DERDE HOOFDSTUK.

Een zilveren bruiloft in de Bommelerwaard.

We treden elf jaren later, op den vroegen morgen van den elfden Mei

1860, een der grootste boerderijen van het eiland tusschen ~Maas~ en

~Waal~, den ~Bommelerwaard~, binnen. De boerderij behoort tot het dorp

~Brakel~, en ligt dicht bij den dijk, tusschen dat dorp en 't meer

oostwaarts gelegen ~Zuilichem~; men kan het aan alles bemerken, dat de

boer rijk is. Daarenboven zullen we, wanneer we haar binnentreden,

terstond bespeuren, dat, hoewel al wat tot het boerenbedrijf behoort

hier in de uiterste orde is en door zijn keurigheid den rijkdom des

eigenaars vertoont; we in de huis- en andere vertrekken een smaak en een

geest vinden, die er van getuigen, dat de eigenaar der boerderij en zijn

vrouw in hun jeugd een steedsche opvoeding genoten hebben. Immers, we

vinden er niet die bonte, schreeuwende kleuren, die misplaatsing van

somtijds prachtige meubelen, die overlading van ornementen, zooals

men ze in andere boerenhuizingen aantreft; maar iets steedsch, iets

comfortabels, ja, men zou zich bijna verbeelden, in de stad verplaatst

te zijn, wanneer de blik naar buiten ons niet herinnerde, dat we ons op

het land bevinden. Een en ander zal u niet verwonderen, als ik u zeg,

dat deze woning het eigendom is van Ernst Veldhuis, wiens vrouw de eigen

zuster is van mevrouw de Winter. Hij is zoo wat een heereboer en beiden

zijn in een stad grootgebracht. Ernst had in zijn jeugd zin om boer

te worden, en is door zijn vader op de landbouwkundige school te

~Groningen~ gedaan, waar hij zich voor zijn vak gevormd heeft. Toen, nu

ruim vijfentwintig jaren geleden, deze boerderij te koop kwam, heeft hij

haar gekocht. Ze zag er destijds echter heel anders uit dan nu. Naast

het oude, sombere huis heeft hij in later jaren dit laten bouwen en 't

andere laten afbreken. En zoo vinden we hier een tweeslachtig gebouw:

van voren heerenhuis, van achteren boerderij, met al de zaken welke

daartoe noodig zijn.

We weten er nu genoeg van, om het huis zelf binnen te treden en begeven

ons naar de zoogenaamde pronkkamer, een ruim hoog vertrek met modernen

schoorsteenmantels en glazen deuren, die met spanjoletten gesloten

worden en toegang schenken tot een vriendelijk aangelegden bloemtuin.

Een man van zesentwintig jaren, eenigszins contrefait, staat op een

trapladder, en is bezig, hier en daar uiterst fijne duimpjes in de

balkstukken te slaan, waaraan hij slingers van groen met bloemen

doorstoken vasthecht. Een jeugdige vrouw, ruim een jaar jonger dan hij,

met den blos der gezondheid op de frissche wangen en den schalkschen

lach van 't geluk op 't gelaat, helpt hem. Twee andere meisjes van

eenentwintig en twintig jaren, kennelijk zusters, zoo sprekend gelijken

zij op elkander, zijn bezig den spiegel te versieren, terwijl een

jongman van tweeëntwintig jaren, wiens kleeding tusschen die van een

boer en een stedeling is, bloemen steekt in de slingers, welke op de net

geschuurde gele steentjes voor de kamer liggen.

Wie die personen zijn! Slechts twee kennen wij er van. Hij, die op den

trapladder staat, is onze oude kennis, Bernard Veldhuis, sedert een jaar

predikant op een klein dorp in Gelderland; die hem helpt, is zijn vrouw,

Margot de Winter, met wie hij, toen hij zijn dorp betrok, gehuwd is;

dezelfde, die hem terugvond, toen hij bij de illuminatie was weggeraakt.

Bernard is geworden, wat hij reeds in zijn jeugd deed verwachten, een

zeer knap degelijk mensch, en men houdt het er voor, dat hij, wanneer

hij slechts lang genoeg op zijn dorpje gestaan heeft, wel spoedig een

ander beroep zal krijgen. De twee, die den spiegel versieren, zijn

Bernards zusters Truda en Netje. Beide meisjes hebben, even als haar

broeders, in ~Bommel~ school gegaan en zijn daarna nog twee jaren op

een goede kostschool geweest. Hij, die zich met het versieren der

slingers bezighoudt, is Frits Veldhuis, die eens zijn vader in de

boerderij zal opvolgen en er nu reeds deel in heeft. Zijn vrouw, want

hij is reeds meer dan anderhalf jaar gehuwd, zit in een andere kamer,

waar ze haar kleinen Ernst aankleedt. Straks, als het kind gereed is,

zal ze 't aan de meid overgeven, en wel hier komen, om te zien, of ze

een handje helpen kan. De reden waarom alles zoo versierd wordt, is, dat

op morgen 12 Mei vader en moeder hun zilveren bruiloft vieren.

»Hoor eens, Bernard," zegt Frits. »Ik heb geen bloemen meer, en Net en

Truda hebben den tuin zoo geplunderd, dat er geen enkele meer te vinden

is."

»Wacht dan maar wat," antwoordt Margot. »Jans heeft me beloofd, ons nog

wat bloemen te bezorgen."

Jans? vraagt ge. Zou dat de vroegere dienstmaagd van mevrouw de Winter

zijn? Ja, dat is ze. In den zomer van 't zelfde jaar, toen we haar voor

't eerst ontmoetten, kreeg zij verlof, om haar ouders te gaan bezoeken,

en daar een dag of wat te logeeren, en toen ze terugkwam, had ze tegen

haar meesteres gezegd: »Hoor eens, mevrouw, u moet het mij niet kwalijk

nemen, maar ik heb thuis een vrijer opgedaan."--»Zoo, Jans," had mevrouw

geantwoord, »en wat is dat voor een soort van vrijer?"--»Welnou," had

Jans geantwoord, »een boerenknecht, mevrouw, die bij uw broer Veldhuis

werkt, een knappe, brave borst. En als mevrouw 't nu goedvindt, dan

hadden we afgesproken, om 't volgende voorjaar te trouwen!"--»Nu, Jans,

ik heb daar niets tegen, ofschoon 't me zal spijten, als ik je zal

missen. Maar eerst zal ik eens aan mijn broer schrijven, om te weten,

wat voor een knaap uw aanstaande is: want ik zou niet graag hebben, dat

je in je ongeluk liept."--»O, dat kan mevrouw gerust doen; zijn naam is

Klaas Veen."--En mevrouw de Winter had onderzoek gedaan, en Jans was in

't voorjaar van 1850 vrouw Veen geworden en ze woonde nu met haar man en

vier kinderen in een aardig huisje op eenigen afstand van de woning van

baas Veldhuis, bij wien Klaas echter nog in 't werk was; want van knecht

was hij arbeider geworden, en ik moet u zeggen, dat hij een oppassend

man was, en hij en zijn vrouw bij de familie van zijn baas zeer gezien

waren. Om u nu verder op de hoogte te brengen van 't geen er in de tien

jaren met onze oude kennissen gebeurd was, moet ik u meedeelen, dat de

oude tante de Bosson sedert drie jaren dood was, dat Gustaaf makelaar

in effekten en met zijn nicht Florence gehuwd was, en dat mevrouw

de Winter nog altijd haar huisje op de Heeregracht bewoonde, doch

om de gezelligheid een juffrouw van gezelschap had genomen, een

officiersdochter en een zeer beschaafd meisje, Emma Kellner, die zich

bij de geheele familie zeer bemind had weten te maken. Kapitein de

Bosson was sedert twee jaren gepensionneerd: zijn oudste zoon August was

op de militaire academie te ~Breda~, zijn jongste, Emile, was bij hem

aan huis, en (want hij woonde tegenwoordig in Amsterdam) bij Gustaaf

op 't kantoor. Ge bemerkt wel, dat we er eenige nieuwe kennissen bij

gemaakt hebben. En zoo zijn we nu na tien jaren geheel en al op de

hoogte van de familie, van welke we er in onze vorige hoofdstukken

eenige leerden kennen.

»Hoe laat komt tante, Margot?" vroeg Truda aan haar nicht en

schoonzuster.

»Dat weet ik niet," antwoordde Margot. »Mama heeft mij geschreven, dat

ze met de Rijnspoor uit ~Amsterdam~ zou vertrekken en dan naar ~Gorkum~,

waar ze wel gelegenheid zou vinden om hier te komen."

»Een lastige reis," zeide Ernst. »Waarom is ze niet over ~Rotterdam~

gegaan; dan was ze met de Nijmeegsche boot hier vlak voor den dijk

aangeland."

»Nu, die reis zou nog vrij wat lastiger zijn geweest," oordeelde Margot.

»Dan had ze den nacht in ~Rotterdam~ moeten overblijven."

»En een grooten omweg moeten maken ook," voegde Bernard er bij. »Zooals

ze nu de reis doet, is die veel beter. 't Zal echter zoo lang niet meer

duren, of de reis herwaarts en door 't geheele land wordt vrij wat

gemakkelijker!"

»Hoe meen je dat, Bernard?" vroeg Netje.

»Wel, nu de wet op de staatsspoorwegen is aangenomen. Weet je wel, dat

we dan door den tijd een brug over de Waal krijgen?"

»Die spoorwegen zullen duiten genoeg kosten," zeide Ernst. »Eenige

millioenen, naar ik hoor."

»En toch zullen ze een zegen voor handel, nijverheid en akkerbouw zijn,"

hernam Bernard. »'t Is nu elf jaren geleden, sedert we koning Willem den

derden te ~Amsterdam~ zagen huldigen, Margot. En in dien tijd is er al

wat gebeurd. Daar heb je vooreerst in 't jaar '52 het voltooien van de

droogmaking der ~Haarlemmermeer~. Dat land heeft wat geld aan 't Rijk

opgebracht."

»Maar ook geld genoeg gekost," hernam Ernst. »Sakkerloot! daar zijn wat

duiten mee heengegaan."

»Vergeet echter niet, dat die droogmaking driedubbele voordeelen

oplevert Ernst," hernam Bernard. »Vooreerst is daardoor 't nationale

kapitaal aanzienlijk vermeerderd, ten tweede is er een groot terrein

voor akkerbouw en veeteelt aangewonnen, en ten derde brengen dat land en

de gebouwen die er op gezet zijn, jaarlijks vrij wat in de belastingen

op."

»Daar heb je gelijk in, Bernard," hernam Ernst. »En wat is er dan nu

meer onder de regeering van koning Willem den derden gebeurd, dat je die

zoo roemt?"

»De wet op de rijkstelegrafen, zoo onmisbaar voor een goede

correspondentie met het buitenland, vooral voor den handel van groot

gewicht."

»Wat hebben wij daaraan?" vroeg Truda.

»Wat wij er aan hebben?" hervatte Bernard. »Nu eenmaal de wet er door

is, wordt het telegraafnet langzamerhand meer en meer uitgebreid, en

zullen we spoedig zien, dat men voor weinig geld naar alle oorden van

ons land in onbegrijpelijk korten tijd allerlei soort van berichten kan

zenden."

»Maar 't kost allemaal zooveel geld," zeide Ernst. »En de belastingen

zijn toch al zoo hoog. Waarom geen vermindering van lasten?"

»En dat zegt een landbouwer, die zijn producten reeds zooveel duurder

verkoopt dan vroeger! Laat het spoorwegnet maar eens klaar zijn, en de

landbouwproducten zullen nog meer stijgen. Daarenboven, wat klaagt gij,

landlieden, over de belastingen? Je moest eens in ~Amsterdam~ of andere

groote steden wonen; dan zou je anders praten. Uw land, uw producten

zijn ontzaglijk in waarde vermeerderd, en uw belastingen zijn

genoegzaam 't zelfde gebleven."

»Maar wij hebben ook onze polder- en andere lasten, Bernard; vergeet dat

niet."

»Dat is waar; doch...."

»Kom, kom! Twist nu niet over die belastingen," zeide Margot. »Laat

ieder gewillig dragen wat hij kan. Ik zeg maar, dat we een gezegende

regeering onder onzen Willem den derden hebben, en geld moet er wezen,

als er onder hem wat tot stand zal komen. Daar heb je nu onder ander die

nieuwe schoolwet, voor een paar jaren ingevoerd. Wat kost tegenwoordig

het onderwijs een boel geld meer als vroeger. Op ons dorp ten minste

klagen ze er steen en been over. Doch _ik_ zeg: Als men 't onderwijs wil

verbeteren, moeten de onderwijzers ook beter betaald worden, er moeten

beter schoollokalen zijn; kortom, zachts dat we wat meer betalen voor

een zaak, die een weldaad is voor de natie."

»Hoor me zoo'n advocaat eens aan!" riep Bernard uit. »Dat zou goed voor

de rechtbank kunnen pleiten. Inderdaad, verbetering van den toestand van

't lager onderwijs is een zegen voor Volk en Staat. En welk een

vooruitgang in beschaving, dat alle openbare schavotstraffen[2] zijn

afgeschaft...."

[2] 29 Juli 1854. Veel later is de doodstraf afgeschaft, voor 't welker

behoud nog velen waren.

»Behalve de doodstraf," hernam Ernst. »Ik had dat overblijfsel uit de

middeleeuwen nu meteen maar uit ons strafwetboek verwijderd."

»Wacht maar, Ernst, dat zal later wel volgen," hernam Bernard, »evengoed

als er spoedig kans is op uitdelging van schuld en vermindering van

rentelast. En wat zeg je dan van de afschaffing der belasting op 't

gemaal, Ernst?"

»Voorzeker een zegenrijke wet; daar nu de arme man vrij wat goedkooper

brood kan eten dan vroeger. Doch daar is Jans. Sakkerloot; ze brengt een

heelen schoot bloemen mee. Zoo, vrouw Veen! Daar doe je goed aan."

»Niet waar, baas?" antwoordde Jans, die vrij wat gezetter geworden was

dan toen we haar voor 't eerst zagen. »Maar wat zie ik? Den dominé en

zijn vrouw! Wel, juffrouw Margot! Hoe maak je 't en kun je al zoo wat

aan 't stille buitenleven wennen?"

»Dat gaat nog al, Jans," antwoordde Margot. »Trouwens, we hebben een

lieve pastorie. Die moest je eens zien."

»'t Is anders nog al een verschil: het drukke, levendige ~Amsterdam~ bij

zoo'n stil eenzaam boerendorp," hernam Jans. »Niet, dat ik er wat tegen

heb. Als 't aan mij staat, verkies ik een dorp boven zoo'n rumoerige

stad. Maar, zie je, dat maakt verschil: ik ben buiten op 't land

gewonnen en geboren, en de juffrouw is van kindsbeen in ~Amsterdam~

grootgebracht."

»En is dat nu uw oudste dochter, Jans?" vroeg Margot, op een achtjarig

meisje wijzende, dat heel verlegen aan den ingang van het huishek was

blijven staan.

»Ja, juffrouw Margot, dat is Johanna, mijn oudste. Dan volgt Jaap, die

wordt aanstaanden Allerheiligen zeven jaar; die gaan beiden al school."

»En leeren ze goed, Jans?" vroeg Bernard.

»Nu, dat zou ik meenen, dominé," antwoordde Jans. »De meester is wat

tevreden. En weet u al, dominé, dat we hier een nieuwen meester gekregen

hebben? Onze oude is gepensionneerd, en nu hebben we er een--kijk, zoo

is er geen tweeden in den heelen ~Bommelerwaard~."

»Jij bent ook wel de bevoegde persoon om dat te beoordeelen, Jans,"

hernam Bernard lachende, en toch was 't roemen van die eenvoudige vrouw

koren op zijn molen. »Maar laat ons nu eens kijken, wat je voor ons hebt

meegebracht?"

»Veel is 't niet, dominé," antwoordde Jans. »Maar 't spreekwoord zegt:

die geeft van 't geen hij heeft, is waard dat hij leeft, en ik heb meer

gedaan dan dat; ik heb alles gegeven, wat ik had en bij de buren de

tuinen geplunderd op den koop toe.--Maar jongens! wat maakt u dat daar

netjes," vervolgde zij, toen ze naar binnen keek. »En wat moet dat

groote papier met die letters beteekenen?"

»Dat zijn de eerste letters van de namen van 't zilveren bruidspaar,"

antwoordde Margot, »en die cijfers zijn de jaartallen van hun groene en

die van hun zilveren bruiloft."

»Kijk, dat vind ik aardig," hernam vrouw Veen. »En mevrouw komt vandaag

toch zeker ook?"

»Niet alleen mama, maar ook neef Gustaaf en zijn vrouw en nog een van

de neven," antwoordde Margot.

»Nu dan mag ik toch nog wel eens aankomen, om mijn goede oude mevrouw te

zien," zeide Jans. »'t Is al een tijd geleden dat ik haar niet ontmoet

heb."

»Welzeker Jans. Je bent ons allen welkom," antwoordde Margot. »Misschien

wil mama zelf ons wel vergezellen, als we na den middag eens bij je

aankomen."

»Wel, dat zou heerlijk zijn!" zeide vrouw Veen. »Dan kan ze mijn vier

kinderen eens zien, juffrouw Margot. En de dominé komt dan toch zeker

ook mee, niet waar?"

»Welzeker," zeide Bernard. »'t Is meteen een kleine wandeling."

»Nu, dan ga ik gauw naar huis," zeide Jans. »Want als er zulke groote

gasten komen, mag ik wel maken, dat de boel netjes aan kant is."

»Daar zul je toch altijd wel voor zorgen," zei Margot. »Mama zegt ten

minste dikwijls, dat ze nooit zoo'n heldere en zindelijke meid gehad

heeft als jou."

»Wel, dat doet me pleizier," antwoordde Jans. »En daarom moet alles krek

in orde zijn, als mevrouw komt. Zie je, juffrouw Margot. Als men vier

kinders heeft, dan kan alles niet zoo in de puntjes wezen. Dus tot dezen

achtermiddag!"

En zoo vertrok Jans.

Dien namiddag kwam mevrouw de Winter met hare beide kinderen, Gustaaf en

Florence, benevens haar broeder met zijn zoon August, den kadet op de

academie te ~Breda~. Emile had thuis moeten blijven, om gedurende de

afwezigheid van den patroon de zaken op het kantoor te besturen. Ons

vijftal werd hartelijk verwelkomd, en ik behoef u niet te zeggen, dat

het geheele huis op stelten stond bij zooveel logés. Mevrouw de Winter

en haar broeder, de gepensionneerde kapitein, waren er niet jonger op

geworden; toch hadden zij zich goed gehouden, en August was een knappe

kerel en zou, vooral daar hij een helder hoofd en studielust bezat, eens

een ferm officier worden.

Den volgenden dag werd het aantal gasten nog vermeerderd; want behalve

een paar vrienden met vrouwen, dochters en zoons uit ~Gorkum~ en

~Bommel~, kwamen ook de broeder van Veldhuis, Frans genaamd, uit

~Whamel~ (een dorp tegenover ~Tiel~) met vrouw, twee zoons en twee

dochters, en dan nog een oude neef, die 't vorige jaar als Oost-Indisch

invalide te ~Bronbeek~ geplaatst, en evenals kapitein de Bosson

metalen-kruisridder was. Hij heette Jan van Dijk, had in den

tiendaagschen veldtocht onder de compagnie van de Bosson, toen nog

maar tweeden luitenant, gestaan en daarna jaren lang in de Oost-Indiën

gediend. De ontmoeting tusschen hem en zijn vroegeren luitenant was heel

hartelijk.

»Zoo, oude jongen," zei kapitein de Bosson, toen de veteraan met de

stoomboot was aangekomen en hij hem hartelijk de hand reikte. »Hoe maak

je 't sinds 't jaar '56 toen we beiden in ~Amsterdam~ waren ter

gelegenheid van de onthulling van 't monument op ~den Dam~[3]?"

[3] Op Woensdag, 27 Augustus. De feestelijkheden, waarin vooral de

metalen kruisridders de hoofdpersonen waren, duurden van 25 tot en met

28 Augustus 1856.

»O, kapitein," antwoordde de veteraan. »Ik ben zoo gezond als een visch,

en heb, sedert onze goede koning Willem III ons 't Huis te ~Bronbeek~

ter residentie gegeven heeft, een oud leventje."

»Dat wil ik wel gelooven, van Dijk," antwoordde de kapitein. »Zoo'n

troep mannen bij elkaar, die allen in de ~Oost~ geweest zijn, zullen

elkander wat te vertellen hebben."

»Ja, doch dat vertellen is gauw uit. Maar we hebben een prachtige

bibliotheek, een biljard, allerlei spelen, en dan een mooien tuin om

in te wandelen. Wat echter sommigen van ons niet bevalt (want er zijn

altijd menschen die ontevreden zijn, al hebben ze 't nog zoo goed) is,

dat we op onzen tijd thuis moeten wezen en aan militaire discipline

onderworpen zijn."

»Nu, dat zal jou toch niet hinderen," hernam kapitein de Bosson. »Ten

minste, toen je nog in mijn compagnie stondt, was je altijd prompt op je

tijd. Ik geloof niet, dat je daarvoor ooit straf gehad hebt."

»Ja, maar zulk een goeden luitenant als u heb ik ook nooit weer

gekregen. In de ~Oost~ had ik er een, dat was een ware Nero. Dien kerel

kon je ook nooit iets naar zijn zin doen."

»'t Is toch een nobele daad van onzen koning, om zijn buiten ~Bronbeek~

aan die oude Oost-Indische militairen af te staan, papa," zeide

Florence.

»Dat is het. En eere zij dien goeden Vorst daarvoor," hernam kapitein de

Bosson. »Als we van middag aan het diner zijn, van Dijk, dan zullen we

eens een boordevol glas op hem leeg drinken."

»Nu, dat hebben we voor vier jaren in ~Amsterdam~ ook gedaan, kapitein,"

zeide van Dijk. »Dat waren prettige dagen, hé!"

»Dat zou ik denken," hernam de kapitein. »'s Maandags[4], afgehaald

van den trein en onder 't spelen van 't carillon door de met duizende

vlaggen versierde straten gewandeld naar ~'t Park~, waar we feestelijk

ontvangen werden. Toen om vier ure den maaltijd in de Nederlanden, waar

wat toasten werden geslagen, 's avonds voorstelling van »Onthoud uw dag"

in den grooten schouwburg."

[4] 25 Augustus.

»En wat daar een geestdrift was, kapitein!" zeide van Dijk. »En toen

Dinsdag dien optocht naar de werf William op de ~Kadijk~, waar 't

klipperschip, »Het Metalen kruis" te water werd gelaten."

»En des avonds in 't Park dat groote landelijke feest," zei kapitein de

Bosson. »Toen zijt gij nog mee geweest, zusje."

»En ik ook, oom," zei Margot. »Dat was daar toen allergezelligst."

»Ik wil 't wel gelooven," zeide van Dijk. »Mij was het te duur. Een

gulden vijftig de persoon."

»Ho, ho! voor kruisridders half geld, dus maar vijfenzeventig cents,"

zei kapitein de Bosson.

»Nu ja, kapitein," antwoordde van Dijk. »Maar voor een gepensioneerd

Oost-Indisch onderofficier is vijfenzeventig cents al een heele schat,

vooral wanneer de vertering er niet onder begrepen is. Dat grapje kostte

ons toch al geld genoeg."

»Dan zijt ge ook Woensdag niet aan 't feestmaal in 't Park geweest, van

Dijk. Dat kostte tien gulden de persoon: maar 't was prachtig."

»Ik zou mijn tien gulden zeker twintigmaal hebben omgekeerd, eer ik

daartoe besloten had," zeide van Dijk. »'t Was anders een heerlijke

dag, die Woensdag. Eerst de ontvangst van Z. M. den Koning en toen de

onthulling van 't monument. En dan Donderdags die réunie in Artis. Doch

dien dag ben ik vertrokken. Den wedstrijd met de buks in ~Frankendaal~

heb ik niet bijgewoond."

Zoo spraken de beide grijze mannen over hun herinneringen, en wij hebben

daarbij gelegenheid gehad te vernemen, hoe koning Willem III zijn

landgoed ~Bronbeek~ voor in den dienst grijs geworden krijgslieden had

laten inrichten, een daad, die hem tot eer verstrekt en hem de

zegenbeden van menigen hulpbehoevenden grijsaard heeft waardig gemaakt.

Ons doel is niet, u een beschrijving te geven van de viering der

zilveren bruiloft, noch met u de verrassing te beschrijven van het

zilveren paar toen ze in de keurig versierde pronkkamer kwamen, waar hun

bij de schoone cadeaux de hartelijkste zegenwenschen werden aangeboden;

noch met u aan den feestdisch aan te zitten, waaraan de gulste vreugde

heerschte; we willen liever Gustaaf en Bernard met hun vrouwen en August

den volgenden dag op een toertje vergezellen, hetwelk zij door den

~Bommelerwaard~ maakten, en dat bovenal voor Florence, Margot, Gustaaf

en August merkwaardig was. Bernard kende 't land en had alleen 't

genoegen der herinnering; Ernst mende de twee bruine blessen, die voor

't keurige eikenhouten speelwagentje gespannen waren.

Eerst ging men naar ~Loevestein~, vermaard in onze geschiedenis door

de inneming en verdediging van Herman de Ruyter, alsmede door de

inkerkering van den geleerden Hugo de Groot. Dat fort, gebouwd op de

plaats waar ~Maas~ en ~Waal~ zich vereenigen en te zamen den naam van

~Merwede~ aannemen, bestaat uit een onregelmatigen vijfhoek, die bij

hoogen waterstand geheel en al door water omringd is. De binnenruimte

wordt ingenomen door het kasteel, eenige rijksgebouwen en drie

particuliere huizen.

»Wanneer is dit fort toch gesticht?" vroeg Margot haren man.

»Men weet het niet," antwoordde Bernard. »Alleen gist men op goede

gronden, dat het in 't laatst der negende eeuw door de Noormannen

gebouwd is. In 1397 werd het door Willem, den zoon van Albrecht van

Beieren, ingenomen; doch eerst later is 't vermaard geworden."

»Juist--door de inneming van den dapperen Herman de Ruyter, die 't in

1570 met een gering aantal manschappen verdedigde," zeide Margot.

»Toen het door driehonderd Spanjaards belegerd werd," zeide Florence,

»en de dappere Bosschenaar daar hij het tegen de overmacht niet kon

volhouden, het in de lucht deed springen!"[5]

[5] 't Geen later door den heer Acquoy op goede gronden is

tegengesproken.

Intusschen was men over de houten brug de breede gracht overgegaan,

en kreeg verlof, ~Loevestein~ te bezichtigen. 't Meest van allen

interesseerde hen de kamer van Hugo de Groot, waar men hun 't venster

wees, uit hetwelk Maria van Reigersbergen het trouwe Elsje van

Houweningen nastaarde; ook bezag men de kamer van Hoogerbeets en die,

waar de Remonstrantsche predikanten gevangen gezeten hadden.

»'t Is of 't slot ~Loevenstein~ een levend getuigenis moet zijn

van echtelijke liefde," zeide Bernard. »Behalve toch Maria van

Reigersbergen, blonk hier ook de trouwe gade van Rombout Hoogerbeets

uit, die in 't lot van haar man deelde. Niet minder Susanna van

Oostdijk, een edele jonge dochter uit ~Den Briel~, die met een der

Remonstrantsche predikanten, Arnold Geesteranus, verloofd was, en verlof

wist te bekomen, hem in zijn gevangenschap te huwen, en als vrouw

gezelschap te houden en te vertroosten!"

»Hier hebben Jacob de Witt en de andere ~Hollandsche~ heeren onder

Willem II immers ook gevangen gezeten?" vroeg Margot.

»Welzeker," antwoordde August. »Vandaar nog den naam van

~Loevesteinsche~ factie, aan de anti-stadhouderlijke partij gegeven.

Later heeft dit kasteel gediend tot kerker van krijgsgevangenen en

voorname personen onder andere van den Engelschen admiraal Ascue."

Nadat zij ~Loevenstein~, welks bevolking met inbegrip van de bezetting

30 zielen bedraagt, bezichtigd hadden, zetteden zij zich weder in het

wagentje, waarin Ernst was gebleven om op de paarden te passen, en reden

over ~Poederrooien~ met 450 inwoners, en ~Aalst~, een even gering dorp

met slechts 400 inwoners en een heel oude kerk, naar ~Neder-Hemert~,

even als ~Aalst~ aan de ~Maas~ gelegen.

»Een gedeelte van dit dorp ligt aan de overzijde der ~Maas~," zeide

Ernst.

»En wat voor een gebouw is dat, hetwelk daar aan de overzijde zoo

bevallig boven 't geboomte uitsteekt?" vroeg Florence.

»Dat is 't adellijk huis van ~Neder-Hemert~," antwoordde Ernst. »Het

ligt te midden van aangename tuinen en boschages. We rijden echter nu

voort; 't zou ons te lang ophouden, om de rivier over te steken, en dan

zou 't nog de vraag zijn, of we 't mogen zien. Het huis zelf en 't

andere gedeelte van het dorp ligt op een eiland, den ~Hemerwaard~

genaamd."

»Waar Floris de eerste, graaf van ~Holland~, ~Zeeland~ en

~West-Friesland~ de ~Stichtschen~ geslagen had; toen hij na den strijd

zoo verraderlijk door Floris van Kuyk vermoord werd," zeide August.

Altijd den ~Maasdijk~ volgende, reed ons gezelschap over ~Ammerroden~,

een dorp met 900 inwoners en een deftig kasteel met vier ronde torens,

naar het onder de zelfde gemeente gelegen ~Well~, waar ook een klein

slot staat, omgeven door grachten en bezet met twee hangtorentjes.

»We zullen te ~Hedel~ uitspannen; daar is een goede herberg," zei Ernst.

»En dan te gelijk koffie drinken en er 't noodige bij gebruiken," zeide

August. »Ik wil wel ronduit bekennen, dat ik de plaats begin te voelen,

waar mijn maag zit."

»Om u de waarheid te zeggen, begint de mijne ook te jeuken," zeide

Bernard.

»Foei, welk een uitdrukking, Bernard!" zeide Margot. »Een maag jeukt

niet, maar vermaant."

»Eigenlijk zijn geen van beiden goed," merkte Bernard aan. »Ik zou

zeggen: waarschuwt dat ze gebrek aan werk heeft: want het gevoel dat

wij honger noemen en hetgeen eigenlijk trek is, komt immers door 't

inkrimpen van de wanden der maag, die geen werkeloosheid kunnen

verdragen."

»Ten minste als ze in haar normalen toestand zijn," hernam Gustaaf.

»Doch kijkt eens uit; vindt ge dit landschap niet schoon?"

»Inderdaad prachtig!" riep Florence uit.

Te ~Hedel~, een dorp met 1400 inwoners en waarvan reeds in 840 gewag

gemaakt wordt, stapte men in de voornaamste herberg uit en bestelde

koffie, brood, boter en vleesch.

»'t Laatste hebben we niet, mijnheer," zeide de kastelein. »Wel

heerlijke ham."

»Ook al goed, hospes," zei Ernst. »Dan maar een fermen schotel met

gesneden ham; want je krijgt hongerige lui te gast."

Weldra stond er, behalve een kolossale koffiekan, een groote schotel met

ham benevens brood en boter op tafel, en onze zes reizigers deden zich

dapper te goed. Men kon 't merken, dat de frissche morgenlucht en de

lange rit hun eetlust hadden opgewekt.

Van ~Hedel~ deden ze te voet een uitstapje naar ~Bruchem~ zoo wat midden

in den ~Bommelerwaard~ gelegen, en dat met het dorp ~Kerkwijk~ en de

heerlijkheid ~Delwijnen~, ongeveer duizend inwoners bevat. Alles was

heerlijk bebouwd of leverde prachtige mollige weiden op, zoodat het oog

met welgevallen op de afwisselende kleuren rustte, en ons zestal zeer

tevreden over hun wandeling, in de uitspanning te ~Hedel~ terugkwam,

waar men, na nog iets gebruikt en den kastelein betaald te hebben, 't

rijtuig weer liet voorkomen, en steeds den ~Maasdijk~ over, naar ~Driel~

reed, een welvarend dorp, ook reeds vroeg en wel in de tiende eeuw

bekend en vroeger door verscheidene adellijke sloten omringd. In zijn

buurtschappen bevat het een bevolking van 2800 zielen. Van hier reden

zij tot aan het dorp ~Rossum~, in den Noord-Oostelijken hoek van den

~Bommelerwaard~ gelegen, en waarbij het in 1816 gebouwde fort

Sint-Andries ligt. De beruchte Maarten van Rossum, heer van

~Poederooien~, ligt hier begraven.

Hier lieten zij zich met de pont over de Maas zetten, om oom Frans te

~Whamel~, te bezoeken, die hen dien middag te eten gevraagd had, en wien

zij beloofd hadden, aan zijn verzoek te zullen voldoen, mits hij zijn

diner tot 's namiddags vier ure uitstelde; hetgeen tante Betje beloofd

had. Te ~Dreumel~, aan den ~Waaldijk~ gelegen, stapten ze even uit, om

er de prachtige, in 1838 ingewijde R. K. kerk te bezichtigen, met haar

zwaar orgel en drie altaren, waarvan het hoofdaltaar, dat een rots

voorstelt, een meesterstuk van kunst is. Spoedig kwamen zij aan het dorp

~Whamel~ aan, waar een gierpont over de Waal is, ze werden zoowel door

oom Frans als tante Betje, ook door de neven en nichten hartelijk

ontvangen, en hadden 't er zeer goed. Daar ze echter nog een heelen

tocht te maken hadden, eer ze thuis waren, gingen zij terstond na het

theedrinken weer op reis, reden andermaal over ~Dreumel~ naar 't veer

van Sint-Andries, en nu over den ~Waaldijk~ naar huis. De tocht, welke

bijna rechtuit ging, was slechts de helft van dien, van dezen morgen.

Van ~Rossum~ reden ze over 't kleine ~Hurwenen~, met slechts 350

inwoners en een oud-adellijk huis, naar de stad ~Bommel~ of

~Zalt-Bommel~, reeds in 850 vermeld en in 1316 als stad voorkomende. Men

hield zich echter hier niet op en reed door naar ~Gameren~, dat met het

kleine ~Nieuwaal~ éen gemeente vormt en welks 1300 inwoners genoegzaam

geheel van den aardappeloogst bestaan; terwijl een steenoven aan enkele

andere brood verschaft. Van ~Gameren~ reden zij over ~Zuilichem~, waar

vroeger een zwaar vierkant kasteel stond, dat in 1753 werd afgebroken en

aan de in de geschiedenis wel bekenden Constantijn Huygens toebehoorde.

In 1819 heeft de toenmalige eigenaar der heerlijkheid op den

overgebleven voorburg een grooten ronden toren laten opbouwen en een

kleineren zeskanten met bijgebouwen opgetrokken, waarbij de oude poort

van het slot hersteld is. Daar 't echter reeds donker begon te worden,

kon ons gezelschap er niet veel van zien. Het duurde niet lang, of ze

waren te ~Brakel~, waar ze den dijk afreden en weldra thuis waren, zeer

tevreden over hun tochtje, hetwelk hun een goed denkbeeld van den

~Bommelerwaard~ had gegeven. Eer we echter dit hoofdstuk sluiten, moet

ik u nog even met de dijken en polders van den ~Bommelerwaard~ bekend

maken.

Van het aan den ~Waaldijk~ gelegen ~Zuilichem~ loopt een dwarsdijk

tot aan den ~Maasdijk~ nagenoeg halverwege tusschen ~Aalst~ en

~Poederooien~. Die dijk, de ~Meidijk~ genoemd en een kwartier

gaans lang, verdeelt den ~Bommelerwaard~ in twee zeer ongelijke

polderdistricten, bekend onder de namen, van »boven- en beneden den

~Meidijk~." Nog loopt er van ~Brakel~ tot ~Poederooien~ een andere,

de ~Nieuwe-~ of ~Dwarsdijk~ genoemd, die beide polders van het

~Munnikenland~, een buitenpolder, waarop ~Loevestein~ gelegen is,

scheidt. Dat ~Munnikenland~ loopt bij hoog water, ook met den geringsten

ijsgang, onder.

Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874 · 第 11 / 20 题