's Konings inhuldiging.
»O, wat prachtig weer! Wat scheelt dat bij gisteren!" riep Margot den
volgenden morgen uit, toen ze met Florence beneden kwam, om te
ontbijten.
»En 't mooist van alles is, dat we 't zullen houden," zeide Bernard met
die zekerheid, waarmede een buitenman over 't weer praat.
»Dat zal heerlijk komen voor de illuminatie van heden avond, die
prachtig belooft te zijn," zeide Gustaaf.
»Goeden morgen, ma! Goeden morgen, tante!" klonk het, toen mevrouw de
Winter binnentrad.
»Goeden morgen, kinderen!" zeide deze, terwijl ze de meisjes een kus en
den jongens een hand gaf. »Zooals ik bemerk, reeds vroeg uit de veeren.
En al gekleed en gereed! Nu, ge moet vooral niet te laat komen. Oom
Henri heeft het mij nog zoo op 't hart gedrukt, toen hij van morgen
vertrok."
»Is papa dan al weg!" riep Florence uit. »Moest hij zoo vroeg naar de
kazerne?"
»Natuurlijk," antwoordde mevrouw de Winter. »Bij zulke gelegenheden is
't voor heeren militairen vroeg dag."
»En voor ons ook, mama," zeide Margot. »Als u het dus goedvindt, moesten
we maar gaan ontbijten."
»Zoo'n vreeselijken haast hebt ge nu juist niet," hernam mevrouw de
Winter, terwijl ze op de pendule keek. »Als ge echter zoo ongeduldig
zijt, gaat dan uw gang maar. Ik zal op tante wachten; die zou geheel uit
haar humeur zijn, wanneer het ontbijt was afgeloopen zonder haar. Voor u
maakt dit echter van daag een onderscheid. Op dagen als deze moet men 't
met eten en drinken maar nemen zooals 't valt. Uw papa, Florence, zei
toen hij jong was altijd: op zulke dagen kijkt een mensch zijn buik
vol."
»En deed papa dat?" vroeg Florence.
»Met dien verstande, dat hij zich dikwerf vergenoegde, met bij een
bakker een paar broodjes te koopen, die hij dan maar zoo droog
oppeuzelde, of dat hij uitgerammeld van den honger thuiskwam. En toch
hield hij vol, dat hij zijn buik volkeek."
Toen ons viertal ontbeten had, ging het regelrecht op ~den Dam~ aan.
Wat was 't overal reeds vol! 't Leek wel of 't midden op den dag was.
Maar 't verwonderlijkste gezicht van alles leverde ~de Dam~ zelf op.
Van de meeste huizen waren op de eerste en tweede verdieping de ramen
uitgenomen en amphitheatersgewijs zitplaatsen van ruw hout getimmerd; om
de stoepen staketsels, waarboven zitplaatsen uitstaken, van verscheidene
daken de pannen afgehaald en op de zolders planken op verschillende
hoogte gelegd als staanplaatsen; ja, zelfs het plat van de Beurs en de
platten van de Nieuwe kerk waren met zitplaatsen bezet. Daar is dien dag
wat geld voor plaatsen betaald; en nog gelukkig hij, die voor geld een
goed plaatsje kon erlangen--menigeen heeft zich moeten behelpen met
onder de opgepakte menigte te staan en, als hij wat klein van persoon
was uitgevallen, niets te zien. De weg van 't paleis naar de kerk was
door een balustrade afgeschut en de grond met groen laken bekleed.
Buiten dat hek reden, tot handhaving der orde, dragonders op en neer.
Daar slaat het acht ure! »Bom!" klinkt het eerste schot van de honderd
en een, die er gelost worden; de klokken beginnen te spelen; aan Amstels
burgerij is geen houden meer. Trouwens, daarin verschilt ze niet met
die van andere steden. Intusschen hebben schutterij, grenadiers, jagers,
infanterie en cavalerie hun standplaatsen ingenomen. Aan 't paleis staat
een eerewacht van twee compagniën schutterij, binnen de balustrade
hebben zich aan de eene zijde schutters, aan de andere 't garnizoen
geplaatst. Aan de kerk zelf een eerewacht jagers en grenadiers, die ook
de posten aan de andere kerkdeuren betrekken. Bij die grenadiers staan
reeds vóór acht ure onze vier jongelieden.
Wij, die daar niet bij behoeven te staan, maar 't voordeel boven hen
hebben, dat we ons gemakkelijk overal bewegen kunnen, kijken eens
fiksch rond. Alles stroomt naar ~den Dam~, die langzamerhand een
vreemd schouwspel van menschenhoofden oplevert; want al de zit- en
staanplaatsen worden gevuld, en zelfs op den nok der huizen zitten
schrijlings de werklieden, die de stellages gemaakt en voor zich een
plaatsje in de goot of op den nok bedongen hebben. De ruimte van ~den
Dam~ vóór 't paleis ziet zwart van menschen. Voor elke kerkdeur staat
het vol met prachtig gekleede heeren en dames, allen van toegangskaarten
voorzien. Velen hunner zijn met rijtuig gekomen; doch staan nu evenals
de anderen te wachten, tot de kerk zal opengaan. Zoo door infanterie
als door cavalerie wordt er zorg gedragen, dat er geen anderen voor de
kerkdeur komen dan zij die van toegangskaarten voorzien zijn. Daar slaat
het halftien. De deuren gaan open.
»Nu zal ik u een goede plaats bezorgen," zegt kapitein de Bosson tot
zijn dochter en haar gezelschap, en we volgen hen naar de publieke
galerij, waar we reeds niet zonder moeite komen, maar een perfect
plaatsje hebben, zoodat we alles kunnen overzien.
»Nu, die kerk ziet er prachtig uit!" zegt Bernard. »Men zou er haast
geen kerk meer in herkennen. Wat zijn die pilaren heerlijk gedrapeerd!"
»Dat zijn zeker de wapens der provinciën, daar boven aan elke pilaar,"
meent Margot.
»Juist," antwoordt Gustaaf. »En dat die van onze buitenlandsche
bezittingen. Wat staan er die tropeeën goed boven."
»En hoe sierlijk hangen die Oranjevlaggen aan hun zwarte stokken!" vindt
Florence. »Maar waarom die roode en zwarte vlaggen daartusschen. Of is
dat de kleur van ~Amsterdam~?"
»Ook wel, Florence," antwoordt Gustaaf. »Hier echter stellen ze de
kleuren van ~Wurtemberg~ voor. Ge weet toch, dat onze koningin een
~Wurtemburgsche~ prinses is."
»O, ja, dat is waar," hervat Florence. »En die met wit gedrapeerde
gang, door welke wij gekomen zijn, is zeker de plaats waar Zijne
Majesteit zal binnentreden."
»Juist," antwoordt Gustaaf. »En daartoe is de grond met dat prachtige
tapijt belegd. Maar hoe vindt ge den troon, die daar tegen 't koor
aanstaat?"
»Allerprachtigst!" oordeelt Florence. »Maar wat is daar achter dien
troon?"
»Het koor der kerk, waarin 't graf van de Ruyter," antwoordt Gustaaf.
»Dat is nu echter geheel en al door den troon verborgen. Hoe rijk
is dat tapijt, waarmee de trappen zijn belegd. Ziet ge wel, op 't
achtergedeelte van purperfluweel met wit en rood afgewisseld, is het
koninklijke wapen, met de spreuk van Oranje »Je maintiendrai"
geborduurd."
»Maar wat is die troonhemel prachtig!" roept Margot uit. »Wat smaakvolle
draperieën!"
»En dan die koninklijke zetel!" zegt Bernard.
»Dat is de fauteuil van koning Willem II en door Hare Majesteit de
koningin-weduwe voor deze gelegenheid aan haar zoon geschonken. Op den
achterkant, dien we natuurlijk nu niet zien kunnen, staat het met gouden
letters. Deze fauteuil van moirée mahoniehout, werd vroeger dagelijks
gebruikt door koning Willem II, en is nu tot een troonzetel ingericht."
»Inderdaad een aandoenlijk geschenk voor onzen Koning," verzekert
Florence. »Ik had er reeds in ~Den Haag~ van gehoord. De gebroeders
Horrix hebben den stoel gemaakt en nu zoo versierd. Dat alziend oog met
stralen omgeven, in goud op den rug geborduurd, steekt prachtig af bij
dat scharlakenfluweel. En daaronder staan letters; doch die kan ik op
dezen afstand niet lezen."
»Ik wel," zegt Bernard. »'t Zijn de naamcijfers van koning Willem II en
Zijne gemalin: W. A. P. (Willem en Anna Paulowna), met een kroon gedekt.
Doch 't sierlijkst van alles vind ik die groote vergulde kroon boven den
rand van den rug. Wat schittert zij van edelgesteenten!"
»En dan die fraaie vergulde leeuwen, zich aan beide zijden
vastklampende," merkt Margot op. »Even rijk als de pooten, die in vier
kolossale leeuwenklauwen eindigen. Wat zouden dat voor borduursels op de
armkussens zijn?"
»Dat zijn twee maarschalkstaven," verzekert Bernard. »'t Geheel is
prachtig en rijk omzet met goud en franje."
Al duurt de tijd tusschen halftien en één uur wat lang; onze jongelieden
vervelen zich in 't geheel niet. Eerst beschouwen ze de verschillende
tribunes en zitplaatsen; dan houden hen de prachtige galacostumes en de
schitterende kleeding der dames genoegzaam bezig; zoodat het twaalf ure
is, vóór ze 't weten. Maar al wordt hun geest ook ruimschoots door dat
alles bezig gehouden; de jonge magen beginnen braaf te jeuken. Gelukkig
is mama de Winter daarop bedacht geweest, en heeft ze ieder van hen,
toen ze 't huis verlieten, twee krentebroodjes meegegeven, die dan ook
nu met veel smaak verorberd worden en hen voor 't gevaar behoeden van
flauw te vallen.
En nu zullen we eens mededeelen, wat ze al verder bijwonen en 't geen
hun opmerkzaamheid geheel en al inneemt.
Eerst klinkt ons de militaire muziek in de ooren en trekken de
schutters, die Z. M. eerewacht in de kerk zullen uitmaken, binnen,
zich scharende van den ingang tot aan den troon. Kort daarop ('t slaat
juist 12 ure) komen de leden van de beide Kamers der Staten-Generaal,
vergezeld van hare griffiers, door de deur van ~den Dam~ de kerk binnen
en nemen plaats op de voor hen bestemde zitplaatsen, vlak tegenover den
troon. Daar behooren zij ook te zitten; want zij vertegenwoordigen het
geheele Nederlandsche volk, hetwelk hen gekozen heeft, om zijn belangen
voor te staan. Onder een doodelijke stilte, die thans in de kerk
heerscht, opent de voorzitter der Eerste kamer, de graaf van Limburg
Stirum, de vergadering met een korte toespraak, benoemt een commissie
van negentien leden, onder welke ook Mr. Thorbecke, om Z. M. bij diens
binnenkomen te ontvangen en bij het vertrekken uitgeleide te doen. Kort
daarop komen door de Damdeur de ministers, de hoofden der ministerieele
departementen en de leden van den Raad van State binnen; terwijl het
corps diplomatique (de ambassadeurs der vreemde Mogendheden), door de
deur onder 't orgel binnengekomen, ingelijks naar de voor hen bestemde
zetels worden geleid. Na hen, de ministers van Staat, de kanselier en de
grootkruisen der ordes, de leden van den Hoogen Raad der Nederlanden,
het hoog militair gerechtshof, de gouverneurs der provinciën, de
algemeene Rekenkamer, de Hooge Raad van Adel, Raden en Generaalmeesters
der Munt en andere collegiën en staatsambtenaren.
Ik zal u niet vermoeien met u al de andere collegies te wijzen, welke
hier vertegenwoordigd zijn, en waaronder we de Kamer van Koophandel,
de Handelmaatschappij, het stedelijk bestuur van ~Amsterdam~, ook
kerkbestuur en collegiën van diakens en collectanten vinden. Onze
aandacht wordt ('t is kwart voor éénen) afgeleid door 't liefelijk
orgelspel en de oplettende blikken, welke alle zich naar de deur onder
't orgel richten.
Daar komt een fiere vrouwelijke gestalte binnen, gekleed in wit satijn
en hermelijn, het hoofd versierd met een diadeem van schitterende
briljanten, de lange sleep van haar kleed door twee pages gedragen.
Aan elke hand houdt ze een harer zoontjes, prins Willem, nu prins van
Oranje, en prins Maurits. Haar volgen twee prinsessen: prinses Frederik
met haar dochter Louise, ook schitterend gekleed, wier slepen insgelijks
door pages worden opgehouden. Onder 't spelen van 't orgel bezetten zij
de voor haar bestemde loge, van buiten purper fluweel met gouden bloemen
doorwerkt. In het midden zit de koningin, naast haar aan de rechterzijde
de beide jonge prinsen, van welke de oudste den leeftijd van negen jaren
nog niet bereikt heeft. Aan de linkerzijde van Hare Majesteit, prinses
Frederik en achter deze, prinses Louise, schitterende door jeugd en door
haar bevallig toilet. De edeldames van het Huis der beide vorstinnen
zitten naar rang; de pages hebben zich op een kleinen afstand ter
linkerzijde van de loge geplaatst.
Thans wacht alles op den held van het feest--op den koning. Reeds heeft
zich de commissie der Staten-Generaal buiten de kerk begeven, om Z. M.
te ontvangen. Daar slaat het één uur, het geschut dondert, de klokken
beginnen te spelen, 't gejuich van 't volk klinkt tot ons door in de
kerk, het orgel begint weder zijn tonen te doen hooren. Nog weinige
oogenblikken, en daar komt de stoet binnen.
Eerst komen twee wapenkoningen, vergezeld van vier herauten, met hun
rokken waarop van voren en van achteren de wapens van ~Nederland~,
~Luxemburg~, ~Limburg~ en ~Oranje~ zijn geschilderd, dan de
kamerheer-ceremoniemeester, zes kamerheeren, twee aan twee, de
grootofficieren van het Huis des konings. Daarop het ontbloote
rijkszwaard, gedragen door den generaal graaf de Perponcher, begeleid
door twee ordonnans-officieren des konings, vervolgens de standaard van
't koninkrijk, gedragen door den vice-admiraal Lucas, ook door twee
ordonnans-officieren vergezeld; gevolgd door de vaandels van het achtste
regiment infanterie, de dienstdoende schutterij te ~Amsterdam~, en 't
regiment grenadiers en jagers, alsmede de standaard van het regiment
dragonders.
En nu komt de man, die 't middelpunt van al die statie is, de spil om
wien alles zich beweegt: Zijne Majesteit koning Willem de derde. Een
schetterend trompetgeschal heeft het intreden van den koning in de kerk
aangekondigd; de commissie uit de Staten-Generaal heeft hem aan de deur
van 't gebouw ontvangen. Allen zijn van hun plaatsen opgerezen.
Welk een vorstelijke gestalte, die koning Willem de derde, zooals hij
daar gaat, gekleed in de uniform der marine, waarover een purperen
mantel, bezaaid met kleine gouden leeuwen, gevoerd met hermelijn en
voorzien van een palatine van 't zelfde bont. De prachtdegen, dien hij
draagt, is hem dezen morgen door H. M. de koningin ten geschenke
gegeven.
Achter hem gaan prins Frederik en prins Hendrik; dan volgen: het
militaire huis des konings, de adjudanten van Hunne koninklijke
Hoogheden, de vlagofficieren, generaals en eindelijk zes kamerheeren,
allen drie aan drie. Het orgelspel blijft voortduren, tot de koning
gezeten is en allen zich om den troon geschaard hebben. De koninklijke
kroon, de schepter, de rijksappel en de grondwet liggen op rood
fluweelen kussens op de credens-tafel in de nabijheid van den troon.
Het orgelspel houdt op; daar spreekt de koning tot de Staten-Generaal,
als de vertegenwoordigers van 't Nederlandsche volk:
»Mijne Heeren! Leden der Staten-Generaal!
»Door Mijne geboorte en de Grondwet, na het afsterven van Mijnen
onvergetelijken Vader, tot den koninklijken troon der Nederlanden
geroepen, heb Ik onmiddellijk de Regeering aanvaard en dit plechtig aan
al Mijne beminde onderdanen bekend gemaakt.
»Thans is het oogenblik daar, dat Ik, vóór het oog van den Almachtigen,
die het lot van koningen en Volken in handen heeft, Mij onder inroeping
van Zijnen Heiligen Naam, aan mijn edel, trouw en ordelievend Volk zal
verbinden.
»Hoog is de betrekking, waarin Ik geplaatst ben; zwaar zijn de plichten,
die op Mij rusten. Ook den koningen kleven menschelijke zwakheden aan,
en daarom behoeven zij instellingen en zelfstandige voorlichting; opdat
de kroon een brandpunt blijve, dat weldadigen gloed verspreidt.
»Dit Volk, dat een der eerste is geweest, om uit de duisternis, het
geweld en de verdrukking der middeleeuwen orde en vrijheid en waarborgen
voor het behoud van beide te voorschijn te roepen, heeft ook thans
weder, naar de behoefte des tijds, zijne instellingen herzien en
bevestigd. Koning en Volk, Oranje en Nederland hebben met kalmte dit
gewichtig werk volbracht, en de onberekenbare voorrechten van rust en
vrede zijn het deel van den dierbaren Nederlandschen grond gebleven.
»Indien wij het oog slaan op de beroeringen, die een groot deel van
~Europa~ teisteren, op de vernietiging der bronnen van bestaan en
welvaart, die zulke treffende lessen geven, laat ons dan God dankbaar
zijn, die het dierbaar Vaderland heeft behoed, en sluiten wij ons nauwer
en nauwer aaneen, opdat wij Zijn zegen mogen waardig blijven.
»Laten wij ons dagelijks afvragen, of wij onze plichten als
Nederlanders jegens het Vaderland, Ik als Koning, gij mijne Heeren! als
Vertegenwoordigers des Volks, allen hebben vervuld, en die Rechter, die
in ons binnenste is, dien niemand verloochenen kan, zal ons den weg
wijzen tot handhaving der eer, tot bevordering van het heil des Lands.
»Onze rustige houding in deze bewogene tijden heeft ons niet slechts
behoed voor groote rampen; zij heeft ook het aanzien des Rijks
vermeerderd; want zij heeft de bewondering van alle beschaafde volken
tot zich getrokken.
»Ik verbind mij aan een Volk, grooter in deugden dan in het bezit van
een uitgestrekt grondgebied; krachtiger door eensgezindheid dan door
zielental. Het is een grootsche roeping, koning van zulk een volk te
zijn."
Hierop staat de koning op en legt blootshoofds en met luide duidelijke
stem den eed af:
»Ik zweer aan het Nederlandsche Volk, dat ik de Grondwet van het Rijk
steeds zal onderhouden en handhaven.
»Ik zweer, dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Rijks
met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene
en bijzondere vrijheid en de rechten mijner onderdanen zal beschermen
en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en bijzondere
welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wetten te mijner
beschikking stellen, zooals een goed koning schuldig is te doen. Zoo
waarlijk helpe mij God almachtig!"
Na 't uitspreken van dien plechtigen eed, zet de koning zich weder op
zijn zetel en nadert de Voorzitter van de Eerste Kamer, als president
van beide Kamers, den troon; zeggende:
»Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandsche volk
en krachtens de Grondwet, U als koning; wij zweren, dat wij uwe
onschendbaarheid en de rechten Uwer kroon zullen handhaven; wij zweren
alles te zullen doen, wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig
zijn te doen.
»Zoo waarlijk helpe ons God Almachtig!"
Nadat deze plechtige verklaring door den voorzitter der Tweede Kamer en
door de leden van beide Kamers hoofd voor hoofd beëedigd is geworden,
zwaait een der wapenkoningen zijn schepter, en roept met luider stem,
zoodat het door 't geheele gebouw klinkt:
»Zijne Majesteit, koning Willem de derde is ingehuldigd! Leve de koning!
Leve de koning! Leve de koning!"
»Leve de koning! Leve de koningin!" roepen we met de vierduizend
menschen, die zich in de kerk bevinden. Daar blazen de trompetters 't
geliefd Wilhelmus, het orgelspel doet vaderlandsche liederen hooren,
de beide wapenkoningen begeven zich buiten de kerk, om strooipenningen
onder 't volk te werpen, de vier herauten springen te paard en gaan,
ieder vergezeld van een commando cavalerie, naar verschillende plaatsen
der stad, om ook daar die penningen onder de menigte uit te strooien.
Het duurde een heelen tijd, eer onze jongelieden de kerk uit waren. Toch
hoorden ze nog de klokken spelen en de saluutschoten lossen.
»En nu moeten we zien, dat we een strooipenning machtig worden!" zeide
Gustaaf.
»Dat zal zoo gemakkelijk niet gaan, Gustaaf," zeide Margot. »'t Zal nog
al een erg gedrang zijn."
»Ja, die eksteroogen heeft of bang is voor zijn glimmende laarzen,
behoeft zich niet bij de herauten te wagen," hernam Gustaaf. »U en
Florence is 't niet geraden, zich in 't gedrang te begeven, evenmin als
Bernard, die aan geen ~Amsterdamsche~ standjes gewoon is. Laat ons dus
maar eens opwandelen en de aanstalten voor de illuminatie van dezen
avond zien. Komen we dan toevallig op een plaats, waar een heraut
penningen uitstrooit, dan zal ik mij wel alleen in 't gedrang begeven.
Intusschen past Bernard op de beide dames."
»Of wij op hem," zeide Margot lachend. »Zoo'n buitenman heeft in de
drukte meer oppassing noodig dan wij."
Inderdaad was Gustaaf zoo gelukkig, door 't ophouden van zijn hoed zes
bronzen strooipenningen machtig te worden. Nu had ieder er een; de beide
andere bestemde hij voor mama en oom Henri.
De strooipenningen (er waren ook zilveren onder) waren iets grooter dan
een halve cent. Aan de eene zijde was een geopende grondwet, waarop
stond: _Grondwet, art. 50, 51_ en _52_. Zij lag in een eikenkroon en
rustte op een kruis, gevormd door het rijkszwaard en den schepter,
waarboven een koninklijke kroon. Op de andere zijde stond: _Willem III,
Koning der Nederlanden, ingehuldigd XII Mei MDCCCXLIX._
* * * * *
»Nu, oom, gij hebt ons een heerlijke plaats bezorgd!" riep Margot
kapitein de Bosson te gemoet, toen hij kort na hen bij zijn zuster
thuiskwam, om te dineeren.
»Zoo, Margot, dat doet me genoegen," antwoordde oom Henri. »Je hebt dus
alles goed kunnen zien en hooren?"
»O, perfect," antwoordde Margot. »'t Was geducht vol; maar daar we
vooraan zaten, kon ons niets ontgaan. Tante en mama zijn zoo gelukkig
niet geweest; want daar de tribune, waarvoor haar kaarten waren
afgegeven, vol was, hebben ze zich met een plaats achteraf moeten
vergenoegen."
»Dat is jammer," antwoordde de kapitein. »Doch ze hebben in 't lot van
zoovelen gedeeld. Er zijn meer heeren en dames geweest, die niet op hun
plaatsen hebben kunnen komen. Trouwens, bij zulke gelegenheden heerscht
er wel eens meer wanorde. Intusschen doet het mij genoegen, dat gij
allen hebt kunnen zien. Voor jongelieden is zoo'n plechtigheid een
herinnering voor 't gansche leven."
»En we hebben zes strooipenningen machtig kunnen worden, oom," zeide
Gustaaf. »'t Heeft mij wel een paar platgetrapte teenen gekost; dat is
echter minder. Mag ik u er een offreeren?"
»Heel gaarne. Dank u, Gustaaf," antwoordde de kapitein; terwijl hij den
penning aannam. »'t Is jammer, dat ge er geen zilveren hebt kunnen
opvangen."
»Nu oom! Een zilveren!" riep Gustaaf lachend uit; »ik mag inderdaad van
geluk spreken, dat ik een bronzen heb. Ik hield mijn hoed op, en moest
mij nog geducht weren ook: want tien handen tegelijk wilden mij den buit
ontrukken. Als er hier zoo iets te doen is zijn de Amsterdammers
hachjes."
»Ja, dat zijn ze. Dat heb ik ondervonden," zeide de kapitein.
Op dit oogenblik kwam mevrouw de Winter binnen en noodigde de familie
aan tafel.
Onder den maaltijd werd er druk gesproken over 't geen men gezien had,
ook over de plannen om dien avond de illuminatie te gaan zien. Tante
de Bosson was over de slechte plaats welke zij dien morgen in de kerk
gehad had, geheel en al uit haar humeur en had geen lust om naar de
illuminatie te gaan kijken. Er werd dus bepaald, dat de kapitein, die
dezen avond vrij had, met mevrouw de Winter, Bernard met Margot en
Gustaaf met Florence te zamen zouden gaan, om de voornaamste punten
te zien. Van een open rijtuig, 't geen de kapitein voorstelde, wilde
mevrouw de Winter niet hooren. Ze was in zulk een drukte veel te bang om
te rijden, daarenboven ging zij liever te voet; omdat men dan meer kon
zien. En zoo werd het plan tot een wandeling door de verlichte stad
goedgekeurd.
't Was een schitterende illuminatie op dien Zaterdagavond in de
hoofdstad des Rijks. Zoowel van stadswege als van de zijde der burgers
was alles aangewend, om die prachtig te doen zijn. Waar men ging,
overal bevond men zich in een zee van licht, dat met het groen
en de draperieën der gevels, alsook met de tallooze vlaggen een
allerfeestelijkst tooneel opleverde. Duizenden bij duizenden, inwoners
zoowel als vreemdelingen, waren er op de been, een echt nationale
vreugde heerschte onder die allen. Vaderlandsche liederen werden er
gezongen, ~Oranje~ en ~Nederland~ was de leus. 't Was merkwaardig te
zien, hoe, terwijl nog zoo kort geleden in andere landen de vlammen des
oproers in de hoofdsteden van Europa gloorden, hier op den ~Kadijk~
en ~'t Kattenburg~ vreugdevuren werden gebrand ter eere van Neerlands
geliefden koning, hoe, terwijl elders oproerige liederen werden
aangeheven, hier 't Wilhelmus, 't Wien Neerlandsch bloed, en andere
vaderlandsche gezangen uit volle longen schalden, en hoe, terwijl ginds
de kreet: »Weg met den koning!" weerklonk, geen andere toon werd gehoord
dan »Oranje boven! Leve koning Willem III!"
En toch wist niemand nog, wat Willem de derde voor een koning wezen zou;
niemand kon voorspellen, of zijn regeering tot zegen of tot straf, tot
heil of tot onheil van 't land zou zijn. Maar Willem de derde was een
vorst uit het geliefde stamhuis, welks zonen goed en bloed voor 't lieve
Vaderland hadden opgeofferd, een stamhuis, sedert bijna drie eeuwen
aan ons door de onverbreekbaarste banden verknocht, en daarom juichte
~Amsterdam~, en met ~Amsterdam~ geheel Nederland, dat het stamhuis van
Oranje-Nassau niet was uitgestorven, maar 't een vorst bezat, om zijn
kroon te dragen, den schepter over zijn volk te voeren.
»O, hemel! ma! Bernard is van mij afgeraakt!" riep Margot doodelijk
verschrikt uit, toen men op de Muntsluis in een vreeselijk gedrang was
geweest. Kapitein de Bosson, die met zijn zuster vooruitging, was 't
eerst uit het gedrang en stond nu op een stoep op 't Schapenplein de
andere op te wachten; weldra voegden zich Gustaaf met Florence bij
hen--het duurde echter eenige minuten, eer ze iets van Margot vernamen,
die met Bernard de achterhoede had uitgemaakt. Daar kwam ze geheel
ontdaan zich aan de menigte ontworstelen, keek angstig rond, en werd
haar gezelschap spoedig op den stoep gewaar. Radeloos was ze op hen
aangesneld, en uitte den kreet, dien we haar hoorden slaken.
»Bernard van u afgeraakt. Goede Hemel!" riep mevrouw de Winter uit. »En
hoe is dat gekomen, Margot?"
»Door 't vreeselijke gedrang, ma!" antwoordde Margot. »We konden
elkander niet meer vasthouden. Ik dacht niet anders of we raakten onder
den voet. Ik gilde 't uit van angst. Toen ik weer adem kon halen, miste
ik Bernard."
»Als hij maar niet gevallen is!" riep Florence uit.
»We willen hopen van neen," merkte de kapitein aan. »Blijft mij hier
even wachten, dan zal ik de ~Muntsluis~ opgaan, en zien of ik hem daar
of op de ~Reguliersbreestraat~ vind. De knaap is hier vreemd, en zal
waarschijnlijk, door 't gedrang meegesleept, op een plaats blijven
wachten, waar hij vrij staat."
»Doe zoo, Henri," zeide mevrouw de Winter.
En de kapitein ging de ~Muntsluis~ weer op. Na geruimen tijd gewacht te
hebben, zag men hem terugkomen maar zonder Bernard.
»Ik heb overal rondgekeken, maar hem niet kunnen vinden," zeide hij.
»Als hij maar niet onder den voet geraakt is," zeide mevrouw de Winter.
»Daarover behoeft ge u niet ongerust te maken. Als dat gebeurt, gaat het
zoo stil niet in zijn werk, en zou ik er dus dadelijk iets van vernomen
hebben. Zeer waarschijnlijk is hij, in de meening van u en Margot te
volgen een verkeerden kant opgegaan."
»We moesten maar naar huis gaan," zeide mevrouw de Winter. »Ik heb nu
toch geen lust meer om te kijken. Dat ook zoo iets moest gebeuren!"
»Hoor eens, zusje," zei de kapitein. »Naar huis gaan, zou de grootste
dwaasheid zijn, die er bestaat, Bernard is geen klein kind en zal dus
zijn weg wel vinden. Hij weet zeer goed, dat gij vooreerst nog niet
thuiskomt, en zal dus, als ik hem wel ken, de zaak nemen zooals zij is
en wat op eigen gelegenheid rondloopen eer hij de weg naar huis vraagt.
Uw kinderen en Florence zullen nog graag wat van de illuminatie zien. Er
is altijd nog mogelijkheid, dat we den jongen hier of daar bij 't een of
andere groote stuk ontmoeten. Doch dan moeten we de Muntsluis weer over.
Margot kom jij aan mijn linkerarm."
Mevrouw de Winter begreep, dat de raad haars broeders de beste was. Men
drong dus de ~Muntsluis~ weer over en ging de ~Reguliersbreestraat~ op.
Doch hoe zou men in zulk een volte Bernard vinden? Dat was wel niet zeer
waarschijnlijk. Het ongeval had allen van het pleizier van den avond
beroofd; want, al was men nu niet bang, dat Bernard juist een ongeluk
zou krijgen; 't was toch onaangenaam, dat hij van hen was afgeraakt en
men was er verzekerd van, dat hij die onbekend was in ~Amsterdam~, zeker
de tiende part niet zien zou. Vooral mevrouw de Winter was geheel en al
neergeslagen.
»Hoor eens, Henri," zei ze eenigen tijd daarna tot haar broeder. »Mijn
genoegen is geheel en al over. Brengt mij met u vieren naar huis, en ga
gij dan nog eens met de kinderen kijken."
»Zooals ge wilt," antwoordde de kapitein. »Maar wat is 't, Margot? Waar
moet je heen?"
Het meisje had zich eensklaps van hem losgerukt, een oogenblik daarna
kwam ze zegepralend met haar gebochelden cavelier terug. Terwijl ze
stilstonden, had haar scherp oog bemerkt, hoe de knaap blijkbaar
zoekende onder de menigte voortsukkelde. Ze had zich eensklaps van haar
oom losgemaakt en was den zoekende achternagesneld, dien ze luid
jubelend terugbracht.
»Hier heb ik den deserteur, kapitein," zei ze tegen haar oom. »Wat
vonnis velt de krijgsraad over hem?"
»Dat hij u vast moet houden in plaats van jij hem; verder is hij
veroordeeld, om voortaan 't centrum uit te maken, opdat hij ons niet ten
tweeden malen ontloope."
Mevrouw de Winter was nu ten volle gerustgesteld, en stemde er in toe,
om nog verder te zien. Men begaf zich echter eerst naar Hartman, om wat
ijs te gebruiken en een weinig uit te rusten. Daar er verder dien avond
niets bijzonders gebeurde, en het geval met Bernard, nu 't zoo goed
afgeloopen was, meer stof tot pret gaf, dan 't vroeger de vreugde
verstoord had, melden we alleen, dat de familie vrij laat en braaf
vermoeid thuiskwam; doch uiterst tevreden over de wandeling was.
Den volgenden dag werden er in de kerken der onderscheidene
godsdienstige gezindheden dankzeggingen en gebeden ter gelegenheid
van de plechtigheid van den vorigen dag opgezonden. De koning,
de koningin en de geheele koninklijke familie woonden de
voormiddaggodsdienstoefening bij in de Westerkerk, onder 't gehoor
van Ds. Wildschut. En 't was met dien bedestond, dat het werk der
inhuldiging, met den plechtigen intocht in de hoofdstad aangevangen,
voleindigd was. Ook wij eindigen hiermede dit hoofdstuk en rekenen ons
gelukkig, dat we, na vijfentwintig jaren, die plechtige gebeurtenis voor
't nu levende aankomende geslacht hebben mogen beschrijven.