Maar het was een ander licht, dan het geel-groene der

alang-alang-velden. Uit het bosch kwam hij in een woeste bergstreek met

steile ontoegankelijke kalkrotsen van grilligen vorm. In de verte

duidde een nevel de nabijheid aan der Zuidkust, en de koelies als

paarden, die den stal ruiken, verhaastten hun sukkeldrafje, nog meer

geluiden uitstootend, sterker doorzakkend in de knieën dan eerst, en al

voortloopend zich koelte toewuivend met reusachtige bladeren, in het

bosch geplukt en als waaiers gebruikt. Het ging weer op en af in dit

woeste oord, over naakten, rotsachtigen grond, zoo warm, dat de koelies

hun genot niet kenden, als ze met hun vermoeide voeten door de snel

wegschietende bergstroompjes waadden die het terrein telkens

doorsneden.

De zon daalde. Ketjil berekende, bekend als hij was met de afstanden,

dat het donker zou zijn eer hij aankwam, en hij had er tegen hier in ’t

duister te reizen. Daarom gelastte hij halt bij een voor ’n boschje van

waaierpalmen staande warong, en de hooge, sterke bamboepagger met

scherpe punten ter beveiliging tegen tijgers, die des nachts mochten

trachten er op en over te willen springen, rechtvaardigde volkomen de

vrees van Ketjil. Achter dien hoogen pagger voelde men zich veilig, en

de waronghouder, die hem kende, ontving hem erg vriendelijk; de moede

koelies kregen eten; Ketjil nuttigde ook iets, en vertelde daarna, dat

hij wilde slapen, aangezien het lichte maan was, en hij het aangenaam

vond daarbij wakker te zijn.

Vroeg in den morgen ging de tocht verder, maar het was nog zóóver, dat

het pad eerst ’n paar uren later daalde naar het zeestrand, naar het

visschersdorp, waar men wezen moest. Het was een schoon gezicht! Op den

voorgrond het dorp bij de monding van een riviertje, en met een kleine

alluviale strandvlakte aan de andere zijde; rechts en links

ontzaglijke, ongenaakbare rotsgevaarten, waartegen de Zuider-Oceaan

zijn lange golven stuwde, die, brekend, haar water omhoog deden spatten

en elke minuut toonden hoe de voortstuwende kracht harer massa’s in

machtelooze afzonderlijke atomen verloren ging, gebroken op grooter

weerstandsvermogen. Bij elke golf, die op de steile gevaarten tot

waterdamp sloeg, rolde langs het strand een dof donderend geloei,

dreigend en klagend van toon.

Het was eb, en op het zand der kleine vlakte aan zee zag men een waar

mozaïek van arabesken door duizenden kleine krabben gevormd, meest als

getinte spiralen uitgestrooid over het effen vlak; een mozaïek,

verbroken door enkele goed uitkomende strepen gaande van de zee naar

het hooger gelegen strand; schildpadsporen, die de inlanders zorgvuldig

nagingen om de eieren op te delven. En over dat alles joeg de landwind

vreemde, in hun vaart bolvormig schijnende gewassen naar zee van hard

broos stekelig gras, die hij, over het hoogere strand strijkend, had

afgebroken en nu met een huppeldans naar de golven joeg, die ze verder

zouden meevoeren en weer op ’n andere kust werpen, waar ze zich konden

voortplanten.

Het was een eenig gezicht dien ochtend op de kleine vlakte aan het

strand, maar de groote, koude, zwarte oogen van den inlander, keken er

naar met onverschilligheid. Wat raakten hem schakeeringen van licht,

kleuren, klanken? Wat zag hij in zulke détails! Hij zou zich geschaamd

hebben, als hij er belang in had gesteld en dááraan had gedacht, in

plaats van zijn kansen op winst te berekenen, want met verlies hield

hij zich volstrekt niet op!

„Waarheen?” vroeg de koelie-mandoer.

„Hadji Ismaïl,” antwoordde Ketjil, en voort ging het tusschen de

huisjes van het visschersdorp. De man in de tandoe moest weer hoesten;

in zijn soort was hij toch ook verwend, want hij mopperde geweldig

tegen den ontzettenden stank, verspreid door de visch, die in een zeker

overgangsstadium om bamboezen stellages lag te drogen; ’n groote

zeearend, die in wijde kringen boven ’t visschersdorp vloog, scheen

zich daar meer te verheugen dan Ketjil, die ’n gekleurden zakdoek uit

zijn baatje trok en voor den neus hield. Van alle kanten blaften

steiloorige gladak-honden den vreemden tandoe aan, en van alle daken en

uit alle paggers mauwden tallooze katten, voor wier levensduur en

huwelijksgeluk zoo’n dorp aan zee, waar op ’n vischje meer of minder

niet gekeken wordt, een waar paradijs is.

Hadji Ismaïl, wiens vrome ijver toch ook niet door de vischlucht scheen

te worden aangetrokken, woonde ’n eindje buiten het plaatsje, op een

plek gewoonlijk van den wind af. Ook hij wist wel, wat dezen man van

het land naar de stranden der zee dreef, maar hij gaf hem niet veel

hoop. Het was jammer, zei hij, maar juist een paar dagen te voren waren

de doejongs gevangen; om de tranen te koopen, die den dieren bij hun

sterven uit de oogen stroomen, waren anderen Ketjil reeds vóór geweest.

En nu gebeurde het tegenwoordig waarlijk niet elken dag, dat men zoo’n

beest ving; het was in dat opzicht ’n slechte tijd. De visscherij ja,

die bleef goed; de netten waren trouw gevuld. Maar doejongs.... ’t kon

wel gebeuren, dat Ketjil een week moest wachten vóór hij krijgen kon

wat hij wenschte. Het viel dezen erg tegen, heel erg zelfs, maar daar

er niets aan te doen was, bleef hij zijn ziel in lijdzaamheid bezitten.

„Willen we niet eens aan het strand gaan kijken?” vroeg de hadji. „De

menschen zullen nu juist aan den gang zijn. We kunnen nog eens met hen

praten.”

Zij wandelden samen op, zoo langzaam als inlanders, die den tijd

hebben: voetje voor voetje, nu en dan nog stilstaand in hun gesprek.

Hadji Ismaïl wees met den uitgestrekten arm naar een punt verder op.

„Daar gaan ze.”

„Het is maar gewoon visschen.”

„Zeker, heel gewoon.”

„Kunnen ze niet eens zoeken, en wat zou dat moeten kosten?”

„Het gaat niet, en ’t helpt ook niet. Natuurlijk zouden ze het wel

kunnen doen, voor veel, heel veel geld.”.

Ketjil zuchtte er van.

„Ik heb niet zooveel bij me.”

„Het doet er niet toe; het zou immers toch niet baten.”

Doch Ketjil was koppig; hij wilde niet nog ’n week, langer misschien,

in dat stinkende dorp wachten,

„Als er iemand was, die me het geld wilde leenen....”

„Waartoe? Men kan het evengoed in ’t water gooien.”

„Ik geef het binnen één maand terug.”

„Er valt wezenlijk niet te zoeken naar den doejong; het beest is er of

is er niet.”

„Tegen behoorlijken interest.”

Maar de hadji bleek aan dat oor volslagen doof, en Ketjil drong

vruchteloos aan.

Intusschen naderden zij de visschers, die aanstalten maakten om hun

netten uit te brengen. Het was een lastig werk. Hoog hieven de wel

honderd meter lange golven der branding de witte krullende hoofden

omhoog, waarop in de verte het zonlicht brak met alle kleuren van den

regenboog; de visschers stonden een eindje in zee; zij hielden een

vlerkprauwtje, dat als ongeduldig op het water danste, met den kop

vooruit, en toen een der rollers hen bereikte, wipten zij er met een

hoezeetje hun kleine vaartuig overheen; daarna zag men hun van ’t

zeewater druipende lichamen met groote vlugheid in ’t prauwtje springen

en ze roeiden wat ze roeien konden. Achteraan sleepte het net met één

einde door een lang touw op ’t strand vastgebonden, en onder het roeien

merkten de groote dobbers van het net, drijvend op onderling gelijke

afstanden, den weg der visschers, die hun uiterste krachten inspanden

om de af te visschen bocht te beschrijven, vóórdat een andere roller

het schuitje kwam treffen vóór den boeg, want dan zou de brooze notedop

onvermijdelijk zijn omgeslagen, ’t Gelukte hun ditmaal als bijna immer.

De halve cirkel was juist op het water beschreven; de kop van het

prauwtje wendde weer naar het droge, toen de golf kwam, die het anders

zou omgeworpen hebben, maar nu met een krachtigen zet ’t verder roeien

bespaarde, en schuitje en visschers bracht waar ze zijn moesten.

De hadji en Ketjil stonden aan het strand te kijken, de laatste vol

bewondering over de vlugheid en kracht van dit naakte zeevolkje.

Langzaam en gelijkmatig, zonder rukken, begonnen de visschers hun net

binnen te halen met eentonigen dreun; de omtrek door het net beschreven

kromp met elken trek zichtbaarder, en in het water tusschen de dobbers

kwam een gewriemel, drukker en drukker.

„Er zit aardig wat in,” zei Ketjil.

De hadji wierp een als ’t ware erkentelijken blik over de groote zee

met haar diepen groenblauwen grondtoon vol tallooze teere tinten; hij

was met zijn geld bij de visscherij betrokken; het was zijn „rente”,

die daar, in den vorm van levende visch, zooveel vruchtelooze pogingen

deed om te ontkomen aan de mazen van het net.

„Allah is groot,” zei hij met woekeraars-onderworpenheid, „en de zee is

rijk!”

Een dof geluid steeg op uit het net, dadelijk gevolgd door ’t gejubel

van ’t visschersvolk; het inhalen geschiedde nu voorzichtig maar

krachtig, en tegen den laatsten trek kwam boven het levend gewriemel

der dooreenkrioelende visschen een blauwachtige grijze rug te

voorschijn, en toen het dier kantelde bij het op ’t strand halen,

toonde het een helder wit onderlijf! dichtbij den stompen kop zaten een

paar zwemvinnen; bij dit dier met den lichaamsvorm van een zeehond,

spartelde een kleiner exemplaar. Het was een doejong met zijn

stamhouder.

De visschers gunden zich geen tijd om naar de visch uit te zien; een

sprong toe met een knuppel; hij sloeg den doejong geweldig op den kop

en uit de oogen van het stervende dier lekte toen traan bij traan.

„Gelukskind!” zei hadji Ismaïl glimlachend tegen Ketjil, die vol

blijdschap aandachtig keek naar den anderen visscher, die met groote

zorg het kostbaar vocht opving in een schoteltje.

Men bracht het bij hem, en hij bekeek en berook het met eerbied. Maar

toen hij gevraagd had, wat het moest kosten, werd hij boos om het

antwoord. Zestig gulden! Dat was gemeen!

En de kerels waren vast; ze hielden op een wanhopige manier voet bij

stuk, en of Ketjil hoog of laag sprong,—hij kreeg zijn schat niet onder

de vijf en dertig gulden.

„Ze hebben me zoo goed als bestolen.” zei hij bij het teruggaan

jammerend tegen den hadji.

Maar die had er schik in.

„Kom, kom! De arme menschen geven het veel te goedkoop!”

Ketjil bleef nu geen uur langer dan noodig was; weldra zweefde hij weer

in den stoel van den mantri tusschen hemel en aarde.

Toen hij thuis kwam, was zijn moeder de eerste, die hij aantrof. Maar

zij verwelkomde hem niet. Integendeel, zij was eer boos, en vroeg hem

dadelijk de „obat”; ze wachtte er op, zei ze, en ’t was schande, dat

hij haar in den steek liet, nu juist zooveel er van afhing. Ketjil

zocht niet verder naar verontschuldigingen; de kip was, wat hem betrof,

geplukt; hij had volstrekt geen plan zich verder van dat zaakje iets

aan te trekken, en hij snauwde de oude af op den toon van gezag, die

een inlandschen zoon tegenover zijn moeder, zijn ondergeschikte, past,

als hij haar niets te verzoeken heeft. Zij antwoordde hem niet, maar

bromde en steunde tot hij ’n beetje had gezocht, dan eens in zijn

trommeltje, dat hij mee had gebracht, dan weer in een zijner kastjes.

Eindelijk kreeg Sarinah, wat zij verlangde en dat hij reeds lang voor

zijn „dienstrein” had gereed staan.

Zij vertelde hem niets. Ze begreep heel goed, dat hij er geen belang

meer in stelde. Een karretje wachtte haar, en zij maande den koetsier

aan tot spoed.

Het waren ’n paar woelige dagen geweest, en zij vreesde, dat

Bronkhorst, als hij niet regelmatig zijn portie kreeg, niet in de voor

het doel vereischte stemming zou blijven.

Zij vond hem bij Betsy, zeer opgewonden, en ongezien sloop zij in ’t

halfduister het erf op, en achter het huis in, waar ze ging staan

luisteren aan de deur.

Toen Bronkhorst den ochtend, nadat hij vergeten had zijn vrouw met het

rijtuig te laten halen, aan het ontbijt kwam, dacht hij dat ze er iets

over zou zeggen. Hij had weer een hoogst onaangenamen, grootendeels

slapeloozen nacht gehad; hij was gruwelijk uit zijn humeur, en als ze

iets zei, dan moest de kogel, meende hij, maar met geweld door de kerk.

Maar ze zei niets, en zelfs toen hij begon te brommen en te vitten op

het eten en op de thee, bleef zij gemoedelijk en liet zij verwijten,

hoe ongegrond ook, geheel onbeantwoord.

„Het is op die manier geen leven,” zei hij eindelijk.

Zij glimlachte droevig. Neen, daarin had hij volkomen gelijk. Het was

geen leven, althans niet voor haar. Tot zelfs haar bedienden, die nu

niets meer in haar zagen dan een onttroonde vorstin, plaagden en

brutaliseerden haar. Wat was een vrouw, zoo goed als verlaten door haar

man? Omdat ze nu een Europeesche vrouw was, en er zulk een vreemde adat

heerscht bij de Europeanen, mocht zij nog in huis blijven, en kon men

haar niet er uitjagen; was zij een inlandsche geweest, dan had ze al

lang een soerat lepas gehad; dáárover was het bedienend personeel het

volkomen eens.

„Er moet een einde aan komen,” ging hij voort met een drogen mond op ’n

stuk brood kauwend.

„Er moet op een of andere manier een eind aan komen.”

Marie verbleekte niet; zij zag al zoo bleek na al het verdriet van den

laatsten tijd, dat ze moeilijk witter kon worden dan ze was. Ze keek

hem aan, en ondanks zichzelve, kwam een gevoel van medelijden bij haar

op. Zooals hij daar zat, etend om zich ’n figuur te geven, met zijn

door donkere kringen omgeven, neergeslagen oogen, en zijn vervallen

gezicht, had ze hem nooit gekend. En met dat zachter gevoel ontwaakte

een ander, een van toomeloozen haat tegen Betsy, zóó sterk, dat ze er

zelve van schrikte; zij had haar, dat voelde ze, kunnen vermoorden,

ondanks al de zachtmoedigheid, kalmte en gelijkmatigheid, die haar

karakter steeds hadden gekenmerkt.

„Naar Europa,” vervolgde hij, toen er nog altijd geen weerwoord kwam,

„geeft op zichzelf toch niets.”

„Ik ga niet naar Europa,” zei ze.

„Dat is iets anders. Je kunt ook mijnentwege in Indië blijven. Aan geld

zal het je niet ontbreken. Ik heb er veel voor over.”

„Ik vraag geen geld.”

„Onzin! Je moet leven met de kinderen.”

Weer zweeg ze; ze wist wat hij bedoelde, maar zij zou het woord niet ’t

eerst uitspreken.

„We moeten natuurlijk van elkaar af; we moeten scheiden.”

Zij stond rechtop, en toen hij bij het geluid van het achteruitschuiven

van haar stoel opkeek, ontstelde hij van de kloeke, vastberaden,

uitdagende uitdrukking van haar gezicht.

„Wij scheiden niet!”

Het was een toon, die geen repliek duldde; waarbij men met heftigheid

het zeker niet verder zou brengen. Zoo helder was zijn geest nog om dat

te beseffen. En nu ving hij aan met gemaakte kalmte te redeneeren; zijn

stem klonk dof en toonloos, met even weinig uitdrukking als zijn

gezicht. Het leven op die manier was voor beiden onhoudbaar; er kwamen

oogenblikken in het bestaan van een mensch, dat samenzijn ondraaglijk

werd; het was nu onverschillig, wat daarvan de oorzaak mocht heeten;

soms was het zus, dan weer was het zóó. Verstandige lieden, wie het

niet te doen was om elkaars existentie te verbitteren, namen dan

kloeke, doortastende maatregelen. Zoo die zeer veel onaangenaams

meebrachten,—wat het zwaarste was, moest ook ’t zwaarste wegen, en men

had er slechts verdriet van, als men een leven voortzette, dan ten

slotte met een straf gelijk stond.

Zóó redeneerde hij door, met een groote mate wereldwijsheid en

gelegenheidslogica, maar het hielp niets; wanneer hij nu en dan zweeg,

als wilde hij het effect zijner redeneering nagaan, dan zag hij haar

met dezelfde uitdrukking van onverzettelijkheid en ’t zelfde bleeke,

strakke gezicht het hoofd schudden.

„Wij scheiden niet!” herhaalde zij dan.

En dat was alles.

Hij had lang zijn zenuwen bedwongen, maar inwendig wond hij zich

vreeselijk op; er kwam grofheid in zijn uitdrukkingen; smalend sprak

hij van vrouwen, die zich aan een man vastklemmen, of ze gewenscht

worden of niet; van gebrek aan kieschheid en eigenwaarde.

Toen stond ze op, ging naar binnen, en hij hoorde hoe zij haar kamer

met den sleutel sloot.

Het was wanhopig, en, alleen gebleven, koelde hij zijn drift, door met

luide stem geweldig op te spelen tegen de bedienden, die er kalm bij

bleven en hem ook niet antwoordden. In dien hoogsten staat van

opgewondenheid liep hij naar zijn kantoor, dronk er glas op glas

Selterswater, en stapte van zijn lessenaar naar de deur en terug wel ’n

kwartier lang, tot hij vermoeid in zijn kantoorstoel zonk, met diepe

zuchten, om daar zijn gewone visioenen te krijgen, waarin hij altijd

Betsy zag, op de eene of andere manier.

Hij schrikte toen een luide stem in het voorgedeelte, door schutsels

gemaskeerd, naar hem vroeg, en hij zag vreemd op, toen ’n oogenblik

later kapitein De Grijs, Borne’s vervanger als garnizoens-commandant,

tegenover hem stond. Zij hadden nooit vriendschap gesloten; het was

gebleven bij een beleefdheidsbezoek over en weer, en toen het huiselijk

leven van den notaris en diens persoon bij ’t publiek eenigszins in

opspraak kwamen, was er voor den kapitein, die toch een meer

teruggetrokken persoon was, dan de woelige Borne, nog minder reden tot

voortzetting eener kennismaking, die geen wederzijdsche sympathie ten

gevolge had gehad. Toen hij den brief had ontvangen, was hij naar den

resident gegaan, en deze, blij dat er nog iemand in het spel was, had

den kapitein verzocht er eerst maar eens ernstig met Bronkhorst over te

spreken, daar zijn eigen positie als resident het hem moeilijk maakte

zich direct persoonlijk met zulk een particuliere aangelegenheid in te

laten; hij kon later, als het noodig mocht zijn, een handje helpen.

Ofschoon dit den kapitein verdroot, maakte hij geen bezwaren, en daarom

was hij nu alleen naar ’t kantoor van Bronkhorst gekomen, die van den

prins geen kwaad wist en met verwondering de stijve houding en het

geretireerde in de manieren van zijn bezoeker zag.

„Ik heb u te spreken.... meneer.... over ’n zaak.”

Dit maakte den notaris niet wijzer. Natuurlijk! Iedereen kwam hem hier

spreken over zaken.

„Ga zitten, meneer.”

„Ik heb dezer dagen ’n brief ontvangen van mijn voorganger hier op de

plaats, den kapitein Borne.”

Bronkhorst knikte met ’t hoofd, maar kleurde; er ging hem ’n licht op,

hij begreep iets van de gelegenheidshouding.

„Meneer Borne verzocht me een onderzoek in te stellen naar de

verhouding tusschen u en zijn nicht, mevrouw Den Ekster.”

Het ging alles op een stroeven, haast dreigenden toon; het irriteerde

Bronkhorst in hooge mate.

„Ik kan me de belangstelling van kapitein Borne in mevrouw Den Ekster

verklaren; die is begrijpelijk en op haar plaats. Wat mijn verhoudingen

aangaat, ken ik hem het recht niet toe zich er mee in te laten.”

„Dat is de opvatting niet van meneer Borne, en ook niet de mijne.”

„Het spijt me!” antwoordde Bronkhorst droogjes en er lag iets

geringschattends in ’t schouderophalen, dat die woorden vergezelde; „’t

spijt me, maar ik kan er niets aan doen.”

„Integendeel. Als de oorzaak van de geheele onaangename zaak, kunt u er

alles aan doen, en dat kom ik u verzoeken, namens den heer en mevrouw

Borne.”

„Ik begrijp niet wat men bedoelt met die onaangename zaak. Mevrouw Den

Ekster is meerderjarig.”

„Mag ik u uitnoodigen niet in die richting af te wijken. Ik ben hier

niet gekomen om met u te redeneeren over minderjarig of meerderjarig.

Ik zie, dat wij op die manier niet verder komen.”

„Maar wat wilt u dan?” vroeg Bronkhorst ongeduldig.

„Ik wilde u verzoeken van dit oogenblik de eer en den goeden naam van

fatsoenlijke familiën te sparen, en uw relatie....”

„Wat relatie?” riep Bronkhorst woedend. „Ik verzoek u dat woord niet te

gebruiken. We weten allemaal, wat dat in een geval als dit te beduiden

heeft, en ik moet u verzoeken te gelooven, dat daarvan tusschen de

bedoelde dame en mij geen sprake is.”

In zijn boosheid sloeg Bronkhorst den toon der waarheid zóó juist aan,

dat de kapitein er door geïmponeerd werd; het kon waar wezen, dacht

hij; maar zelfs als het niet waar was, en Betsy heel gewoon ’n relatie

met hem had, dan was het toch nog kranig, dat hij het op die manier

ontkende; het deed hem eenigszins rijzen in de schatting van den

kapitein De Grijs.

„Ik weet welke de publieke opinie is, en ook die van de familie Borne.

Het ligt niet op mijn weg, om in bijzonderheden af te dalen. Ik vraag u

of u bereid zijt van alle verstandhouding af te zien met een dame, wier

eer en goede naam door u in opspraak zijn gebracht.”

„Welnu, neen, dat zal ik niet! Ik zal voor haar zorgen; voor haar en

voor haar naam. Dat is een quaestie tusschen haar en mij, en onze

handelingen gaan meneer of mevrouw Borne niet aan, en allerminst u.”

Ze waren opgestaan en keken elkaar in de oogen met haat en minachting;

op de lippen van den kapitein lag een woord, dat hij met moeite

terughield.

„Dan zal ik,” zei hij, „andere maatregelen treffen om aan het verzoek

van meneer Borne te voldoen. Maar er zal aan voldaan worden, dat

verzeker ik u.”

„Dat zal er niet! Ik ontzeg u het recht u met mijn zaken te bemoeien.”

„Dat zal er wèl, zeg ik u. Op uitvluchten antwoord ik niet, maar het

zal gebeuren, goedschiks of kwaadschiks.”

En zonder te groeten, keerde de kapitein De Grijs zich om, en verliet

het kantoor, dat hij al heengaand vulde met den klank van het kletteren

van sabel, sporen en wat verder aan zijn uniform onder het gaan geluid

maakte.

Bronkhorst was woedend.

Zoo’n brutale kerel! Goed- of kwaadschiks had hij gezegd! Men zou hem

dus dwingen! Alsof hij ’n kwajongen was, bang voor een grooten mond of

’n dreigement. Wel, hij zou eens willen zien, hoe men dat zou

aanleggen. Hij had dan toch ook wel eens meer ’n sabel in de hand

gehad. Was hij eigenlijk niet reeds verplicht dien brutalen kapitein

uit te dagen? Het denkbeeld spookte rond in zijn ontsteld brein, en ’t

lachte hem meer en meer toe. Al zijn oude, verstandige theorieën over

de ongerijmdheid van het duel verlieten hem; voor háár te vechten,—dat

bleek hem bijster chevaleresque, en de rest kon hem niet schelen. Werd

hij gewond of gedood, ook goed! Het was zóó immers toch geen leven!

Met de zenuwachtige drukte, die hem overviel, als hij niet willoos

mijmerde, maar in actie was, gaf hij last zijn rijtuig te laten

inspannen. Hij wilde er liefst dadelijk werk van maken; hij zou naar

den officier van gezondheid gaan, die was toch ook militair, en hij zou

hem raadplegen over de vraag, of hij, na het gebeurde, niet als man van

eer verplicht was den kapitein uit te dagen.

De officier van gezondheid had er erg veel trek in. Zoo’n duel behoorde

op een eentonige binnenplaats tot het aantrekkelijkste, dat men zich

kon voorstellen. Maar toen hij Bronkhorst eens goed aankeek, en als het

ware op diens gelaat den abnormalen toestand zag, waarin hij naar ziel

en lichaam verkeerde, sprak zijn geweten als medicus luider, dan zijn

zucht naar wat afwisseling.

„Ik zou u niet aanraden,” zei hij, „er gevolg aan te geven.”

„Kan ik me dan laten bedreigen in mijn eigen huis?”

„Er heeft geen bedreiging plaats gehad.”

„Hij zei toch: goedschiks of kwaadschiks. Wat beteekent dat? Hij zal

toch met dat laatste niet anders bedoelen dan geweld!”

„Men zegt dat zoo par manière de dire, zonder dadelijk het ergste te

bedoelen.”

„Nu ja! Hij zal er misschien buitenaf op bluffen.”

„Pardon, dan kent u den kapitein niet. Hij is een hoogst fatsoenlijk en

welopgevoed man. ’n Beetje stug en eenzelvig, maar ’n gentleman.”

„Dus denkt u, dat het van mijn kant niet noodig is....”

„Ik vermeen van neen.”

Bronkhorst liep zenuwachtig ’n paar malen ’s dokters galerij op en

neer, zwaaiend met zijn rotting en draaiend aan zijn knevels.

„Weetje,” zei hij, „ik verlaat me met vertrouwen op uw oordeel, dàt is

de quaestie niet, maar ik ben bang....”

„Waarvoor?”

„Ronduit gezegd: ik ben bang, dat ze me aanzien voor een lafaard.

Daarom, als u er niets op tegen hebt en het niet te veel gevergd is:

raadpleeg er dan nog eens ’n anderen officier over.”

„Moet het bepaald een officier wezen?”

„Als het kan, liefst wel.”

„Goed. Ik zal het doen en het u van middag laten weten.”

„Asjeblieft! Je zult me er een groot genoegen mee doen.”

Hij drukte dankbaar de hand van den militairen dokter en ging heen;

maar onder het wegrijden mopperde hij bij zichzelven. Het was eeuwig

jammer, vond hij, dat deze man zoo vredelievend was; hijzelf zou nu

niets liever doen dan vechten; nu er verhindering kwam, geraakte hij in

een buitengewoon strijdlustigen toestand; hoe moorddadiger de gevolgen

waren, des te liever. Het duurde maar ’n paar minuten, want hij verviel

weer in zijn visioenen, zoodat hem de koetsier met luider stem moest

roepen, toen het rijtuig voor ’t kantoor stilhield en de notaris vergat

uit te stappen.

Een uur of wat later kwam er een briefje, het was kort en bondig: een

duel werd niet noodig geacht, meer niet. Intusschen gebeurde er veel

waarvan hij geen flauw vermoeden had. De man, dien hij geraadpleegd

had, was bij den resident geweest; deze had kapitein De Grijs laten

roepen, en men had „geconfereerd.”

„Van ’n duel mag niets komen,” meende de resident. „Vooreerst houd ik

den man voor physiek ontoerekenbaar.”

„Ik ook,” zei de dokter.

Goena-Goena: Oorspronkelijke roman · 第 14 / 16 段