ACHTSTE HOOFDSTUK.

Het feest van Neerlands onafhankelijkheid.

»Alweer een feest?" hoor ik u uitroepen. En ik antwoord: ja, alweer een

feest en wel weer een nationaal feest. Tot het eigenaardige van koning

Willems regeering mag dan ook wel het vieren van feesten genoemd worden.

Vooral sedert het jaar 1863 is de Nederlandsche natie verzot op feesten

geworden. Kan het anders? Behalve dat de nationale gedenkjaren van 1863,

65, 72 en 73 daarin vielen, zijn er tal van zaken, die hier en daar de

aanleiding hebben gegeven tot feestelijkheden. Landbouw- en andere

tentoonstellingen, congressen, opening van groote werken, 't oprichten

van standbeelden voor groote mannen, ze hebben allen aanleiding gegeven

tot feesten. En is 't niet veel beter, dat een volk om zulke vreedzame

gebeurtenissen feestviert, dan dat het zulks doet om een overwinning,

die duizende ouders kinderloos gemaakt, duizenden in de kracht van hun

leven verminkt heeft! Is 't niet beter het buskruit te besteden aan

prachtige vuurwerken, dan om het te gebruiken tot slachting van zijn

medemenschen? Is de gloed der lampions bij een illuminatie niet veel

schooner dan die van een ~Straatsburg~, door 't Pruisisch kanon in brand

geschoten? Gelukkig dus 't volk van ~Nederland~, dat zijn geld besteedt

aan feestvieren!

Van standbeelden gesproken; daar we toch aan 't praten zijn over de

regeering van koning Willem den derden, wil ik u eens opnoemen, welke

er alzoo onder zijn regeering zijn opgericht. Een voor den grooten

historieschilder Rembrand van Rijn, te ~Amsterdam~ ('54), voor den

volksdichter Tollens, te ~Rotterdam~ ('59), voor den schilder Ary

Scheffer, te ~Dordt~ ('62), voor Joost van den Vondel, te ~Amsterdam~

('67), voor Hogendorp, te ~Rotterdam~ ('68), en voor Boerhave te

~Leiden~ ('71). Behalve deze standbeelden nog 't monument van den

volksgeest in 1830 en 31, op den Dam te ~Amsterdam~ ('56), dat ter

herinnering aan 1813, in 't Willemspark te ~'s-Gravenhage~ ('63), en dat

tot aandenken aan de inneming van ~Den Briel~ in 1572 ('72). Doch zoo

pratende, zou ik mijn verhaal vooruitloopen.

We verbeelden ons dan in 't laatst van de maand Maart van 't jaar 1872

in een welvarend dorp te zijn, niet ver van ~Den Briel~. We treden het

dorp binnen en begeven ons naar de herberg. Terwijl we 't noodige

bestellen, en de dochter van den kastelein ons helpt, maken we een

praatje met haar vader.

»Een mooi dorp, kastelein," beginnen we. »En 't ziet er welvarend uit

ook."

»Nu, dat zou ik denken," antwoordt hij. »Je hebt hier boeren, die voor

geen ton of wat opstaan. Daar wordt hier vandaan ook wat naar ~Engeland~

gezonden."

»En daarvoor moeten wij alles duur betalen."

»Ja, meneer! Wat zal ik u zeggen? 't Is in de laatste jaren al wat

duurder geworden. En voor groote huishoudens is 't zeker een toer om

rond te komen. Daar hadt je nog gisteren de dominé...."

»De dominé. Hé, kastelein, wie staat hier als dominé?"

»Dominé Veldhuis, een knap en geleerd man, al is hij een beetje

verdraaid van figuur."

»Dominé Veldhuis? Weet je ook soms of hij B. Veldhuis heet?"

»Jawel, mijnheer; B. Veldhuis. Hij is verleden jaar in 't voorjaar hier

gekomen en bevalt uitstekend."

»Wel man, het doet me pleizier, dat ik het hoor. Die dominé Veldhuis is

een oude kennis van mij. Hoe maken 't zijn vrouw en zijn drie

kindertjes?"

»Zijn drie kindertjes! Nu kan ik wel merken, dat mijnheer de kennis niet

met hem heeft aangehouden. Hij heeft er al zes."

»Kom, dat doet me pleizier, kastelein. Ik heb dien dominé Veldhuis

reeds als een jongen van veertien, vijftien jaren gekend. Toen was 't al

een vlugge knaap, dat verzeker ik u."

»Dan heeft mijnheer hem al een heelen tijd gekend. Hij zal nu zoo wat

naar de veertig loopen. En kent mijnheer zijn vrouw ook?"

»Welzeker, dat is een Amsterdamsche. Och, man! Die heele familie ken

ik van haver tot gort. Sedert het jaar '65, toen de mama van mevrouw

Veldhuis stierf, heb ik echter niets van hen gehoord. Maar het doet me

plezier, dat de dominé hier staat. Ik ga hem straks eens opzoeken."

»Dan zal mijnheer er het huis vol volk vinden. Een broer van den dominé

uit ~Brakel~ logeert er met vrouw en twee kinderen, en mevrouws broer

uit ~Amsterdam~ met vrouw en drie kinderen."

»Wel, wel! dan is het een huishouden van zeventien personen! Die broer

en die zwager van den dominé zijn ook oude kennissen van mij. Als ik dat

van nacht had kunnen droomen, dan zou ik een voorspellende geest gehad

hebben! Kijk; ik ben recht blij, dat ik hier gekomen ben. Want ik stel

machtig veel belang in die menschen."

»Geen wonder, als men iemand zoolang gekend heeft!" herneemt de

kastelein, terwijl zijn dochter het gevraagde brengt, en we 't nu te

druk hebben met eten en drinken, om 't gesprek verder voort te zetten.

En thans, na ons behoorlijk gerestaureerd te hebben, stappen we naar de

pastorie van dominé Veldhuis. We schellen aan. Een knaap van twaalf

jaren doet ons open.

»Is dominé Veldhuis te spreken?" vragen we den blonden krullebol, die

ons met zijn helderblauwe oogen zoo schalksch aankijkt.

»Wel zeker, mijnheer," antwoordt de knaap. »Wil u maar in de zijkamer

gaan. Papa zal wel dadelijk bij u komen."

»Papa? Ben jij dan Ernst, de oudste zoon van den dominé?"

»Om u te dienen, mijnheer," antwoordt de knaap. »Maar hoe kent u me? Ik

weet niet, dat ik u ooit gezien heb."

»Ik jou wel. Maar dat is nu ruim acht jaren geleden. Toen was je nog een

klein kereltje van een jaar of drie. 't Was bij gelegenheid van de

Oranjefeesten, toen je bij grootmama de Winter logeerdet."

»Ja, mijnheer, daar weet ik niets meer van. Dat begrijpt u wel."

»Dat laat zich hooren. En hoe maakt het uw zusje Frédérique? Dat zal ook

al een heele meid zijn."

»Die is al elf jaar, mijnheer, maar ze is niet groot voor haar jaren,

zegt papa."

»Nu, jij bent des te beter uit de kluiten gewassen, Ernst."

»Wat is er toch, Ernst?" roept een vrouwenstem uit de geopende deur der

tuinkamer. »Is 't weer zoo'n venter? Zeg hem toch, dat wij niets noodig

hebben. Al wat we gebruiken, nemen we hier op het dorp, of laten we uit

~Den Briel~ komen."

»Neen, mama! 't Is een heer, om papa te spreken."

»Laat mijnheer dan in de zijkamer, en roep papa. Hij is in zijn

studeervertrek."

»En ik zal maar in de huiskamer komen, Margot," roep ik uit, en op 't

zelfde oogenblik komt onze goede Margot, die ge niet zoudt herkennen,

zoo gezet is ze geworden, maar die altijd nog hetzelfde vriendelijke

gezicht en haar lieve stem heeft, naar mij toe.

»Zijt gij 't, mijnheer! Wel, eer had ik verwacht, koning Willem den

derden in eigen persoon voor mij te zien, dan u."

»Ja Margot. Evenzeer had ik eerder gedacht, Zijne Majesteit hier te

vinden dan u en uw man. Ik hoorde het toevallig in 't logement, en kon

niet nalaten, u eens een visite te maken."

»Daar doet ge goed aan, mijnheer," antwoordt Margot. »Maar sta, als 't u

belieft, nu niet langer op de vloermat, en kom in onze huiskamer. 't Is

hier wel de doove of 't huis vol volk, maar hoe meer zieltjes, hoe meer

vreugd."

»Dat zeg ik ook, Margot. En daarom zal ik mij ook maar terstond in de

pret begeven."

Wat we nu al zoo verder babbelen, laat ik rusten. We zullen dus maar

eens doen, alsof we een generaal waren, die zijn troepen de revue laat

passeeren.

Eerst de kinderen van dominé Veldhuis.

Ernst hebben we reeds ontmoet. Ik moet u evenwel nog iets van hem

zeggen. Hij is een ferme jongen, die aanstaanden September naar de

Latijnsche school in ~Den Briel~ zal gaan, en stellig in de tweede

klasse zal komen; want papa heeft hem al vrij wat van 't Latijn geleerd.

De elfjarige Frédérique is een allerliefst meisje. Ze zal met oom

en tante de Winter mee naar ~Amsterdam~ trekken, om daar een jonge

juffrouwenschool te bezoeken; want mama vindt het minder geschikt, haar

naar ~Den Briel~ te sturen: daar ze dan door alle wind en weer heen zou

moeten. De tienjarige Marie is bijna zoo groot als Frédérique; ze is

echter minder vlug, ook heeft ze nog een jaar den tijd, om gelijk te

zijn met haar zuster. De drie andere kinderen zijn de achtjarige Sophie,

die evenals Marie en haar zesjarig broertje Willem op de dorpschool

gaat; 't jongste kind van dominé Veldhuis, Anna, is nog bij mama thuis.

Marie de Winter is net een goed vriendinnetje voor haar oudste nichtje

Frédérique. Ze is dan ook wat blij, dat dit naar ~Amsterdam~ zal

meegaan; want aan haar ondeugenden broer Henri en aan den kleinen

achtjarigen Leonard heeft ze niets. »Die Henri," zegt ze tegen

Frédérique, »is grootpapa's lieveling en dien heeft hij braaf bedorven.

Die grootpapa heeft zijn naamgenoot allerlei ondeugende streken

geleerd." Zoo erg als Marie 't nu maakt, is het wel niet; maar zeker is

het, dat de kleine Henri bij grootpapa een potje breken kan, en dat deze

meer van hem houdt dan van al zijn kleinkinderen; zelfs van de drie van

Emile en Emma, die toch bij hem in huis wonen. Onze goede oude kapitein

de Bosson is nu drie-en-zestig jaar; maar hij lijdt het grootste deel

van 't jaar aan rheumatiek, hetwelk hem wel eens heel lastig van humeur

maakt. Gelukkig, dat hij in Emma een schoondochter heeft, die veel van

hem kan velen, en hem meestal weet op te beuren en op te vroolijken. Hij

houdt dan ook zielsveel van haar, er zou maar eens iemand moeten komen,

die een kwaad woord van haar zeide--de oude rheumatieke kapitein zou in

staat zijn, hem op de punt van zijn degen te dagen. Florence zegt wel

eens spottend, dat zij nu geheel bij papa achterligt; maar dat meent

ze niet, en ze is wat gelukkig, dat haar goede papa zulk een lieve

schoondochter heeft. Die Florence is nog altijd even vroolijk en

opgeruimd, als toen we haar voor 't eerst ontmoetten; en ofschoon ze

haar zesendertigste jaar reeds achter den rug heeft, lijkt ze veeleer op

vierentwintig. Gustaaf en Bernard zijn ouder geworden, dat kan men hen

duidelijk aanzien, ook Frits Veldhuis en zijn vrouw, wier beide oudste

kinderen, Ernst en Marie, mede bij oom den dominé te logeeren zijn. Die

Ernst zou u echter niet bevallen. 't Is een goede lobbes van dertien

jaren, maar een broer in optima forma. Dat scheelt wat bij oom Bernard,

toen we hem op dien leeftijd in ~Amsterdam~ ontmoetten. Den dag bij den

nacht! En Marietje is wel wat onplezierig van humeur: ze schijnt niet

erg tevreden te zijn; ook kan ze niet best met de anderen overweg. Ernst

van den dominé noemt haar »een kribbebijter," en Frédérique zegt, dat ze

»zoo zuur kijkt, alsof er een paar flesschen azijn vóor haar staan."

En zoo zijn we, nu ongeveer drie en twintig jaren nadat we aan 't

station aan den Hollandschen spoorweg voor 't eerst kennis maakten met

onze vrienden, in een geheel nieuw geslacht gekomen, en vinden we de

kinderen van hen, die toen kinderen waren, als nieuwe kennissen terug.

Dat is wel aardig, vooral als we daarbij eens berekenen, dat _wij_ in

dien tijd niet zooveel ouder zijn geworden. Want zoolang toch is 't nog

niet geleden, sedert we daar voor 't eerst Gustaaf en Margot hun neef en

nicht Bernard en Florence zagen begroeten. Zie, dat is 't voordeel,

wanneer we in den geest iets bijwonen.

Doch waartoe zijn we nu in het dorp bij ~Den Briel~ en waarom zijn

zooveel logé's bij dominé Veldhuis? Ik zal 't u zeggen.

Nu ruim driehonderd jaren geleden lag ons lieve ~Nederland~ in ijzeren

boeien. Toen was er een man, een Willem van Oranje-Nassau, die de groote

ideé opvatte, om een door de onderdrukking vernederd volk op te heffen.

Die Willem van Oranje-Nassau was een voorzaat van onzen Willem den

derden. De zaak stond hopeloos: 't was ook een strijd tusschen een

kleinen prins en den machtigen reus, die over ~Spanje~ en ~Amerika~

gebood. En ziet, overmorgen zal het driehonderd jaren geleden zijn, dat

een hoop zeeschuimers, waaronder de edelsten van ons volk, den eersten

steen legden tot de onafhankelijkheid van onze natie, dat de eerste

lichtstraal in dien stikdonkeren nacht doorbrak: op den eersten

April zal het driehonderd jaren geleden zijn, dat ~Brielle~ door de

Watergeuzen werd ingenomen! Geheel Nederland zal dien eersten April met

opgewondenheid vieren; overal zal het feest zijn, een nationaal feest,

niet minder dan dat van 1863. Maar wij willen ons naar de kern van dat

feest begeven, naar ~Den Briel~. En evenals het Paaschfeest het feest

is van de opstanding van onzen Heer, en daardoor de verrijzenis van de

menschheid uit den stikdonkeren nacht waarin zij verzonken lag; zoo zal

de tweede Paaschdag voor ~Nederland~ het feest zijn van zijn verrijzenis

uit de boeien van schande en smaad, waarin het onder de Spaansche

dwingelandij geketend lag.

We zouden dat feest overal kunnen medevieren. Maar daar we ons hebben

voorgesteld, voor u een gedenkboek van de vijfentwintigjarige regeering

van koning Willem den derden te schrijven, moeten we ons naar ~Den

Briel~ begeven, waar het Hoofd van onzen Staat, even als voor negen

jaren, zal toonen, dat Hij en zijn Huis zoo nauw met ons volk en ons

volksbestaan zijn verbonden, dat, als ~Nederland~ feestviert, ook Oranje

daar deel in neemt. We laten dus den eersten Paaschdag stil voorbijgaan,

begeven ons naar de kerk, waar dominé Veldhuis, dien we als een wakkeren

vaderlander kennen, een warm woord tot zijn gemeente spreekt, en gaan

met de geheele familie, behalve den achtjarigen Leonard de Winter en

de drie jongste kinderen van den dominé, op den vroegen morgen van den

eersten April naar ~Den Briel~. We hebben dus gezelschap genoeg.

»Daar is al weer wat gebeurd, sinds we u voor 't laatst zagen,

mijnheer," zegt dominé Veldhuis, dien we gerust een wandelenden kalender

zouden kunnen noemen, zoo houdt hij zich steeds op de hoogte van zijn

tijd. »Daar hebt ge vooreerst de scherpschutterijen."

»Maar dominé!" roep ik uit. »De scherpschutterijen. Dat is

soldaatjespelen."

»Zoo beschouwt Zijne Majesteit de koning het toch niet," antwoordt

Veldhuis ernstig. »Ge vergeet, waaraan die scherpschutterijen hun

oorsprong te danken hebben."

»Aan den lust om soldaatje te spelen, dominé. Als 't land eens in gevaar

kwam, dan zullen die dappere scherpschutters wel naar hun schoenen

moeten zoeken."

»Zeg dat niet, mijnheer," herneemt de dominé. »Toen in 't jaar 1870,

tijdens den Fransch-Pruisischen oorlog, ons land een gewapende

neutraliteit aannam; toen de vrees voor Pruisens annexatiegeest ook

hier vele gemoederen vervulde, toen greep de bloem onzer natie, de

jongelingschap die niet tot den dienst verplicht was, naar 't geweer, en

vormde vrijkorpsen, wier leus ~Oranje~ en ~Nederland~ was. Dat was een

goed, 't was een manhaftig besluit. Zoo ontstond er, nevens ons leger,

een aanzienlijke krijgsmacht, die 't geweer kon behandelen, en in tijd

van nood, haardstede en altaren verdedigen. En onze goede koning Willem

de derde begreep, welk een edele krachtsontwikkeling dit was, en door

hun concoursen bij te wonen, door prijzen uit te loven, door hen te

erkennen als gevestigde genootschappen, heeft hij 't vaderland een

dienst bewezen."

»Ge hebt gelijk, dominé. Ik vind echter de oprichting en de

werkzaamheden van 't Roode kruis vrij wat meer onzen eerbied waard."

»Alles op zijn tijd, mijnheer. Terwijl 't Roode kruis naar de elkander

vijandelijke volken toeging en daar de wonden heelde, welke de oorlog

geslagen had, vormden zich hier de scherpschutterijen. Ook 't Roode

kruis roem ik als een van de gewichtige gebeurtenissen, onder koning

Willems regeering voorgevallen, en we weten genoeg, hoezeer Zijne

Majesteit daarmede is ingenomen en hoe hij 't ondersteund heeft. Maar de

bescherming, welke hij aan de scherpschuttersvereenigingen verleent, is

evenzeer tot eer en roem zijner regeering. Doch laat ons van dit punt

afstappen, en zeg mij, wat ge denkt van de afschaffing der doodstraf?"

»Een teeken, dat ~Nederland~ den geest van Christus heeft begrepen,

die niet wil dat iemand verloren ga, zoolang er nog redding voor

hem mogelijk is. Na 't afschaffen van geeseling, brandmerk en

tepronkstelling moest ook die van de doodstraf natuurlijk volgen."

»Toch heeft dat nog jaren geduurd; zij is echter een nieuwe parel

aan de kroon van Willem den derden, daar hij 't besluit heeft mogen

onderteekenen, waarbij wordt afgeschaft, dat de eene mensch (al is

het dan ook rechterlijk) in koelen bloede zijn evenmensch het leven

ontneemt. Alsof een mensch, al is hij ook een koning, recht heeft op

iets, wat alleen God heeft geschonken en Hij alleen kan ontnemen!"

»Ik ben 't volkomen met u eens, dominé. En ik zegen het, dat onze natie

dat besluit genomen heeft, toen er elders duizenden in koelen bloede

op 't slagveld vermoord werden. Maar, waardoor ook 't jaar 1870 voor

mij merkwaardig is geworden, is niet alleen door de oprichting van

scherpschutterijen, niet alleen door den arbeid van 't Roode kruis en

de afschaffing van de doodstraf; maar nog door iets anders, waarvan we

schier dagelijks de weldadige gevolgen ondervinden."

»En dat is, als ik u vragen mag?" zegt dominé Veldhuis.

»Aha! daar heb ik nu onzen knappen dominé Veldhuis eens gevangen. De

man, die altijd zoo goed op de hoogte is, weet niet wat er nog meer in

1870 gebeurd is. Kom, beste dominé, roep uw geheugen eens te hulp!"

»Ik weet waarlijk niet, wat ge meent, mijnheer. Help mij uit den droom."

»Wel, de wet op de posterijen," antwoord ik.

»En hecht gij daaraan zulk een groote waarde?" vraagt de dominé.

»De grootste waarde, dominé. Wat is toch belangrijker, dan een

gemakkelijke correspondentie?"

»Nu ja, die had men vroeger ook," antwoordt de dominé. »Reeds in 1850

werd het port verminderd van 30 op 15 cents en vijf jaren later op 10

cents. Acht gij nu de vermindering op 5 cents van zulk een groot

belang?"

»Van hoog belang, dominé," antwoord ik. »En wel, omdat nu alle

ingezetenen van 't Rijk dezelfde rechten hebben verkregen. Een

voorbeeld: vóor 1870 zondt ge een brief naar ~Den Briel~, en men

betaalde er 5 cents voor, omdat de stad in uw postcirkel lag; maar was

het adres naar ~Amsterdam~, dan moest men er 10 cents voor betalen. Was

dat nu rechtvaardig van een rijksinstelling? Even goed als een telegram

door 't gansche rijk met 30 cents betaald wordt, moet ook het briefport

voor allen gelijk staan. 't Land is uw brievenbode, maar mag geen

afstand berekenen."

»Ge hebt gelijk, mijnheer. En wat de gedwongen frankeering aangaat,

daar heb ik volkomen vrede mee. Ik ontvang nu geen onbelangrijke brieven

meer, waarvoor ik een dubbeltje moet betalen; en niemand zal meer klagen

over de missives, welke ik hem schrijf; want ze kosten hem geen duit."

Onder dergelijke aangename gesprekken reden we ~Den Briel~ binnen; want

ik heb u vergeten te zeggen, dat dominé reeds dagen te voren voor een

fermen janplezier had gezorgd, waarin we met ons twaalven ruim konden

zitten.

We rijden dan ~Den Briel~ binnen, en stallen ons rijtuig en onze

paarden. Eerst gaan we eens rondwandelen. Wat ziet er hier alles

feestelijk uit! Nooit is ~Brielle~ zoo schoon geweest. En we schijnen

het nog te treffen met het weer! 't Lijkt wel, dat de plasregens van de

vorige dagen hebben opgehouden, zoo vriendelijk schijnt de zon. Frits

Veldhuis, de buitenman, zegt wel, dat hij het weer niet veel vertrouwt;

maar dat heeft hij van morgen toen we uitreden ook al gezegd, en die

buitenlui zijn toch ook maar profeten, die brood eten.--Daar in ~Den

Briel~ zijn ze ook al vroeg opgeweest evenals wij; de kastelein ten

minste vertelt ons, dat reeds om 7 uur de donder van 't geschut en 't

gelui der klokken den aanvang van 't feest verkondigd heeft.

»Wat mij aangaat," voegt hij er bij. »'t Was mij niet te vroeg; want we

zijn den geheelen nacht niet naar bed geweest. Ons heele huis is vol

logé's en we zullen vandaag geen handen genoeg hebben, om al de gasten

te bedienen!"

Of die olijke kastelein ook mazematten zal maken! Nu, hij is de eenige

niet, dien 't feest van ~Brielle~ geld als water doet verdienen!

»Dan ben jelui vroeg genoeg begonnen," zegt dominé Veldhuis.

»Dat moest ook wel," antwoordt de kastelein. »Want tot eer van ~Den

Briel~ moet ik het zeggen: de dag is aangevangen met een werk van

liefdadigheid. Op een dag als heden moet er geen enkele Briellenaar

zijn, die niet mee feest kan vieren. Van morgen om halfacht zijn al de

armen op de daartoe bestemde plaats van een goed maal voorzien."

»Dat is nobel, en recht in den geest der Nederlanders," zegt dominé

Veldhuis. »Dan kunnen ze eens van goeder harte feestvieren; want met een

leege maag gaat dat niet bijzonder."

De godsdienstoefening in alle kerken is bepaald van negen tot halfelf.

Druk worden ze ditmaal niet bezocht, ofschoon de herinnering aan vóor

300 jaren de gewone Paaschpreek vervangt. Maar er is ook zooveel te

zien! Immers geheel ~Brielle~ is met groen, oranje en vlaggen versierd.

En om negen uur worden de eerste booten verwacht. Toch stappen we even

de Roomsche kerk binnen, en zien tot ons genoegen, dat de kaarsen op het

altaar met oranje en groen versierd zijn, en een paar schilden ons aan

de jaartallen 1572 en 1872 herinneren. Dat doet ons plezier: want bij

een feest als de herinnering aan de vestiging onzer onafhankelijkheid,

komt immers geen verschil van geloofsbelijdenis te pas. Daar bulderden

de saluutschoten en alles stroomt naar de haven; ook wij laten ons

derwaarts voeren. O, jammer! Daar begint het te regenen, en met een

zegevierend gelaat roept Frits Veldhuis uit:

»Nu, heb ik niet goed voorspeld? Een geluk, dat je mijn raad gevolgd en

parapluies meegenomen hebt."

En waarlijk een geluk was het, dat we naar den raad van den

ongeluksprofeet geluisterd hebben; want het is een plasregen. 't Is

alsof 't water met bakken van den hemel valt.

»Goed om 't groen frisch te houden," zegt dominé Veldhuis. »Dat hebben

we nu voor onze pekelzonde, omdat we niet naar de kerk zijn gegaan. Daar

hadden we ten minste droog gezeten."

»Als 't er niet lekt," meent Florence ondeugend. »Maar wie had ook zoo'n

bui verwacht?"

»Ik," zegt Frits Veldhuis, die de eenige van ons is, wien de regen

genoegen schijnt te doen; alleen omdat zijn profetie is uitgekomen.

»In alle gevallen zijn we er met onze parapluies toch beter aan toe, dan

de arme feestgangers, die geen weerprofeet bij zich gehad en te veel op

't Aprilzonnetje vertrouwd hebben," zegt Florence. »Wat worden die arme

menschen nat! En met dat natte pak mogen ze den ganschen dag loopen!

Inderdaad geen buitenkansje!"

»Toch eer een buiten- dan een binnenkansje," merkt dominé Veldhuis aan.

»Ik vrees echter, dat er van 't laatste ook genoeg gevaar is, en vandaag

menigeen van binnen niet minder nat zal zijn dan van buiten."

»En dan die metalen kruisridders, die daar uit de Rotterdamsche boot

ontscheept worden. Eer ze aan 't feestlokaal komen, zijn ze even

druipnat als de huzaren, die ze hebben afgewacht om hen derwaarts te

vergezellen," zegt Florence.

»Nu, ik ga naar 't logement terug," zegt Margot. »'t Is me hier al te

lekker, en ik zou kans hebben, dat al dat regenwater mijn geestdrift

voor den heelen dag verkoelde."

»En ik ga met u mee," voegt Florence er bij. »'t Is inderdaad voor ons,

vrouwen, geen weer om hier te blijven staan."

En zoo keeren we voorloopig naar 't logement terug, om na kerktijd bij

een der dominé's te gaan, die zijn collega met diens gezelschap had

uitgenoodigd; maar bij wien we toch onder kerktijd slecht konden komen.

We verlaten nu onze goede vrienden voor eenigen tijd en laten hen in

't logement, terwijl wij ons met een der leden van de hoofdcommissie,

een goeden kennis van ons, naar 't kleine feestlokaal begeven. Dat

feestlokaal ('t is de openbare school op de ~Lijnbaan~) is met groen en

vlaggen versierd. Hier worden de Utrechtsche commissie voor 't Asyl nu

de sub-commissiën ontvangen.

Daar neemt de secretaris der hoofdcommissie, de heer Jager, het woord.

»Welkom! Welkom! gij allen," zegt hij, »op den klassieken bodem, waarop

wij thans staan, een bodem, die ons de tirannie der Spaansche beulen

herinnert, ons gezonden als antwoord op de smeekbeden der landzaten, om

verlichting van den druk." Daarop roept de spreker ook de »Vlaamsche"

broeders, die in grooten getale zijn opgekomen, een hartelijk welkom

toe, en brengt in herinnering, hoe in den geuzenstrijd ook veel Vlaamsch

bloed was gestort. Daverende toejuichingen klinken door de feestzaal.

En nu de heer Jager zijn toespraak sluit met de woorden: »Heil zij het

vrije ~Nederland~ onder het geliefde Huis van Oranje!" schijnt er aan 't

uitbundig gejuich geen einde te komen.

Daar opent de heer de Geijter uit ~Antwerpen~ den mond. Warm en bezield

is zijn taal. Hij erkent het, welke groote verplichtingen ook de

Zuid-Nederlanders hebben aan den heldenmoed van 't voorgeslacht, en

verzekert, dat ook in België's groote steden, vooral in ~Antwerpen~, de

eerste April wordt gevierd, in zijn stad misschien niet minder dan in

sommige Noord-Nederlandsche steden.

Dat is een goed, een hartelijk woord geweest van dien Antwerpschen

broeder. 't Is of men den regen vergeet, die kletterend tegen de glazen

van 't lokaal aanslaat. Met geestdrift wordt de eerewijn aangenomen, met

geestdrift een luide dronk aan koning Willem den derden gewijd.

We hebben, door tegenwoordig te zijn in dat feestlokaal, verzuimd om

ons naar het terrein te begeven, waar de volksvermakelijkheden plaats

hebben, en de acrobaat Hart, ondanks den neerplassenden regen, zijn

toeren aan een deel van 't volk ten beste geeft. Het spijt ons niet; we

hebben ons hier niet alleen droog bevonden, maar tevens een vaderlandsch

genot gesmaakt.

't Is intusschen elf uur geworden, de regen heeft opgehouden, en 't is

als wil de zon doorbreken. Nu zouden we wel weer naar 't logement willen

terugkeeren; maar daar zullen we onze vrienden niet vinden: dewijl die

zeker reeds bij den collega van dominé Veldhuis zijn, en misschien zich

al op marsch naar of op de tribune bevinden; want als we goed verstaan

hebben, dan zal deze hen op het feestterrein brengen. We sluiten ons

dus bij den trein aan, die juist om elf uur, met de muziek van 't korps

veldartillerie voorop, derwaarts marcheert. Reeds om halfelf is dat

feestterrein, hetwelk zich op het Maarlandsplein bevindt, voor hen die

van toegangsbewijzen voorzien zijn, geopend.

Ziezoo, daar zijn we er. Gelukkig was 't van boven droog. Maar van

onderen? Menigeen zal van daag last hebben van koude voeten. In

vredesnaam! Als 't hart maar warm blijft. En daar zal wel voor gezorgd

worden. 't Ziet er goed uit, dat feestterrein, niet waar? Kijkt nu eens,

die toren aan onze linkerhand is die van de groote hervormde kerk. Van

dezen toren nu heschen de Watergeuzen van daag vóor drie honderd jaren

het eerst de prinsenvlag. Hoe vroolijk wappert ze daar nog na drie

eeuwen. Toen waren de Briellenaars in angst en vrees, toen waren ze

(en niet ten onrechte) bang voor die woeste zeeschuimers,--en, waren er

onder hen niet zooveel edele en rechtschapene mannen geweest, hun vrees

zou bewaarheid zijn geworden--thans juicht al wat Briellenaar is en

verheft de namen van diezelfde piraten, die den eersten straal der

vrijheid uit den donkeren nacht deden te voorschijn komen.

Doch laat ons nu het terrein eens bekijken. Naar de zijde der

Voorstraat ziet gij de koninklijke tribune, prachtig met rood fluweel,

de kleur van 't Brielsche wapen gedrapeerd. Ge ziet dat wapen, een roode

verticale balk op een wit veld, boven op de tribune aangebracht. Ter

wederzijde, aan elken kant vier tribunes, voor de genoodigden, elke met

het rijkswapen en een tropee van vlaggen versierd. 't Geheel is omgeven

door de wapens der ~Nederlandsche~ provinciën. Op een dertigtal schreden

afstands staat, midden vóór de koninklijke tribune, het spreekgestoelte

van den redenaar, den Leidschen hoogleeraar M. de Vries, gedekt door een

driekleurig afdakje, en links van daar de plaats, waar de eerste steen

voor 't monument zal worden gelegd.

»Hé, mijnheer! U ook al op het terrein!" roept een stem uit de algemeene

tribune. 't Is die van Margot. »Kom bij ons," vervolgt ze, »of ge moet

een beter plaatsje kunnen krijgen."

»Waar kan men beter zijn dan bij zijn beste vrienden!" roep ik, verlaat

mijn vriend van de Hoofd-commissie, die het veel te druk heeft om op mij

te letten, en zit weldra heel plezierig te midden van onze oude

vrienden.

»'t Is veel beter, dat u maar hier gekomen is, mijnheer," zegt Florence.

»Want kijk eens, u steekt met uw winterjas zoo af bij al die heeren met

hun zwarte rokken."

»En wij niet minder bij al die dames in haar feesttoilet," voegt Margot

er bij. »Daarom hebben we ook maar op de achterste bank van de tribune

plaats genomen. We zouden er anders zoo mal bijzitten."

»Hoe laat komt de koning?" vraagt Ernst van den dominé.

»Volgens 't programma om halftwaalf," antwoordt zijn vader. »'t Kan

echter wel iets later worden."

»Wat zijn dat voor kleine hokjes, papa, daar aan weerszijden van de

tribune?" vraagt Henri de Winter. »De heeren die daarin zitten, hebben

lessenaars voor zich en schijnen wat te moeten schrijven."

»Dat zijn de tribunetjes voor de verslaggevers der dagbladen, Henri,"

antwoordt Gustaaf. »Er zijn ook correspondenten van buitenlandsche

bladen onder."

»En wat moeten die dan schrijven?" herneemt de knaap.

»Wel, alles wat hier voorvalt; ook wat er gesproken wordt."

»Maar papa! Zoo gauw kunnen die menschen dat toch niet doen."

»Dat zou u meevallen, Henri. 't Zijn stenografen of snelschrijvers.

Ze schrijven niet met letters zoo als wij, maar met teekens. Later

vereenigen zij zich en vergelijken hun opteekeningen met elkander. Zoo

gaat het bij ons in den gemeenteraad, in de kamers der Staten-Generaal,

kortom, overal waarin 't publiek gesproken wordt en de dagbladen verslag

van 't gesprokene willen geven."

Daar klinken weer kanonschoten. 't Is het sein, dat het koninklijk jacht

de haven nadert. Op 't feestterrein is nu alles voltallig, behalve de

commissie, die naar 't havenhoofd is gegaan om Z. M. te ontvangen.

»Zou 't nog lang duren, oom, eer de koning hier is?" vraagt Marie de

Winter aan oom Veldhuis.

»O, neen! ~Brielle~ is geen ~Amsterdam~, waar de einden zoo vreeselijk

groot zijn. We zullen niet lang behoeven te wachten; daar kunt ge zeker

van zijn."

En dominé Veldhuis heeft gelijk. Kort nadat het geschut zich heeft doen

hooren, kondigt een daverende fanfare van 't orkest der veldartillerie

de komst des konings aan. Z. M. is gekleed in generaalsuniform en

vergezeld van zijn jongsten zoon, prins Alexander der ~Nederlanden~, die

de uniform van zeeofficier draagt. Hij wordt door de geheele commissie

ontvangen en naar de tribune geleid, waar ook de heer Fock, commissaris

des konings van ~Zuid-Holland~, en de generaal-majoor Schönstedt plaats

nemen. Nauwelijks is Z. M. gezeten, of daar heft Brielles mannekoor met

begeleiding van 't orkest het Wilhelmuslied aan, op dezelfde wijs als

't hier vóor drie honderd jaren door de trompetters der geuzen werd

geblazen, en nu beklimt professor de Vries het spreekgestoelte en houdt

een keurige, opgewekte redevoering, aan 't slot waarvan hij Z. M.

uitnoodigt om, volgens belofte, den eersten steen te leggen voor de

beide gedenkteekenen; het monument en het asyl.

Hierop zingt het mannenkoor de daartoe vervaardigde feestcantate,

getiteld: »Hollands glorie", en volbrengt Z. M. de plechtigheid op

dezelfde wijs als bij de brug te ~Zutfen~ en in 't Willemspark te

~'s-Gravenhage~. Doch luistert. De koning spreekt tot de commissiën voor

't op te richten standbeeld en zeemanshuis:

»Wanneer mijne woorden gering zullen zijn, gij zult het mij gewis

vergeven; want in het oogenblik dat de nazaten van den grooten Zwijger,

de nakomelingen van het geuzenvolk zich op deze heilige plek vereenigen,

mijne heeren, zijn mijne woorden weinig in getal. Gij moogt het

verschoonen; want het is de taal van het hart, dat moeilijk kan

uitdrukken de fierheid die het doet kloppen. Ik ben er grootsch, zeer

grootsch op, ~Nederlander~ te zijn en ik dank u voor de groote eer en

het groote voorrecht, welke gij mij wel hebt willen schenken, om den

eersten steen te leggen van deze beide heerlijke plannen, welke op deze

plek in de toekomst zullen worden verwezenlijkt.

»Leve het Vaderland!"

Welk een oorverdoovend gejuich volgt op deze woorden des konings!

Men hoort het schieten van 't kanon niet. Daar heffen de orkesten 't

Volkslied aan. Intusschen hebben allen hun plaatsen weer ingenomen, en

houdt professor de Vries het slot zijner feestrede, die eindigt met de

tegenstelling van de ~Nederlanders~ in de 16e en 19e eeuw. Toen: haat

en opstand tegen hun vorst--thans: innige gehechtheid en trouw aan hun

koning. Een derde feestcantate vervangt deze keurige redevoering.

En nu, nadat Z. M. den feestredenaar bedankt heeft, verlaat hij de

tribune en gaat naar 't groote feestlokaal, hetwelk zich daar vlak

achter bevindt, en waar 't concert en operettengezelschap van den heer

Pfläging van ~Rotterdam~ een matinée muzicale geeft. Hier blijft de

koning niet lang, hij begeeft zich naar het keurig versierde huis van

den burgemeester, G. F. Lette, tevens voorzitter van de commissie, waar

een receptie plaats heeft en uit welks vensters Z. M. den optocht zal

zien passeeren. In ons tenue mogen wij ons achterafhouden en blijven dus

maar bij de familie. We zullen dus ook straks niet met het vijftigtal

hooge gasten aan het déjeuner dinatoire aanzitten en weten niet, welke

toosten daar worden geslagen. Dat déjeuner dinatoire duurt tot 6 ure, en

om halfzeven verlaat de koning de stad ~Brielle~.

Intusschen gaan we naar 't groote feestlokaal, om den troep van

Pfläging te hooren en wat te gebruiken. 't Is hier wel wat donker;

misschien komt het door de decoratiën, die inderdaad sierlijk zijn.

Ziezoo, nu gaan we den optocht zien, die hier langs komt. Ha! daar

is hij. We zullen onze attentie slechts op enkele nummers daarvan

vestigen. Ziet, die banier van ~Brielle~ is door eenige Brielsche dames

vervaardigd en aan de hoofdcommissie ten geschenke gegeven ten gebruike

bij de feestviering. Die zegewagen, door vier zwarte paarden getrokken,

stelt ~Nederland~ voor. De vrouw, in wit neteldoek gekleed en den helm

op het hoofd, leunende op de grondwet van 1848 en de zijden teugels der

door pages geleide paarden in de linkerhand houdende, terwijl ze in haar

rechter- den koninklijken schepter torscht, stelt de Nederlandsche maagd

voor. Op den wagen zien we de borstbeelden van koning Willem den derden,

en zijn doorluchtige gemalin, gekroond wordende door de geniën van den

vrede. De wagen ziet er goed uit; ook die tweede, voorstellende de

zeevaart en getrokken door vier witte paarden. Het is de reddingsboot

Rotterdamsch welvaren No. 1, bemand, als moest ze de équipage van 't een

of andere gestrande schip redden. En niet minder is die derde zegewagen,

voorstellende de bronnen van Neerlands welvaart: koophandel, nijverheid,

landbouw, kunsten en wetenschappen, getrokken door vier bruine paarden,

en waarop zich Ceres, Flora en Pomona, met de geniën van kunsten en

wetenschappen, koophandel en nijverheid bevinden.

»Maar ik zie er geen enkelen watergeus bij!" roept Henri uit.

»Ik ook niet," antwoordt Ernst van den dominé. »Een Brielsche optocht

zonder watergeuzen!"

»De schrik van 't jaar 1572 zal nog in de Briellenaars zitten!" zegt

Frédérique spottend.

»Nu, bij ons in ~Amsterdam~ zijn ze dan niet zoo bang voor de

watergeuzen," zegt Marie de Winter. »Ik heb 't programma gelezen, en

daar zijn wel degelijk watergeuzen bij."

»Degelijke watergeuzen?" vraagt Ernst Veldhuis uit ~Brakel~, die 't

zeker verkeerd verstaan heeft.

»Och, jongen, ben je mal?" vraagt Marie. »Denk je dan, dat ze die, drie

honderd jaren geleden, op sterk water gezet hebben, om ze nu weer te

vertoonen?"

»Maar je hebt het toch gezegd, Marie," herneemt Ernst.

»Ik heb gezegd, dat er wel degelijk van die mannen bij zijn, welke zich

als watergeuzen verkleed hebben," antwoordt Marie. »Maar lieve hemel!

Wat wordt de lucht weer donker! Daar straks scheen de zon nog zoo

helder."

»En haalde ze water," hernam Ernst. »We krijgen weer een buitje."

»Dan maar naar huis," zegt de Brielsche predikant. »Zoo zien we meteen

den trein nog eens."

En we zien den trein. Maar hoe? Och! lieve hemel! Nauwelijks zijn we

bij den dominé geborgen, of daar slaat het drie uur, en 't is of die

klokslag 't sein geeft tot een slagregen. Een letterlijke stortvloed.

Die arme maagd heeft nu veel van een kat, die te water is geweest; de

sierlijke plooien van haar neteldoeksche japon zijn weggeregend; alles

hangt haar druipend langs 't lijf. En nu wij droog daar binnen zitten,

is het een koddig gezicht, die druipnatte menschen hier en ginds te zien

stuiven.

Vele feestgenooten zoeken plassend en bibberend een schuilplaats op

de booten. De tocht is verstoord--de kleuren der vlaggen loopen in

elkander--de illumineerglazen staan vol met water--'t vuurwerk zal wel

bedorven zijn. En die menschen daar ginds, waar de volksspelen gehouden

worden. Wat zullen die mastklimmers, boegsprietloopers, schijfspuiters,

zakkeloopers, pap-eters, renners, wat zal die arme Hart nat zijn! Nu,

dat is toch jammer!

Gelukkig dat het tegen zes uur weer wat opgehelderd is, en tal van

Briellenaars zich naar de haven kunnen begeven, om Zijne Majesteit

het vaarwel toe te roepen. En dat geeft hoop op het doorgaan van de

illuminatie en (als ze het ten minste nog niet hadden aangeslagen) het

vuurwerk.

Wij blijven. Om halfacht wordt de illuminatie opgestoken. Gelukkig is

het droog.

»Daar hebben we toch een watergeus," roept Henri eensklaps uit, toen we

voor 't huis staan, aangekocht voor 't Geuzengesticht (het asyl voor

verminkte zeelieden.)

»Een leelijke kerel!" zegt Frédérique. »Als ze er zoo hebben uitgezien,

behoeft men niet bang te zijn, dat men er verliefd op zal worden."

»Nu, mooi zijn de meesten wel niet geweest," hervat Henri. »Denk maar

eens aan dien kapitein zonder neus en ooren."

Inderdaad zien we de afbeeldingen van een dier zonen der zee, door een

krans van licht omgeven. Doch we kunnen den geheelen avond niet langs de

straten dwalen, en gaan ter afwisseling eens naar de kleine feestzaal,

waar evenals in de groote een soireé musicale wordt gegeven, en waar we

tegen entrée binnenkomen. Tegen tien ure gaan we naar de plaats, waar

't vuurwerk zal worden afgestoken. En inderdaad, men heeft de voorzorg

genomen, om het droog te houden. 't Is een prachtig vuurwerk, bestaande

uit dertien nummers. 't Mooist is het tweede, zijnde het Brielsche

wapen met de zinspreuk: »Libertatis Primitiae" (de eersteling der

vrijheid) door bengaalsch vuur verlicht en omgeven door fonteinen en

luchtbolspelen in de vaderlandsche kleuren. Maar 't allermooist is het

laatste nummer, de slotdecoratie. 't Bestaat uit zes kolommen, wier

basementen met het opschrift Oranje versierd zijn. Door gekleurde

vuurlansen worden de jaartallen 1572 en 1872, benevens 1 April

voortgebracht. En wat tal van zonnen, wat een menigte vazen, waaruit

nationale bouquetten opstijgen. En welk een geweld aan 't slot, dat

bouquet van 1200 luchtzwermers en die honderd vuurpijlen! We zijn doof

van 't leven. Gelukkig, dat het uitbundig gejuich op die vreeselijke

kanonnade volgt; een doodsche stilte zou een te groote afwisseling zijn,

en ons angstig doen rondkijken, of hier ook een tweede slag van ~Sédan~

geleverd was en 't slagveld vol dooden en gekwetsten lag.

En wij, we nemen afscheid van onze vrienden, die zich naar 't logement

spoeden, waar ze hun rijtuig zullen inspannen, om naar huis te rijden.

Wij nemen plaats op een der volgepropte stoombooten, om dien nacht in

~Rotterdam~ te logeeren.

En terwijl we naar de Rottestad stoomen, herhalen we in ons zelf nog

eens het eerste en tweede gedeelte der tweede feestcantate, die we op

het feestterrein hoorden zingen:

't Hart klopt ons met hooger slagen,

Holland, bij uw dierbren naam;

Naam, langs zee en zand gedragen,

Glorievol en zonder blaam;

Wie zijn land met fierheid noem!--

Hooger, Holland, stijg uw roem!

Ja, de daden blijven spreken,

Door der vad'ren moed gewrocht:

Nimmer zal de roem verbleeken.

Met hun goed en bloed gekocht:

Wat onsterflijk blijven zal,--

Hollands glorie bovenal.

Hollands zonen, toont u waard

't Bloed van d' ouden heldenaard,

Vloeiende in uw adren.

Weest, gelijk uw vadren,

Fier en moedig,

Vroom en goedig,

Koel van zinnen, warm van bloed,

Trouw en vroed.

En dreigt;--wat God verhoed'!--

De krijg met fellen gloed,

Dan, 't oog op God, Oranje aan 't hoofd!

Oud-Hollands glorie niet gedoofd!

Doet, houw en trouw

In nood en dood,

Dan der vadren leus gestand:

Goed en bloed voor 't Vaderland!

't Feest van 1 April, door 't geheele land gevierd, had er wederom niet

weinig toe bijgebracht, om den band tusschen Koning en Volk te

versterken.

Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874 · 第 17 / 20 题