Hij deed het, telde haar geld toe en bepaalde den tijd, dien ze

daarmede moest rondkomen. Ze haalde met minachting de schouders op, nam

het geld en ging naar achter, terwijl Bronkhorst, zenuwachtig, het

voorerf afliep. Hij had ’t niet louter gedaan om haar te contrariëeren.

Inderdaad kostte het leven hem in den laatsten tijd zeer veel. Zijn

verhouding tot Betsy was hem reeds op ’n paar duizend gulden te staan

gekomen, en dat kon hem wel niet schelen—’t was immers voor haar!—doch

op den kostbaren train de vie in zijn huis moest dan maar wat bezuinigd

worden.

Voor Marie was het hard, want zij was er niet aan gewoon. Ze huilde er

om in haar kamer en toen ze bezoek kreeg van een der vele dames, die in

den laatsten tijd haar omgang zochten. ’t Was er ditmaal juist een die

ze vertrouwde en gaarne mocht. Ze kon het niet langer verkroppen, hoe

gaarne ze ook alles zoo stil mogelijk wilde houden; ze voelde dat ze

iemand hebben moest aan wie ze haar leed kon klagen, en ze vertelde

alles.

Maar nu vernam ze ook dingen, waarvan ze verstomde. „Zij heeft hem iets

ingegeven,” zei haar vriendin, en toen Marie met Europeesche

ongeloovigheid voor de kracht van Indische middelen, het hoofd schudde,

werden haar tal van voorbeelden genoemd, het een al merkwaardiger dan

het andere. Haar ongeloof wankelde, en het verdween bijna, toen ze

begreep, dat, zóó opgevat, zijn schuld geringer werd, uit mindere

toerekenbaarheid, terwijl haar haat tegen Betsy zich onmatig verhief.

En de nieuwe vertrouwde, die zoo goed op de hoogte scheen, alsof zij de

campagne zelve had meegemaakt, lichtte Marie nog geheel anders in. Tot

nu toe had ze gedacht, dat er liefde in het spel was van den kant van

Betsy,—thans vernam zij, dat het louter berekening was, berekening om

haar van haar man te scheiden en zelve mevrouw Bronkhorst te worden.

Zóó althans dachten sommige Indische dames er over op de plaats, en

sommige Indische dames zien scherp en denken overeenkomstig!

„Niemand heeft me van dat alles ooit iets verteld,” zei Marie met de

handen in den schoot als overrompeld van verbazing door dit nieuwe

licht.

„We dachten, dat je boos zou wezen. We durfden niet goed. Maar wij

hebben haar in de gaten. Al lang, hoor!”

Toen ze dàt eenmaal wist, viel het haar lichter zijn slecht humeur te

verdragen. Het speelde hem geweldige parten; hij was een ander man.

Alles trotseerend, vertoonde hij zich openlijk met Betsy op den weg, en

zijn rijtuig stond elken dag wel een uur lang voor het huis van de

weduwe Duhr, die er niets van begreep, en het erg gek vond, dat

menschen er zoo hun reputatie aan waagden, zonder dat althans het

gewone genoegen daartegen opwoog.

Want ze had er op durven zweren, dat er niets gebeurde, wat Betsy,

zelfs als zij een jonge maagd was geweest, had kunnen schaden.

Bronkhorst zelf vond het vreemd, dat hij in zijn neiging voor Betsy

betrekkelijk zoo onbewogen bleef. Hij was, naar het hem toescheen, dol

van haar. Als ze wandelden kon hij niet velen dat ze iemand aanzag en

hij maakte haar scènes omdat ze het deed, en natuurlijk deed zij het

met opzet. Maar overigens bleef hij van lusten vrij; te vrij naar zijn

zin; zóó vrij, dat het hem verontrustte, en hij oogenblikken had van

twijfel aan zichzelven. De wereld geloofde daar niets van; indien zij

in gedachte preciseerde, dan zou zij zich in zulk een geval de wildste

en onstuimige hartstochten en action hebben voorgesteld. Men had Betsy

uit haar gewonen kring gestooten; dat bleek duidelijk toen er een

tooneelvoorstelling en muziekuitvoering op de plaats zouden gegeven

worden. Zij werd niet gevraagd; Bronkhorst en zijn vrouw wel, en ze

konden niet weigeren. Hij ging er heen tegen wil en dank; zij was er

verheugd over. Er werd hun zeer veel aandacht geschonken; men zag het

beiden duidelijk aan, dat het tusschen hen niet was zooals ’t behoorde.

Bronkhorst was overmoedig, vooral bij ’t binnenkomen. Uiterst beleefd

voor zijn vrouw, ging hij met opgeheven hoofd, eenigszins

„aanstellerig”, door het vrij volle zaaltje naar de voorste rijen, waar

zijn plaats was als „notabele.” Zij deed ook haar best om zoo weinig

mogelijk te toonen, tegenover het publiek. Ze dwong haar afgevallen

gezicht tot een opgeruimde plooi en groette glimlachend links en rechts

haar kennissen. Toen de uitvoering was begonnen, hield Bronkhorst het

een korten tijd vol, maar terwijl een juffrouw, een dier ontluikende

dilettanten-talenten, die het nooit tot het verleden deelwoord brengen,

een lang sentimenteel Duitsch lied zong, werd het hem te machtig; het

was alsof zijn geforceerde aandacht hem met geweld ontsnapte; de

eenigszins onnoozele uitdrukking van iemand, die te midden van een

menigte personen met zijn gedachten elders is, kwam weer op zijn

gezicht, en starend naar het geïmproviseerd tooneeltje, veranderden in

zijn oogen de trekken van de zangeres; het was Betsy, die daar stond

met een blad muziek in de hand; hij zag het duidelijk; tot in de

geringste détails was zij het; de eenigszins schrale buste van het

ontluikend dilettantje, was veranderd in den gevulden boezem van Betsy,

zwellend onder het laag uitgesneden lichtkleurig kleed, dat haar zoo

goed stond; als het meisje, dat haar stuk voordroeg, een beweging

maakte met den nog tengeren arm, dan zag hij de bestudeerde bewegingen

van Betsy, die zoo graag coquetteerde met haar mooie armen in halve

mouwtjes.

„Zie jij dien meneer daar?” vroeg een soldaat, die aan het opslaan van

’t tooneeltje had geholpen met eenige kameraden, en die nu, belast met

het ophalen en neerlaten van het scherm, achter een der coulissen door

een paar gaatjes in de zaal keek.

„Welke? Dien daar op ’t hoekie vooraan?”

„Ja, precies! Vindt je niet, dat hij net kijkt of hij ’m half „om”

heeft?”

„Waarachtig niet. Weet je, hoe hij daar nu zit?”

„Nou, zeg jij het dan maar.”

„Net als een die den zwarten hond heeft.”

Bronkhorst hield het niet langer vol dan tot de pauze; het was hem te

sterk.

„Als je misschien nog wat wilt blijven?....” zei hij tegen Marie. „Ik

voel me niet erg lekker.”

Ofschoon zij zich volstrekt niet amuseerde, bleef zij. Hij zou haar ’t

rijtuig zenden. Een diepe zucht van verlichting ontsnapte hem, toen hij

zich in de kussens van zijn coupé liet zakken; het was half elf, maar

hij zou toch nog naar haar toegaan; hij werd naar haar gedreven.

Betsy was nog op. Zij had juist een zeer ernstig gesprek gehad met

Sarinah; ze vond, dat Bronkhorst er zoo slecht begon uit te zien en

vreesde, dat hij ernstig ziek zou worden. Ook haar viel het op, dat hij

zoo zenuwachtig was in den laatsten tijd, zulke diepe kringen om zijn

oogen had, en haar zoo in ’t geheel geen aanleiding gaf tot toepassing

van defensief vermogen. Men moest in geen geval ’n slecht ondermijnd

gestel bezorgen aan iemand, die haar man moest worden!

„Het wordt terlaloe, nèh,” had zij gezegd; „zou je er nu niet

uitscheiden?”

„’t Kan niet, nonna! Geloof me toch, het is onmogelijk.”

„Maar hij wordt ziek.”

„Al wordt hij ziek, ’t komt er niet op aan; des te gauwer zal hij er

een eind aan maken.”

„Als hij ziek is, kan hij niet meer hier komen.”

„Het kan niet anders; hij moet het hebben. Ketjil heeft het vanochtend

nog gezegd. Ketjil gaat hem elken dag zien voorbijrijden, en zegt, dat

meneer nu goed wordt. Het is toch knap.”

„O ja, het is pinter genoeg; maar als hij sterft, wat dan?”

„Masa! Dáárvan sterft men niet.”

Betsy loosde een zucht. De „zaak” vorderde wel, maar niet vlug genoeg

naar haar zin. Zij had dat ééne woord nog niet gehoord, waarop ze

wachtte, en dat het sein was voor de verwezenlijking harer plannen. Het

scheen, dat hij niet op het denkbeeld kwam uit zichzelven; welnu, dan

zou ze hem er op brengen, zoodra hij haar den volgenden dag een bezoek

bracht; zij zou.... Ze brak haar gedachtenloop af en hief, luisterend,

het hoofd op. Een rijtuig draaide van den grooten weg de laan in; zij.

kende ’t geluid, dat zachte, zware op den slecht gemacadamiseerden

grond. ’n Glimlach vol triumf gleed om haar mond. Prachtig! Men had

haar niet geïnviteerd, en inwendig had ze gekookt van woede, toen ze

het hoorde. Bronkhorst en Marie waren wèl genoodigd, en hij had haar

gezegd, dat hij niet weg kon blijven. Maar hij had het niet

volgehouden. Daar was hij al! Hij had den heelen boel in den steek

gelaten: gezelschap, voorstelling, Marie,—den ganschen boutique,—en

daar kwam hij aanhollen naar haar.

Vrij opgewekt liep hij de treden op naar de voorgalerij, waar ze in

sarong en kabaja op een wipstoel zat, en blij, dat hij haar zag, greep

hij een harer handen, en ging naast haar zitten.

„Bonsoir, Bets, hoe gaat het? Hé, ik ben blij, dat ik hier ben, Het is

een corvée!”

„Heb je je dan niet geamuseerd onder al die fatsoenlijke menschen?”

Ze was niet erg toeschietelijk, en van haar blijdschap over zijn

desertie en zijn overloopen naar haar, liet zij niets merken.

„Je weet wel,” antwoordde hij, haar glimlachend aanziende, „dat ik me

alleen bij jou amuseer.”

„Goed! Maar Jean, hoe lang moet het nog zoo voortduren?”

Zijn gezicht betrok, en hij zuchtte diep.

„Ja, hoelang?”

„Me dunkt, je moest daar eens over nadenken.”

„Heb je ajer blanda?”

„Welzeker!”

De interruptie maakte haar niet boos; integendeel, zij lachte

allerliefst, en stond dadelijk op.

„Wil je er niet wat brendy in hebben?”

„Graag, Wacht, laat mij ’t apollinariswater maar open maken.”

Ze prepareerden samen een grog; hun handen kwamen daarbij telkens in

aanraking, en als dat met opzet gebeurde, lachten ze stil en keken ze

elkaar aan.

„Wees toch niet kinderachtig,” zei ze.—„Rook je niet?”

„Ik heb er niet aan gedacht.”

„Allerliefst! Geef me je koker, dan zal ik er een aansteken.”

Uit den grooten matten koker nam ze een havanna, beet er de punt af met

veel vertoon van haar witte tanden, die bij ’t helder lamplicht

schitterend contrasteerden met het donkere rolletje tabak; intusschen

stak Bronkhorst een lucifer aan, en rookte zij met aardige

onbeholpenheid en een vooruitgestoken klein mondje.

Lachend nam hij de sigaar af en rookte die verder.

„Neen, maar betoel, Jean,” ging zij voort; „het kan heusch zoo niet

blijven.”

Hij dronk een langen teug uit het hooge glas.

„Wist ik maar wat er aan te doen was!”

„Ja, er is natuurlijk maar één weg.”

„Scheiden?”

Ze was blij, dat hijzelf het ’t eerst zei.

„Natuurlijk! Je moet zien van haar te scheiden. Me dunkt, dat kan zoo

moeilijk niet zijn.”

„Ik vrees, dat het heel moeielijk wezen zal.”

„Dat hangt toch veel van jou af.”

„Als zij niet wil?”

Een oogenblik kwam haar aard boven.

„Niet wil, niet wil! Er is altijd wel een akal op te vinden. In het

uiterste geval neem je een inlandsche....”

Zichzelve betrappend op een onvoorzichtigheid, zweeg ze en kreeg een

kleur. Hem had het pijnlijk aangedaan, want hij begreep het, en zijn

van nature eerlijk hart kwam in opstand tegen zulk een laag middel;

maar hij was ver genoeg om er niet over te struikelen, en, toen zij,

dadelijk een ander effect teweeg willende brengen, met een diepen zucht

en een traan, zeer aandoenlijk zei: „Mijn God, waartoe komt ’n mensch

al niet!” had hij een teeder medelijden met haar.

„Ik zal het probeeren,” zei hij, zijn hand op de hare leggend. „Ze zal

toch begrijpen, dat het zóó niet kan blijven. ’t Is veel beter, dat het

tot een scheiding komt, en zij naar Holland gaat.... met de kinderen.”

„Waarachtig, Jean, het is de eenige uitweg voor ons. Ik ben anders voor

altijd verloren. Wij zijn fatsoenlijk, is het niet? We hebben ons beter

gehouden, dan menigeen, die voor onberispelijk netjes doorgaat. Welnu,

dat helpt immers niet!”

„Neen, het is waar; het is beroerd.”

„Het eenige is, dat we trouwen, Jean; dat is absoluut het eenige.”

„Ik heb je gezegd, dat ik mijn best zal doen, Bets; en je weet, dat ik

het doen zal.”

Hij werd weer ’n beetje ongeduldig; ’t was een gevolg van zijn

algemeenen toestand, die hem scheen te beletten lang bij ’t zelfde

onderwerp te verwijlen.

„Hoe was het op die uitvoering?” vroeg ze.

Met korte, afgebroken zinnen vertelde hij wat hij wist, spottend over

het gebrekkige, dat hem had getroffen, wat bij haar, die een goede

musicienne was, weerklank vond.

Zoo bleven ze zitten, pratend en schertsend, tot het vrij laat was. Zij

bracht hem het erf af, en, verborgen achter den pagger, die langs den

weg liep, nam ze een bijzonder teeder afscheid van hem.

„Je doet het, ja?” vleide ze.

„Zeker! Morgenochtend dadelijk. Er moet een eind aan komen.”

Toen zijn coupé het erf van zijn huis opreed, was de muziek- en

tooneeluitvoering reeds lang afgeloopen; hij had heelemaal vergeten

Marie het rijtuig te zenden; ze was met kennissen meegereden en die

hadden haar thuis gebracht.

Eerst toen Bronkhorst weg was, kwam Ketjil het erf op van mevrouw Duhr,

die reeds lang ter ruste was. Hij had op den weg gestaan, en,

voorzichtigheidshalve, zoo lang op en neer gewandeld tot de notaris,

die hem kende, weg was. Het was ’n klein erf, en de lamp brandde

helder, zoodat hij, noodwendig dicht langs het huis voorbijgaand, kon

gezien worden. Alles te zamen genomen, vond hij ’t beter hem niet onder

de oogen te komen.

Nu Betsy het huis binnen en naar haar kamer was gegaan, ging hij naar

de tampat, die op het achtererf zijn moeder was toegewezen.

Ketjil was in den laatsten tijd niet gelukkig met zijn geld; hij

verloor bij het spel, en het werd zaak dezen citroen nog ’n beetje te

knijpen vóór hij te droog werd. Toen hij achter kwam, was er geen

licht. Hij klopte zacht op de deur.

„Wie?” vroeg de oude, die op een baleh-baleh haar hazenslaap sliep.

Zoodra zij hoorde dat ’t haar zoon was, wist ze ook waarom hij kwam; ze

begon geweldig te steunen en te klagen, en het duurde lang eer zij de

deur had gevonden en hem opendeed. Zijn oogen waren aan de duisternis

gewoon, en hij ging op den rand der baleh-baleh zitten. Zoomin als zijn

moeder zich bedroog in de reden van zijn komst, zoomin vergiste hij

zich in de oorzaak van haar zuchten en steunen.

„Niet wel?” vroeg hij zacht.

„O, neen. Ik ben ziek; ik ben erg ziek.”

„Wat scheelt er aan?”

„Ik weet het niet; ik ben oud; oude menschen moeten sterven.”

„Kunnen,” verbeterde hij, als om haar te troosten. Maar ze hield

hardnekkig vol.

„Jonge menschen kunnen, ouden moeten.”

„Nu ja, nog niet.”

„Wie weet hoe gauw,” ging ze voort met een akelige stem. „Ik zie hier

dikwijls het spook van den dood. Het is hier bij me in de duisternis.”

Inderdaad was het donker, want ze had wel een lampje en lucifers bij de

hand, maar ze ontstak die niet. Onwillekeurig keek hij rond, als wilde

hij ook naar het spook zien in de duisternis.

„Och kom!” zei hij: „heb je het spook zelf gezien?”

Zij antwoordde niet dadelijk; ze wist nu, dat ze hem geen vrees kon

aanjagen; het zou haar niet helpen of zij al haar vervaarlijke

spookhistories afschoot op het dikke bruine lichaam, onder welks

gewicht de bamboezen van de baleh-baleh kraakten.

„Het is niet om te lachen,” zei ze.

„Wel neen, ik lach ook niet; het maakt me betoel bang.”

Er was in ’t geheel geen eer aan te behalen voor de oude vrouw.

„Waarom kom je hier?” vroeg ze.

„Om eens te zien of het je goed gaat.”

„Dan had je wel vroeger kunnen komen, in plaats van mij wakker te maken

uit mijn slaap.”

„Ik heb het zoo druk.”

„Zeker met je witte njai!”

„Toch niet! Ik maak tegenwoordig zooveel horloges. Al de wijzers zijn

stuk!”

„Och wat! Je houdt me voor den gek. Als je daarvoor bent gekomen, ga

dan maar weer weg.”

„Ik moet voor eenige dagen uit.”

„Zoo! Waarheen?”

„Naar het Zuiden.”

„Dat dacht ik wel.”

„Betoel! Ik heb geen tranen van den doejong meer.”

„Ik begrijp het wel; je moet die gaan koopen aan de Zuidkust, en

daarvoor moet je geld hebben, nietwaar?”

„Ja, dat zal wel zoo wezen.”

„En als zij het nu niet geven wil?”

„Dan krijgt ze hem niet.”

„En als zij ’t niet heeft?”

„Dan moet ze het hem maar vragen. Ik heb ze daareven samen achter den

pagger zien staan; als ze ’t hem vraagt, dan geeft hij het.”

„En hoeveel moet je hebben, en wanneer?”

„Het beste van alles is, dat ik dadelijk ’t geld ontvang, want dan kan

ik nog van nacht op reis gaan.”

„Is er zulk een haast bij?”

„Ik heb niets meer en er is haast bij. Vraag haar voorloopig honderd

vijftig gulden; misschien is dat genoeg.”

Hij sprak nu kort en bevelend, zonder er zich in het minst aan te

storen, dat de oude hem telkens met haar klaagliederen in de rede viel.

Maar zij ging toch binnen, en vertelde aan Betsy met het ernstigste

gezicht ter wereld, dat Ketjil nog weer op reis moest om obat te

koopen, dat het perloe was, en dat hij dadelijk tweehonderd gulden

moest hebben.

Betsy was buiten zichzelve van woede.

„Jou leelijke, brutale, ouwe nèh!” riep ze. „Jou afzetster! Denk je,

dat ik me nog langer laat oplichten, door jou en je dief van een zoon?

Ajo, gauw de kamer uit!”

Maar Sarinah ging niet; zij bukte deemoedig en ontving zonder morren

den klinkenden klap, dien Betsy haar toediende met de vlakke hand.

„Daar, oud beest! En daar heb je er nog een! Ik zal je leeren.”

„Ketjil heeft niets meer,” zei ze. „Wij houden dus op.”

„Voor mijn part! Denk je dat ik gek ben?”

„Ja maar.... dan komt er ook niets van. Nonna moet toch verstandig

zijn.”

„Houd je mond. Ik geef zooveel geld niet, en ik heb het ook niet.”

„Als ik het had, gaf ik het zelf. Het is zoo jammer van al die moeite

en onkosten. En als het nu toch goed afloopt! Zoo’n heerlijk huis!”

Nog een kwartier ging het heen en weer praten voort, tot Betsy alles

gaf, wat ze op ’t moment aan contanten bezat; het was maar honderd en

zestig gulden. Sarinah bracht het naar achteren, maar onderweg nam zij

er drie bankjes van tien af en moffelde die weg tusschen haar

sarongband. In haar kamertje stak ze nu ’t lampje op. Ketjil zat nog

onbeweeglijk op den baleh-baleh-rand. Zij wierp de overige honderd

dertig gulden in papier met ’n soort van woede naast hem neer.

„Daar! Dat is alles wat ze bezit. Je hebt haar nu heelemaal

uitgeplunderd. Ze heeft geen cent meer in huis.”

Doch Ketjil lachte en keek zijn moeder aan.

„Ik zal het maar nemen,” zei hij; „de rest krijg ik later wel.”

„Ga nu maar heen en kom gauw terug.”

„Voor hoelang heb je nog?”

„Voor hoogstens viermaal.”

„Over vier dagen ben ik terug. Dag, moeder,” en heen gaande streek hij

zijn dikke hand liefkoozend over haar voorhoofd, „dag oudje, je bent

toch ook pinter, ja?”

Het was geen heele leugen van Ketjil geweest. Hij moest inderdaad naar

de Zuidkust, maar niet voor de „obat,” die zijn moeder den notaris liet

slikken. Voor dien had hij nog voorraad genoeg. Maar zijn geld was

verdobbeld,—dàt ad primum, en ad secundum had hij meer noodig voor een

hoogst voordeelige toepassing, die hem heel wat meer zou opbrengen, dan

wat njonja Ekster hem kon betalen; doch ditmaal had hij te doen met een

oudere en slimmere vrouw, die geen cent wilde geven vóórdat zij de

middelen had toegepast en de werking had gezien. Daarom had Ketjil

inderdaad des nachts zijn zwaar lichaam op ’n stevig paard gewerkt, dat

zijn eigendom was en speciaal voor verre tochten werd gebruikt, en met

de weinige reisbenoodigdheden, waaraan een inlander behoefte heeft, was

hij vertrokken.

Onvermoeid had hij doorgereisd den dag en den nacht, nu en dan op een

sukkeldrafje, maar meest stapvoets; hij was over hooge bergruggen

getrokken, waar hij gebibberd had van kou; maar nu was hij weer

gedaald, en nu had de omgeving die andere gedaante aangenomen, welke de

Zuidkust van Java op vele punten zoo scherp van de Noordkust

onderscheidt.

Ketjil was erg vermoeid; zijn beenen waren stijf van ’t rijden, en met

moeite en langzaam steeg hij af; hij zou niet verder te paard gaan; nu

hij slechts hier was, ging de rest gemakkelijker, en met welgevallen

zag hij naar de stille desa vóór hem. Uit het huisje, waarvoor Ketjil

halt had gehouden, kwam hem ’n grijze inlander tegemoet, zijn sobat

keras, ’n oude mantri, die hoopte dat zijn gast ’n paar dagen zou

blijven. Maar Ketjil kon niet; hij had haast en moest naar het

visschersdorp aan de monding der rivier, waar hij altijd zijn „zaken”

deed. Het was moeilijk, maar ’t kwam toch terecht, en terwijl Ketjil

een kop heete koffie dronk, waartegen hij zat te blazen, ging heel

bedaard hun gesprek voort. Welzeker, de oude zou hem helpen, maar de

koelies zouden zich laten betalen, daar sobat, zei hij met een lachje,

erg zwaar was. Want de reis zou verder per tandoe gaan; de oude had nog

een erg versleten luierstoel, die zich van geen atoom politoer meer

bewust was en bedenkelijke ouvertures speelde in de mat. Doch op zulke

kleinigheden kijkt slechts een verwend Europeaan; Ketjil zou er lekker

in zitten, en aan een paar stevige bamboe, met een kap van kadjang

tegen ’t zonnetje, zou het ’t ideaal van een tandoe zijn, waarin

„sobat” zitten zou als een „koningszoon.”

En ’n paar uren later stond ’t heele toestel gereed, met vier koelies

om te dragen, een kepala en twee man om af te lossen; het in orde maken

der reisgelegenheid had veel minder tijd gekost, dan het tawarren over

den prijs, want in deze weinig bewoonde streek, waar, zou men zeggen,

zoo niets te krijgen was, dan ’t geen de natuur opleverde, bleek de

bruinbroeder het geld even lief te hebben en de waarde er van niet

minder goed te kennen, dan Ketjil zelf.

Ofschoon hij er lekker zat in den luierstoel, die met zijn dik lichaam

vooruitzweefde boven den grond, genoot hij weinig op dit reisje. De zon

stond reeds hoog. Eerst ging het door heete velden vol alang-alang, op

wier harde vezels ’t scherpe licht hel weerkaatste, zoodat de oogen er

zeer van deden en Ketjil het gevoel bekroop als droeg men hem door ’n

vuur. Het terrein was ongelijk, en nu eens moest hij zich vooruit aan

de leuningen vast houden om, als de voerlieden een kleine hoogte

opliepen, niet achteruit te glijden; dan weer zette hij bij ’t dalen

zich schrap om niet vooruit te schieten en tusschen de draagstokken te

vallen. Overigens geen beweging en geen geluid, dan het zacht wiegelen

van de tandoe, het kraken van de voetstappen der koelies op de droge

alang-alang, en het geroep der voerlieden: „Langzaam aan!” als die van

achteren niet inhielden bij ’t dalen, „Duwen!” als ze geen kracht

genoeg zetten bij het stijgen, of „Verwisselen!” als er een meende, dat

het tijd werd voor de vrije schouders, om het aan de bamboezen hangend

gewicht te dragen. Van de bruine ruggen lekte het zweet, zoodat ze

blonken in de felle zon, alsof zij met vet waren gesmeerd. En Ketjil,

die, met z’n oogen half dicht ’n strootje lag te rooken, pikirde er

over hoe dom toch ’n mensch moet zijn om zulk werk te willen doen; maar

ze waren ten slotte toch nog vroolijker dan hij; onder het loopen

wisselden ze, al hijgend, flauwe aardigheden, waarover ze erg veel

pleizier hadden, of als een niet liep zooals de ander wel wenschte, dan

hoopte zijn mededrager, dat hij een „dikken buik” mocht krijgen, wat

weer stof gaf tot vroolijkheid van het zevental, doch Ketjil in stilte

ergerde, omdat hij er een hatelijkheid in zag op zijn eigen dikken

buik.

Hij zei echter niets; daar was hij niet alleen in eigen oogen een te

hoog persoon toe, maar hij wist hoe weinig ’t hem zou helpen; hij zou

ook met dit volkje niet gaarne getwist hebben; hij zag uit zijn stoel

hoe een hunner zich een grooten doorn in den voet trapte, en de kerel

hield niet eens met loopen op, maar trok, al voortgaande, door een

bewonderenswaardig vlugge, dubbele beweging van hand en voet, het doorn

uit het vleesch. Ruwe menschen! dacht Ketjil.

Na ’n paar uren waren de alang-alang-velden achter den rug. Het bosch

begon, het oerwoud met slechts hier en daar enkele lichtplekken, maar

haast geheel in eeuwige schemering, zonder andere paden, dan die den

voet van den inlander al loopende tusschen ’t geboomte had getrokken.

Het was er koel, duister en nog stiller haast, dan in de velden;

tallooze varens, buitengewoon lichtkleurig uit onvoldoend licht, staken

sterk af tegen het dichte zwartgroene loof der boomen. In dat bosch

werd Ketjil benauwd. Als door een of ander onverwacht hevig geritsel in

de boomen, door een aap of ’n grooten vogel, misschien, de stilte werd

verbroken, dan schrikte hij, bang voor, hij wist zelf niet wat. En de

lucht der op den vochtigen grond rottende blaren hinderde hem, zoodat

hij er van hoestte, dof en schier als een aamborstige. Hij was blij,

dat hij weer in ’t licht kwam!

Goena-Goena: Oorspronkelijke roman · 第 13 / 16 段