EERSTE HOOFDSTUK.

's Konings intocht in de Hoofdstad.

»Nu, dat is je wachten! 't Is of die trein nooit aankomt. En dat noemen

ze nog al snel!"

»'t Is altoos toch sneller dan met de trekschuit, Gustaaf."

»Daarin heb je gelijk, Margot. Maar ik vind toch, dat zoo'n trein op

zijn tijd moest aankomen."

»Ja, Gustaaf, je moogt dat vinden zooveel je wilt. Daar storen ze zich

echter al heel weinig aan. Toen we laatst ma met de vigilante van de

spoor gingen halen, was 't immers een half uur te laat."

»O ja, toen je zoo bang waart, dat ze een ongeluk mocht hebben

gekregen."

»Net of jij ook niet bang waart, broertje."

»Nu, ja, Margot! Ik wil 't wel weten; ik was ook alles behalve gerust.

Want men hoort uit ~Engeland~ zoo dikwijls van spoorwegongelukken--dat

men er bang voor zou worden. Hier echter rijden ze veel langzamer en ze

zijn veel voorzichtiger."

»Ja, maar daar zijn ook zooveel spoorwegen," hernam Margot. »Juf zegt,

dat men daar met spoortreinen naar alle groote steden kan komen. Waarom

maken ze hier ook niet meer spoorwegen?"

»Ja, Margot dat vind ik ook. Mijnheer Valk zei onlangs, toen we 't op

school over de spoorwegen hadden, dat die door 't land moesten worden

aangelegd; maar dat zou zooveel geld kosten."

»Nu, 't land is dunkt me, rijk genoeg. Als je maar eens rekent, hoeveel

hier in ~Amsterdam~ de menschen aan belasting betalen."

»Maar daar is ook wat noodig, Margot, om al de uitgaven te bestrijden.

Reken nog niet eens den koning en de leden der Staten-Generaal: want dat

is in vergelijking maar een bitter beetje. Maar dan de ministers met hun

ministeries, al die ambtenaren, van de secretaris-generaals tot aan de

minste klerken en boden, dan de justitie en politie, en dan vooral de

marine en 't leger."

»Wat doen we ook met al die soldaten, Gustaaf. Sedert het jaar 39 leven

we in vollen vrede."

»We dienen toch een marine te hebben voor onze Oost-Indische

bezittingen, en een leger, om in tijd van oorlog klaar te zijn. Dat zou

nu alles nog niets wezen, als ons land maar zooveel schuld niet had."

»Schuld! Ons land schuld!" riep Margot uit. »Nu moet ik om u lachen. Een

land schuld!"

»O, jou dom gansje!" zeide Gustaaf lachend. »Ik wou, dat ik een

duizendste part van 't bedrag der schuld had, die ons land heeft. Dan

kon ik wel met een koets met zes paarden rijden."

»Maar waarom betaalt het land die schuld dan niet!" vroeg Margot. »Als

ma of oom Henri of wie 't ook zij, schulden hadden en ze betaalden

niet...."

»Dan zouden ze hun boel aanslaan en publiek verkoopen, niet waar? Maar

een land bestaat uit ingezetenen en die ingezetenen hebben huizen en

meubelen. Moeten dan de schuldeischers van 't land die meubels en die

huizen verkoopen! Misschien de menschen ook nog wel?"

»Foei, Gustaaf. Menschen verkoopen! Dat is slavenhandel."

»Welnu, in onze West-Indische bezittingen, in Suriname, koopen en

verkoopen ze de arme zwarten. Waarom dan hier ook niet de blanken?"

»Ma zegt, dat het een schande voor ons land is, dat in onze bezittingen

slaven zijn. Ze zegt, dat het in 't geheel niet christelijk is."

»Daarin heeft ma volkomen gelijk," hernam Gustaaf. »En 't is te hopen,

dat dit eens ophoudt. Misschien zou onze Regeering 't wel willen doen;

maar 't zou ook al weer zooveel geld kosten."

»Geld! Wel geen cent!" riep Margot uit. »Als ik koning was, dan zou ik

zeggen: Alle slaven zijn vrij."

»Een mooi ding. Als gij koning waart, zoudt ge dan ook maar zeggen: alle

huizen en meubels zijn voor uw buurman. Ik denk dat ma daar wel tegen

zou hebben."

»Maar huizen en meubels zijn rechtmatig eigendom. Deze zijn gekocht of

geërfd."

»En slaven en slavinnen zijn evenzeer rechtmatig eigendom. Die hebben

de menschen in West-Indië ook gekocht of geërfd. We hadden 't er juist

laatst op school over en toen zei mijnheer Valk, dat ons gouvernement,

als het de slaven wilde vrijmaken, ze moest onteigenen; d. i. ze tegen

een billijken prijs van hun meesters afkoopen, of deze 't wilden of

niet. En daar zou menig kwartje mee heengaan."

»Nu, dat denk ik ook. Maar we zijn daar bij ons onderwerp blijven

steken. Ik begrijp nog niet, hoe een land schulden heeft."

»Luister, dan zal ik het u uitleggen. Ons land heeft in vroegere tijden

dikwijls oorlog gevoerd. Zoo'n leger kostte vrij wat geld aan werving,

kleeding, onderhoud, wapenen en buskruit, de schepen moesten gebouwd,

bemand en van alles voorzien worden. Dat konden de menschen niet aan

belastingen opbrengen. Welnu, wat deed dan ons land? Dan leende het geld

van de ingezetenen en 't gaf hun daarvoor staatspapieren of effecten.

Van die effecten gaf het eerst twee en een halven gulden 's jaars van

elke honderd gulden, dat noemt men percent, later drie, vier, en vijf

percent."

»O, zijn dat dan de coupons, zooals ma ze knipt en die net zoo goed als

geld zijn?"

»Juist, bij elk effect behoort een stel coupons met een talon er aan, op

welk laatste men nieuwe coupons kan krijgen als het blad oude op is. Een

van die coupons kan men om 't half jaar afsnijden en dat is de interest

of huur welke men voor zijn geleend geld krijgt."

»Maar heeft ma dan geld aan 't land geleend?"

»Ma nu juist wel niet. Maar andere menschen: groote kantoren. En die

verkoopen dan de effecten of schuldbewijzen aan de beurs."

»Dan kocht ik altijd effecten, die 5 percent interest geven," zeide

Margot.

»Die zijn er niet meer, ten minste geen Nederlandsche. Toen mijnheer van

Hall in 't jaar '42 de vrijwillige driepercents leening van 127 millioen

guldens vol had gekregen, heeft hij ook de vijf percents in vier

percents geconverteerd of verwisseld."

»Nu, dan kocht ik 4 percents," hernam Margot.

»Ja maar, die zijn de duurste. Als men bijvoorbeeld aan de beurs voor

de honderd gulden twee en een half percents vijftig gulden betaalt, dan

moet men voor de drie percents zestig en voor de vier percents tachtig

geven."

»Nu begrijp ik er niets meer van," hernam Margot. »Maar daar fluit de

trein. Kijk, de baanwachters waaien al met hun witte vlaggetjes--nu

zullen we hem wel spoedig zien arriveeren."

Terwijl onze beide jongelieden op het perron van 't station staan, om

den trein af te wachten, willen we hen eens nader beschouwen en u 't een

en ander van hen mededeelen.

Gustaaf, een fiksche krullebol van ruim vijftien jaren, en die nog bij

mijnheer Valk school gaat, heeft het vak van zijn sedert twee jaren

overleden vader gekozen: hij zal makelaar in effecten worden. Dat hebt

ge zeker wel gedacht, toen ge hem daar zoo dapper over staatspapieren

hoordet spreken. En er is alle hoop, dat de knaap een knap man in zijn

vak zal worden; want hij is een matador in 't rekenen, en dat is toch

nummer één bij de mannen van de beurs, vooral voor hen, die in de

effectenzaak thuis hooren. Margot is zijn zuster, een jaar jonger dan

hij, over 't algemeen een aardige, vroolijke meid; doch die 't nog

al eens te kwaad heeft met de oude tante de Bosson, die sedert den

dood van mijnheer de Winter bij hun mama is komen inwonen en niet heel

gemakkelijk van humeur is. En om nu 't huisgezin te voltooien, noemen we

u nog vriendelijke, dikke Jans of Jenske, zooals ze eigenlijk heet, die

reeds vier jaren bij mevrouw de Winter heeft gewoond. En zoo hebben we u

de lijst der geheele familie medegedeeld.

Mevrouw de weduwe de Winter de Bosson kan leven; ze woont in een huisje

op de ~Heerengracht~, juist groot genoeg voor de vijf menschen, welke er

in leven, en met een ferme logeerkamer, om gasten van buiten de stad te

ontvangen.

Nog moet ik u mededeelen, dat het tijdstip, waarop onze beide

jongelieden op den trein stonden te wachten, op Donderdag den tienden

Mei van 't jaar 1849 was.

En nu genoeg: want daar komt de locomotief al hijgend en stampend aan;

't is waarlijk of ze moede is van den langen tocht. En wij kijken met

Gustaaf en Margot naar de verwachtwordende gasten.

»Zoo, bonjour, Margot, bonjour, Gustaaf!" klinkt het, en uit een waggon

tweede klasse stapt een allerliefste veertienjarige jonge dame.

't Is Florence, de eenige dochter van oom Henri, die kapitein bij de

grenadiers te ~'s-Hage~ is. Ze ziet er allerliefst uit, die Florence,

met haar blozend gelaat, haar helder blauwe oogen en de blonde krullen,

die keurig zijn opgemaakt en waarop een allerélégantst hoedje staat.

»Bonjour, Florence!" zegt Margot. »En waar is uw geleider neef Bernard?"

»Daar is hij reeds," antwoordt een knaap van vijftien jaren, die niet

zonder eenige voorzichtigheid de hooge trede van den waggon afkomt. En

geen wonder; want de arme jongen is een weinig contrefait. Hij heeft

hooge schouders, waarvan de eene wat boven den anderen uitsteekt, en

zonder juist een bochel te hebben, is hij toch zoo verdraaid, dat men

hem onder de bultenaars zou kunnen rangschikken. Daarbij heeft zijn

gelaat dat lange en scherpe, hetwelk men gewoonlijk bij die soort van

gebrekkigen aantreft. Maar dat onaangename in zijn voorkomen wordt veel

verminderd door de heldere, flikkerende oogen en 't hooge voorhoofd,

welke een vernuft verraden, dat boven zijn jaren is en de kleine

gestalte ruimschoots vergoedt, welke hem in grootte gelijk doet staan

met een die den leeftijd van twaalf jaren bereikt heeft.

»Laat mij u helpen, Bernard," zegt Gustaaf goedig.

»Dank u, mijn waarde," antwoordt de aangesprokene, terwijl hij de hem

aangeboden hand afwijst. »»Help u zelf!" zegt het Engelsche spreekwoord;

en dat beteekent: zorg maar, dat je de wereld doorkomt, al moet je er

ook doorheenkruipen."

»En hoe gaat het u, Florence? En hoe maakt papa het? En August en Emile?

en juffrouw Medemeier?" vraagt Margot.

»'t Is jammer, dat je niet nog naar onze oude Kee ook vraagt," antwoordt

Florence. »Dan hadden we de geheele familie bij elkaar gehad. Welnu, ik

zal 't u zeggen. Pa is gezond, August is springlevend; Emile een beetje

verkouden en heeft huisarrest; juffrouw Medemeier brommig als altijd, en

Kee was blij, dat ik eens naar ~Amsterdam~ ging, omdat ik dan voor een

dag of wat van 't gebrom van juf af was. En hoe gaat het bij u thuis?"

»Allen springlevend. Tante lastig als altijd. Maar daaraan zijn we

gewoon," hervat Margot. »Doch hoe vaart mijn waarde neef Bernard?"

»Uw neef Bernard," antwoordt de knaap, »is gelukkig, dat hij zijn lieve

nichtje Margot van zijn gezondheid kan verzekeren. Even gaarne zou hij

't haar doen van zijn oprechte toewijding, maar daartoe heeft moeder

natuur hem 't vermogen ontzegd, daar ze hem tamelijk krom en verdraaid

heeft geschapen. Intusschen, als ge u niet geneert, om door de straten

van ~Amsterdam~ met een bochel te loopen, dan zal hij zeer gelukkig

zijn, u zijn arm te presenteeren."

»Wel zeker, laat ons eens geslaemmerd gaan, Bernard," zegt Margot,

ofschoon ze 't wel een beetje zot vindt, met een knaap, die een hoofd

kleiner is dan zij, gearmd te loopen.

»En ik verzoek den arm van nichtje Florence," zegt Gustaaf.

»Met genoegen, Gustaaf," antwoordt deze. »Dan gaan we twee aan twee...."

»En de rest aan troepjes," voegt Bernard er bij.

»Je hebt toch geen goed bij u?" vraagt Gustaaf.

»Dat hebben we per expeditie Koens gezonden," antwoordt Florence. »Is 't

nog niet aangekomen?"

»Toen we ons huis verlieten, was het er nog niet," verzekert Margot.

»Misschien is 't er nu al."

»En avant!" commandeert Gustaaf; terwijl hij met zijn nichtje aan den

arm vooruitstapt. »'t Zal hier morgen drukker zijn, Florence," vervolgt

hij tot zijn dame. »Zie, men is al aan 't versieren van 't station. Ook

van de Willemspoort, zooals je merkt."

»Nu, 't zal een pret zijn," antwoordt Florence. »Ik was toch zoo blij,

dat uw ma mij vroeg! De burgers zullen toch ook wel hun huizen

versieren!"

»Dat zul je eens zien. Men is hier en daar al bezig. Jammer maar, dat

het nog zoo vroeg in 't jaar is en er nog zoo weinig bloemen zijn. Maar

aan groenmaken en aan vlaggen zal 't niet mankeeren."

»Ik hoop dat we den trein bij den intocht eens goed zien," zegt Bernard.

»Zien?" vraagt Gustaaf. »Stellig driemaal. Eerst op den Haarlemmerdijk,

wanneer je niet bang bent voor gedrang; dan bij ons aan huis--want hij

komt vlak voorbij ons, en daarna nog op 't Reguliersplein, waar neef

Biel woont, die ons heeft uitgenoodigd, om te komen als hij ons

gepasseerd is."

»En zullen we dat alles kunnen avonturen?" vraagt Bernard.

»Voorzeker. Zoodra we den trein op den Haarlemmerdijk gezien hebben,

steken we dwars door en gaan naar huis; en als hij daar voorbij is,

nemen we den kortsten weg naar neef Biel. Maar dan moeten we beenen

maken."

»Nu, we zijn jong en sterk," verzekert Florence.

»Maar ge hebt geen Amsterdamsche beenen zooals wij," waarschuwt Margot.

»Dan zullen we onze gewrichten maar wat smeren, zooals de oude Grieken

het deden, als ze deel namen aan de Olympische spelen," zegt Bernard.

»Ik dacht, dat het alleen jonge Grieken waren, die daaraan deelnamen,"

meent Margot schijnbaar onnoozel.

»O, ondeugd!" roept Bernard uit. »Dat is een geestige aanmerking. Als we

Franschen waren, zouden we van de »anciens" Grieken gesproken hebben en

niet van de »vieux". Ik had me toch ook beter kunnen uitdrukken als ik

van »vroegere" Grieken gesproken had. Doch: errare humanum est[1]."

[1] Dwalen is menschelijk.

»Daar komt de latinist weer voor den dag," zegt Florence. »O, die

Bernard is altijd met zijn Latijn in de war. Hij wil ons laten hooren,

dat hij de Latijnsche school te Bommel frequenteert."

»Ik?" vraagt Bernard. »Die spreuk viel me daar zoo uit den mond. Als ik

nu nog trotsch op mijn Grieksch was, dan zou 't wat anders zijn."

»Waarom?" vraagt Gustaaf.

»Wel, omdat mijn lotgenoot, Esopus, een Griek was," antwoordt Bernard.

»Juist daarom verlang ik zoo, om aan 't Grieksch te gaan."

»Me dunkt, dat je dan veel van dien ondeugenden Esopus zult hebben, ten

minste wat de scherpte van uw tong aangaat," verzekert Margot.

»Dank voor uw compliment, schoone Athalante," herneemt Bernard. »Maar,

om tot ons ongrieksch Holland terug te komen. Wat doen de menschen hier

toch? Gaan ze hun huizen barricadeeren?"

Dit zeggende, wijst hij op de houten staketsels, die allerwegen, waar

morgen de trein moet doorkomen, met lage schuttingen worden afgepaald.

»Dat doen ze, opdat het ongenoodigde publiek zich geen meester moge

maken van hun stoepen. Bij ons is de stoep ook zoo afgesloten. Je

begrijpt toch wel, dat men anders geen plaats zou hebben om zelf met

zijn familie en zijn genoodigden te staan. Sommigen trekken er nog een

broodje van en verhuren de plaatsen voor een gulden of twee kwartjes,

al naardat zij mooi zijn. Ook heele kamers of ramen zijn reeds verhuurd

voor dien éénen dag, en ik verzeker u, dat daar met zulk een gelegenheid

geld voor wordt betaald."

»Nu, dat is nog een aardigheid voor sommige menschen," vindt Bernard.

»O ja," verzekert Margot. »Bij al zulke gelegenheden wordt er vrij wat

geld verdiend. Vooreerst door timmerlieden, die de staketsels opslaan en

moeten zorgen voor latten als anderszins voor de illuminatie; ten tweede

door de menschen, die groen verkoopen of de huizen versieren, ten derde

door de verkoopers van illumineerglazen, ten vierde door degenen, die

plaatsen verhuren, ten vijfde door bakkers en slagers, om de meerdere

consumptie, ten zesde door de logementhouders, ten zevende door de

slepers, daar er wat gereden wordt op zoo'n tijd, ten achtste door

de wijnhuishouders of herbergiers: want de mindere klasse doet zijn

oranjegezindheid graag blijken door 't ruim gebruik van Schiedammernat."

Onder zulke gesprekken waren ze thuisgekomen. Jans deed ons viertal

open, en de beide logés werden hartelijk ontvangen door mevrouw de

Winter. De oude tante scheen dien dag nog al goed gemutst te zijn;

ten minste toen zij binnenkwam, verwelkomde zij de aangekomenen vrij

hartelijk en was onuitputtelijk in het vragen naar neef Henri en de

kleine neefjes August en Emile, vooral naar den laatste, die haar

petekind was; en 't smartte haar zeer, te vernemen, dat het arme kind

zoo verkouden was. Ook Bernard moest haar op de hoogte brengen, hoe 't

met zijn zusjes Netje en Truda en zijn broertje Frits was, zoodat er

vrij wat te praten en te vertellen viel. Daar wij echter tot nu toe geen

belang stellen in de kleine familiegeschiedenis en evenmin lust hebben,

de jongelieden in den namiddag van dien dag door de stad te vergezellen;

waar ze ook enkele met bogen en slingers versierde achterbuurten

doorwandelden, wenschen we op den avond van dien dag de geheele familie

een goeden nacht, en bezoeken haar liever den volgenden dag, Vrijdag den

11 Mei 1849.

Op dien gedenkwaardigen dag was de geheele hoofdstad in feestgewaad

getooid. Groen noch vlaggedoek was gespaard, om de gevels der huizen

te versieren; bij sommigen waren die versieringen keurig van binnen

voor de spiegelruiten aangebracht en stonden geheele piramides van fijne

kasbloemen, doorslingerd met oranje-draperiën en met de borstbeelden

van Willem I en Willem II en in 't midden de naam van Willem III. Van

alle huizen, waar de trein moest doorkomen, wapperde de Nederlandsche

driekleur. Alle woningen waren van onder tot boven bezet met menschen,

op hun keurigst gekleed, de straten en grachten wemelden van

vreemdelingen en ingezetenen, zelfs goten en daken waren in gebruik

genomen, om den Vorst te zien, die thans voor 't eerst als koning der

~Nederlanden~ binnen zijn hoofdstad zou komen, om daar den eed aan

zijn volk te doen en door dat volk als koning erkend en ingehuldigd

te worden. Willem de tweede, de ridderlijke vorst, die nog geen negen

jaren geleden in dit zelfde ~Amsterdam~ zijn eersten intocht als koning

gedaan en de huldiging had ontvangen, was den 17den Maart te ~Tilburg~

overleden en volgens artikel 13 der Grondwet was Willem de derde hem

terstond opgevolgd. Doch volgens dezelfde Grondwet moest de nieuwe

koning in ~Amsterdam~ gehuldigd worden. En dat zou morgen geschieden.

Heden zou hij zijn plechtigen intocht in de Hoofdstad des Rijks doen.

Aan 't stationsgebouw, waar we gisteren vertoefden, is een eerewacht

geplaatst, bestaande uit het eerste bataljon der dienstdoende

schutterij. Het derde bataljon staat als eerewacht aan het paleis; de

overige troepen zijn in ordre de bataille op den ~Dam~ geschaard. Het

muziekkorps der schutterij, onder leiding van zijn kapelmeester P. P.

Christiani, staat aan 't station.

Alles is in gespannen verwachting. Om halfeen zijn prinses Frederik

en hare dochter, prinses Louise, met haar gevolg met een extratrein

aangekomen, en terstond naar 't paleis gereden.

Een prachtige statiekoets, rondom van glas, rijk verguld, met een rood

fluweelen kussen op haar verhemelte, waarop een groote gouden kroon,

en bespannen met acht schoone appelgrauwe paarden, een koetsier in

galakleeding en een witte allongepruik, was met twee hofrijtuigen

reeds naar 't station gereden en had, evenzeer als de aanzienlijken en

hooggeplaatsten, die allen in groot tenue derwaarts reden, gediend om

het ongeduld der wachtende menigte eenigermate afwisseling te schenken.

Reeds is het drie uren geslagen en nog verneemt men niets van de

aankomst des konings. 't Programma sprak toch van »tegen drie ure!" Elke

minuut schijnt een kwartier te duren. Daar--'t is juist vijf minuten

over drieën, wordt de vlag op de Willemspoort omhoog geheven, het eerste

kanonschot brandt los, de klokken beginnen te spelen.--Willem de derde

is te ~Amsterdam~ aangekomen. De muziek der schutterij doet een nieuwen

marsch van Berlin hooren.

Intusschen schaart zich de stoet en trekt tot aan de prachtig versierde

Willemspoort. De façade naar 't station is op smaakvolle wijs met

guirlandes van vlaggen, met de kleuren van ~Nederland~, ~Oranje~ en

~Wurtemberg~ en met veelvuldig groen gedrapeerd. Boven op de poort is

een fraaie tropee van oranjedoek aangebracht, rondom lange wimpels, op

den top door een lauwerkrans bijeengehouden. Aan weerszijden van den

ingang staan allerlei soorten van bloemen en gewassen; o. a. twee

schoone oranjeboomen, met tal van vruchten beladen.

Aan de Willemspoort, het eigenlijke begin der stad, staan Burgemeester

en Wethouders, benevens de Leden van den Raad der Hoofdstad. De

burgemeester, de heer P. Huidecoper, verwelkomt Z. M. uit naam der

burgerij, geeft de vreugde der ingezetenen te kennen over Z. M. komst in

de hoofdstad des Rijks, en verzekert den koning, dat geheel ~Amsterdam~

deelneemt in het feest, hetwelk het thans viert. Koning Willem III

beantwoordt die toespraak kort, maar hartelijk.

Zulke toespraken zijn behoorlijk, ze zijn heel interessant voor wie

er dicht bij staan, voor de wachtenden op straten en grachten zijn ze

vrij vervelend; daar ze het oogenblik verschuiven, waarop men den lang

gewenschten stoet ziet. Eindelijk--daar komt hij. Let nu goed op.

Eerst een commando cavalerie. Dat is niet alleen statig, maar ook goed

om wat ruimte te krijgen voor den stoet. Langzaam en deftig rijden ze

daar voort, die mannen te paard. Aan hun hoofd de trompetters, die de

lucht van het geliefde Wilhelmus doen weergalmen. Dan komt de helft der

eerewacht te paard, bestaande uit jongelieden van aanzienlijken huize.

Wat zien ze er keurig uit, zoo deftig in 't zwart en met witte vesten,

hun karmozijnrood fluweelen sjerpen met witte zijden randen afgezet

en wier slippen in zilveren franjes eindigen, om 't lijf gestrikt.

Op hun hoeden hebben ze een grooten oranjestrik, waarin de zwarte en

roode kleuren van ~Wurtemberg~; daarin een sierlijk gedreven zilveren

lauwerkrans, met een koninklijke kroon getooid, en in haar midden de

naamcijfers van Hunne Majesteiten.

En nu de hoofdpersoon van den optocht: Koning Willem de derde, een

statige, fiere gestalte, gekleed als generaal der infanterie, versierd

met de grootkruisen zijner ridderorden en gezeten op een fraai

appelgrauw ros. Naast hem de prinsen Frederik en Hendrik, en daarachter

het militaire huis des Konings en de adjudanten van Hunne Koninklijke

Hoogheden. Achter dezen stoet, die onder 't onophoudelijk geroep van:

»Hoezee! Leve de koning! Leve Willem de derde!" voortrijdt, komt een

koets met twee paarden bespannen, waarin de grootmeester van de koningin

en de kamerheer van dienst. En daarop; men hoort het wel aan 't nieuwe

gejuich dat er oprijst en nu den kreet: »Leve de koningin! leve de

prinsen!" doet hooren, de statiekoets met zijn acht appelgrauwe

schimmels. Voor op de koets, ter zijde van den koetsier, staan vier

keurig uitgedoste pages. De koningin is in 't wit satijn gekleed;

tegenover haar zitten de beide jonge prinsen, Willem en Maurits.

Het derde rijtuig, waarin mevrouw Falck, een dame du palais en twee

hofdames van H. M. gezeten zijn, wordt gevolgd door de andere helft

van de eerewacht, een commando cavalerie en het bataljon schutterij met

vol muziek. De trein gaat den Haarlemmerdijk tot aan de Heerenmarkt.

Eensklaps wordt er bevel gegeven, om stil te houden; de trompetters

zwijgen, de muziek verstomt. Daar verheffen zich eenvoudige doch

liefelijke kinderstemmen; 't zijn de weezen der Hersteld-Evangelisch

Luthersche gemeente, die voor 't gesticht staan, waarin ze verpleegd

worden. Ze zingen:

»Welkom, welkom, Neerlands Koning,

Welkom, in de stad aan 't IJ!

Grijzen, weezen in deez' woning,

Vieren blijde feestgetij.

Nu ge, o Vorst! wordt ingehuldigd,

Zijn wij, Weezen, ook verschuldigd,

Om te bidden tot den Heer:

Daal met Uwen zegen neer!

Ja, wij doen het, Neerlands Hoeder!

Allen, allen één van zin;

Bidden ook voor Neerlands Moeder,

Onze dierbre Koningin.

God spaar lang Uw beider leven;

Roem moog' Uwen troon omgeven.

En de liefde van Uw volk,

Zij daarvan de minste tolk."

Met eenige toepasselijke woorden reikt nu een der weeskinderen aan Hunne

Majesteiten een in goud gedrukt exemplaar van dit vers over. We volgen

den trein niet verder, die eerst om halfvijf op den ~Dam~ komt, waar de

vorstelijke familie zich op 't balkon van 't paleis aan 't in geestdrift

ontbrande volk vertoont.

[Illustratie: _Tresling & Co Hof-Lith Amst._]

Daarop begeven zich twee wapenkoningen en vier herauten (die van

~Nederland~, van ~Oranje~, van ~Limburg~ en van ~Luxemburg~) vergezeld

van rijknechts van Z. M. en van detachementen cavalerie, naar de groote

pleinen en de voornaamste straten der stad, waar zij de aanstaande

plechtigheid op morgen den volke luide verkondigen.

En hiermede liep deze eerste dag ten einde. Ofschoon het 's morgens van

tijd tot tijd geregend had en de straten alles behalve zindelijk waren,

was er toch gedurende den geheelen tijd, dat de optocht duurde, geen

druppel regen gevallen.

't Was ruim vijf ure, toen onze vier jongelieden thuiskwamen. Trouwens

mama had daarop gerekend en tegen Jans gezegd, dat van middag 't eten

niet vóór zes ure op tafel behoefde te staan. Ze hadden dan ook alles

goed opgenomen, en daar hadden ze gelijk in gehad; want zulke zaken

komen niet alle dagen voor.

»Nu raadt ge nooit, wier er zooeven in de stad is gekomen, Florence,"

zeide mevrouw de Winter tegen haar nichtje, toen ze binnenkwam.

»Ja, tantelief, hoe zou ik dat kunnen raden?" vroeg Florence. »Er zullen

vandaag misschien nog tal van vreemdelingen in ~Amsterdam~ zijn gekomen.

't Is zeker een Hagenaar, en een kennis van mij."

»Natuurlijk, en een heel goede kennis ook!"

»Toch niet, papa?"

»Juist, broer Henri," antwoordde tante.

»En hoe is die zoo onverwachts gekomen?" vroeg Florence. »Gisteren was

daarop geen plan."

»Zooals gij weet zijn er van morgen een compagnie grenadiers en een dito

jagers per spoortrein gearriveerd, die morgen de eerewacht aan de Nieuwe

kerk moeten vervullen. Daar nu de kapitein van de compagnie grenadiers

eensklaps ongesteld was geworden, heeft uw papa met hem geruild en in

zijn plaats 't commando op zich genomen."

»O, dat is heerlijk!" riep Florence uit. »Dat is een verrassing.

Misschien heeft papa nu wel gelegenheid, om ons in de kerk te brengen."

»In alle gevallen kunt gij er stellig op rekenen, dat hij u een goed

plaatsje buiten het kerkgebouw zal verschaffen," antwoordde mevrouw de

Winter. »Hij is er echter nu op uit, om te zien, of hij ook

toegangsbewijzen tot de kerk krijgen kan."

»Dus komt hij hier eten!" zeide Margot.

»Stellig," antwoordde mevrouw de Winter. »Hij was hier al vroeg. Toen

hij echter hoorde, dat we om de gelegenheid zoo laat aten, is hij zijn

boodschap maar vóór het diner gaan verrichten."

Het duurde echter niet lang, of kapitein de Bosson kwam thuis. Hij had

niet meer dan twee kaarten voor de tribune kunnen machtig worden, die

voor mevrouw de Winter en tante de Bosson bestemd werden; hij beloofde

echter de vier jongelieden in de kerk op de galerij te zullen bezorgen.

Hij had vernomen, dat dit wel gaan kon, mits ze heel vroeg op ~den Dam~

waren.

Ge begrijpt wel, dat ons viertal dien Vrijdagavond niet stil thuis

bleef. Daar was zoo'n drukte op de straat en er was nog zooveel te

kijken, dat ze tamelijk laat thuiskwamen.

»En nu van avond vroeg naar bed," zei mevrouw de Winter, die wel zag,

dat Florence en Bernard, minder gewoon aan de Amsterdamsche einden en

Amsterdamsche keien, doodmoe waren. »We zullen 't souper laten opzetten,

en dan gauw in de veeren gekropen--morgen wacht u weer een vermoeiende

dag."

»Wat mij aangaat, tante," zeide Bernard. »Ik zal niet soupeeren. 't Was

van middag zeven uren vóór we van tafel opstonden; ik heb volstrekt geen

behoefte aan iets."

»Ik evenmin," voegde Florence er bij. »Daarenboven ben ik te moe om te

eten. We hebben dan ook vandaag onze beenen 't noodige werk gegeven. We

hebben wat afgeloopen!"

»En dan van morgen een heelen tijd gestaan," zeide Margot. »Dat rekent

ook mee. Ik ten minste verlang naar bed."

»En ik ook," hernam Florence.

Daar alle vier betuigden, geen trek in eten te hebben en vrij wat meer

lust te gevoelen, om zich in de armen van Morpheus te werpen, zeide

mevrouw de Winter:

»Welnu, als dat het geval is, dan maar met de kippen op stok. Morgen is

't vroeg dag!"

Geschiedenis van het tijdperk van 25-jarigen vrede: 1849-1874 · 第 9 / 20 题