsen, en begroet daar zijn Russischen neef

met hartelijkheid. In gestrekten draf gaat het naar 't paleis, van

welks balkon de keizer aller Russen een gedeelte van den optocht ziet.

En die optocht! Prachtig en indrukwekkend, wat het historische gedeelte

aangaat, en waar we onze zeven stadhouders met hun voornaamste

tijdgenooten, allen in het kostuum van hun tijd zien voorgesteld.

Jammer maar, dat het zoo regent en de prachtige fluweelen en zijden

kleedingstukken pletten of bederven. Onder de nummers van den

allegorischen optocht treft ons vooral de vereeniging der goudsmeden met

hun prachtige banier, voorafgegaan door hun schutspatroon, den bisschop

St.-Eligius, in plechtgewaad en op een wit paard gezeten.

Indien we nu tot de genoodigden behoorden, konden we dien namiddag, lang

na 't vertrek van den Czaar, naar 't Paleis voor Volksvlijt gaan, waar

van wege 't gemeentebestuur den koning een galadiner wordt aangeboden.

Daar onze vrienden er echter niet genoodigd zijn, moeten we ons maar

vergenoegen met de vermelding, dat het prachtig is geweest, en de koning

er een hartelijken toost op ~Amsterdam~ gedronken heeft.

Lang uitblijven bevalt ons ook al niet; wel is de illuminatie hier en

daar opgestoken--meestal is zij uitgeregend of uitgewaaid, en waar zij

aangebleven is, speelt de wind zoo onbarmhartig met de gasvlammetjes,

dat alle effect verloren gaat.

Woensdagmorgen gaan we onder een stortbui naar den Dam, om er

vierhonderd weeskinderen te hooren zingen. Wat worden ze tot op hun hemd

toe nat, die arme schapen! Beter zijn er die dertien jongens en dertien

meisjes aan toe, die om ruim tien ure, uit naam van 400,000 kinderen

uit ~Nederland~ en ~Suriname~, bij monde van den jongenheer Felix

Westerwoudt, Z. M. het voor de door hen bijeengebrachte penningen

vervaardigde feestgeschenk aanbieden, hetwelk de koning erkent een der

aangenaamste te zijn van al welke hij tot nog toe ontvangen heeft. Niet

minder aangenaam is hem dat van de maatschappij »Arti et Amicitiae,"

bestaande uit ongeveer honderd prachtige miniatuurschilderijtjes, door

verschillende Nederlandsche kunstenaars vervaardigd en, met de gravures

en medailjes, in acht keurige lijsten gevat.

Daarna zouden we naar de volksspelen op 't Amstelveld of buiten de

Willemspoort kunnen gaan, (want het is gelukkig nu goed weer geworden

en 't Meizonnetje schijnt wat lief); we vergezellen onze jongelui liever

naar de Plantage, waar we de harddraverij zien, en 's avonds gaan we

naar den schouwburg, waar een gala-voorstelling plaats heeft, en

»Uitgaan" van Glanor, en »het Meifeest" van Binger worden opgevoerd.

Wanneer we ons nu Donderdag naar de Westerkerk begeven, kunnen we H.H.

M.M. in de bank zien zitten, of we gaan naar Artis Natura Magistra,

waaraan de vorstelijke familie haar gewone bezoek brengt. Liever

echter reizen we met Henri en Marie dien namiddag per spoor naar

~'s-Gravenhage~ om daar bij oom August te logeeren en er de feesten bij

te wonen.

* * * * *

Wat een regen en wind op Vrijdag den 15en Mei, den dag dat Z. M. binnen

de residentie zou worden ingehaald!

»Nu, die heeren van de eerewacht en die schutters zullen maar niet nat

worden," zegt Marie.

»Alsof papa droog zal blijven, die ook met zijn grenadiers gecommandeerd

is," zucht Frédérique de Winter.

»Gelukkig, dat de duizend kinderen van de gemeentescholen, die van

morgen al in hun lokalen bijeenwaren, om naar 't Willemspark te trekken

en om 't monument te zingen, naar huis gezonden zijn," zegt mevrouw de

Winter.

»En hoe hebben die van ~Scheveningen~ het dan gemaakt, mama?" vraagt

Frédérique, »hebben die in dat weer heel naar hun dorp moeten

terugwandelen?"

»Die zijn in vier wagens van de tramway gepakt, en zoo franco naar huis

gezonden," antwoordt mevrouw de Winter.

Gelukkig wordt het weer wat beter, en begeven we ons naar 't station. We

merken, dat de gesloten rijtuigen, die op 't plein stonden, door opene

vervangen worden, en treden het stationsgebouw binnen, waar de gewone

uitgang prachtig gedecoreerd is tot ontvangst van HH. MM. Daar komt de

trein aan. In 't wit gekleede meisjes met kransen in 't haar, bestrooien

het pad, hetwelk de vorstelijke personen gaan, met frissche bloemen, of

bieden HH. MM. ruikers aan. Na een korte toespraak van 's-Gravenhages

burgemeester, zingt de liedertafel Caecilia hun een Welkomslied toe,

waarvan de woorden zijn vervaardigd door Jan J. F. Wap, de muziek door

Richard Hol.

Nadat de koning aan den directeur van 't mannenkoor zijn compliment

gemaakt heeft, betuigt hij aan de ministers, de leden van den Raad, enz.

zijn dank voor hun tegenwoordigheid te dezer plaatse, en stapt men in de

open rijtuigen.

Daarop rijdt de stoet door de prachtige eerepoort aan de Wagenbrug, door

de Wagenstraten, Veenestraat en Hoogstraat, naar 't Noordeinde en zoo

naar 't Paleis, waar voor 't met vlaggen versierde ruiterstandbeeld

een prachtige eereboog van groen is opgericht, en op het plein voor 't

paleis 's middags om halfdrie de zangers van Caecilia, gesecondeerd door

een koor van jongens en meisjes en andere Haagsche zangvereenigingen,

het Volkslied en daarna een plechtig Te Deum aanheffen.

»Jammer, dat de optocht der jongelui van de Hoogere Burgerschool en 't

Gymnasium is afgezegd," zegt mevrouw de Winter tegen haar man, toen hij

thuiskomt.

»Jammer?" vraagt deze. »Ik ben blij voor de jongens. Een nat pak te

halen is niet alles. Dat heb _ik_ van morgen ondervonden."

»En de heeren van den optocht in ~Amsterdam~ niet minder, oom," zegt

Marie. »Die dropen, alsof ze in 't water gelegen hadden. De Haagsche

regeering heeft dus zeer verstandig gehandeld."

»Ook de illuminatie zal van avond niet doorgaan," verzekert mijnheer de

Winter. »En dat is ook goed; anders wordt het, evenals in ~Amsterdam~,

broddelwerk."

»'t Is te hopen, dat we morgen mooi weer hebben!" wenscht Henri. »Voor

heden zullen we ons dus maar vergenoegen met de volksvermakelijkheden op

het Oranjeplein!"

Vergenoegen?--Nu, of we daar pret hebben! Ziet daar eens die

kunstenmakers, met hun gymnastische toeren op het slappe en stijve

koord, of die, als ware herculessen, zware gewichten tillen. Ginds staan

Tobias Bamberg en andere goochelaars hun kunsten te vertoonen aan een

verbaasd publiek. Maar 't meeste amuseeren we ons bij die kolossale

poppenkast, voor welke groote en kleine kinderen een dolle pret hebben.

Gelukkig, dat Henri ons hierheen heeft gebracht; we zouden anders vrij

wat gemist hebben.

't Verdere van den Vrijdag brengen we door met het bekijken der

prachtige versieringen. Naar den schouwburg gaan we maar niet; ofschoon

daar een aardig gelegenheidsstukje van Bigot wordt gegeven, een

jubelzang door de liedertafel »Kunstoefening" wordt uitgevoerd, en alles

eindigt met een allegorische voorstelling met kooren, door Wijnstok.

Zaterdag is 't mooi weer. En de ingezetenen zijn wat blij, toen hun

wordt aangezegd, dat optocht en illuminatie dezen dag zullen doorgaan.

Nu, die optocht van de jongens is alleraardigst. Keurig zijn ze gekleed,

en wat gaat alles ordelijk en netjes! 't Is geheel en al een historische

optocht, waarbij we prins Willem I en drie zijner broeders te paard

zien. En wat is 't prettig, dat ze zulk goed weer treffen! We zien den

optocht driemaal; maar zouden hem met plezier nog eenmaal voorbij laten

defileeren. Waarlijk, zulk een troep ferme jongens strekt der residentie

tot eer!

's Avonds naar de illuminatie. Nu, die is schitterend! Vooral de

paleizen en 't Voorhout. 't Is letterlijk, alsof we in een zee van licht

loopen. En alles blijft zoo goed aan. Doch uit den weg, en de hoeden af!

Daar komen de koning en de koningin aan, die door de stad toeren, om

alles eens te bezien. Wat een gejuich! Geen gebrek aan »Oranje boven!"

Als we nu lang genoeg in ~Den Haag~ bleven en een uitnoodigingskaart

hadden ontvangen, dan zouden we met HH. MM. en de vorstelijke familie

naar ~Scheveningen~ zijn gegaan, om in de prachtig gedecoreerde zaal van

't Stedelijk Badhuis het diner bij te wonen, hetwelk de gemeenteraad

der residentie den koning heeft aangeboden. Dan hadden we ook de

verschillende toosten kunnen hooren, o. a. die, welke Z. M. op zijn

zuster en haar gemaal dronk. Daar we echter geen toegang hebben,

verlaten we met dankzegging voor 't gesmaakte genot onze vrienden, en

stoomen liever naar ~Rotterdam~, waar we dominé Veldhuis met zijn beide

kinderen, Ernst en Marie aantreffen, overgekomen om daar het

kroningsfeest bij te wonen.

* * * * *

't Is de 21e Mei. ~Rotterdam~ is prachtig versierd; vooral de

Delftsche poort, door welke Z. M. de stad moet binnenkomen, is

allerkeurigst gedecoreerd, even als het station, het groote uit

papiermaché vervaardigde standbeeld van Z. M. op de Erasmusmarkt, dat,

omgeven door een verrukkelijk bloembed, een goed effect maakt, en het

feestterrein op 't Westerplein, waar zich de vorstelijk gedecoreerde

koningstribune bevindt, en welk plein bezet is met vijftig hooge

standaards, tusschen welke guirlandes van groen, die van avond à giorno

zullen worden verlicht.

Voorloopig echter blijven we met onze drie oude vrienden aan 't station,

waar de koning en koningin door den burgemeester van ~Rotterdam~ worden

toegesproken. De trein gaat over de Erasmusmarkt naar de koninklijke

Yachtclub, waar een zeil- en roeiwedstrijd gehouden wordt en waar we

door een toegangskaart binnenkomen. Wat is 't gebouw der Yachtclub

keurig versierd: vooral de zaal, waarin de vorstelijke familie het haar

door de club aangeboden déjeûné gebruikt. Na afloop daarvan begeven de

vorstelijke personen zich op het balkon, en zien den wedstrijd eenigen

tijd aan; daarna stappen ze in hun rijtuigen en rijden naar het

feestterrein, waar ze den gekostumeerden optocht zien voorbijtrekken.

Nu! dat is een optocht, waarvan 't historische gedeelte onze geheele

geschiedenis, met de Batavieren beginnende, voorstelt.

Wat zijn die twee vierwielige wagens met hun voorspan van ossen aardig;

niet minder die druïde en die Bataafsche vrouwen en kinderen, welke er

opzitten. 't Is een optocht van belang! We kijken dan ook, zooals men 't

noemt, onze oogen uit.

Nadat de optocht voorbij is, volgen we de vorstelijke personen naar de

Boompjes, waar een stoomboot gereed ligt, om haar door de Noorderhaven,

die voortaan »Koningshaven" zal heeten, naar de plaats te brengen, waar

Z. M. den eersten steen zal leggen aan de Maasbrug. Zoo iets hebben we

al meer gezien, niet waar? Ik zal er u dan ook maar geen beschrijving

van geven; ofschoon Ernst en Marie wat blij zijn, dat ze nu ook eens

zulk een steenlegging zien, waarvan ze papa zoo dikwijls hebben hooren

praten, die zoo iets te ~Zutfen~ aan de eerste spoorbrug gezien had.

Voor ons echter levert de ~Maas~ met zijn tallooze versierde vaartuigen

van allerlei vorm en grootte, alle vol menschen, een allerintéressantst

gezicht op.

Nadat de koning weder naar de Yachtclub gereden is, waar hij de prijzen

uitdeelt, keert hij nogmaals naar 't feestterrein terug, waar we

andermaal den optocht zien. Daarna vertrekken H. M. met de groothertogin

en prins Frederik naar ~'s-Gravenhage~, en begeeft zich Z. M. met den

prins van Oranje en prins Hendrik naar den Doelen, waar hem een diner

wacht, hem door den gemeenteraad van ~Rotterdam~ aangeboden. Daar wij

er niet bij kunnen zijn, wandelen we de stad eens door, om de keurige

versieringen te zien, die overal aangebracht zijn, en zorgen, dat we

ons bij tijds weer op het feestterrein bevinden, dat nu geïllumineerd

is, en waar Z. M. ten derden male verschijnt, doch nu in zijn rijtuig

blijft, om naar 't zingen van Rotte's mannenkoor te luisteren. Toen deze

muziekvereeniging op verzoek van den koning het eerste couplet van 't

»Wien Neerlands bloed" aanheft, ontbloot Z. M. het hoofd, hetwelk door

alle aanwezigen met luid gejuich gevolgd wordt.

Eindelijk toert de vorst van halfelf tot middernacht door de

rijkverlichte straten, en houdt stil op de plaats, waar een schitterend

vuurwerk wordt afgestoken. Eerst om 1 uur verlaat Z. M. met prins

Hendrik de stad, om zich naar ~Vlissingen~ te begeven, waar zij den

Czaar bij diens terugkomst uit ~Engeland~ zullen verwelkomen; terwijl

de prins van Oranje met den groothertog van Saksen Weimar naar

~'s-Gravenhage~ vertrekt.

En nu, lieve lezeressen en lezers, hebben we de drie koningsfeesten

bijgewoond, waarbij Z. M. in persoon tegenwoordig was. Den 25sten

Mei vertrok de koning naar ~'t Loo~, en, als ik u den brief van Ernst

Veldhuis voorlas, dan zoudt gij daaruit zien, hoe Z. M. te ~Apeldoorn~

werd ingehaald. Maar hierover zwijgen wij, evenals over al de andere

gemeenten in ons land, in welke de Meifeesten herdacht zijn. Nooit is

er door 't geheele land zoo eenstemmig en met zooveel geestdrift feest

gevierd. Wat mij aangaat, ik leg hier de pen neer en ben er ten volle

verzekerd van, dat gij dit laatste hoofdstuk een waardig besluit zult

vinden voor een werkje, waarin we gelezen hebben wat er gebeurd is

gedurende

Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874 · 第 19 / 20 题