Ik ben als altijd

Uw toegenegen broeder

Bernard.

PS. Juist wilde ik mijn brief in 't couvert doen, toen Jan mij nog de

volgende bijzonderheid mededeelde, welke ook gij zeker niet onaardig

zult vinden. De stoel, waarop Z. M. op de tribune zat, was die, welke

zijn doorluchtige voorouderen bij hun bezoeken te ~Zutphen~ gebruikten,

namelijk de zoogenoemde »stadhouderlijke stoel." Op dezen stoel zat

Willem IV den 9 October 1750, toen hij op de landschapsvergadering te

~Zutphen~ tegenwoordig was, en waarschijnlijk ook Willem de vijfde, bij

zijn bezoek in die stad, 18 Augustus 1766."

De brief van Bernard Veldhuis heeft ons genoegzaam op de hoogte gebracht

van de geheele plechtigheid. Ik behoef er dus niets meer bij te voegen.

Alleen kan ik niet nalaten, u de woorden mede te deelen door koning

Willem den derden in antwoord op de toespraak van den burgemeester der

stad ~Zwolle~ gesproken, en die zeker merkwaardig zijn en wel aan de

vergetelheid mogen ontrukt worden.

»Het verheugt mij," zeide Zijne Majesteit, »den eersten steen te hebben

mogen leggen van het groote werk, dat voor ~Nederland~ van zooveel

belang zal zijn. Het verheugt mij dubbel, dat Ik, die reeds als

kroonprins en beschermheer der Koninklijke Academie te ~Delft~, een

warm voorstander was van het spoorwegnet, hetwelk thans door de wet ten

uitvoer zal worden gebracht, het voorrecht geniet dien steen te hebben

gelegd."

Welk een edel Vorst, die niet alleen het welzijn van zijn onderdanen ter

harte neemt, wanneer hun rampen treffen, hetgeen alleen het uitvloeisel

van een liefderijk, medelijdend gemoed kon zijn; maar ook met krachtige

hand medewerkt aan hun welwezen, waar 't er op aankomt, handel,

nijverheid en landbouw te bevorderen. Gelukkig het volk, dat zich in

zulk een koning mag verheugen!

Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874 · 第 14 / 20 题