En toen de anderen iets daartegen wilden inbrengen, schudde hij het

hoofd, onwillig, en vervolgde:

„Het is mogelijk, dat hij iets heeft ingekregen en ’n beetje abnormaal

is,—zijn verstand is niet gekrenkt: hij weet heel goed, wat hij zegt en

doet.”

„Ten tweede,” ging de resident voort, „zouden wij er Borne een

vreemdsoortigen dienst mee bewijzen, daar het slechts tot meer opspraak

zou leiden.”

„Dat is waar,” erkende de kapitein. „Overigens behoef ik me persoonlijk

niet beleedigd te gevoelen.”

„Neen,” zei de dokter, „daar is geen sprake van.”

„Doch laat hem voorzichtig zijn, want mocht het zóóver komen....”

„U schijnt hem te haten.”

De kapitein keek den dokter aan met vasten blik.

„Ja,” zei hij, „ik mag hem niet.”

„Nu, laat ons daarop niet verder doorgaan. Men heeft zijn sympathieën

en antipathieën. Het doet trouwens ter zake niets; wij, de kapitein en

ik, moeten nu overleggen wat ons te doen staat.”

Daar de kapitein er momenteel althans geen raad op wist, zweeg hij.

„Mijn vrouw,” ging de resident voort, „bezoekt elken dag mevrouw

Bronkhorst. Wat er ook gebeurt, zij zal haar bijstaan.”

„Dat is een groote steun,” zei de dokter, en hij kon een glimlach onder

zijn knevel en een stil gevoel van medelijden met Bronkhorst niet

onderdrukken, bij het denken aan het vrouwelijk hoofd van bestuur, met

wier karakter en woordenrijkdom niet viel te spotten.

„Als u nu eens met Bronkhorst sprak,” opperde de kapitein.

„Ik vrees, dat het niet baten zal; ik wilde het met genoegen doen, maar

hoogstwaarschijnlijk zal hij mij evenzoo bejegenen, als hij het u heeft

gedaan, en dat is voor mijn prestige, als hoofd van bestuur, erger dan

voor u. Als hij mij beleedigen mocht, kan ik hem niet uitdagen.”

Alle drie zwegen stil. Het was waar, dat voelden ze; maar een uitweg

lag er niet in.

Toch moest er iets gedaan worden, althans de resident en kapitein De

Grijs achtten zich daartoe verplicht tegenover Borne.

„Heeft zij geen andere familie?” vroeg de kapitein.

Verrast keek de resident hem aan. Het was een idée!

„Dat is waar ook! Welzeker, zij heeft een zuster, die getrouwd is met

een controleur.”

„Zou die ons niet kunnen helpen?”

„Welzeker. Ik zal er werk van maken. Het zal ’n dag of wat duren.... ’n

week misschien.... Dan kunnen we verder zien.”

En zóó gingen ze uitéén, zonder een bepaald plan, geen van drieën

besloten omtrent hetgeen te doen viel, de kapitein en de dokter onder

den indruk, dat het haast onmogelijk was een afdoenden maatregel te

nemen, en de resident met een denkbeeld in het hoofd. Hij kende den man

van Lidia; ’t was een goed ambtenaar, die „ter beschikking” onder hem

had gediend tijdens hij nog assistent was; hij kende ook ’t vrouwtje,

dat verduiveld bij de hand was, en hij zou die luitjes trachten over te

halen, hun plicht te doen als naaste bloedverwanten.

Bronkhorst kon niet werken; hij was tot niets in staat; werktuiglijk

teekende hij de stukken, nadat hij ze gelezen en den inhoud òf niet

begrepen had òf reeds weer vergeten was. Hij ging naar huis. Er moest

nog meer gebeuren. Hij had A gezegd, en B zeggen moest hij ook. Tot een

scheiding moest het komen en bij zichzelven zei hij het den kapitein De

Grijs na: goedschiks of kwaadschiks. Driftig liep hij de galerij door,

die zijn huis en kantoor verbond; het gloeiend zonlicht, dat hem

tegensloeg, hinderde hem; hij kneep er zuchtend de fletse oogen voor

dicht. Doch toen hij de trap naar de voorgalerij beklom, omdat hij niet

achter wilde binnenkomen, was zijn driftig aangeloopen voornemen deels

weer teruggezonken. Toch was hij willens, dadelijk met Marie te

spreken, weer op de scheiding terug te komen, opnieuw te argumenteeren,

aan te dringen en onaangenaam te zijn.

Maar toen hij onder de marquise ter zijde van het huis de bekende coupé

van den resident zag, ontzonk hem voor het oogenblik zijn besluit

geheel, en ging hij gauw zijn kamer binnen. Wat was dat toch? Hoe kwam

het dat er nu altijd dames-visite was bij zijn vrouw? Het leek wel een

bondgenootschap, en Bronkhorst zag dit ondanks zijn verwarde

denkbeelden vrij duidelijk in. Het was een stil bondgenootschap.

Niemand had iets met de anderen afgesproken, maar op deze kleine

plaats, waar men elkaar zoo goed kende, was het alsof tegenover het

gevaar, dat mevrouw Bronkhorst bedreigde, elke fatsoenlijke vrouw zich

genoopt vond door openbaar betoon van belangstelling en vriendschap,

als het ware een beschermende hand over haar uit te strekken. En van al

die dames-bezoeksters vreesde Bronkhorst er geen zoozeer als de vrouw

van den resident.

Eenmaal in zijn kamer, achterover liggend in zijn luierstoel, ontging

hem de lust tot actie; hij sliep in, moe van de vele slapelooze

nachten, die hij doorbracht. Toen zijn bediende hem kwam roepen, stond

hij op, rekte zich uit en viel weer neer op een divan.

Marie liet niets van zich hooren. Zij liet het huishouden nu

voornamelijk aan de bedienden over, zich uitsluitend met de kinderen

bemoeiend. Toen het donker was, ’s avonds, liet hij inspannen en ging

eten bij Betsy.

Den volgenden dag rijsttafelde hij bij haar, en ’s avonds ging hij er

ook heen; te huis kwam hij alleen slapen, op zijn kantoor niet veel

meer dan soezen.

Doch, hetzij de terugslag op zijn gezondheid vanzelf zoo krachtig

opkwam, hetzij Sarinah zich vergist had en hem meer had toegediend dan

hij kon verdragen,—aan het einde der week werd hij op een ochtend

wakker met zware koorts.

Hij zond een boodschap naar het kantoor en hield het bed. Een dokter

wilde hij niet laten komen; met wat quinine, meende hij, zou het wel

klaar spelen. Maar de pillen, die hij innam, hadden weinig werking en

de koorts hield aan. Zijn stemming wisselde daarbij telkens af; van

sombere, droefgeestige gedachten, sloeg hij zonder overgang of oorzaak

tot zijn gewone aangename visioenen over, waarin Betsy de hoofdrol

speelde, en van die visioenen ging het plotseling weer tot de

vroolijke, dwaze droombeelden uit zijn Sturm-und-Drang-periode, toen

hij als jongeling le jeu, le vin, les belles najoeg. In een der

oogenblikken, dat zich zulke malle geestvervoeringen van hem meester

maakten, werd de deur zijner kamer zacht geopend.

Marie kwam naar hem zien. Zij had gehoord, dat hij zich ziek liet

melden aan zijn candidaat, op wiens schouders toch alles rustte. Het

had haar heel wat strijd gekost, eer ze het eens was met zichzelve; eer

ze zóóver haar trots had verzaakt, dat ze bereid was naar hem te gaan

zien en vragen of hij ook iets noodig had. Maar toen zij zacht de

kamerdeur opende, schrikte zij. Hij lag te zingen; niet goed in de wijs

en eenigszins tegen den toon aan, maar hij zong toch, en zij kon de

woorden verstaan; de woorden van een obsceen Fransch liedje, die ze

maar half verstond, doch voor de andere helft wel raden kon.

Verschrikt trok zij de deur dicht. Was hij dan reeds zóó

gedemoraliseerd, dat hij hardop zulke liederen zong; hij, die daar

vroeger zelfs niet aan gedacht zou hebben, en die slechts uitspattingen

aan jongelieden veroorloofde? Hij, die anders een man van vormen was,

lag daar nu.... Het scheen haar zulk een onmogelijkheid, dat ze haar

hoofd met beide handen vastgreep, als vreezende, dat haar verstand haar

zou ontsnappen. Wat moest ze doen? Ze wist het niet. Ze durfde geen

dokter te laten halen, omdat hij het niet had gelast, en ze had toch ’t

gevoel, dat hij ziek was en geneeskundige hulp noodig had. Toen

overmande zij haar afkeer en ging terug naar zijn kamer.

„Zal ik om den dokter zenden?”

Zij had haar best gedaan om een welwillenden toon aan te slaan, maar

het gelukte niet; haar stem klonk onvriendelijk en stug; zóóveel

zelfbeheersching bezat ze nog niet, en Bronkhorst schrikte er van, want

hij had nu, op dit oogenblik, een stil, liefelijk droomgezicht, en hij

had Marie niet zien binnenkomen.

„Dank je; als ik een dokter noodig heb, zal ik wel om hem zenden.”

„Het is misschien beter, dat de dokter beoordeelt, wat noodig is.”

„Nog eens; ik wil geen dokter.”

Het hinderde hem haar te zien en hij ging op de andere zijde liggen,

met zijn rug naar haar toe.

„Als je iets mocht noodig hebben.... limonade of....”

„Ik heb niets noodig.”

En zich plotseling naar haar toekeerend:

„Heb je er nu over nagedacht?”

Het sluitend samentrekken van haar mond bewees, dat ze den zin zijner

woorden begreep.

„Waarover?”

„Dat is maar ’n vraag voor de leus. Je weet heel goed, dat ik mijn

voorstel bedoel.”

Maar zij was even koppig als de vorige maal, en ze wilde nu ook de

eerste niet wezen, die het woord uitsprak.

„Ik weet van geen voorstel.”

„Maak me niet gek met zulk een nonsens,” riep hij, de hand door het

haar strijkend. „Zeg nu, dat je verstandig en behoorlijk wilt wezen, en

er in toestemt te scheiden.”

„Wij scheiden niet!”

„Dat kan je zoo niet bedoelen!” riep hij met toorn en wanhoop. „Dat kan

je onmogelijk zóó bedoelen. Het is toch onzinnig ons allen te dwingen

ongelukkig te zijn.”

Zij gaf eerst geen verder antwoord; maar voor een oogenblik bekroop

haar het verlangen hem eens te hooren vertellen, hoe hij er verder over

gedacht had.

„En hoe zou dat dan moeten gebeuren?”

Hij richtte zich op; het was, meende hij, een stap nader en zoo goed

hij kon zette hij uiteen hoe zij hem moest aanklagen wegens overspel,

wat er verder te doen stond, en hoe hij zich zou laten veroordeelen bij

verstek. Binnen ’n paar minuten sprak hij niet meer vooronderstellender

wijze, maar op een toon, alsof de scheiding een vastgesteld plan was.

Toen hij vermoeid van het spreken van de inspanning om niet af te

dwalen stilhield, zei Marie:

„Ik heb dat maar eens van je willen hooren. Overigens: wij scheiden

niet!”

Hij zag haar een oogenblik aan met groote, verbijsterde oogen. Toen

werd hij woest, sprong het bed uit en maakte een scène van geweld. Als

altijd wilde zij zonder te antwoorden heengaan, en deed ook de deur

open en keerde hem den rug toe. Plotseling voelde ze, dat hij haar bij

de schouders greep, en met een geweldigen duw vooruitschoof in de

binnengalerij, waar ze glijdend over het gladde marmer zou gevallen

zijn, als zij zich niet had gegrepen aan een portière.

„Ziedaar!” had ze hem hooren roepen met schorre stem. „Ziedaar, beest!”

en daarna sloeg hij met geweld zijn kamerdeur achter haar dicht.

Marie kwam doodsbleek in de achtergalerij, waar de vrouw van den

resident zat, die intusschen haar nu bijna regel geworden ochtendvisite

maakte. Weenend vertelde mevrouw Bronkhorst tot hoever het nu met hem

gekomen was, en bij haar smart, en onder de vriendelijke troostwoorden

van haar nieuwe vriendin, hadden ze er geen van beiden op gelet, dat

een dos-à-dos stil hield voor de deur; ze hoorden alleen een haastigen

tred in de galerij, en zagen nog net, dat een vrouw in sarong en

kabaja, de kamer van Bronkhorst binnendrong.

Zelfs de inlanders, hoe zich ook om zulk een geval amuseerden, schenen

dit te erg te vinden, want de binnenjongen kwam met een eenigzins

ontsteld gezicht naar achteren, en zei dat itoe njonja in mijnheers

kamer was gegaan.

Na de eerste seconden van onsteltenis, sloeg thans Marie tot woede

over; driftig stond zij van haar stoel op.

„Dat zal dan toch niet gebeuren in mijn eigen huis!” riep ze, terwijl

ze de kamer wilde binnengaan; maar de residentsvrouw hield haar terug,

en die moest daartoe bepaald geweld gebruiken, zoo opgewonden was ze.

„Kind, houd je nu goed. Blijf nu kalm. Laat het aan mij over.”

„Ik zal haar de deur uitgooien.”

„Wees nu stil, en ga weer zitten. Laat mij dat nu eens doen,

Marie-lief. Jij zoudt onberaden handelen. Ik zal even met haar praten,

en dan zal ze nooit terugkomen, dat verzeker ik je.”

Het kostte heel wat moeite, Marie daartoe te bewegen, maar het gelukte

toch. Beide vrouwen zaten te wachten, loerend met onheilspellende oogen

en opeengeklemde lippen tusschen de portières door naar de deur der

kamer. En toen die eindelijk openging, stond het vrouwelijk hoofd van

het gewestelijk bestuur op, met een snelle handbeweging Marie bevelend

stil te blijven zitten, en in een ommezien had ze zich van Betsy

meester gemaakt, die weer even vlug naar het wachtend voertuig wilde

gaan, als ze was binnengekomen,

’t Had voor haar niet slechter kunnen treffen, dan dat juist dien dag

Bronkhorst ziek was en niet komen kon. Hij keek wel een beetje

verwonderd over haar komst, maar zoo heel erg niet. Hij zag haar immers

altijd en overal.

„Hoe gaat het?” vroeg ze.

„Zoo! Ik zou haast zeggen iets beter, nu ik je zie.”

Zij zuchtte en ging op een stoel zitten naast het ledikant.

„God, Jean, het is zoo dood ongelukkig, dat je nu juist ziek bent.”

„Wat is er dan gebeurd?” vroeg hij verschrikt.

Zij hield haar zakdoek voor de oogen en weende werkelijke tranen van

woede en vrees.

„Maar wat is er dan?” herhaalde hij.

„Ze willen me weg hebben; ze willen me met geweld dwingen heen te

gaan.”

Met moeite hield hij een vloek binnen; zijn wenkbrauwen trokken samen.

„Ik zou wel eens willen weten, wie dat durfde ondernemen.”

„Allemaal, Jean, allemaal. Ze spannen allen één lijn; tot mevrouw Duhr

toe.”

„Maar lieve Bets, zeg dan toch in ’s hemelsnaam wie!”

Zij gaf nog geen antwoord; en toen hij opnieuw bij haar aandrong,

vleiend en liefkoozend, snikte zij:

„Lidia is onverwacht gekomen.”

Het bericht imponeerde hem; een oogenblik keek hij haar versuft aan.

„Je zuster Lidia?” herhaalde hij.

„Ja.... met haar man.”

„Welnu, jaag ze weg, als ze je vervelen.”

„Het is gemakkelijk gezegd.... Het zou me ook niet helpen.... Ik ben

niet tegen haar opgewassen.... Ze zouden me mishandelen.... Die Lidia

is zoo’n feeks.”

„Maar je eigen zuster.”

„Och, dat is het juist.... Als het geen familie was.... Maar zij, en

haar man vooral!”

Bronkhorst stoof op; hij vergat zijn koorts en liep met dreunenden stap

op zijn sloffen heen en weer, dien zwager van haar verwenschend. Doch

hij zou wel eens willen zien! Hij zou dien meneer aan ’t verstand

brengen, dat deze zich inliet met dingen, die hem niet aangingen, net

als hij het dien kapitein....

„Die is er ook al geweest!” zei Betsy nog snikkend in haar kanten

zakdoek.

„Wat?”

„En de resident ook. Ze hebben me letterlijk overvallen.”

Bronkhorst stond er nu geheel verstomd van.

„Het was bij allen hetzelfde lied: ik moest weg; weg van jou!”

Met groote krachtsinspanning bedwong hij een opkomende geweldige

neiging om te gaan liggen; hij rekte zich uit en hief met deftigheid

het hoofd op.

„Dan zal ik dadelijk met je mee gaan.”

Zijn stem en het beven zijner handen, toen hij zijn knevels opstreek,

waren in strijd met zijn gemaakte houding.

„Neen Jean, nu niet.... Van avond.”

„Ik ga oogenblikkelijk mee.”

Doch zij wilde het niet gedoogen; ze zag heel goed, dat hij ziek was,

en zijn komst in dien toestand niets dan standjes en schandaal kon

uitwerken.

„Ga eerst slapen, Jean,” verzocht ze vleiend. „Heusch, dat moet je

doen. Ze zullen me immers niet opeten! En als je dan van avond beter

bent, kom dan tegen zeven uren, ja? En blijf den heelen avond.”

„Ik zou liever nu gaan.”

’t Was om zich een houding te geven, dat hij het volhield, maar de

waarheid was, dat hij zich letterlijk op gevoelde.

„Ik ga nu heen, Jean. Het was een waagstuk, hè? hier te komen. Ik kon

je niet van alles onkundig laten.”

Hij kuste haar; hij was dankbaar, dat ze gekomen was.

„Tot van avond dan, Jean.”

„Zonder fout.”

„Als je beter bent.”

„In elk geval, Betslief; ik zou het hier toch niet kunnen uithouden.”

Toen ze weg was, zonk hij ineen op zijn ledikant; zijn zware oogleden

vielen dicht en voor eenige minuten verkeerde hij in een staat van

verdooving, met een gevoel van absentie, als iemand, die in

hypnotischen staat geraakt. En in diezelfde oogenblikken was het ook

Betsy, alsof ze gebiologeerd werd. Ze had, toen ze wegliep naar haar

voertuig, met schrik een pijnlijken greep gevoeld om haar ronden pols,

en toen ze snel omkeek, zag ze dat het de vrouw van den resident was,

die haar nu in een der zijkamertjes naast de voorgalerij trok. Daar

werd haar gelast te gaan zitten; daar zat, dicht naast haar, de

residentsvrouw met haar ernstig, onheilspellend gezicht, den stekenden

blik uit haar grijze oogjes en de scherpe trekken van

onverzettelijkheid om den mond,—en daar werd haar de waarheid gezegd.

Goede hemel! Zij zat er bij, krijtwit, zonder dat ze een woord kon

zeggen.

Bij dien verbijsterenden woordenvloed, haar afschilderend als de

belichaamde verdorvenheid, waren Lidia’s ruwe, onomwonden verwijten

kinderspel. Na al de emotie van dien dag, suisde het haar in de ooren

als den zeeman het opkomend, verwarrend geloei van den kringstorm. Zij

sloot er de oogen bij; het gonsde om haar heen; zij verstond het nog

maar half, en die helft was toch voldoende om haar te doen trillen van

woede en pijn bij elke nieuwe beleediging. Toen ze er het beetje kracht

voor vond, dat ze noodig had, sloeg zij haar handen voor de ooren,

vloog het vertrek uit en de dos-à-dos in.

Eerst toen ze thuis kwam en in haar kamer was, brak het los. Op

gillenden toon vertelde zij aan Lidia, hoe ze dáár was behandeld, en

haar zuster, die het niet meer dan hoogst natuurlijk vond, begreep

niets van deze ontroering en verontwaardiging, tot ze Betsy plotseling

zich vast zag houden aan de tafel. Zij greep haar en liet haar neer op

een bank; en daar ging het gillen voort, maar nu zonder woorden en

afgebroken door een luiden, lang aanhoudenden lach, die, uit de

zenuwwerking voortkomend, op anderer zenuwen werkte. Het was een

consternatie, waarbij voor een oogenblik alle grieven en alle

bedoelingen werden vergeten. Mevrouw Duhr, de zwager, Sarinah,—allen

stormden de kamer binnen; Lidia riep om azijn; in een oogwenk kwam de

bejaarde hospita, zelve in de hoogste mate zenuwachtig, met een flesch

van achteren; alle handen grepen er naar, zonder verder te zien,

vervuld met het idee, dat het goed was om iemand, die het op de zenuwen

heeft, ’t hoofd en de polsen met azijn nat te maken, en dat dit niet

beter kon geschieden, dan door wat uit de flesch te gieten. En terwijl

allen zich beijverden, stroomde uit de azijnflesch een zwarte gulp, die

in vuile, dikke straaltjes over het gezicht en in den hals van Betsy

liep.

„Schei uit! Het is inkt,” riep de man van Lidia met een vloek.

Iedereen schrikte er van en was er verlegen mee. Mevrouw Duhr keek erg

onthutst voor zich; de controleur had zich omgekeerd en proestte van

het lachen.

„Ik kon het heusch niet helpen,” stamelde de huisvrouw. „De flesschen

zijn precies eender.”

Betsy gilde niet meer; het woord „inkt” scheen meer kalmeerend op haar

zenuwen te hebben gewerkt, dan azijn bij mogelijkheid doen kon. Lidia,

die het gesmoorde grinniken van haar man hoorde, moest zich geweld

aandoen, en slikte telkens een opkomenden lach weer in. Ze had

onwillekeurig met haar zakdoek een veeg gegeven over ’t gezicht van

Betsy, toen ze het zwarte vocht zag, en dat had ’t spektakel nog

verergerd; Betsy zag er verschrikkelijk uit.

„Kom,” zei Lidia, ziende hoe goed in elk geval het middel had geholpen.

„Je moogt je wel gaan wasschen. Mevrouw Duhr heeft bij vergissing....”

Zij kon niet verder, want Betsy had zich opgericht, en zag er nu met

haar gezicht als een schoorsteenveger in functie, zóó gek uit, dat het

onmogelijk was voor Lidia haar sérieux te bewaren. Een oogenblik keek

Betsy haar aan alsof ze niets begreep, daarop liep zij naar het toilet,

keek in den spiegel en begon te huilen.

„Wees niet kinderachtig,” zei Lidia ruw, terwijl intusschen haar

lachlust door de tranen harer zuster bedaard was. „Wees niet

kinderachtig; het is maar ’n beetje inkt; met water en zeep is het weer

schoon, je bent waarachtig anders voor zoo’n klein geruchtje niet

vervaard!”

Maar het was gemakkelijker gezegd dan gedaan; het toeval scheen te

willen, dat mevrouw Duhr een supérieure qualiteit inkt gebruikte,

uiterst geschikt tot het merken van menschenhuiden,—althans ofschoon

Betsy geweldig poetste hield zij over een deel van haar hals en haar

gelaat een sterk uitgedrukte violet-achtige tint, wat haar foeileelijk

maakte en Lidia aanleiding gaf tot de openhartige verklaring: „Je ziet

er wezenlijk niet kwaad uit in je gewone doen, maar er behoeft niet

veel bij te komen om je ’n monster te maken.”

Betsy zelf wist, dat het waar was, en ’t maakte haar wanhopig. Dat dit

juist nu moest gebeuren! Ze schreef een briefje aan Bronkhorst om maar

liever dien avond niet te komen; doch het was olie in het vuur. Tegen

zeven uren reed zijn rijtuig het erf op; ze had het bekende geluid in

de verte gehoord, en had zich de haren wel uit het hoofd kunnen trekken

van woede en spijt, dat ze nu in haar kamer was en niet voor den dag

kon komen met die tot over haar neus loopende tatouage, waarvoor zelfs

geen bedaq wilde helpen. Handenwringend liep ze haar kamer op en neer;

ze zou toch maar gaan; er hing te veel van af; misschien zou hij in

zijn opgewonden toestand niet eens bemerken, hoe gek zij er uit zag; in

elk geval: ze kon het niet op zijn beloop laten; haar zwager en Lidia

zaten voor in de galerij en God weet, dacht ze, met welke standjes die

ontmoeting zou afloopen, en wat daarvan voor haar de resultaten zouden

zijn; ze moest daarbij wezen, en ze deed de deur open.

„Waar wil je heen?” vroeg Lidia, die plotseling vlak voor haar stond.

„Het gaat je niet aan. Laat me door!”

„Ik denk er niet aan. Je blijft hier!”

En Lidia wilde de deur openen, maar Betsy wierp zich in de opening en

drong naar voren. Toen sloeg haar zuster de armen om haar midden, nam

haar op, wierp haar letterlijk de kamer in en sloot de deur.

„Ziezoo!” zei ze, terwijl Betsy leunend op de wankele ronde tafel, een

oogenblik verbijsterd stond. „Ziezoo! Nu wil ik eens zien of jij voor

’t schandaal van onze familie zult spelen, als ik er bij ben.”

„Ik wil er uit,” siste Betsy, terwijl ze weer op de deur aanvloog, met

gekromde vingers, tot krabben gereed, en ’t schuim van woede op den

grond. Maar Lidia hield haar tegen, en ze vochten letterlijk. Het

duurde niet lang, ’n paar minuten hoogstens; daarna had Betsy het weer

erg op de zenuwen en lag gillend op den divan, nu met een hoogroode

kleur van de klappen links en rechts in ’t gezicht, die haar zuster

haar had toegediend. En Lidia, met de vuurroode streep van een

venijnige krab in den hals, stond naast den divan en drukte haar

zakdoek op den mond van Betsy om ’t geluid van het gillen en schreeuwen

te verdooven, want ze hoorde op dat oogenblik Bronkhorst nog in de

voorgalerij.

Hij was binnengekomen, onberispelijk gekleed, en toen hij een vreemden

heer zag, die in gezelschap van mevrouw Duhr aan de tafel zat, waar hij

gewoonlijk met Betsy plaats nam, had hij ’n zeker air van voornaamheid

aangenomen.

„Goeden avond, mevrouw!.... Goeden avond (tegen den controleur).... Is

mevrouw Den Ekster thuis?”

„Ja, mevrouw Den Ekster is thuis,” antwoordde de controleur, ofschoon

de vraag in het geheel niet tot hem was gericht. „Mevrouw Den Ekster is

thuis; ik ben haar zwager.”

Bronkhorst boog even het hoofd.

„Als mevrouw Den Ekster thuis is, wenschte ik haar gaarne even te

spreken.”

„Mevrouw Den Ekster is voor u niet te spreken.”

Noch de woorden, noch de toon lieten ook maar den minsten twijfel toe

aan de bedoeling. Bronkhorst nam den zwager eens op van ’t hoofd tot de

voeten, en zich toen opnieuw tot mevrouw Duhr wendend, vroeg hij:

„Wilt u wel zoo goed wezen?”

Maar het mensch bewoog zich niet en keek verlegen voor zich.

„U hebt hier niets te doen,” vervolgde de controleur, „en het is wel

een bewijs van verregaande onbeschaamdheid, hier te komen, terwijl mijn

vrouw en ik hier zijn.”

Die „onbeschaamdheid” viel Bronkhorst vreemd op het lijf. Sedert de

laatste maanden betaalde hij de huur van het huis, omdat mevrouw Duhr

zoo slecht bij kas was, en nu heette het onbeschaamd....

„Het is onbeschaamd van u zelf om in dit huis zulk een toon te voeren;

dat weet mevrouw Duhr het best.”

En toen deze in haar stilzwijgen volhardde, ging hij voort: „Ik zal van

uw praatjes geen verdere notitie nemen en zelf naar mevrouw Den Ekster

gaan zien.”

„Dat zullen we eens zien!” riep de jonge man, bleek van toorn.

„Onbeschaamde vlegel, als je niet maakt, dat je weg komt....”

Bronkhorst hief zijn stok op.

„Ga daar vandaan,” zei hij tusschen de tanden tot den man, die hem den

weg versperde. „Ga daar vandaan of ik sla je dood!”

„Ik ontzeg u mijn huis,” riep mevrouw Duhr, wier tong eindelijk scheen

los te komen. „Ik ontzeg u mijn huis. Ga heen, of ik roep de politie,

en laat u de deur uitgooien.”

Goena-Goena: Oorspronkelijke roman · 第 15 / 16 段