wel abnormaal, maar het denkbeeld, dat hij, de notaris Bronkhorst,
ergens door „de politie” buiten de deur zou gezet worden, was hem toch
te sterk.
„Zoo,” beet hij, zich omwendend, het arme, in doodsangst zittende
mensch toe. „Zoo, zou jij de politie roepen, om mij uit jou huis te laten
gooien?”
„U kunt wel wat fatsoenlijker spreken,” zei Betsy’s zwager kwaadaardig.
„Het komt volstrekt niet te pas hier te jijen en te jouwen.”
„Ik heb niets met u te maken, meneer.”
„Och kom! Dat zal ik u dan eens laten zien.—U wilt dat deze man
vertrekt, nietwaar mevrouw?”
„Ja,” zei mevrouw Duhr nauwelijks hoorbaar.
De controleur boog zich over de balustrade van het galerijtje en riep.
Een oogenblik later liepen zes oppassers van politie, achter de pagger
verscholen, het erf op.
„Nu gaan, of er uit gezet worden,” zei de jonge man beslist.
In machtelooze woede dreigde Bronkhorst weer met zijn rotting; hij
beefde als een riet, van opgewondenheid, liep zwijgend het trapje af,
en stapte in zijn coupé; de staljongen sloeg met een harden slag de
deur dicht, en onder luid getrappel van de hoeven der groote paarden op
de kleine rolsteentjes van het voorerf, reed hij weg.
In het rijtuig liet hij zich achterover zakken in de kussens; hij kon
niet meer; het kleeden en uitgaan hadden hem reeds ontzaglijk veel
inspanning gekost,—deze zenuwachtige scène was hem te veel. Voor het
oogenblik was hij tot niets in staat, en hij liet zich lijdelijk het
erf oprijden van zijn huis.
Haast waggelend ging hij rechtstreeks naar zijn kamer en ontkleedde
zich, doch terwijl hij hiermede bezig was, overviel hem weer plotseling
een vlaag van teugellooze woede. Met een driftigen duw stiet hij een
venster open en schreeuwde zijn koetsier toe, dat het rijtuig nogmaals
vóór moest komen.
„Gilah!” bromde zachtjes de koetsier, die bijna gereed was met
uitspannen.
„Ya,” zong de staljongen klagend.
In het schemerdonker voor de wagenkamer namen ze met onwillige hand de
tuigen weer op, en begonnen mopperend en uiterst langzaam opnieuw in te
spannen. Bronkhorst was spoedig weer gekleed, en lang voor het rijtuig
voorkwam, liep hij, tierend van ongeduld, in de voorgalerij heen en
weer.
De officier van gezondheid keek vreemd op van deze ongelegen visite,
hem, bij wijze van dessert, juist na zijn maaltijd gebracht.
Vertrouwelijk schoof Bronkhorst zijn stoel naderbij.
„Ik ben beleedigd,” zei hij.
„Alweer?” vroeg de dokter lachend.
„Ik verzoek u er niet om te lachen; het is een ernstig geval; ik moet
satisfactie hebben.”
„Zoo, is het ditmaal ernstig? Nu, als u het dan maar eens wilt
vertellen.”
Bronkhorst deed ’t verhaal op zijn manier; hij lette er niet op, dat
des dokters gelaat onder het luisteren niet vriendelijker werd.
„U begrijpt, dat ik het er niet bij kan laten.”
„Het is mogelijk. Wat ik zeker weet, is, dat ik in dit geval volstrekt
niet bereid ben u van dienst te zijn.”
„Mag ik vragen waarom niet?”
„Zeker, u hebt die dame....”
„Ik verzoek u te gelooven....”
„Ik geloof niets; ik zeg, wat ik weet. U hebt mevrouw Den Ekster in
opspraak gebracht.”
Vruchteloos wilde Bronkhorst protesteeren. „U hebt haar in opspraak
gebracht,” herhaalde de dokter met den voet op den grond stampend, en
eenigzins heftig, „en dat paste u niet. Een ongetrouwd man past zoo
iets niet. Van u was het dubbel erg.”
„Maar mijn goede heer....”
„Neen, notaris, er valt hier niets te goede heeren. Wat ik zeg is waar,
dat weet en erkent iedereen, behalve u.”
Wezenloos keek Bronkhorst voor zich uit.
„In Godsnaam dan,” zuchtte hij met wanhopige onderwerping.
„Ik zal er wel voor oppassen,” ging de dokter voort, „dat ik haar
familie niet tegenwerk. Die menschen komen hier en ontzien moeite,
kosten noch onaangenaamheden, om haar te redden....”
„Te redden?”
„Ja, van u.”
„Zoo! Nu, dan heb ik de eer u te groeten.”
Hij ging hier niet weg als een razende, maar langzaam en met zekere
waardigheid tot zelfs in de manier, waarop hij hoed en stok nam.
Terwijl Bronkhorst dus werd afgescheept, vertelde Betsy’s zwager den
resident, wat er bij mevrouw Duhr was voorgevallen.
„Het is nu ’t geschikte moment,” meende de resident.
„Er is anders niet veel met haar te beginnen. Mijn vrouw heeft haar met
geweld moeten beletten naar voren te komen.”
„’t Is jammer, dat ik me er persoonlijk niet mee kan bemoeien.”
„Ja,” stemde de controleur toe, in goeden ernst aan de almacht
geloovend.
„Als ik mijn vrouw eens vroeg?....
„Ja.... als dát kon....”
Ditmaal huichelde hij; het denkbeeld Betsy mee te nemen, hetzij door
overreding of met zachten dwang, lachte hem volstrekt niet toe. Wel
deed hij er den resident, die daarop zeer gesteld scheen, een dienst
mee, welke ter gelegener tijd allicht beloond kon worden, maar hij was
bang voor hoogloopende onaangenaamheden met zijn flinke, goede en
openhartige, maar allesbehalve zachtzinnige Lidia, die erg jaloersch
was en in de minste familiariteit veel meer zou zien, dan ’t was.
„Wacht hier even,” zei de resident, „ik zal het haar gaan vragen.”
Het duurde wel tien minuten vóór mevrouw haar toestemming gaf. „Ik
wilde met dat gemeene schepsel eigenlijk niet meer in aanraking komen.
Ik heb haar eens en voorgoed gezegd waar het op stond. Als ik het doe,
is het voor die arme mevrouw Bronkhorst. Van avond bemoei ik me er in
geen geval meer mee.”
„Het is maar,” zeide de controleur, „dat ik moeilijk langer kan
blijven.”
„Nu ja! Enfin, ik kom morgenochtend vroeg; we zullen dan wel zien.”
Toen ze, haar woord gestand, reeds vroeg de nederige woning van de
weduwe Duhr betrad, bleek haar komst overbodig.
„Het is wel lief van u,” zei Lidia, „dat u gekomen bent, maar het is al
beslist, en de reiswagen komt zoo dadelijk voor.”
„Hoe is het gegaan?” vroeg de residentsvrouw nieuwsgierig.
„We hebben een heel onaangenamen nacht gehad.—U weet wel van dien
inkt?....”
„Ja, ja, die jullie haar in plaats van azijn.... ha, ha!”
„Er schijnt inkt in haar rechteroog te zijn gekomen. Van nacht is dat
erg opgezwollen: nu is het zeer dik en ontstoken.”
„Heb je den dokter laten roepen?”
„Och neen. Ik zal dat met wat inlandsche medicijn wel beter maken, als
we maar eerst bij mij thuis zijn.”
„En toen?”
„Wat bedoelt u?” vroeg Lidia, die suf en slaperig was.
„Wel, na dat oog. Hoe heb je er haar toen toe gekregen?”
„O ja! Wel, ziet u, ze was wanhopig, en ik heb haar toen aan het
verstand gebracht, dat ze weg moest. En haar oude meid....”
„Dat spook, die Sarinah?”
„Zij is al zooveel jaren in onzen dienst.”
„Krakallen moest ze, aan den weg!”
„Maar néh zei toch ook, dat Betsy maar mee moest gaan.”
„Ze werd zeker bang!”
„Het is wel mogelijk! Enfin, ze gaat nu mee,” eindigde Lidia met een
diepen zucht.
„Dan ga ik maar weg. Ik heb geen lust haar noodeloos te zien. Adieu!
Als je wat noodig hebt.... je kent mijn adres.”
Het was een curieuze uittocht, toen de reiswagen voorkwam. Met een
sjaaltje om haar pijnlijk oog, huilende en voetje voor voetje loopend,
als een zware zieke, links door Lidia, rechts door mevrouw Duhr
ondersteund, kwam Betsy naar buiten; zoo werd ze in het rijtuig
geholpen. En de aanstellerij bracht effect teweeg; zij ontroerde de
vrouw des huizes tot tranen toe, maakte Lidia zenuwachtig en stemde
haar momenteel tot medelijden en zachtzinnigheid; zelfs de controleur
keek minder norsch naar zijn schoonzuster, en voelde zich eenigszins
begaan met haar lot, telkens als gedurende dezen uittocht, een klagend
gesteun achter den zakdoek vandaan kwam, die Betsy voor ’t niet
ingebakerde deel van haar gezicht hield. Sarinah sloot den stoet
steunend en onverstaanbare woorden kauwend in haar tandeloozen mond.
Veertig dagen waren sedert dien ochtend in eenvormigheid voorbijgegaan;
veertigmalen had de opgaande zon de hooge witte schoorsteenen der
fabrieken in de buurt doen schitteren boven de dan nog in ’t
halfduister liggende velden. De perkara—Bronkhorst werd nog slechts
zelden besproken. Slechte berichten over suikerprijzen uit Europa, een
schandaal-proces op Java, een opiumaanhaling vol knoeierige
bijomstandigheden op de plaats zelve, hadden reeds lang de loopende
praatjes over den notaris vervangen. Van mevrouw Den Ekster hoorde men
niets meer; van Bronkhorst wist men, dat hij ziek was.
Toen hij terugkwam van bezoek aan den officier van gezondheid, dat zoo
slecht voor hem afliep, was hij in zijn huis, en in zijn bed gekomen,
maar hoe wist hij niet; en hij herinnerde zich thans nog slechts flauw,
wat er was voorgevallen in die veertig dagen. Zijn vrouw, die hem had
opgepast en verzorgd, wist daar meer van; althans zij had hem in zijn
meest half bewusteloozen toestand wel honderdmalen een naam hooren
uitspreken, die haar telkens als ze hem hoorde, deed rillen.
Nu lag hij te bed, dien veertigsten dag, en hij gevoelde zich bijzonder
wel, met een neiging om iets bepaalds te doen, en niet aanhoudend
sufferig door de kamer te dwalen of gedachteloos in een luierstoel te
liggen; hij keek de kamer rond, als iemand, die door iets verrast is,
maar zelf niet weet waardoor; hij zag Marie de kamer binnenkomen en op
’n knaapje ’n kop thee neerzetten, met een paar eieren en ’n sneedje
brood.
Zij keek eens naar hem, en vroeg op stroeven toon, hoe het met hem was.
Hij kon niet goed antwoord geven, maar streek met zijn hand over ’t
voorhoofd, en verder door zijn haren. Van alles wat gebeurd was,
teekende zich nu voor zijn geest een beeld, dat met elke seconde won in
nauwkeurigheid; een gevoel van groote verwondering, dat elke andere
opwelling beheerschte, kwam over hem en sprak uit den blik, waarmede
hij Marie monsterde van ’t hoofd tot de voeten. En nogmaals streek hij
zich met de hand over het hoofd.... Dat was Marie, zijn vrouw.... hij
had altijd veel van haar gehouden, als zijn meisje, als zijn vrouw, als
de moeder zijner kinderen.... hij hield nog heel veel van haar.... hij
had nooit van een andere vrouw gehouden.... Betsy?.... niet onaardig,
neen.... goed om ’n stukje muziek mee te maken of voor een niets
zeggend complimentje.... maar anders.... niets, hoegenaamd niets!
En om die Betsy had hij Marie willen verstooten, van haar willen
separeeren, haar bitter gegriefd, beleedigd, mishandeld....
Marie was blijven staan bij het tafeltje, waarop ze zijn thee had
neergezet, en ze zag, ook met verwondering, op zijn gezicht een
uitdrukking, die er lang vreemd op geweest was: een van helder
bewustzijn. Zijn trekken hadden het uitgerekte wezenlooze niet meer;
zijn oogen stonden helder; hij begon weer te gelijken op haar man van
vroeger.
En toen hij zich tot haar wendde, ontroerde zij van zijn ontroering.
„Hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk?” zei hij met een diepen
zucht. „Ben ik dan gek geweest?”
De goena-goena had uitgewerkt.