De watersnood.
»Jongens, baas, wat is het buiten glad!" zeide vrouw Veen, toen ze met
haar man de familie Veldhuis geluk kwam wenschen met den nieuwjaarsdag
van 1861. Ze had haar jongste kind, een zuigeling van ongeveer drie
maanden, op den arm, en haar oudste zoontje Jaap aan de hand. Klaas
Veen, een ferme, stoere kerel, hield zijn oudste dochtertje Johanna en
heur op haar volgend zusje Maartje bij de hand. Op éen na het jongste
kind had ze zoo lang bij een buurvrouw gebracht, die haar beloofd had,
er gedurende haar afwezigheid op te zullen passen. Want niet alleen
zouden Klaas en zijn vrouw om alles ter wereld verzuimd hebben, den baas
met vrouw en dochters, en den jongen baas en diens vrouw met nieuwjaar
geluk te wenschen; maar ze vonden 't ook hun plicht, hun oudste kinderen
mee te brengen. Of dat nu juist wel zulk een plichtgevoel was, dan of
't zijn oorsprong te danken had aan het kwartje, dat de oude vader
Veldhuis, behalve de fooi welke hij aan Klaas gaf, ieder kind in de
handen stopte, willen we liefst niet beoordeelen.
We vinden daar in de pronkkamer van Veldhuis een allerliefst
familie-tafereeltje. 't Is er nu wel niet versierd, zooals voor acht
maanden, en de tuin, waar 't zwart van den grond hier en daar met wat
nog niet door den dooi gesmolten sneeuw wordt afgewisseld, staat kaal
en treurig; daarbinnen is 't aangenaam warm: want de kachel wordt ferm
gestookt. En hoewel 't anders geen gewoonte is, de arbeiders en hun
vrouwen binnen 't pronkvertrek te laten, Jans en haar man maken hierop
een uitzondering. Klaas toch is reeds als knaap in dienst van den ouden
Veldhuis geweest, en moeder Veldhuis heeft Jans, die naar haar genoemd
is, onder den doop gehouden. Daarom ook heeft Jans haar oudste
dochtertje naar haar eigen peetmoeder vernoemd, die er tevens de
conditie bij gemaakt had, dat ze geen Jans maar Johanna zou genoemd
worden. En als nu 't petekind No. 2 jarig is, geeft juffrouw Veldhuis
haar altijd een aardig cadeau, bestaande in 't een of andere warme
kleedingstuk en met nieuwejaar wordt er een kwartje extra door moeder
Veldhuis in Johanna's handje gestopt. Hun oudsten jongen hadden ze zoo
gaarne naar vader Veldhuis genoemd; maar die was er niet op gesteld,
zeide hij, en daarom had het kind den poëtischen naam van Jaap gekregen
naar zijn grootvader van vaders zijde.
Doch we houden ons veel te lang op bij Jans en haar man en kroost. We
zouden eens even een kijkje nemen in de ons bekende pronkkamer van de
woning van vader Veldhuis. En inderdaad, die is wel een kijkje waard.
Niet de bruin gepolitoerde meubelen, of de groote kom met brandewijn en
rozijnen op de tafel, in welke een lepel, om die in de rondom staande
glazen te gieten, en waaruit de geur van notemuskaat u te gemoet komt;
maar 't groepje zelf, dat we daar zoo gelukkig en tevreden zien zitten.
Daar hebt ge vooreerst den goeden ouden vader Veldhuis, in zijn
gemakkelijken leuningstoel gezeten, een langen gouwenaar in den mond,
waaruit hij tusschenbeiden geduchte rookwolken blaast, een man met een
vriendelijk goedig gelaat, grijs haar, dat eerwaardig langs zijn slapen
krult; naast hem de oude juffrouw Veldhuis, eenvoudig maar keurig
gekleed, en wier gelaat de fatsoenlijkheid van haar afkomst bewijst. Ze
houdt haar oudste kleinkind, Ernst, den naamgenoot van haar man, op den
schoot, een frisch, woelig kind van een jaar en natuurlijk de afgod van
beide grootouders, die weer jong worden in den kleinen guit. 't Is een
werk voor de oude vrouw om hem stil te houden, en ze zal hem straks wel
aan Truda moeten overgeven, zoo lastig maakt het ongedurige knaapje
't haar. Naast haar zit haar schoondochter, de vrouw van Frits, een
jeugdige knappe vrouw met haar slapende zuigeling van drie maanden op
den schoot, een allerliefst meisje, doch dat tusschenbeiden vrij wat
spektakel kan maken. Truda zit naast vader. Frits is uit, om een paar
vrienden geluk te wenschen, en Netje is reeds sedert een uur tot
hetzelfde doel met haar beminde op weg. 't Is inderdaad een liefelijk
gezicht, deze goede vriendelijke menschen daar te zien, die geen grooter
geluk kennen dan hun eigen vreedzaam thuis.
»Jongens, baas! wat is het buiten glad!" zeide Jans dan, nadat ze haar
zegenwenschen geuit en plaats genomen had op den stoel, door Truda voor
haar neergezet.
»Dat zei Frits me van morgen al," antwoordde Veldhuis. »Geen wonder ook.
Eerst dooi, waardoor de sneeuw genoegzaam tot water is geworden, en nu
daar die vorst weer op, 't kan niet anders of 't moet glad zijn. Daarom
denk ik er vandaag maar stilletjes in te blijven."
»Nu, baas, die door u een gelukkig nieuwjaar willen gewenscht zijn,
kunnen ook best zelf bij u komen, dunkt me," zeide Klaas Veen.
»Daar heb je gelijk in, Klaas," antwoordde Veldhuis. »Toch spijt het
mij, dat de dooi niet is doorgegaan. 't IJs werd langzamerhand week, en
daar zit boven nog zoo veel."
»Wat zal ik er van zeggen, baas," antwoordde Veen. »Als 't zoo'n zachten
dooi bleef, was 't wat anders. Maar we zijn nog in 't hartje van den
tijd. En als er wat storm bijkomt, dan zou 't leelijk kunnen worden."
»Weet je ook, hoe 't met het ~Munnikenland~ geschapen is?" vroeg
Veldhuis.
»Tot nog toe goed, baas," verzekerde de knecht. »Ze zijn op 't oogenblik
nog zonder water. Eergisteren begonnen ze daar reeds te pakken; nu
echter schijnt alle gevaar geweken. Maar 't weer bevalt me nog niet. De
wind is nog te laag om door te vriezen. Als 't maar niet gaat stormen."
»Ja, vriezen met een lagen wind, en dat na een dooi is kwaad genoeg,
Klaas," antwoordde Veldhuis. »We zullen er echter 't beste van hopen."
Maar dat beste hopen hielp niet veel. Reeds in den avond van den
eersten Januari begon de wind een weinig op te steken, 's nachts werd
het een vrij hevige storm, 't ijs in de rivier barstte, en er kwam
ijsgang, en toen de morgen van den tweeden Januari aanbrak, kwamen
de bewoners van ~'t Munnikenland~ die 's avonds, gerust op de vorst,
doodbedaard naar bed waren gegaan, met hun tilbare have in den boven
~Meidijkpolder~ vluchten; daar 't water hun velden overstroomde en ze
zich in hun woningen niet meer veilig achtten.
Deze tijding bracht echter in 't gezin van Veldhuis geen de minste
ongerustheid te weeg. 't Overstroomen van ~Munnikenland~ was een gewone
zaak. De nieuwe dam beschutte den polder boven den ~Meidijk~ genoegzaam,
en zat het ijs ook in de ~Maas~ reeds vast, de ~Waal~ was vrij en 't ijs
dreef met den storm des te spoediger naar zee.
Doch reeds den derden Januari werd hun gerustheid op onaangename wijs
gestoord. Tusschen ~Brakel~ en ~Loevestein~ had zich een zware ijsdam
gezet en de dijkwachten waren reeds 's morgens om acht ure betrokken.
»'t Water staat reeds tot aan de kruin van den dijk!" zeide Frits, toen
hij in den vooravond van dien dag thuiskwam. »Onze wakkere dijkgraaf,
Aart van Os, is onophoudelijk in de weer en laat den dijk sterk kisten.
Maar de ijsdam is en blijft onbewegelijk. En wat nog het ongelukkigst
is, de grond is zoo hard bevroren, dat men er niet in kan heien."
Toch schepte men den volgenden dag ruimer adem. 't Water was
aanmerkelijk gevallen. Er scheen een sleuf of geul in den ijsdam te
zijn gekomen, die het deed afloopen. Doch die gerustheid duurde slechts
eenige uren. De ijsdam, dien ze opgeruimd of doorgedreven meenden, had
zich slechts een weinig verschoven en zat nu nog steviger dan zij gedaan
had. 't Water rees nu weer, en nog sneller dan gisteren en eergisteren.
De dwarsdijk liep het meeste gevaar. Reeds in den vroegen morgen van
den vierden Januari vreesde men, dat hij zou bezwijken en dan liep de
geheele polder even als ~'t Munnikenland~ onder. Men heide palen in,
stutte met planken; allen die handen hadden hielpen. Doch 't water kwam
met te veel geweld opzetten. Daar kondigde, in den nacht tusschen den
vierden en vijfden Januari, het treurig geklep van den torenklok aan,
dat alle hoop vervlogen was: het water, die vreeselijkste aller
vijanden, naderde.
Reeds den vorigen dag hadden Veldhuis en andere landbouwers hun vee
naar hoogere plaatsen gevoerd, die altijd watervrij geweest waren. Uit
voorzorg bracht men hout en horden bij elkaar en maakte er steigers van,
om het daarop te redden, wanneer ook die plaatsen van 't water mochten
lijden. Terwijl droeg men, zoowel bij Veldhuis als in de andere woningen
in den polder, alles naar boven, wat door 't water zou bederven en
wat men niet kon meevoeren: meubelen, gereedschappen, boeken, bedden,
dekens, turf, hout, steenkolen, aardappelen, vleesch, kortom alles
wat men maar kon. Uit kleine, lager gelegene hutten zag men reeds
de bewoners vluchten, die hun ouden van dagen ondersteunden of op
kruiwagens meevoerden, en een gastvrij dak zochten, om zich en de hunnen
met hun armoedige bezitting te redden. Alle hoogergelegen huizen werden
vol van die ongelukkigen. Alleen in 't schoolhuis te ~Brakel~, dat door
de verplaatsing van den onderwijzer gelukkig ledig stond, waren er
weldra honderd en dertig gehuisvest; het heerenhuis te ~Poederrooien~
was van boven tot beneden met vluchtelingen gevuld.
»Houdt de dwarsdijk zich nog goed, Frits?" vroeg de oude Veldhuis,
toen zijn zoon in den vooravond van den vierden Januari braaf moede
thuiskwam; want wie armen aan 't lijf had, had aan den dijk gewerkt.
»Dat doet hij, vader," antwoordde Frits. »'t Heeft ook werk genoeg
gekost. En toch vrees ik, dat het ons niet zal helpen. Eer ik hier
kwam, ben ik nog even naar den ~Waaldijk~ gaan kijken. De dam aan
den steenoven zit nog maar even vast, en 't water blijft rijzende.
Vreeselijke ijsbergen kruien op de rivier en dreigen met een doorbraak."
»Groote God!" riep de jonge vrouw uit, die juist met warm eten voor haar
man binnentrad. »Wat zeg je daar, Frits. Watersnood, en dat tegen den
nacht!"
»Gij allen moet u op de bovenverdieping begeven," hernam Frits. »Ons
huis is stevig, en zal 't wel uithouden. Als ik gegeten heb, ga ik een
paar uren slapen, en dan naar den dijk. We moeten doen, wat we kunnen
om den algemeenen vijand te bestrijden."
Maar dat bestrijden hielp niet. In den nacht tusschen den vierden en
vijfden Januari, tusschen vier en vijf ure, bemerkte men op den dijk,
waar te midden van de nijpende koude, onbeschut voor wind en regen,
duizenden de wijk genomen hadden, dat het water eensklaps viel.
»Zou de ijsdam gebroken zijn!" riep de een.
»De dijk te ~Vuren~ kan bezweken en de ~Tielerwaard~ ondergeloopen
zijn!" zeide een ander.
»De ~Waaldijk~ is doorgebroken!" gilde een derde. En spoedig was de
noodlottige tijding tot zekerheid geworden. De ~Waaldijk~ was bezweken;
drie huizen, die tegen het punt van den doorbraak stonden, waren
weggeslagen. Spoedig was dit getal tot drieëntwintig gestegen, sommige
door 't water ingestort, andere door de ijsbergen vergruisd, die er
bonzend tegen aankwamen. En als ware dit niet genoeg, ook de den vorigen
dag met zooveel moeite en inspanning behouden dijk brak op vier plaatsen
tegelijk door, en uit vijf wijd geopende monden braakte de ~Waal~ haar
water en haar ijsbrokken in den ongelukkigen polder. Boomen, huizen,
alles werd door het ijs afgesneden. Honderd en vijftig menschen reddeden
zich, wadende door 't onstuimige water, op den dijk--twaalf kwamen er
bij dien jammerlijken tocht ellendig om; anderen poogden zoo spoedig
mogelijk hun woningen te bereiken, om voor de hunnen te zorgen, welke
zij verlaten hadden, om aan den dijk te werken. Onder deze laatste
behoorde ook Frits Veldhuis. Meermalen was hij in gevaar, om door 't
binnenstroomende water omvergeworpen te worden, meer dan eens moest
hij op zijde springen, om een aangierend stuk ijs te ontwijken;
gelukkig kwam hij aan het tamelijk hoog gelegen huis, waar toch alles
in de rondte reeds blank stond. En dat water rees met iedere minuut. 't
Geheele huisgezin was reeds op de eerste verdieping; God alleen wist, of
ze die niet met den zolder zouden moeten verwisselen, God alleen wist,
of ze, wanneer ook tegen hun huis de ijsbergen kwamen aandrijven, niet
spoedig onder de puinhoopen van hun woning zouden bedolven worden. Het
water toch wies niet minder dan twintig duim in 't uur.
In 't lager liggende ~Poederrooien~ was het nog treuriger gesteld.
Daar verhief het zich dreigend tegen den ~Maasdijk~. De verschrikte en
beangstigde inwoners vluchtten met levensgevaar over de nog bevroren
~Maas~ naar de overzijde. En gelukkig, dat ze er nog bij tijds waren;
want het ~Munnikenland~ was nu als een nieuwe rivier geworden, die het
water uit de bij ~Loevestein~ verstopte ~Waal~ in de ~Maas~ ontlastte,
welke vreeselijk hoog zwol en 't land van ~Heusden~ en ~Altona~
bedreigde.
We hoorden hoe de bewoners van den polder hun vee op een hooge plaats
onder dak gebracht, ja, het zelfs op steigers geplaatst hadden. Reeds
in den avond van den dag der doorbraak stonden paarden, ossen en koeien
niet meer droog. Sommige van hen rukten zich los en trachtten zwemmend
een veilige plaats te bereiken. Enkele werden op die manier gered;
andere met kleine schuitjes weggehaald en op den dijk gebracht, waar nog
tal van menschen zonder huisvesting waren; terwijl het al sterker en
sterker begon te vriezen.
Zoo brak Zondag de zesde Januari aan, een treurige Zondag voor de
bewoners van den polder boven den ~Meidijk~, een angstige Zondag voor
duizende anderen, wie 't zelfde gevaar dreigde. In den nacht was het
water in de ~Waal~ weder geducht gewassen; de geheele polder was een
zee, waarboven hier en daar enkele daken uitstaken, en die weldra in een
onafzienbaar ijsveld zou veranderd zijn. Zoo hoog steeg de ~Waal~ op
dien zesden Januari, dat het vee boven op den dijk tot aan de knieën in
't water stond.
Daar begon in den vroegen morgen van den zevenden het water langzaam,
maar gestadig te dalen: de oorzaak daarvan was een nieuwe doorbraak.
Om den polder beneden den ~Meidijk~ tegen 't water te beschermen, had
men dien dijk door kistdammen verhoogd, en hoopte men aldaar vrij te
zullen blijven. Doch 't rijzen van 't water in de ~Waal~ deed van dien
kant het ergste vreezen. Hoe men ook aan den door de vorst ijzerharden
dijk had gearbeid, 't gevaar werd hoe langer hoe grooter, en wie in de
laagte woonde, poogde ten minste zich en de zijnen bij tijds te bergen.
De herberg van Hooikaas aan den ~Meidijk~ bevatte een paar honderd
mannen, vrouwen en kinderen, de hooger dan den dijk gelegen pastorie van
Ds. Carlier even zooveel. Niemand werd teruggewezen, zoolang er nog
plaats was.
't Is Zondag-avond. Omstreeks tien uur wordt er op een der ramen der
pastorie gebonsd, en een angstige stem roept: »Komt naar buiten, want de
pastorie is niet meer veilig!" In doodelijken angst verlaten de meesten
het gebouw, waar een wisse dood hen wacht, en snellen naar den dijk,
waar zij in de felle kou tot aan de knieën in 't water staan. Daar
begint het water te vallen. 't Is reeds onder de knie--aan den enkel--nu
staan ze droog. Dicht bij het dorp ~Zuilichem~ waren twee dijkbreuken
ontstaan, een iets boven de ruïne van de burcht, een andere beneden
~Nieuwaal~; een dijkbreuk, die den korenmolen en een zestal huizen had
medegesleept. Ook 't huis van Ds. Carlier, ofschoon 't gespaard was
gebleven, had in groot gevaar verkeerd. Op een plaats in den gang was de
vloer door 't welwater gezakt. Gelukkig echter was 't blijven staan, en
vonden de verkleumden er op nieuw een toevlucht.
Nieuwe ellende was er nu in den uitgestrekte polder beneden den
~Meidijk~. Zoo hoog steeg het water, dat het te ~Aalst~ over den dijk in
de ~Maas~ stroomde, en dat ondanks de daar opgeworpen kistingen. Behalve
de pastorie bleef er geen enkel toevluchtsoord open. Met achterlating
van alles namen de meesten de vlucht naar het tegenoverliggend ~Veen~.
~Nederhemert~, ~Well~ en ~Ammerzoden~ werden verlaten; hun inwoners
vluchtten naar ~Heusden~, waar ze door Ds. Pape in zijn pastorie en
de consistorie-kamer, vervolgens ook in de kazerne werden opgenomen
en liefderijk verzorgd. Die van ~Ammerzoden~ vluchtten op 't kasteel;
anderen betrokken de bovengedeelten hunner woningen. Die van ~Bruchem~,
~Kerkwijk~ en ~Dellewijnen~ werden met hun grijzen leeraar J. van
Schaik op schuiten en schietschouwen naar ~Bommel~ gevoerd. En ook
zelfs die stad was verre van veilig. Daar moesten alle krachten worden
ingespannen, om haar door 't opkisten der dijken voor den ondergang te
beveiligen. Te ~Hedel~, ~Driel~ en ~Hurwenen~ waren de menschen naar hun
zolders gevlucht. In ~Gameren~ en ~Nieuwaal~ was de toestand
allerhachelijkst.
En zoo stond de geheele ~Bommelerwaard~ onder water.
't Huis van Hendrik Veldhuis was gespaard gebleven. Een ijsberg[6] had
zich tegen de zware boomen van den hof vastgezet en was door 't steeds
aanschuivende ijs tot een vervaarlijke hoogte geklommen. 't Had in 't
huis een akelig gekraak en gedreun gegeven; toch was diezelfde ijsberg
waarschijnlijk de redding der woning. Frits had haar nog bij tijds
bereikt en spoorde de zijnen tot vluchten aan: 't was te laat! Het
eenige middel om een wissen dood te ontkomen, was te blijven, waar men
zich bevond.
[6] Hierdoor zijn meer woningen bewaard gebleven.
»Weet ge ook, of Veen met zijn gezin gered is?" vroeg moeder Veldhuis.
»Ik heb hen in de verwarring die er op den dijk heerschte niet gezien,
moeder," antwoordde Frits. »'t Is vreeselijk, zooals het daar toegaat!"
Twee angstige dagen en nachten had men in de woning van Veldhuis
doorgebracht. Men was door 't water uit de eerste verdieping verdreven
en naar den zolder verjaagd. Gelukkig had men bij tijds de kachel en
brandstof, alsook levensmiddelen en beddegoed derwaarts verhuisd; want
het was zeer koud.
De Zondag kwam. Wel bleef het water nog wassend, maar de stroom was niet
meer zoo sterk.
»Ik moet gaan zien, of 't gezin van Veen gered is," zeide Frits. »Onze
mestpraam is sterk genoeg en kan tegen een stootje."
»Hoe, Frits? Ge wilt u aan een wissen dood blootstellen!" riep zijn
vrouw uit. »Als er een ijsschol tegen uw schuit aankomt..."
»Wij zijn in Gods hand, Maartje!" antwoordde Frits. »Jacob en Krijn
zullen wel met mij mee willen gaan."
»Voorzeker baas," antwoordden de knechts. »Als 't om menschen te redden
is, zijn we gereed."
»En ik ga ook met u mee," zeide de oude Veldhuis.
»Neen, vader," antwoordde Frits. »Dat niet. Het is goed, dat er een man
blijft bij al de vrouwen. Men kan nooit weten, wat er gebeurt."
»Maar de praam zal weggeslagen zijn, of onder 't water bedolven," zeide
Truda.
»Daarvoor heb ik gezorgd," antwoordde Frits. »Toen ik eergisteren
thuiskwam, is mijn eerste werk geweest, de praam los te maken en er een
lang touw aan vast te knoopen, hetwelk ik aan het zoldervenster achter
heb bevestigd. Naardat het wies, heb ik dat touw aangetrokken en nu ligt
de praam veilig en wel achter 't huis."
»Hoe voorzichtig van u!" zeide de vader.
»Ik begreep, dat, ingeval van nood, de praam 't eenige middel was, om
ons allen te redden," hernam Frits. »En nu we haar niet noodig hebben
voor ons zelf, zijn we verplicht, haar te gebruiken tot mogelijke
redding van anderen. Doch we willen niet talmen--iedere minuut, die Jans
met haar man en kinderen, als ze nog niet gered zijn, in hun bedreigde
woning doorbrengen is voor haar en de haren een eeuwigheid."
En Frits stapte met de beide knechts in de praam. Vreeselijk was de
aanblik rondom hen. Overal water en ijsschotsen, overal puinhoopen, waar
vroeger welvarende woningen stonden. Ze waren de eenigen niet, die hun
medemenschen poogden te redden. Meer edele menschenvrienden trotseerden
het gevaar van zelf om te komen door de drijvende ijsschotsen. Toen zij
echter aan de plaats kwamen, waar de woning van Veen moest staan, vonden
zij daar niets meer. 't Hutje had aan 't geweld van 't water geen
weerstand kunnen bieden.
»God geve, dat de ongelukkigen zich nog bij tijds gered hebben!" zeide
Frits. »Thans echter, jongens, willen we niet vruchteloos terugkeeren.
We moeten anderen redden. Zie je daar ginds het dak, hetwelk boven 't
water uitsteekt? Misschien zijn daar menschen op."
»Ik geloof 't niet, baas," zei Jacob.
»Ze kunnen immers aan den anderen kant zitten," zeide Krijn.
»Laat ons 't beproeven," hernam Frits. »Met een ledige schuit kom ik
niet terug, al zou ik den ganschen dag op den wijden plas zwalken."
Men hield nu op het dak aan. Het duurde echter eenigen tijd, eer men er
was. Doch welk een vreugde voor onze moedige mannen, toen men aan den
anderen kant een twaalftal menschen zag, uitgeput door honger, koude,
angst en inspanning. En wat nog 't heerlijkst was ook Veen met vrouw en
vijf kinderen! Allen te gelijk te redden was niet mogelijk; de praam
kon hoogstens negen personen bevatten.
»Blijft bedaard!" riep Frits uit. »Eerst de vrouwen en kinderen. Als we
die in veiligheid gebracht hebben, komen we de anderen halen."
»Maar toch voor den avond!" riep een van de mannen uit. »Want we kunnen
't niet langer uithouden. We vergaan van honger."
»We komen spoedig terug en brengen brood mede," zeide Frits, terwijl hij
intusschen vrouw Veen en haar kinderen met nog twee vrouwen voorzichtig
in de boot hielp. Het verhaal, wat de ongelukkigen geleden hadden, is te
lang om hier in te voegen. Toen de eerste vracht goed en wel bezorgd
was, gingen zij de tweede halen welke ze ook veilig overbrachten. 't
Huisgezin was nu echter met twaalf monden vermeerderd, en de weinige
provisie, welke men gered had, zou spoedig op zijn.
»God zal wel zorgen," zeide de vrome moeder Veldhuis.
En God zorgde. Den volgenden dag, Maandag, begon de vorst zoodanig
te vermeerderen, dat de gansche oppervlakte van den ~Waard~ boven den
~Meidijk~ met een dikke ijskorst bedekt werd, waardoor 't nu gemakkelijk
werd, van ~Gorkum~ en ~Bommel~ met wagens menschen te redden en
levensmiddelen aan te voeren. Tevens gaf die ijsvlakte gelegenheid, om
't nog op de steigers overgebleven vee in veiligheid te brengen. Maar
't kostte ook brandstof, en nog zaten Veldhuis en de zijnen, ondanks
't gloeien van de kachel, op den zolder te rillen en te beven.
'k Zou u nog menig tafereel van ellende kunnen voorstellen; 'k zou
u kunnen binnenleiden in de woning en de school van den vroegeren
onderwijzer, waar honderd en dertig personen waren opgenomen en waar
gebrek was aan versche lucht, voedsel, deksel en brandstof. Gelukkig,
dat de weldadigheid... doch dat is voor een volgend hoofdstuk. Mijn
verhaal van de rampen van den watersnood van 1861 is nog niet uit; het
is eerst begonnen. Nog meerdere moet ik meedeelen, zwaarder dan die,
welke ik reeds beschreven heb.
Ook de ~Maas~ had in ~Noord-Brabant~ een doorbraak veroorzaakt; daar was
de ramp echter op verre na niet zoo groot. Wel stond o. a. te ~Dungen~
en ~St. Michielsgestel~ het water 4 à 5 voet hoog, en moest men met
elkander door middel van schuitjes communicatie houden; het ongelukkige
~Gelderland~ scheen ditmaal ontzaglijk geteisterd te moeten worden.
Omstreeks 21 Januari begon de dooi weer in te vallen. Een angstig
vooruitzicht voor ons land. Op den ~Bovenrijn~ en de ~Moezel~ begon
het ijs reeds in beweging te raken en nog zaten de rivieren hier vast.
Eerst was ~Duitschland~ aan de beurt, waar de dijk tegenover ~Emmerik~
doorbrak en de polders overliepen; spoedig zou ~Gelderland~ volgen. Het
eerst had er een doorbraak bij ~Zevenaar~ plaats (28 Januari) waarbij
een gedeelte van den Rijnspoorweg werd weggeslagen; deze was echter
van weinig belang. In grooter gevaar verkeerden de ~Betuwe~ en de
~Tielerwaard~. 't Was de eerste Februari. Van ~Gorkum~ tot ~Loevestein~
zat de dam nog steeds muurvast. 't Was een dam die de lengte had van een
uur gaans. Er was nog niet de minste beweging in geweest. En toch was de
rivier, volgens telegrafische berichten, boven geweldig aan 't kruien.
Ook te ~Nijmegen~ was 't ijs losgeraakt. Gisteren kwart over vijven
hadden drie kanonschoten verkondigd, dat de ~Waal~ begon. Doch hij had
zich om acht uur weer vastgezet. Er was beneden ook geen schot. Hoog
hadden zich daar de ijsschollen tegen de huizen langs de kade opgewerkt.
's Nachts om drie uur was 't ijs weer in beweging gekomen. Steeds klom
het onophoudelijk van boven afkomende water al hooger en hooger en brak
met geweld de ijskorst los. 't Lage gedeelte der stad liep onder water.
~Tiel~ is in gevaar. Reeds is er een stuk van de borstwering der wallen
door 't ijs weggesneden. Reeds stroomt het water in de stad. Ook de
~Betuwe~ is in geen minderen perijkel. Daar begint het water om zes uur
in den morgen eensklaps te dalen. Maar 't angstig gelui der noodklokken
aan den overkant verkondigt de oorzaak van die daling. Een vreeselijke
doorbraak bij het dorp ~Leeuwen~, op ongeveer een uur afstands boven
~Whamel~ gelegen, doet het opgezette water met zijn ijsschotsen in den
~Tielerwaard~ stroomen. De ~Betuwe~ was gered, ten koste van den
vruchtbaren ~Tielerwaard~. Onder aanhoudend aanwassen was het water al
hooger en hooger gestegen, spoedig was het boven noodpeil. De ijsmassa's
staken heele stukken van den dijk af: geen menschelijke macht was
berekend tegen Gods elementen. Twaalf huizen worden door den brullenden
stroom meegesleept; tal van menschen reddeloos door hem weggevoerd. Hun
angstgeschrei klinkt boven 't geweld van het water; niemand kan hen
helpen. Een nieuwe doorbraak bij ~Whamel~ verhaast slechts den spoed,
waarmede het water in den ongelukkigen ~Waard~ stroomt. Huizen storten
in puin, hutten worden meegesleept. Daar staat het huis van Nikkels.
Bij alle vorige vloeden of gevaar voor overstrooming heeft het zich
goedgehouden en was het een toevlucht voor vluchtelingen. Daar dicht bij
is het huis van Van Beek. 't Gezin verkeert in den doodelijksten angst.
Er wordt geklopt. Een doodsbleek man met verwilderde haren komt binnen.
't Is Marcelis van der Veen. Hij vraagt naar een zijner kinderen.
't Is bij zijn vlucht naar den dijk achtergebleven en zou hier een
schuilplaats gezocht hebben. Het kind is er niet. Dan terug om zijn
kind te zoeken. 't Is te laat! Daar is geen tijd meer, arme vader! 't
Water dringt in huis. »Naar boven!" roept Verbeek. Ook daar is men niet
veilig. »Dan maar naar het dak!" Doch ook dat is geen schuilplaats. Een
geweldige ijsschots scheurt het achterdak weg, waarop vrouw Verbeek met
haar jongste kind, haar dochtertje, Johanna of Hanneke, en Marcelis van
der Veen zich bevinden. Vrouw Verbeek met haar zuigeling wordt in de
grondelooze diepte bedolven. Marcelis en de kleine Hanneke drijven, in
't gezicht van den wanhopigen vader, de woeste zee in. Jammerend klemmen
zich de drie overgebleven kinderen vast aan hun vader, die zich met hen
en een dienstbode op het voordak bevindt. Een oogenblik later stort ook
het voorhuis in; zich aan elkander vastklemmende worden de ongelukkigen
door den stroom medegevoerd. Goddank! daar drijven ze tegen 't huis van
Nikkels aan. Ze worden er in opgenomen en rekenen zich behouden. Doch
ook dat huis begint te waggelen. »Naar de schuur!" gillen allen, en in
doodsangst ijlen ze derwaarts. 't Stevige huis, dat zooveel stormen en
vloeden getrotseerd heeft, valt voor de oogen der ongelukkigen, die het
dak der schuur beklommen hebben, in puin. Nog eenige pijnlijke, angstige
oogenblikken. Daar scheurt ook het dak der schuur in vieren; meer dan
vijftig wanhopige menschen die er hun redding hebben gezocht, worden
met hen, die op den hooizolder zitten, door den vloed meegesleept en
verzwolgen! Een tijdlang drijft Verbeek met zijn drie oudste kinderen
op den vloed rond; hij ziet ze alle drie in de diepte verzinken--hij
is het laatste slachtoffer van de vier. En Marcelis van der Veen en de
achtjarige Hanneke? vraagt gij. Ik zal 't u vertellen. Toen ze nog op
het dak zaten, had Verbeek het lieve kind, dat van koude rilde, zijn
jas toegeworpen, om zich daar mede te dekken. Onder angstig gekerm klemt
het arme Hanneke zich dichter tegen Marcelis aan. Pijlsnel vliegen
ze op hun broos vaartuig tusschen bergen van ijs, vernielde gebouwen
en ontwortelde boomen. Het dak blijft hen houden. Daar komen zij
aan eenige nog staande boomen. Met reuzenkracht wordt het dak daar
tegenaangeslingerd en scheurt in tweeën. Van der Veen klemt zich in zijn
doodsangst aan de takken vast. »Ach! Celis!" roept het arme kind. »Laat
mij niet alleen, houd me toch bij u!" Hij doet een poging om haar te
grijpen--onmogelijk! Het stuk dak waarop het kind zit, is reeds te ver
weggedreven; 't bestaat uit hoogstens drie vierkante ellen.
Zes dagen later, op den middag van den 7en Februari, vaart een ranke
boot uit ~Puifdijk~ naar een in 't veld gelegen woning om te zien wat
er gered kan worden. Daar valt de roeiers een blauw pakje in 't oog,
dat op 't water drijft, ze weten niet, of 't een kleedingstuk of
misschien een drenkeling is. Toch sturen zij er hun boot heen. Eensklaps
komt er beweging in het pakje; een kind rijst er uit omhoog. 't Is
Hanneke Verbeek, die, voor zoover haar krachten 't haar toelaten, hoofd
en bovenlijf omhoogbeurt. Spoedig is men bij haar. Een der mannen wil
voorzichtig den eenen voet op het stukje dak zetten; Hanneke komt hem
voor. Eerst reikt zij hem haars vaders jas toe, aan welker beschutting
en verwarming zij haar leven te danken heeft, het eenige wat haar van
den man is overgebleven, die nog in zijn laatste ure zoo liefderijk voor
zijn kind gezorgd had, toen laat zij zich in de boot tillen. »Heb je
geen honger, kind?" vraagt een der mannen die in de boot zijn.--»Ja,
vader," antwoordt het vaderlooze kind, de eenige overgeblevene van een
huisgezin van acht personen.
Volgens haar verhaal, had ze den meesten tijd slapend doorgebracht;
tegen den avond, als 't haar tusschen die ontzaglijke ijsbrokken zoo
angstig werd, verborg zij zich in haars vaders jas en viel dan spoedig
in slaap; ook des daags wikkelde zij zich warmpjes in dien jas. En als
er een ijsschol of ander voorwerp haar stuk dak bedreigde, hield ze
de handjes voor de oogen, om 't gevaar niet te zien, waaraan ze was
blootgesteld. Al den tijd dien ze op den vloed had doorgebracht, had
ze niets gegeten; slechts met een stukje ijs, nu en dan in den mond
genomen, haar dorst gelescht; ze had van tijd tot tijd lekkere appelen
zien voorbijdrijven, waarvan ze zooveel hield, maar er de handjes niet
naar uitgestrekt, dewijl ze bang was, dat ze in 't water zou vallen.
Met het huis van Nikkels waren ook de kuiper Piek en zijn gezin een
prooi der golven geworden. Hij had met vrouw en vijf kinderen een
schuilplaats gezocht op den zolder van Nikkels' schuur.
En Marcelis van der Veen? Twee malen moest hij, na zijn scheiding van
Hanneke, van boom verwisselen. Zeven uren hing hij aan den laatsten;
toen werd hij, uitgeput naar ziel en lichaam, door eenige schippers van
~Druten~ gevonden.
De geheele ~Tielsche waard~, die met het stedeke ~Batenburg~ twintig
dorpen, benevens vele buurtschappen en gehuchten telt, werd een
prooi van het woedende water. Van ~Whamel~ af zag men niets dan een
onafzienbaren waterplas, waarboven hier en daar een enkel dak uitstak.
Te ~Alphen~ stroomde het water op sommige plaatsen een el hoog over
den Maasdijk. Omstreeks tachtig menschen, die hun toevlucht op de
zolders hunner woningen gezocht hadden, verkeerden te ~Ammerzoden~ in
doodsgevaar. Ook een grijsaard van zesennegentig jaren, Roekof van
Woelderen, de oudste man der geheele gemeente. Kalm en gelaten bleef
deze eerwaarde grijsaard in 't gevaar: geen jammerkreet kwam hem over de
lippen. In stille onderworpenheid aan God wachtte hij af, wat de Heer
over hem beschikken zou.
Dieper den polder in woont Martinus van Fraaijen met de zijnen. Zoodra
hij de ramp van de doorbraak verneemt, brengt hij met behulp van zijn
zoontje een gedeelte van zijn vee naar de ~Maasdijk~ in veiligheid, en
keert daarop met den knaap naar huis terug, om zijn vrouw te helpen bij
't inpakken en zoo mogelijk redden van hun tilbare have. Doch reeds
komt de verbolgen vloed hem tegen. Slechts door een snelle vlucht kan
hij zich redden. Alleen kan hij dat doen; maar hij kan den knaap toch
niet achterlaten. Hem in de armen te nemen, dat zal zijn loop vertragen.
Daar ontdekt hij een hoogte. »Klim daar op, dan kan ik u straks halen,"
zegt hij en spoedt zich, nadat hij zijn jongen in veiligheid gezien
heeft, ijlings voort. Hij werpt zich in een drieplanker, een bootje van
de kleinste soort. Hij waagt er zich mee op den vloed en brengt het kind
behouden thuis. Maar ook hier begint het water te rijzen--eerst zoeken
ze hun toevlucht op den zolder, toen op het dak. Levensmiddelen hebben
ze niet mee kunnen nemen. Hongerdood of verdrinken--beiden grimmen hen
aan. In Gods naam begeeft hij zich met vrouw en zes kinderen in de ranke
boot. De moeder bindt haar zuigeling op het bloote lijf, uit vrees, dat
het kind bevriezen zal. Zes uren lang dobberen zij op den vloed. Vrouw
en kinderen zijn verkleumd van koude. Daar komen zij aan de ruïnen eener
kerk. Nu zijn ze dicht bij hun redding en worden voorloopig opgenomen in
de woning van den heer J. de Waal, van alles beroofd, behalve van het
vee, dat Martinus naar een dijk gebracht en een bed, hetwelk hij in 't
schuitje meegenomen heeft.
Op 't kasteel, bewoond door baron Arthur de Woelmond, zijn, behalve de
paarden en koeien welke er gestald zijn, drie honderd menschen geborgen,
die niets dan 't leven hebben overgehouden.
Ook in ~Driel~ is de ellende vreeselijk. Daar zijn meer dan twee duizend
menschen in de Protestantsche kerk bijeen, die niets meer te eten
hebben. Te ~Rossum~ is het bedehuis met ongelukkigen gevuld en loopt
het water over den dijk, zoodat ze niet weten, of ze hun leven zullen
behouden. Te ~Hurwenen~ zitten allen in angstige bekommering op hun
zolders.
Doch ik kan zoo niet voortgaan, en u de ellende schetsen, die er overal
heerscht. Ik sluit dus dit Hoofdstuk, om u in 't volgende een
liefelijker tooneel voor oogen te stellen.