Koning Willem de derde, de beschermer der kunst.
We treden, op den 19en Februari van 't jaar 1874, de woning van Gustaaf
de Winter binnen. 't Is daar feest. Nu ja, zegt ge, geen wonder: want
onze koning is op dien dag jarig, en dan is het feest in elk huisgezin,
waar men met koning en vaderland hoog loopt. De 19de Februari en de
17de Juni zijn altijd feesten in ~Nederland~; dan steken de burgers de
vlaggen uit; want naast den koning heeft de natie hare edele koningin
lief, en, al hebben we weinig van haar in dit boekje gesproken, 't is
niet, omdat wij de vorstin, die zoo altijd toont, al wat goed en edel
is te beschermen, vergeten hebben; maar omdat dit werkje, blijkens den
titel, aan 's konings zilveren feest is gewijd, en dat we dus Zijner
Majesteits regeering en wat hij gedaan heeft op den voorgrond moesten
stellen. Onze lezeressen en lezers zullen dat wel begrepen hebben, en we
kunnen hun daarbij de verzekering geven, dat er, zoowel in de familie de
Bosson, als in die van de Winter en die van Veldhuis, warme liefde voor
Hare Majesteit woonde. Doch thans ter zake.
We voerden onze lezeressen en lezers op den avond van den 19de Februari
1874 de woning van den heer Gustaaf de Winter binnen, en wanneer we hen
naar de zaal geleiden, waar behalve de gaskroon ook de lusters aan den
schoorsteen ontstoken zijn, dan hebben we ten minste licht genoeg,
om te zien, dat hier een feest wordt gevierd, en wel een feest van
jongelieden: want we zien een aardig groepje bij elkander. En daar de
beleefdheid eischt, dat we elk der aanwezigen aan een nieuw inkomenden
gast voorstellen, zoo willen we dit nu ook doen, met dien verstande, dat
we u wat meer van den een en den ander zullen mededeelen, dan zulks wel
de gewoonte is, dus ons niet met een bloote opnoeming der namen zullen
vergenoegen.
We beginnen met de heldin van het feest, de lieve Marie de Winter, die
van daag haar dertienden verjaardag viert. Van de cadeaux welke ze
gekregen heeft, zullen we maar zwijgen, hoe gaarne mijn eenigszins
nieuwsgierige lezeressen dat ook zouden vernemen; ik kan haar die toch
niet laten zien, en ze zouden mij op den koop toe nog maar uitlachen,
als ik eens een fout in de beschrijving van al die meisjesartikelen
maakte. Liever wil ik u meedeelen, dat Marie een allerliefste meid is
en sprekend op haar mama lijkt, die we, nu zoo wat vijfentwintig jaren
geleden, op schier denzelfden leeftijd voor 't eerst ontmoetten. Ze kan
even ondeugend (altoos in den goeden zin) en even schalksch zijn als
haar mama toen was.
Haar broer Henri is nu twaalf jaren, en nog altijd de geprononceerde
lieveling van grootpapa de Bosson. In 't leeren aardt hij weinig naar
zijn oom Bernard; niet dat hij juist dom is, maar uitsteken doet hij
niet in al wat de school betreft--vrij wat meer in een ander vak,
en dat heeft hij dan ook gekozen--in het handteekenen. Sedert October
jongstleden heeft zijn papa hem op de teekenacademie gedaan en
daar vordert hij, volgens 't getuigenis zijner leermeesters, met
reuzenschreden. We zullen straks wel hooren, welke plannen papa de
Winter met hem heeft. Op 't punt van leeren is zijn tienjarige broeder
Leonard hem ver de baas. Oom Bernard zei nog onlangs, toen hij voor een
dag of wat over was en den knaap examineerde, dat Leonard, als hij zoo
voortging, niet in 't vak van zijn papa moest komen, maar voor de studie
moest worden opgeleid. En als dat gebeurt, zal 't me niet verwonderen,
of, als we tijd van leven hebben, lezen we nog eens in de courant: »Door
Z. M. den koning is benoemd als professor aan de Hooge school te ..., de
heer Leonard de Winter." Nu, dat heeft in alle gevallen nog tijd.
En daar we nu toch aan de huisgenooten zijn, vergeten we de
dertienjarige Frédérique Veldhuis, Marie's tweede _ik_ en de lieveling
van de familie niet. Frédérique heeft een bijzonderen aanleg voor de
muziek en wordt daarin opgeleid. Ook van de plannen, welke er met haar
zijn, hopen we straks iets te vernemen. Dat ze een dochter van onze oude
vriendin Margot de Winter is, kunnen we dadelijk aan haar zien, wij, die
Margot op dien leeftijd gekend hebben. Om zich geheel aan de muziek te
kunnen wijden, heeft ze reeds verleden jaar Juli de school verlaten; wel
een droefheid voor Marie, die zoo ongaarne haar kameraadje miste en nu
den weg naar en van de school alleen moet afleggen, wanneer niet
toevallig de uren der muziekles er gelijk mee komen.
We vinden echter nog drie huisgenooten van de familie de Winter in de
zaal, al zijn 't dan ook maar huisgenooten voor eenige dagen, namelijk
logés. Twee daarvan herkent ge terstond. 't Zijn kinderen van dominé
Veldhuis, overgekomen om Marie's verjaardag te vieren: Ernst, die nu
reeds den leeftijd van veertien jaren bereikt heeft en op het gymnasium
te ~Brielle~ de taal der oude Latijnen en Grieken leert, en de
twaalfjarige Marie Veldhuis, die ook wat grooter geworden is, sedert
we haar, nu bijna twee jaren geleden, voor 't laatst zagen. De derde
logé is ook een Ernst Veldhuis; hij is de zoon van den landbouwer uit
den Bommelerwaard en door zijn vader bij een heereboer te ~Apeldoorn~
besteed, om daar eens wat andere denkbeelden van den landbouw op te
doen. Hij is er, sedert hij onder een vreemde leiding is, veel op
verbeterd, en niet meer die stijve houten klaas, als toen we hem in ~Den
Briel~ ontmoetten. In 't gesprek zullen we, om hem te onderscheiden, hem
Ernst den boer, en zijn jongeren neef, Ernst van den dominé noemen; 't
is maar, omdat onze lezeressen en lezers anders in de war zouden raken.
We vinden er nog een Frédérique, en wel Frédérique de Winter, de dochter
van oom Emile. Ze is wel pas acht jaren; maar Marie stond er op, dat ze
ook zou komen. Leonard en Karel waren nog te jong, die zijn dus
thuisgebleven.
Hoewel nu 't liedje zegt:
»Où peut-on être mieux,
Qu'au sein de sa famille?"
wil men er bij zulk een gelegenheid ook wel eens een paar vreemden bij
hebben. Vreemd zijn ze nu wel niet, ten minste niet in de familie de
Winter (ons wel); want het zijn twee vriendinnetjes van Marie: Lucie
Brouwer en Angelique Sander; benevens twee vrienden van Henri: Jan van
Dalen en Hendrik Korteweg. Daar we geen bijzondere belangstelling voor
hen koesteren, bepalen wij ons bij het noemen hunner namen, en hebben
hen dus fatsoenlijk aan u voorgesteld. En zoo vinden we dus juist een
dozijntje bij elkaar aan de theetafel zitten.
Marie de Winter neemt de honneurs waar; zij schenkt thee.
»Hé, Ernst," zegt Jan van Dalen op eens tot den Apeldoornschen logé. »Je
komt zoo regelrecht uit ~Apeldoorn~. Ik heb wel eens gehoord, dat onze
koning daar een school heeft, welke hij geheel en al bekostigt. Is dat
waar?"
»Voorzeker," antwoordt de aangesprokene, »en ik kan u daarvan, als ge 't
wilt, wel wat vertellen; daar ik de avondcursus bezoek."
»O, doe dat, Ernst," zegt Jan. »Ik heb al zoo lang verlangd, daarvan
iets naders te hooren."
»Het oorspronkelijke doel der school," hervat Ernst, »die niet te
~Apeldoorn~, maar op ~'t Loo~ ligt...."
»Op de buitenplaats van den koning?" vraagt Henri.
»Neen, op het dorp ~het Loo~," herneemt Ernst, »en wel aan de
linkerzijde van de prachtige Loolaan, waarmede men van ~Apeldoorn~
naar 't schoone landgoed van Zijne Majesteit wandelt. De school dan is
oorspronkelijk een lagere opvoedingsschool, den 3den Mei 1852 geopend
ter verspreiding van meerdere kennis onder ambachtslieden en den
landbouwenden stand."
»Bestaat die school al zoo lang!" roept Frédérique Veldhuis uit. »Dat is
al twee en twintig jaren!"
»'t Is toch zoo," hervat Ernst. »En 't aantal leerlingen bedraagt
honderd en twintig. Ze is in de eerste plaats bestemd voor de zonen
en beambten in dienst van 't koninklijk domein, of als zoodanig
gepensioneerd door de twee laatste koningen, en verder voor die van
minvermogenden, welke niet te ver af wonen, om hun kinderen, in elk
jaargetijde, de school te doen bezoeken. Ze wordt geheel en al op kosten
van Z. M. onderhouden. Sedert 1854 is er een teekencursus bijgevoegd en
twee jaren later de avondcursus, welke ik bezoek, die van 1 November tot
ultimo Maart duurt, en waarop reken-, meet- en scheikunde, benevens
bouwkundig teekenen worden onderwezen."
»En is dat ook geheel op kosten van den koning?" vroeg Henri.
»Alles," antwoordde Ernst. »Alle drie de verschillende afdeelingen zijn
geheel gratis voor de bezoekers. Alleen voor den teekencursus moeten ze
voor een portefeuille en voor de dagelijksche teekenbehoeften zorgen."
»Nu," zeide Hendrik. »Dat is voor ~Apeldoorn~. Maar voor 't geheele land
toont Z. M. een beschermer van de kunst te zijn. Aan jonge schilders,
die eenigen aanleg hebben, schenkt hij jaarlijks een subsidie, en
jeugdige kunstenaars en kunstenaressen in de muziek worden op zijn
kosten buiten'slands gezonden, om aan een der conservatoires, 't zij te
~Brussel~, te ~Parijs~ of te ~Berlijn~, voor de muziek te worden
opgeleid."
»Waardoor we hoop hebben, dat ons land in schilderkunst en muziek niet
bij andere volken zal achterblijven!" zegt Ernst van den dominé.
Gaarne zou ik met u nog langer bij onze jongelieden vertoeven; we willen
echter liever eens zien, hoe ze 's konings zilveren feest vierden. Doch
dit in een volgend hoofdstuk.