VIJFDE HOOFDSTUK.

De Koning als redder van ongelukkigen.

Hoe vreeselijk elke ramp is, hoe verschrikkelijk vooral volksrampen

zijn--in ~Nederland~ hebben ze altijd een schoone keerzijde: ze geven

den alouden geest van weldadigheid een ruim veld om zich te doen zien.

Misschien was het als een tegenhanger van 't vorige Hoofdstuk niet

kwaad, dat ik u een tafereel ophing van al wat er in ~Nederland~

gedaan werd tot leniging van de ramp, zoo door particulieren als door

vereenigingen en genootschappen; gaarne zou ik de namen en daden van

de menschenvrienden mededeelen, die ondanks 't gevaar, waaraan zij

zich blootstelden, niet aarzelden, om met dikwerf ranke vaartuigen den

uitgestrekten plas in te varen, waar ze ieder oogenblik ijsschotsen

zagen drijven, die hen dreigden te verpletteren--ik wil in de eerste

plaats uw oog vestigen op een enkel man, den eersten uit het land, op

koning Willem den derden.

't Was op den vierentwintigsten Januari, dat op den dijk bij ~Brakel~,

kort na twaalven, ondanks het koude, mistige weder, een groote menigte

volks zich om het door de wateren gespaarde veerhuis verzameld had. Ge

herkent onder hen den ouden Veldhuis en zijn zoon Frits, ook Bernard die

uit zijn dorp is overgekomen, om zijn ouders te bezoeken, en te zien, of

hij ze met zijn geheele familie naar zijn pastorie kan medekrijgen. Ze

hebben dat echter afgeslagen; daar ze hopen, dat voor hen 't gevaar te

boven is en ze gaarne bij hun goed willen blijven. Bernard zou wel eer

zijn gekomen; maar ook bij hem heeft het gespannen, en hij kon vrouw en

kind (want hij heeft een zoon) niet verlaten, ook zijn gemeente niet,

zoolang ook zij door watersnood bedreigd werden. Doch nu 't gevaar

geheel van hen is afgewend, is hij overgekomen, in de hoop, dat er ten

minste eenigen mede zouden gaan--we hoorden reeds, dat dit hem mislukt

is.

In 't veerhuis bevinden zich onder anderen de burgemeester van ~Brakel~,

die tevens dijkgraaf van het polderdistrict ~Bommelerwaard~ beneden den

~Meidijk~ is, ook de predikant en de rijksontvanger der belastingen van

~Brakel~. Doch waarom staat al dat volk daar; waarom richten allen hun

blikken naar de overzijde der rivier en wel bepaald in de richting van

~Gorkum~? Waarom schijnt hun 't wachten niet te verdrieten; ondanks den

door 't sterk ontdooide ijs modderige paden en den kouden nevel, die hen

door de kleederen heendringt?

Ik zal het u zeggen. Er is tijding gekomen, dat Zijne Majesteit de

Koning zich met eigen oogen zal komen overtuigen van de ramp, welke zijn

volk getroffen heeft, dat hij zooveel hem mogelijk is, hulp en leniging

zal toebrengen. Welnu, dat is de oorzaak van hun geduldig wachten. Velen

zijn er onder hen, die geen eigen woning meer hebben, wien alles door

den watersnood ontnomen is; o, met welk een ongeduld verwachten deze den

vader des vaderlands, die komen zal om met eigen oogen de ramp te

aanschouwen, welke hen getroffen heeft.

Toch duurt het tot twee ure. Daar bemerkt men, in de verte eenige

rijtuigen aan den overkant der rivier. »Dat zal de Koning zijn!" is de

kreet, die uit vele monden oprijst. »Gezegend hij, die komt als Vader

des Volks!" klinkt het in menig hart. Daar staan de rijtuigen aan den

overkant stil. Koning Willem de derde, vergezeld van zijn broeder

Prins Hendrik en van den gouverneur[7] van ~Gelderland~, stapt in de

schietschouw en laat zich de ~Waal~ overzetten. Nauwelijks is hij aan

land, of hij wordt door een luid »Hoezee! Leve de Koning!" verwelkomd.

[7] Tegenwoordig commissaris des Konings.

Terstond worden de burgemeester, de predikant en de rijksontvanger van

~Brakel~ aan Zijne Majesteit voorgesteld.

»Mijne Heeren!" zegt de Koning. »Ik verzeker u, dat ik gevoelig ben over

al hetgeen gij verricht hebt, om in den eersten en dringendsten nood te

voorzien. Nooit--neen nooit zal ik dit vergeten."

Nu leidt men Zijne Majesteit rond, opdat hij eenig denkbeeld moge

erlangen van de grootte en uitgestrektheid der ramp, hier door 't water

aangericht, en men kan 't hem aanzien, hoezeer 't leed zijner geliefde

onderdanen, zijner medemenschen hem schokt.

Nauwelijks gunde de Vorst zich den tijd, om des nachts te rusten van

zijn vermoeiende en door den dooi al gevaarlijker en gevaarlijker

wordende tochten; terwijl hij de ongelukkigen van de overstroomde dorpen

in den beneden- en boven- ~Bommelerwaard~ bezocht. Overal poogde hij

de slachtoffers van den watersnood te bemoedigen door een vriendelijke

toespraak, overal zorgde hij met milde hand, dat er in hun behoeften

voorzien werd. We zullen den Vorst niet voet voor voet op zijn tocht

volgen; liever willen we enkele schitterende tooneelen van zijn verblijf

op de plaats van den rampspoed opgeven.

Geen koude, hagel of sneeuw, geen levensgevaar zelfs, hield den Vorst

terug om zijn landgenooten te helpen en op te beuren. Hij bezocht alle

plaatsen, waar ongelukkigen gehuisvest waren, deed zelf onderzoek naar

hun behoeften, luisterde met deelneming naar 't verhaal hunner rampen en

de bijzonderheden hunner redding, ja wilde weten, of ze wel goed gevoed

werden. In een der openbare gebouwen van ~Kerk-Driel~ was men juist

bezig aan 't opscheppen van soep. »'t Schijnt hun goed te smaken," zegt

de Vorst met een vergenoegd gelaat. »Apropos! Schep mij ook eens bord

op," beveelt hij op vriendelijken toon. Men gehoorzaamt; de koning eet

met smaak de helft van 't bord leeg. »Nu, dat is krachtige kost," zegt

hij tevreden, »dat zal den menschen goed doen. Laat het hun vooral aan

niets ontbreken, hoor!"--»Informeer eens bij de commissie, of er nog

voorraad genoeg is," vervolgt hij tot zijn adjudant, »en zeg haar, dat

zij anders op mij kan rekenen."

Maar door de steeds herhaalde bijdragen, welke de verschillende

commissiën, uit 's konings kas ontvingen, raakte die eindelijk uitgeput.

Men zeide het hem. »Nu, wat zou dat?" vroeg hij, »als 't niet anders

kan, zullen we ons wel eenigen tijd behelpen; die arme bloeden hebben

't vrij wat meer noodig dan wij."

De koning was te ~Tiel~. 't Was kort na de overstrooming van 't land

tusschen ~Maas~ en ~Waal~.

»Sire," waarschuwt men hem. »De tocht is gevaarlijk. Uwe Majesteit zal

vóór den nacht niet terug kunnen, en 't zal Haar bezwaarlijk vallen, een

voegzaam nachtverblijf te vinden."

»Een nachtverblijf, mijne heeren?" vraagt de Vorst lachend. »Ziet mij

eens aan. Zoudt ge niet denken, dat ik nog sterk genoeg was, om 't een

nacht op den dijk uit te houden? Kunnen we niet terugkomen, welnu, dan

blijven we op den dijk. Er zijn er zoo velen die er zich in moeten

schikken; wij zullen er ook niet van sterven."

»Maar Sire," zegt de veerman, toen de koning in de veerschuit stapt. »De

tocht zal lang duren en is gevaarlijk ook."

»Durf jij er over?" vraagt de koning.

»Ja, Sire, als 't moet, durf ik alles," antwoordt de veerman.

»Dan durf ik het ook. Steek af!"

In een dikken pijakker gehuld, met hooge kaplaarzen aan, blijft hij twee

uren (want zoo lang duurde de overtocht) kalm en bedaard, waar allen

sidderen. En 't was inderdaad een vreeselijke overtocht. Niet alleen,

dat een scherpe sneeuwjacht allen kil en snijdend in 't gezicht jaagt;

maar men moet tusschen dichte ijsschollen heendobberen, die telkenmale

dreigen het ranke vaartuig te zullen verbrijzelen.

Het eerst gaat de koning aan wal, klautert over het ijs, springt over

wakken, waadt door plassen, 't is of hij geen rust heeft voor hij bij

de ongelukkigen is. Hij komt te ~Dreumel~, waar de burgemeester, die

van zijn komst verwittigd is, hem een eenvoudig ontbijt aanbiedt.

»Nu, dat is goed," zegt de Vorst. »Men zou trek krijgen, als men zoo

lang op 't water is."

De koning laat zich het ontbijt goed smaken, en onderhoudt zich

intusschen met den burgemeester over de plaats gehad hebbende ramp. Ook

de tijd, die 't ontbijt kost, kan ten nutte der ongelukkigen besteed

worden. Spoedig is 't ontbijt afgeloopen. De koning schenkt zijn glas

nog eens vol.

»Om u te bedanken, mijn waarde gastheer," zegt hij minzaam, terwijl hij

het glas ledigt. »Ik moet u zeggen, dat ik geheel en al bekomen ben, na

't frissche morgentoertje, dat ik gedaan heb.--Doch nu spoedig verder,"

zegt hij tot zijn gevolg.

Ook hier worden weder de overstroomde dorpen bezocht; ook het punt,

waar de doorbraak heeft plaats gehad. De koning laat zich de plaatsen

aanwijzen, waar vroeger huizen stonden, doch die door den geweldigen

vloed verdwenen zijn. »Die arme menschen!" roept hij uit. »Zoo

van alles beroofd te zijn. Worden ook hier van die ongelukkigen

verpleegd?"--»Voorzeker, Sire," luidt het antwoord. »Welnu, brengt

mij dan derwaarts."

En nu stapt de koning in een schuit, die hem weldra bij de bovenramen

van een stevig gebouw brengt, hetwelk de woede van stroom en ijsgang

doorstaan heeft, en waar zich niet minder dan driehonderd menschen

bevinden. De Vorst treedt er binnen; hij gaat de rijen door en heeft

voor allen een vriendelijk woord. Nu eens spreekt hij een ouden van

dagen aan: »Wel hoe gaat het, vader? Op uw ouden dag zoo iets te moeten

ondervinden! 't Is erg!"--of het klinkt uit zijn mond: »Wel, moedertje.

Hoe maak je 't? Toch nog gelukkig gered?"--Of hij staat stil bij een

moeder, die haar kind op den schoot houdt, streelt vriendelijk de wangen

van het wicht, en zegt: »Dat heb je ten minste nog behouden!"--Zoo

spreekt hij tot allen, vooral tot hen, van wie men hem zegt, dat zij het

meest geleden hebben. Daar wijst men hem een oud, maar nog krachtig en

stevig man. »Die heeft twee dagen lang op een boomstam doorgebracht;

terwijl de golven om hem heenbruisten, en ieder oogenblik dacht, dat

zijn laatste uur gekomen was."

De koning nadert hem, en ziet, dat de grijsaard het metalen kruis op de

oude, versleten jas heeft gehecht. De man neemt een flinke houding aan

en brengt de hand aan de pet, om op militaire wijs Zijne Majesteit te

begroeten.

»Wel vriend," zegt de koning. »Hoe gaat het u? Je hebt je taai gehouden

naar ik hoor. En zooals ik zie, ben je ridder van 't metalen kruis. Heb

je den tiendaagschen veldtocht meegemaakt?"

[Illustratie: _Tresling & Co Hof-Lith Amst._]

»Pardon, Sire," antwoordt de grijsaard. »Ik diende destijds bij de

tiende afdeeling, en was onder generaal Chassè op de citadel."

»Nu, daar heb je 't warm genoeg gehad," herneemt de koning. »'t Was daar

geen haar beter dan bij ~Hasselt~ en ~Leuven~. Je kunt dus meepraten van

vuur en van water. Waar vondt je 't nu wel 't minst prettig: op de

citadel of op je boomstam?"

»Sire," antwoordt de man. »Als 't zijn moet, dan tienmaal liever in 't

vuur, dat de kogels om mij heen fluiten, dan ooit weer in 't water. Doch

in beiden heeft God mij bewaard."

»God bewaart brave soldaten altijd," hervat de koning, terwijl hij zijn

beurs uit den zak haalt en die den man overreikt. Daarna drukt hij den

braven krijgsman hartelijk de hand, en zegt bewogen: »Houd maar moed; we

zullen ook u niet vergeten."

En met deze woorden verwijdert hij zich.

»Vaartwel!" zegt hij daarop met krachtige stem tot allen. »Vaartwel!

Hebt slechts geduld en weest tevreden; 't zal u aan niets ontbreken!"

Ik behoef u wel niet te zeggen, hoeveel zegenbeden er uit de borst van

die ongelukkigen oprezen, zegenbeden voor den Vorst, die zoozeer toonde,

de vader en helper zijner onderdanen te zijn. De tranen, welke in de

oogen van die ongelukkigen glinsterden over de liefdevolle behandeling,

welke zij van hun koning ondervonden, waren zeker wel de schoonste

parelen, welke zijn kroon konden versieren. De tijding van 's konings

edelaardige grootmoedigheid ging door 't gansche land, en uit millioenen

harten steeg de bede op tot den Koning aller Koningen: »O Heer! spaar

onzen goeden Vorst!"--Evenals zijn naamgenoot, graaf Willem de derde,

had hij zich bij de ramp, die ~Nederland~ getroffen had, den naam van:

»Willem den goeden" waardig gemaakt!

Zijn terugreis uit de overstroomde landen naar de residentie was dan ook

inderdaad een zegetocht. En toen hij in dat voorjaar in de hoofdstad

kwam, werd hij luisterrijk ingehaald en vierde men daar feest, omdat

»Willem de goede," niet alleen koning der ~Nederlanden~ was, maar

ook getoond had, de vriend en weldoener zijner door den rampspoed

geteisterde onderdanen te zijn. En met hoeveel geestdrift werd zijn

vierenveertigste verjaardag, de 19de Februari, gevierd. Schooner echter

nog volgens 's konings wensch zelf: want op dien dag had de algemeene

collecte voor de door den watersnood ongelukkig gewordenen plaats.

En waar haar koning dus voortging, volgde de natie. Neen, niet alleen

volgde zij hem--ze was hem reeds voorgekomen. Nauwelijks toch was de

mare van de eerste ramp vernomen, of er vormden zich terstond overal

commissiën om gaven voor de noodlijdenden in te zamelen. Uitgevers

van dagbladen plaatsten kosteloos advertentiën en boden zich aan tot

ontvangst van giften. Concerten werden gegeven, tooneelvoorstellingen

gehouden, waarvan de opbrengst geheel voor de noodlijdenden was. Daar

kwam van alle kanten vrij wat in! Koren, brood, rijst, aardappelen,

allerlei levensmiddelen, hemden, kousen, broeken, en alle soorten van

bovenkleederen, bedden, matrassen, dekens, en wat niet al. En behalve

dat alles geld, geld in overvloed. Zoo was er onder andere op den 21sten

Januari alleen bij de commissie te ~Amsterdam~ de niet geringe som

van f 63,090.82½ ontvangen, en dat reeds op dien datum. Bij de meeste

van die gaven schreef men alleen letters; bij sommige ook versjes,

dikwerf erg kreupelrijm. Een der aardigste versjes heb ik indertijd

uitgeschreven; ik vond het zeer lief. 't Was van de leerlingen eener

jongeheerenschool, die elk uit zijn spaarpot wat gegeven hadden, en de

som van negenendertig gulden inzonden met de volgende dichtregelen:

»Onze ouders zijn ons voorgegaan,

Zij gaven van hun overvloed;

Wij geven van 't gespaarde geld,

God weet het, dankbaar van gemoed,

En toonen, door te lenigen

Der armen bittren nood en pijn,

Dat wij disciplen van den Heer,

Dat we Amsterdamsche jongens zijn."

Bij den minister van Binnenlandsche Zaken werd alleen uit ~Nederland~ en

zijn overzeesche bezittingen de som van f 253,583.86, van buiten'slands

f 304,439.69 ontvangen; terwijl de collectie van den 19den Februari

f 774,774.28 en een later gehouden algemeene verloting van voorwerpen

van kunst en smaak (alle geschenken van de inzenders) f 191,034.14

opbracht; zoodat de totale opbrengst meer dan anderhalf millioen

(1,523,831.97) bedroeg. Hoe kon 't anders bij een volk, welks koning

zulk een voorbeeld had gegeven? Wat het den koning zelf gekost heeft,

is ontzaglijk. Toch heeft hij, nog meer dan door dat geld, zich een

naam gesticht in de harten der dankbare natie door zijn bezoek aan de

overstroomde gewesten, en zal de naam van Willem den derden daar steeds

in dankbare herinnering blijven.

En spreken wij van menschenliefde, dan voorzeker mogen wij ook hen niet

vergeten, die hun eigen leven waagden, om dat hunner medemenschen te

redden. Een voorbeeld onder vele. Drie schippers, Cornelis, Dirk en Jan

van de Weerd waren de eersten, die zich omstreeks acht ure in den morgen

van den 30sten Januari, dus zoo wat anderhalf uur nadat de dijkbreuk

was ontstaan, door den burgemeester van ~Whamel~, den heer Kolfschoten,

lieten bewegen, om met genoemden burgemeester op redding van menschen

uit te gaan. Dat voorbeeld werkte; Hendrik van Kessel en Andries Adams

volgden met een tweede schuit; Hol en Brouwer met een derde. De drie

schuiten voegden zich bij elkander en waren na twee uren een heel

eind in den polder gekomen. Daar kwam op eens zulk een geweldige

strooming, dat de schuit van Kessel en Adams, waarin de burgemeester was

overgegaan, zijwaarts afdreef en met ontzaglijk veel krachtsinspanning

aan het bosch van den Hoogen kamp aanlandde, vanwaar ze trachtten naar

den dijk te geraken; 't geen hun belet werd door het ijs, dat hen van

rondsomme insloot. De burgemeester, niet zoo gewoon aan wind en weer

als de flinke varensgezellen, kon 't niet langer uithouden van de

strenge koude. Andries Adams kon dat niet kalm aanzien; hij stapte

uit de schuit, nam den half verkleumden burgervader op de schouders en

bracht hem, na een vreeselijke worsteling van tien minuten tegen het

ijs en het water, waarin hij tot aan den buik ging, behouden aan den

dijk. De andere booten keerden eenigen tijd later met zestien geredden

terug, menschen, die zonder hen een wisse prooi van den dood zouden zijn

geworden.

Maar de edele redders hadden nog niet genoeg gedaan. Andermaal gaan Jan

en Cornelis van de Weerd met Evert Kessel in een schuit den plas op.

Daar zien ze een vrouw met vier kinderen op een ellendige stroowisch.

't Was de vrouw van Nicolaas Elsen met haar vier kinderen. Met haar man

en hun gezin en nog dertig andere menschen waren zij op het dak hunner

woning gevlucht. De woning was ingestort, de vader met de anderen waren

door den vloed weggesleept; zij met haar kinderen bleven op een stukje

riet of stroo, ter grootte van ongeveer vier vierkante ellen, drijven.

Achtereenvolgens zag ze al haar buren en vrienden verdrinken, ja zij

zelf was reeds ten halvenlijve door het dak gezakt. Daar komt de

schuit met de drie wakkere mannen aan, regelrecht op haar toe. Maar de

schippers, die reeds anderen gered hebben, kunnen er ternauwernood twee

van de vijf bergen. Dat geeft een edele wedstrijd: de moeder wil niet

gaan zonder haar kinderen, de kinderen niet zonder hun moeder. Doch er

is geen tijd tot beraad. De moeder verkeert in 't grootste gevaar; half

met geweld maken ze zich van haar meester en trekken haar met een harer

kinderen in 't schuitje. Toen ze haar aan wal gebracht hebben, keeren

ze om de andere drie kinderen terug en--brengen ze in de armen hunner

moeder, die daarenboven 't geluk heeft, den volgenden dag ook haar man

gezond en wel terug te zien.

Ziedaar een enkel voorbeeld uit honderde. 't Is genoeg, om u te

verheugen, dat er in dergelijke rampen altijd menschen in overvloed

zijn, die 't beeld van God niet verloren hebben, waar 't aankomt om hun

menschenliefde te toonen en anderen te redden en te behouden.

En thans--genoeg van den watervloed. Als we dominé Veldhuis spraken, zou

hij zeggen:

»Daar is in dat jaar veel geleden en veel vergoed. Maar we moeten ons

ook herinneren, dat hetzelfde jaar 1861 voor Gelderland in gezegend

aandenken wordt gehouden; daar den 21sten October van dat zelfde jaar

door Z. M. den koning de eerste steen werd gelegd van de eerste

spoorwegbrug, en wel over den IJsel, te ~Zutfen~."

»Alweer de koning?" vraagt ge. Welzeker, alweer koning Willem de derde.

Waar nood was, wist hij te helpen; waar een goede zaak, weldaad voor 't

land, in 't spel was, wist hij die door zijn tegenwoordigheid en

medewerking op te luisteren.

We willen ditmaal onze lezeressen en lezers zelf niet naar ~Zutfen~

voeren; maar hun liever een brief mededeelen, op den namiddag van het

feest door Bernard aan Gustaaf geschreven. Waarschijnlijk zullen ze uit

dien brief bemerken, dat de familie van Veldhuis en die van de Bosson

vermeerderd is, en misschien knorren ze op mij, dat ik hun daarvan op

zijn tijd geen mededeeling heb gedaan. 't Is mijn schuld niet; dan

hadden ze eenvoudig maar de Oprechte Haarlemmercourant moeten lezen;

daar zouden ze beide advertenties hebben gevonden.

Thans echter wil ik hun den door mij genoemden brief van dominé Veldhuis

mededeelen. Deze luidt als volgt:

Zutphen, den 22en October 1861.

»Gustaaf!

»De dag van heden was voor deze stad een ware feestdag; doch niet alleen

voor ~Zutphen~, maar voor 't geheele land. Het spoorwegnet bestaat thans

niet alleen meer in de verbeelding, niet alleen meer op 't papier--de

eerste steen is gelegd van 't gebouw, dat ~Nederland~ zal doen

concurreeren met andere natiën. Ik ben gisteren naar ~Zutphen~

gereden--Margot durfde niet, om onzen kleinen Ernst; anders ware ze

zeker meegegaan.

Ge weet, dat onze goede koning zelf zijn voornemen had te kennen

gegeven, om den eersten steen te leggen van de spoorwegbrug over

den IJsel, en zoo te toonen, hoeveel belang hij er in stelt, dat ook

de Noordelijke provinciën het voorrecht zullen smaken, hetwelk een

versnelde communicatie geeft. Reeds gisteren wapperde de driekleur

van ~Zutphens~ toren, waren er aan de IJselkade tribunes opgericht en

stonden van den overkant van de rivier een eereboog en groene tropeën

te prijken. Verschillende ministers en andere aanzienlijken kwamen in de

stad aan, die zelf zoo geheel en al feestelijk getooid was en waarin een

drukte heerschte, welke der stille veste anders vreemd is. Ook Jan, bij

wien ik logeerde, had zijn huis vol logés. Doch laat mij nu tot het

verhaal van de plechtigheid van den dag overgaan.

Om twaalf ure kondigde een algemeene geestdrift de komst van Z. M. aan,

die met zijn gevolg door de commissie voor de Staatsspoorwegen aan de

brug ontvangen en onder fanfares naar de smaakvol ingerichte tribune

geleid werd. Hierop hield de minister van Binnenlandsche Zaken, baron

van Heemstra, een redevoering tot Z. M., waarin hij te kennen gaf, van

hoe hooge waarde de spoorwegen voor ~Nederland~, een land van handel,

nijverheid en landbouw waren, en hoe de natie met geestdrift had

vernomen, dat de koning in persoon den eersten steen tot het groote

gebouw wilde leggen, omdat Z. M. daarvan de diepe beteekenis gevoelde.

De natie was dankbaar aan zijn Vorst, die zelf het groote werk wilde

inwijden, en wenschte vurig dat het hem vergund moge zijn, de voltooiing

daarvan en de ontwikkeling des lands te aanschouwen. Hierop begon de

plechtigheid: de koning stond van zijn zitplaats op en begaf zich naar

den pijler, waar de president der commissie het proces-verbaal van de

handeling voorlas, dat, met sierlijk gekleurde letters op perkament

geschreven, van de zaak zelf en de personen, die er deel aan namen,

melding maakt. Z. M. onderteekende dit stuk: dezelfde hand, die 't

vorige jaar de spoorwegwet bekrachtigde, vereeuwigde thans voor de

nakomelingschap de eerste uitvoering daarvan. Hierop rolde de president

het perkament op, en deed de koning het in een looden bus, hem tot dat

einde overhandigd. Nadat Z. M. in dezelfde bus een exemplaar van alle

munten van den Staat had geworpen, werd zij door den opzichter Springer

gesoldeerd. Nu legde Z. M. de bus in een steen, waarop gebeiteld stond:

»Koning Willem de derde heeft van deze brug den eersten steen gelegd en

daarmede den aanleg van staatsspoorwegen in Zijn rijk ingewijd." Hierop

trad de dochter van den burgemeester, de gravin van Limburg Stirum,

nader en bood, met een treffende toespraak, den Vorst den troffel aan.

Aan de linkerzijde van den koning stond de ingenieur Waldorp met den

kalkbak. Op een wenk zakte de steen langzaam en statig naar beneden.

Hierop bood de ingenieur Reuvens den koning den hamer aan; allen vormden

een kring om den Vorst, die nu een slag op den steen gaf--en de eerste

steen was gelegd.

Op 't zelfde oogenblik hief de muziek het Volkslied aan, de klokken

begonnen te spelen, en het donderen van 't geschut verkondigde aan de

omliggende plaatsen, wat er geschied was: terwijl de geestdrift van 't

volk zich in een luid: »Hoezee! leve de koning!" openbaarde.

Toen de koning de tribune verliet, zongen de jongens van Mettray eenige

door den heer Heije vervaardigde coupletten, waarvan vooral mij het

volgende zeer interesseerde. Het luidt aldus:

»Wat ge dezen winter dee,

Koning, hebben we óok vernomen,

En nu ziet ons heel Mettray,

Hoe ge 't stoompaard van de vree

Een weg baant over de IJselstroomen.

Dubbele dwinger van den vloed,

God zij met u--wat Ge doet."

Nadat de Vorst in de groote Societeit een déjeuner had gebruikt, verliet

hij ~Zutphen~, om zich met zijn gevolg naar ~'t Loo~ te begeven, alwaar

van middag groot diner zal zijn, tot hetwelk verschillende hooge

personen, o. a. de voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal

zijn genoodigd.

De koning is vertrokken; maar de feestvreugde blijft aanhouden, en we

zullen van avond een prachtige illuminatie hebben. De stadswaag o. a.

zal met gas worden geïllumineerd. Ook de prachtige eereboog zal fraai

verlicht zijn. 't Is hier dan ook vreeselijk druk. Volgens een matige

berekening zijn er 5 à 6000 vreemdelingen in de stad. Alle kamers en

logementen zijn van den dag van gisteren tot morgenavond besproken.

Binnen een rayon van zes uren gaans waren er reeds gisteren geen

rijtuigen meer te krijgen. Ik behoef u dus niet te zeggen, hoe vol het

overal is. Gelukkig, dat ik een goed onderkomen heb. En nu, te midden

der feestvreugde heb ik aan u geschreven; 't zij voor ditmaal voldoende.

Mijn groeten aan Florence, veel kussen aan de kleine Marie.

Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874 · 第 13 / 20 题