ZEVENDE HOOFDSTUK.

's Konings rouw.

»Vrijheid en onafhankelijkheid!" dat was de nagalm van 't Oranjefeest.

En velen juichten het toe, dat de ~Nederlandsche~ natie het gevoelde,

dat zij het palladium der vrijheid, haar door de vaderen nagelaten en

voor een halve eeuw herwonnen, op prijs wist te stellen; allen waren

't er over eens, dat ~Nederland~, onder zijn constitutioneelen

regeeringsvorm en met een Oranje aan 't hoofd, het meest vrije en

gezegende land van ~Europa~ was. Waar toch vond men zulk een vrijheid

van godsdienst als hier, alwaar geen uitsluiting eener enkele

godsdienstige gezindheid bestond en ieder, tot welk kerkgenootschap hij

ook behoorde, tot de hoogste staatsambten kon geroepen worden. Daarbij

vrijheid van drukpers--inderdaad een der grootste voorrechten eener

vrije natie. En toch waren er tal van menschen, die oordeelden,

dat het tegen ons vrijheidsgevoel indruischte, wanneer daar in onze

West-Indische kolonieën, ondanks de humaniteit waarmede men altijd te

koop liep, nog een aantal menschen waren, schepselen als wij, onderdanen

van denzelfden koning, die geen eigen vrijen wil hadden, genoodzaakt

waren al hun krachten te besteden voor een meester, die hen voor geld

gekocht had, en kon verkoopen aan wien hij wilde; kortom, dat er in

~Suriname~ en elders nog slaven waren. 't Was aan de gezegende regeering

van Willem den derden voorbehouden, die vlek van onze natie af te

wisschen. In 't zelfde jaar toch, dat ~Nederland~ zijn feest ter

herdenking van zijn eigen vrijheid vierde, had het de vrijheid hergeven

aan zijn ongelukkige medebroeders, die 't juk der slavernij droegen, en

eerlang zou er, zoover Willem III zijn schepter zwaaide, geen slaaf of

slavin meer zijn. Maar ook voor eigen vooruitgang en ontwikkeling had

men gezorgd. Een nieuwe tak van onderwijs werd er in 't leven geroepen:

het middelbaar onderwijs. En spoedig na de uitvaardiging dier wet

verrezen er alom hoogere burgerscholen met vijf- en driejarigen cursus.

Ook waren de stoffelijke belangen der natie niet vergeten. ~Rotterdam~

zou weldra een verbeterden waterweg krijgen, ~Amsterdam~ een kanaal naar

de Noordzee, door ~Holland~ op zijn smalst. Beide besluiten moesten den

bloei des handels verhoogen; de laatste zou daarenboven duizende bunders

goed en bebouwbaar land droogmaken en zoo medewerken tot de welvaart van

akkerbouw en veeteelt.

Geen wonder, dat de natie, onder zulk een wijs en vaderlijk bestuur,

verlangend uitzag naar den 18en Juni 1865, als wanneer zij den dag zou

vieren, waarop, vijftig jaren geleden, de verkregene onafhankelijkheid

van ons land in den slag bij ~Waterloo~ was behouden gebleven. Ook dien

dag zou men algemeen herdenken, en--kon men den held van ~Quatrebras~ en

~Waterloo~ niet meer blijken geven van de sympathie, welke het dankbare

vaderland voor hem gevoelde--koningin Anna Paulowna leefde nog, en wat

men den Vorst niet meer kon toebrengen, zou men haar wijden. Doch de

feestviering van den Waterloodag zou op treurige wijs verstoord worden;

ze zou den gloed missen, dien ze zoo noodig had; het koninklijke huis

zou niet mede feestvieren.

Wanneer ge langs de Zeestraat te ~'s-Gravenhage~, den ouden, schoonen

straatweg naar ~Scheveningen~ opgaat, dan ziet ge aan uw linkerhand een

eenvoudig doch statig gebouw, met een ruime voorplaats, door een hekwerk

van den grooten weg afgesloten. Dat gebouw met de daarbij behoorende

tuinen en nevengebouwen heet Buitenrust. Aan die tuinen is ook het oude

bekende Zorgvliet getrokken, waar vader Cats zijn leven sleet, en vele

zijner verzen maakte. Die buitenplaats, in de duinen aangelegd, en waar

men nog het oude huis van den Raadpensionaris-dichter aantreft, levert

uitgebreide wandelingen op; want zij beslaat eene aanmerkelijke ruimte

aan den linkerkant van den Scheveningschen weg. Dat Buitenrust nu, met

Zorgvliet en de vroegere woning van den graaf Rheede van Ghinkel van

Athlone, had de koningin-weduwe aangekocht en met vrij wat nieuwe

aanplantingen vergroot; hier sleet zij haar aan weldadigheid gewijd

leven in kalmte en vrede.

Ge zoudt het niet denken, als ge 't huis van buiten ziet, dat het

een geschikt verblijf is voor de dochter der Russische Czaren. Een

vorstelijk paleis is het zeker niet te noemen. En toch zou u 't

smaakvolle en keurige ameublement treffen, rijk en kostbaar, en

tegelijkertijd zoo beminlijk eenvoudig; meer aantrekkelijk door zijn

aanzienlijke kunstschatten, dan door zijn prachtige meubels. Ge zoudt

zeker lang stilstaan bij die reusachtige geschilderde porseleinen

vazen, die u de Russische kunstvaardigheid zouden doen bewonderen,

en u niet kunnen verwijderen van die juweelen der ~Nederlandsche~

schilderschool--ge zoudt.... doch ditmaal willen we niet ronddwalen in

die vertrekken; daarenboven--ze hebben iets sombers door 't sluiten der

jaloezieën, die het uitzicht op den tuin belemmeren. Misschien zoudt ge

gaarne eens naar boven gaan, om in de keurige bibliotheek te snuffelen,

waar u misschien die oude teekeningen en beschrijvingen met platen van

't vroegere Zorgvliet zouden aantrekken--of, al is 't ook Maart, eens

ronddwalen door de plaats van vader Cats, waar we nog een steenen tafel

zouden vinden en.... we treden de groote zaal uit, en gaan aan onze

linkerhand een zijvertrek binnen, het boudoir der koningin-weduwe. Ook

hier vertoeven we evenmin; maar treden in 't nevenvertrek, de slaapkamer

van Anna Paulowna; thans haar sterfkamer.

Zeker zou 't oneerbiedig kunnen heeten, wanneer we zoo onaangediend

binnentraden, waar zooveel vorsten en vorstinnen verzameld zijn om 't

sterfbed eener koningin, en er zou dan ook wel niemand geweest zijn, die

't gewaagd zou hebben, ons aan te dienen; wij echter hebben 't groote

voorrecht, er in den geest te vertoeven, en geen macht ter aarde kan den

geest verhinderen, zich een weg te banen. Die toch gaat door gesloten en

gegrendelde deuren, treedt in de paleizen der vorsten en aanschouwt

daar, wat voor geen ander te aanschouwen wordt gegeven. En zoo treden

we op Woensdag den eersten Maart 1865 des namiddags ruim vier uren de

kamer van Anna Paulowna binnen, en willen zien, wat daar plaats heeft.

Het eerst valt ons oog op die alkoof, waar de stervende vorstin

nederligt. Aan 't hoofdeneind van het veldbed, waarop ze rust, staat

haar kamenier, die haar jaren lang trouw gediend heeft, en meer haar

vriendin dan haar ondergeschikte is. Ze houdt het hoofd der stervende

in haar armen, om het te ondersteunen. Aan 't voeteneinde staan de HH.

doctoren Van der Grijp en Vinkhuyzen, die H. M. gedurende haar laatste

ziekte behandeld hebben. 't Is een aandoenlijke groep, waarvan de

koningin het middelpunt uitmaakt. Vermagerd en bleek is ze, bleek,

wanneer de vreeselijke benauwdheden haar 't bloed niet naar de wangen

drijven. Reeds sedert eenige dagen hebben de uitgegeven bulletins de

natie in spanning gehouden ten aanzien van den afloop der ziekte, die in

een hevige borstaandoening bestaat, gekenmerkt door benauwdheden, welke

in de beide laatste etmalen zoo zeer waren toegenomen, dat haar krachten

waren uitgeput en men 't ergste vreesde.

Grootvorstin Anna Paulowna, de dochter van keizer Paul I van ~Rusland~

en keizerin Maria Federowna (Dorothea Augusta Sophia van ~Wurtemberg~),

is den 19en Januari 1795 geboren, dus op denzelfden dag, toen haar

aanstaande gemaal, als kind uit zijn land verdreven, nog als balling

op de Noordzee zwalkte en men voor 't eerst de Engelsche kust in 't

oog kreeg. Toen keizer Napoleon zijn eerste gemalin, Josephine de

Beauharnais, verstiet, liet hij, eer hij aanzoek deed om aartshertogin

Maria Louise, door Canlaincourt de hand der Russische vorstin vragen. En

voorzeker zou de vorstelijke Anna Paulowna, edel van gestalte als van

gemoed, een keizerstroon als die van het toen zoo machtige ~Frankrijk~

tot sieraad gestrekt hebben--haar broeder, keizer Alexander, bedankte

echter voor die eer. Veel liever schonk hij de hand zijner zuster

aan een vrij wat geringer vorst, maar die van edeler bloed en hooger

afkomst was: aan zijn vriend, den ridderlijken Oranje, toen nog slechts

kroonprins van het koninkrijk der ~Nederlanden~. Den 21en Februari 1816

werd het hooge huwelijk te ~St.-Petersburg~ voltrokken.

En Anna Paulowna had de liefde der natie weten te verwerven. Niet

alleen maakte zij zich op voortreffelijke wijze onze taal eigen, maar ze

drong ook door in de meesterwerken onzer letterkunde. En bovenal werd de

vorstin geliefd om haar minzaamheid en weldadigheid. Vergeten we niet,

hoe ze, in 't klein, haar naaischool te ~Scheveningen~ had, in 't groot,

in 1830 en 31 haar naam in gezegend aandenken bracht door het stichten

op eigen kosten van een hospitaal voor gekwetste militairen. Groot

was de sympathie, welke zij bij 't bestijgen van den troon in 1840

mocht ondervinden. Als koningin was ze niet minder geliefd dan als

kroonprinses. En toen ze den 17den Maart 1849 te ~Tilburg~ bij 't lijk

van haar zoo beminden gemaal nederknielde en uitriep: »O, wat ben ik

ongelukkig!" toen een andere koningin haar plaats op den troon innam,

bleef ze nog steeds de geëerde en hooggeschatte, de beminde Vorstin. Dat

getuigde steeds de eerbiedige groet, haar, waar zij zich in 't openbaar

vertoonde, door de menigte toegebracht; dat had men in 't jaar 1858

gezien, toen ze, bij gelegenheid van 't feest der meerderjarigheid van

haar kleinzoon, den kroonprins der ~Nederlanden~, voor de laatste maal

in ~Amsterdam~ vertoefde, en de luide toejuiching van de bevolking der

hoofdstad haar te gemoet klonk bij haar verschijning op het balkon vóor

't paleis op den Dam; dat had ze ook nog op den avond van dien 17en

November 1863 kunnen bespeuren, toen ze door de hel verlichte straten

der residentie toerde, en haar overal de kreten, »Leve de koningin!" in

de ooren klonken.

Geen wonder dus, dat de natie met belangstelling de bulletins had

ontvangen en gelezen; dat ook de natie volgens de laatst uitgegevene

vreesde, dat de lamp haar levens spoedig zou worden uitgebluscht. Ook de

vorstin zag het gevaarlijke van haar toestand in, ja, ze was de eerste,

die van sterven gewaagde. Maar krachtig van ziel als ze was, verschrikte

haar de aanblik van den dood niet: kalm en onderworpen verbeidde zij

haar laatste uur, even kalm en onderworpen nam ze een aandoenlijk

afscheid van haar kinderen; daarna van haar trouwe bedienden, welke ze

dankte voor de gehechtheid, haar gedurende een reeks van jaren bewezen.

Toen had ze verlangd, dat haar de bulletins omtrent haar toestand zouden

worden voorgelezen: daarna vroeg zij om haar priester, die haar de

laatste troostmiddelen der Grieksche kerk, tot welke zij behoorde,

toediende. En zoo wacht zij daar kalm en gelaten het oogenblik af,

waarop God haar van deze aarde zal oproepen.

Om haar bed bevinden zich al de vorsten en vorstinnen van 't koninklijk

huis: Z. M. koning Willem de derde en zijn koninklijke gemalin; hun

beide zonen, de kroonprins en prins Alexander; prins Hendrik en zijn

gemalin, Amelia Maria da Gloria Augusta, dochter van hertog Bernhard van

Saksen Weimar Eisenach, met wien hij sedert 19 Mei 1853 gehuwd is; ook

prinses Sophie, de eenige dochter der stervende, gehuwd met den

groothertog van Saxen Weimar Eisenach; prins Frederik met zijn gemalin

en dochter Marie. Op een wenk van een der doctoren, dat het laatste

oogenblik nadert, zijn ze allen neergeknield; een doodelijke stilte,

alleen door zacht, bedwongen snikken afgebroken, heerscht in de

sterfkamer en breidt zich van daar in al de vertrekken van 't vorstelijk

paleis uit--nog eer de wijzer der pendule, die zich in de kamer bevindt,

op half vijf staat, heeft Anna Paulowna haar laatsten strijd

voleindigd--is de koningin-moeder der ~Nederlanden~ gestorven.

We schuiven een gordijn voor de smart en den rouw, die thans het

sterfvertrek vervulden--evenmin zullen we de aandoeningen schetsen,

waarmede die tijding in de Hofstad, ja, in 't gansche land vernomen

werd, en die vergezeld ging van de nieuwsgierige vraag: waar 't lijk der

overledene vorstin ter aarde zou worden besteld? Wel wist men, dat, op

het door haar uitdrukkelijk te kennen gegeven verlangen, haar lijk niet

zou worden gebalsemd--de plaats der begraving bleef voor alsnog een

geheim. Sommigen herinnerden zich, dat Anna Paulowna, bij gelegenheid

toen zij een bezoek aan 't familiegraf te ~Delft~ had gebracht, den

wensch zou hebben geuit, om eenmaal te rusten tusschen haar koninklijken

gemaal en haar zoon, prins Alexander--men vreesde echter, dat daartegen

van wege de Grieksche kerk onoverkomelijke zwarigheden zouden bestaan.

Geruchten noemden de Grieksche kapel te ~Amsterdam~ als de plaats, waar

de begrafenis zou plaats vinden, wanneer die bezwaren niet waren op te

heffen.

Reeds Donderdag om acht ure verkondigde het doffe klokgebrom, dat

Neerlands koningin-moeder gestorven was, en dat had driemaal daags,

telkens een uur lang, plaats. Tevens waren de woningen van vele

aanzienlijke particulieren gesloten, ten teeken van deelneming in 's

vorsten rouw. Schouwburgen en openbare vermakelijkheden mochten geen

voorstellingen geven. Alles moest er toe dienen, om den rouw over den

dood der vorstin te verkondigen. Dat hield tot Donderdag, den 18den

Maart aan, om nogmaals twee dagen vóór en op den dag der begrafenis

herhaald te worden.

En die begrafenis--ze had den 17den Maart, op den sterfdag van koning

Willem den tweeden, te ~Delft~ plaats. De moeielijkheden waren uit den

weg geruimd, en Anna Paulowna zou, volgens haar wensch, tusschen haar

gemaal en haar zoon rusten. 't Was een heele stoet, die daar op Vrijdag

den 17den Maart 1865 zich door de straten van 't vorstelijk

~'s-Gravenhage~ bewoog. Ik zal u dien niet beschrijven; daar geen onzer

vrienden hem bijwoonden. Alleen vestig ik uw oog voor een enkel

oogenblik op de prachtige rouwkoets voorafgegaan door den heraut van

wapenen (~Rusland~) te paard met zijn wapendrager, en bespannen met acht

rouwpaarden. Op de kist de koninklijke kroon, benevens het ordeteeken

van St.-Catharina, gehecht op een rood fluweelen kussen, de slippen van

't lijkkleed gedragen door de barons van Tuyl van Serooskerken en Taets

van Amerongen en twee groot-officieren van 's konings huis. Naast den

rouwwagen de vierentwintig kamerheeren--dragers van het lijk. En

daarachter Z. M. de koning der ~Nederlanden~, de groot-hertog van Saxen

Weimar, de kroonprins en prins Hendrik der ~Nederlanden~ in een koets

met zes paarden bespannen, gevolgd door een met even veel paarden

bespannen koets, waarin prins Frederik en prins Herman van Saxen Weimar.

En was 't een heele stoet; 't was ook een heele tocht van Buitenrust

naar de Nieuwe kerk te ~Delft~. Gedurende al dien tijd hielden de

klokken van ~'s-Gravenhage~ en ~Delft~ niet met luiden op, en werd er

elke minuut een kanonschot gelost. En toen 't vorstelijke lijk in den

grafkelder was neergezet en Zijne Majesteit met de prinsen de kerk

verlaten had, verzegelde de minister van justitie in 't bijzijn van den

grootmeester, den opperkamerheer en den opperceremoniemeester, de kist

met 's rijks grootzegel en riep de heraut van ~Nederland~ met luider

stem uit:

»De plechtige teraardebestelling van het stoffelijk overblijfsel van

Hare Majesteit Anna Paulowna, koningin-weduwe der ~Nederlanden~, geboren

grootvorstin van ~Rusland~, is volbracht."

En zoo was de koningin der ~Nederlanden~ gestorven en begraven in 't

zelfde jaar, waarin men gedacht had het feest van de herdenking van den

slag bij ~Waterloo~ te vieren. »Doch waarom is er bij die plechtige

begrafenis geen enkele der familie de Bosson of de Winter tegenwoordig

geweest?" vraagt ge. Een der Bossons wel, en dat was de luitenant der

grenadiers, August; die was zelfs met het bataljon, waarbij hij stond,

in den trein mede naar ~Delft~ gemarcheerd, maar juist daarom had hij

genoegzaam niets van den optocht zelf gezien. Geen der andere leden had

zich noch te ~Delft~, noch te ~'s-Gravenhage~ bevonden. Indien ge de

reden daarvan wilt weten, volgt mij dan slechts op dienzelfden Vrijdag

den 17den Maart en wel na afloop der begrafenis, naar 't ons bekende

huis op de ~Heeregracht~.

Ook in dat huis heerscht een doodelijke stilte en treurigheid. Laat

ons slechts binnentreden. We gaan niet in de huiskamer, die is op 't

oogenblik ledig en verlaten. Maar we gaan den trap op naar boven, waar

de slaapkamer van mevrouw de Winter is. En daar vinden we onze goede,

lieve mevrouw de Winter stervende. Ze had in 't vorige najaar een zware

rheumatische aandoening op de borst gekregen, en wat de dokter ook deed,

hij kon die niet overwinnen. 't Had den geheelen winter sukkelen gegeven

en reeds meer dan twee maanden lang was de goede vrouw bedlegerig;

d. i. werd ze van het bed naar de canapé en van de canapé naar 't bed

gebracht. Die voortdurende zwakte en de uitputting harer krachten,

welke volgens den dokter wel met den dood zouden eindigen, waren dan

ook de oorzaak geweest, dat het huwelijk van Emile en Emma, dat in

't vorige najaar zou plaats hebben, was uitgesteld. Want Emma, de

trouwe, zorgvuldige Emma, wilde haar vriendin in die omstandigheden

niet verlaten. Ze had haar opgepast, zonder haar eigene gezondheid te

ontzien. En wanneer kapitein de Bosson of Florence haar vermaanden,

toch aan zich zelf te denken dan antwoordde ze: »ik ben jong en sterk;

daarenboven is 't mij een genoegen, en wat men gaarne doet, valt licht."

Vooral in den laatsten tijd had ze een goeden steun gehad aan den

kapitein, die zijn zuster zoo ferm kon tillen en dragen. Ook werd zij

trouw afgewisseld door Florence, als die haar huisgezin kon verlaten; en

nu sedert zes weken door Margot, die voor eenige dagen was overgekomen,

maar de zaken zóó bevonden had, dat ze niet meer wegdurfde.

Ze gevoelde het wel, de brave vrouw, dat haar levenslampje spoedig zou

worden uitgebluscht; ze had er reeds herhaalde malen met haar broeder en

haar kinderen over gesproken. Vooral met Emma sprak zij er gedurig over.

»Lieve," had ze onder anderen op zekeren dag tegen haar trouwe

verzorgster gezegd. »Wanneer ik niet meer ben, zal Henri zich zoo

eenzaam en verlaten gevoelen. Wil je me iets beloven. Zoodra ik niet

meer zijn zal, moet uw huwelijk met Emile plaats vinden, en dan kom je

met uw man hier in huis wonen. Dan blijft mijn broeder bij u, en voelt

hij zijn verlies minder."

En Emma had het haar beloofd, ook Emile, dien ze daarover had gesproken

en wien ze die belofte had afgevergd. En evenals deze zaak, had ze ook

met de grootst mogelijke kalmte al haar aardsche beschikkingen afgedaan,

en rustig en gelaten verbeidde zij het oogenblik, dat het God zou

behagen, haar uit de wereld weg te nemen. Van haar kinderen had ze een

teeder en aandoenlijk afscheid genomen, ook van haar broeder; terwijl ze

in de laatste dagen zoozeer verlangd had, haar zuster Marie nog eens te

zien, dat ook deze uit ~Brakel~ was overgekomen. En zoo stonden ze nu

daar allen om het sterfbed van de geliefde vrouw. Spreken kon deze niet

meer, en haar gebroken oogen konden zelfs de dierbaren, die om haar

sterfbed geschaard waren, niet zien. Doch een tevredene, zalige glimlach

lag op haar bleek, vermagerd gelaat verspreid, van hetwelk Margot, die

aan 't hoofdeneinde van 't ledikant zat, van tijd tot tijd het doodzweet

afwischte. Eensklaps hield de adem op, een kleine beweging van den mond,

en--mevrouw de Winter was niet meer. Ze was zoo zacht en kalm

gestorven, als ware ze in slaap gevallen.

Vier dagen later had de begrafenis plaats; waarbij ook de oude Veldhuis

en Bernard tegenwoordig waren; en de korte doch roerende toespraak,

welke de laatste aan den geopenden grafkuil hield, was treffend en gaf

in weinige woorden te kennen, hoe de vrouw, die daar in den schoot

der aarde nederzonk, geleefd had en gestorven was. Juffrouw Veldhuis

wist haar broeder over te halen, om met haar naar ~Brakel~ te gaan en

daar een paar weken te logeeren. En toen de kapitein in ~Amsterdam~

teruggekeerd was, had het huwelijk van Emile en Emma in alle stilte

plaats, en werd het kerkelijk door dominé Veldhuis ingezegend.

Wel werd het feest van Waterloo den 18en Juni in ~Amsterdam~ gevierd;

doch het was er echter verre van daan, dat deze viering ook in de verte

op die van 't Oranjefeest zou geleken hebben. We gaan het daarom in

stilte voorbij, en willen u slechts mededeelen, dat Z. M. den koning aan

allen, die tijdens den slag bij ~Waterloo~ in dienst waren geweest en 't

vijftigjarig feest beleefden, een zilveren kruis schonk, om dit aan een

oranjelint op de borst te dragen. En thans willen we aanstippen wat er

in 't zelfde jaar 1865 nog heeft plaats gehad.

En dan noemen wij een zaak, belangrijk voor den handel: de afschaffing

van den accijns op 't gemaal, d. i. de belasting op het koren. En niet

alleen was die afschaffing een zegen voor den handel in 't algemeen en

den graanhandel in 't bijzonder--ze heeft ook in de uitkomst ten zegen

gestrekt voor de mindere klasse. De broodprijzen toch, die vroeger tot

zulk een hoogte konden stijgen, zijn sedert dien tijd zeer gematigd

geworden en gebleven, en dat is gelukkig. Immers, het brood is een der

eerste levensbehoeften voor den minderen man, en, bij 't gebrek aan

vleesch, zoo noodig tot de bewaring zijner gezondheid. Toch had die

afschaffing ook wel haar keerzijde: want nu moesten ook de steden

langzamerhand haar accijns op 't gemaal afschaffen. Om in 't gemis

daarvan te gemoet te komen, hieven ze nu van de rijken en de burgers

een plaatselijke belasting. En natuurlijk drukt die meer dan de accijns

op 't gemaal. Want, terwijl het betalen van dien accijns ongevoelig

gaat, daar men het brood slechts wat duurder betaalt, werden door die

afschaffing de kleine burgerij en de werkman van de betaling ontheven,

ook de vreemdeling, die in de stad vertoefde en er mede toe bijdroeg. En

dat alles moet nu door een gedeelte der burgerij betaald worden.

Een andere bijzonderheid van 't jaar 1865 is, dat de eerste spade in den

grond werd gestoken tot het graven van 't kanaal van ~Amsterdam~ naar de

Noordzee, een kanaal hetwelk nog niet geheel voltooid is, maar reeds tal

van bunders land heeft aangewonnen, waarover vroeger 't water plaste en

dat nu voor landbouw en veeteelt een aanzienlijke aanwinst is.

Toch nog iets, eer we dit hoofdstuk sluiten, en hetwelk ons een blik

zal doen slaan op de zegeningen, welke een vreedzame regeering als

die van Willem den derden voor een volk oplevert. Ondanks de groote

uitgaven voor de spoorwegen, die in 1868 alleen tien millioenen gulden

beliepen, en de schadeloosstelling aan de West-Indische slavenhouders,

ten bedrage van meer dan 10 millioen, benevens bijna 3 millioenen voor

de onteigening van vee ten gevolge der veepest, werd er sedert 1850

voor ongeveer tweehonderd drieenzeventig en een half millioen aan

schuldbrieven afgelost, waardoor de jaarlijks op te brengen rente met

omtrent acht en een half millioen 's jaars verminderd werd.

Ik sprak daar van de veepest. Die veepest, welke onzen veestapel zoozeer

verminderde, was een volksramp, evengoed als de aardappelziekte en de

cholera. Om die veepest te doen ophouden, werden strenge maatregelen

genomen. Waar in een stal de ziekte uitbrak, werden al de koeien, ziek

of gezond, welke in dien stal stonden, terstond onteigend en afgemaakt.

Natuurlijk kreeg de eigenaar daarvoor een behoorlijke vergoeding.

Toch had hij altijd groot nadeel door 't verlies zijner beesten, van

wie hij nu geen melk kon trekken. 't Gaf dus vrij wat aanleiding tot

ontevredenheid, en kostte aan 't land ongeveer drie millioenen. Doch de

veepest, die zeker nog vrij wat meer millioenen aan de veehouders zou

gekost hebben, werd er gelukkig door gestuit. En daar we nu toch zoo

ongemerkt wat verder gekomen zijn, maak ik hier tevens melding van een

paar feiten, die nog al opmerkelijk zijn. Vooreerst: de invoering eener

verbeterde en naar de behoefte van den tijd gewijzigde spelling door te

Winkel en de Vries, vervolgens afschaffing van 't zegel van dagbladen

en andere gedrukte stukken, waarop reeds sedert lang was aangedrongen;

eindelijk de opening van den eersten spoorweglijn op ~Java~, een begin

van 't spoorwegnet, hetwelk ook onze Oost-Indische koloniën door den

tijd in den zegen van 't Moederland zal doen deelen. Over 't geheel

zijn onder koning Willems regeering 't cultuurstelsel in Indiën en de

toestand van den Javaan reeds veel verbeterd. Dat alles daar nog niet

is zooals 't behoort, is daaraan toe te schrijven, dat er in onze Oost

veel, zeer veel bestond hetwelk verkeerd was, en men verbeteringen langs

den langen weg en niet met schokken moet verkrijgen. Ook onder koning

Willems bestuur heeft zich ons gouvernement op ~Bali~ krachtig doen

gelden en de opstandelingen aldaar overwonnen. Zij, die aan de expeditie

hebben deelgenomen, hebben daarvoor een zilveren gedenkteeken ontvangen,

hetwelk ze aan een groen- en oranjelint op de borst dragen.

Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874 · 第 16 / 20 题