ziende aan haar vinger, terwijl zij den steen liet flonkeren in het
licht. Ik kreeg hem van iemand, met wien ik voor mijn trouwen in stilte
geëngageerd was. Den Ekster wilde nooit dat ik hem droeg. Ik heb hem nu
maar weer eens aangedaan.
Het bleef er bij. Er werd niet verder over gesproken, maar toch vond
Marie het vreemd; Betsy was immers al wel zóólang in huis, dat zij haar
bijouterieën alle moest hebben getoond; men kon het van zoo’n coquette
vrouw haast niet verwachten, dat ze zoo’n mooien ring achterwege zou
laten!
Bronkhorst had meer brieven geschreven. Een daarvan aan zijn
vertrouwden klerk, die voor een woning zou zorgen. Een „eigen huisje”
zooals hij zich had uitgelaten, was hem ten slotte minder wenschelijk
voorgekomen. De klerk had een Europeesche weduwe gevonden, die niet ver
van het notarishuis woonde in een zijlaan en heel gaarne „die dame”
tegen goede betaling in huis zou nemen. Dat schreef hij ook aan Betsy.
Den volgenden ochtend was zij vroeg uit; toen ze terugkwam, zei ze:
„Ik heb een geschikte gelegenheid voor me gevonden.”
„Zoo. Dat is goed.”
„Ik ga bij mevrouw Duhr inwonen.”
„Bij die oude vrouw, ginds in de laan?”
„Ja.”
„En vervolgens?”
„Hoe vervolgens?”
„Wel je zult toch zeker niet hier op de plaats blijven?”
„Dat weet ik nog niet; het hangt er van af.”
„Waarvan af?”
„Wel, of het me bevalt.”
„Dus ga je niet naar de familie Borne?”
„Voorloopig niet.”
„Maar....”
„Wat wilde u zeggen?”
„Ik begrijp het niet.... Je hebt geen geld.”
„O, ik heb nog wel iets. En bij Mevrouw Duhr betaal ik maar weinig. Ik
help haar ’n beetje.”
„Maar wat is je bedoeling?” vroeg Marie met heimelijken angst. „Waarom
wil je hier blijven? Wat heb je er mee voor?”
„Niets.... waar moet ik dan heen?”
„Naar je oom en tante.”
„Als de nood aan den man komt, is dat altijd nog te doen. Wie weet of
ik.... voor dien tijd niet hertrouw.”
Zij wilde het gesprek niet verder voortzetten en liep naar haar kamer
om de koffers in te pakken. Al doende vertelde zij het aan Sarinah. De
oude moest er om lachen. „Te erg toch, zoo doof en blind die vrouw
was,” meende zij.
„Ik zeg haar niet goeden dag,” zeide Betsy.
„Hoe dan?”
„Ik zal mijn koffers laten laden op een paar grobaks, en als die zijn
weggereden, gaan wij ook te voet.”
„Ik begrijp het niet!” zei de oude. „Waarom?”
„Het is mij niet mogelijk. Soedah, ik zal haar een briefje schrijven.”
Zij deed het, en Sarinah bracht het briefje. Mevrouw Bronkhorst, die
zich weer minder wel gevoelde, lag op een bank.
„Is mevrouw ziek?”
„Ziek niet, maar toch niet lekker.”
„Ik heb een briefje van nonna Betsy.”
Marie nam het aan. „Mevrouw!” stond er. „Op het oogenblik, dat ik
vertrek, stuit het mij tegen de borst een hartelijk afscheid van u te
nemen. U hebt mij wel eens geholpen, maar na het gebeurde, geloof ik
niet, dat ik u daarvoor nog eenigen dank schuldig ben. Ik zal aan u
denken. Dat beloof ik u.
Wed. Den Ekster.”
Een onbehaaglijk gevoel bekroop mevrouw Bronkhorst.
„Waar is je mevrouw?” vroeg zij de meid.
„Al weg. Kasian, zij is zoo ongelukkig.”
„Het is goed. Bilang bajiq.”
„Heeft mevrouw niets anders te gelasten.”
„Dank je.”
„Als mevrouw misschien mij noodig mocht hebben, dan wil ik altijd
dadelijk komen.”
„Dank je.”
„Mevrouw is altijd zoo goed geweest voor me. Ik ben maar een oud
mensch, dat wel spoedig dood zal gaan, maar als ik mevrouw kan dienen
met iets, wil ik altijd graag. En ik bedank mevrouw wel voor alles wat
ik van mevrouw heb gekregen.”
Het deed Marie aan. Zie, dat was nu een oude inlandsche vrouw,
afgeleefd, hoestend en steunend, die ze soms wat eten of ’n fooitje of
’n stukje kleeren had gegeven, en die arme ziel zat daar dankbaar op
den grond, ofschoon ze korte, norsche antwoorden kreeg.
„Het is goed, nèh,” zei ze met zachtheid. „Je mag nu en dan eens hier
komen. Ik zal zien of ik dan niet iets voor je heb. En als je mevrouw
soms mocht heengaan, en zij kan je niet meenemen, kom dan maar gerust
hier; ’n bordje rijst kan je altijd nog wel bij me verdienen.”
Nogmaals dankend, strompelde Sarinah het huis door. Onwillekeurig stond
Marie op en vergezelde haar naar voren. De oude keek in de fraaie
voorgalerij rond, alles bewonderend.
„Och,” zei ze steunend. „Het is hier alles zoo mooi. Als mijn arme
nonna eens zulk een huis had, wat zou ze gelukkig wezen!”
„Niet iedereen kan hetzelfde hebben,” antwoordde Marie weer een beetje
boos.
„O neen; de eene mensch is rijk, de andere arm; dat is zoo beschikt.”
Zij ging heen, waggelend als van zwakte en ouderdom onder de
reusachtige waringins op het voorerf.
Toen ze het Betsy vertelde, had deze er pret in.
„Nu kan ik er komen, als ik wil,” zei de oude. „Wie weet of dat niet
goed kan wezen. Al dat kwaad zijn helpt niet.”
„Je bent een slim oud beest, nèh,” antwoordde Betsy bijwijze van
compliment. „Ik ben blij, dat ik dat wijf nu niet meer zie. Brr! Hoe
was ze?”
„Ze lag op een bank, en ze was onlekker. O, ze zal wel naar boven
moeten. Wacht maar!”
„Ze had al lang weg moeten wezen.”
„Dat had ze ook. Ze is sterk, dat heb ik al dikwijls gezegd. Bij hem
gaat het beter.”
De oude wees naar het einde der laan. Er kwam in de verte een wagen aan
met vier paarden bespannen.
„Hij kan het nog niet wezen, nèh. Volgens zijn brief komt hij pas
morgen.”
„Misschien heeft hij haast.”
Betsy lette niet meer op hetgeen de meid zei; haar aandacht was alleen
gevestigd op den reiswagen, die met woeste vaart naderde; zij herkende
inderdaad het rijtuig van Bronkhorst.
„Wel, ben je nu goed geïnstalleerd?” vroeg hij, haar naderend met
uitgestoken hand.
„Heel goed, voorloopig. Ben je niet wél?”
Het ontviel haar toen ze zag, dat zijn gelaat vrij bleek zag met
donkere kringen om de oogen.
„Zeker. Misschien wat vermoeid van dat langdurig hossen tusschen de
wielen. Ik ben blij dat ik je zie.”
Zij lachte, en met haar gezicht bij het zijne:
„Je moest ook eens niet blij wezen!”
„Ik bedoel, dat ik je zie in werkelijkheid; in gedachten zie ik je
altijd.”
„Nu ja, ’t zal wat wezen!”
„Waarachtig Betsy, het is zoo. Als dàt veel van iemand houden is, dan
ben jij de eerste op wie ik verliefd ben.”
Zij trok de wenkbrauwen samen. Het beviel haar niet. Wat hij zei, klonk
openhartig en waar. Maar er was geen enthusiasme bij. Als hij vroeger,
toen ze nog bij de Borne’s woonde en alleen te visite kwam bij de
familie Bronkhorst, door haar coquetteeren eenigszins opgewekt werd tot
galanterie, dan kwam het van harte; dan was er leven en vuur in zijn
blik en in den klank zijner stem, Nu scheen hij een willoos werktuig.
Maar het was geen tijd om lang over zulke dingen te denken. Wat kwam
het er ook op aan, of hij werkelijk liefde voor haar gevoelde en zou
blijven voelen? Nonsens! Als zij hem maar zóóver kon brengen, dat hij
scheidde van zijn vrouw en haar trouwde. De rest kon haar minder
schelen. En als hij aan het juk trok, zou zij hem dat wel afleeren!
„Praat nu maar geen gekheid. Wil je ’n kop thee?”
„Als je het bij hand hebt.”
„Zeker. Ik zal even naar achteren gaan.”
Bronkhorst leunde achterover in een rotanstoel en keek naar de
lommerrijke kruinen der boomen. Betsy liep vlug naar de kleine
eenvoudige achtergalerij, om dadelijk ’n kop thee te zetten; zij wist
dat hij daarvan hield als hij uit was geweest en dorst had.
„Is er warm water?” vroeg zij mevrouw Duhr.
„Zeker. Wilt u het gebruiken?”
„Ja. O, het kookt, dat is heerlijk.”
Zij had op alles gerekend, en er stond in haar kamer een vrij groote
hoeveelheid van de fijne Chineesche thee, die Bronkhorst gewoon was te
drinken.
„Blijft de notaris hier?” vroeg mevrouw Duhr.
„Dat is te zeggen, ik maak even een kop thee voor hem klaar, en ik heb
nog wat gebak meegebracht.”
„Neen, ik bedoel of hij hier blijft eten, en dan verder....”
„Maar mevrouw, hoe komt u er aan?”
„Wel.... ik dacht het.... omdat iedereen het zegt hier op de plaats. Er
wordt zooveel over gesproken.... en als ik het niet had gedaan om het
geld....”
„Dan hadt je me niet in huis willen hebben. Nu, ik ben u veel
verplicht. Enfin, het kan me volstrekt niet schelen. De menschen mogen
voor mijn part precies zeggen wat zij willen. Ik trek me er niets van
aan, en u zult verstandig handelen, als u dat ook niet doet. U zult
zelf wel zien, hoe kwaad spreken en waarheid spreken verschillen.”
Toen ze Bronkhorst de thee en de kwee-kwee bracht, waarop hij
ongeduldig wachtte, vertelde zij hem wat mevrouw Duhr had gezegd. „Laat
ze maar praten. Het is niet waar, en het zal op zoo’n manier ook niet
waar worden. Maar,” voegde hij er bij met een zucht, „ik wou wel Bets,
dat jij mijn vrouw waart.”
Weer kwam het gevoel van ontevredenheid bij haar op. Het was de ware
begeerte ook nu niet; het was veel meer de zucht van iemand, die een
kruis draagt, slechts één uitweg weet om er van verlost te raken, en
natuurlijk in die richting wil gaan. Het was weer iets ongezonds. Maar
ze boog zich over hem heen en zag hem vlak in de oogen, zoo vleiend en
verleidelijk als ze maar kon.
„Ja, als dàt eens waar was!.... Toe, laat me ook eens drinken.”
Hij bracht ’t theekopje aan haar mond, en zij nipte er even aan, zonder
haar oogen van de zijnen af te wenden; maar toen hij haar ook een
stukje van het gebak wilde geven, weigerde zij; ze had er geen trek
meer in, zei ze, want ze had er al veel van gegeten.
Een uurtje later ging hij heen; in de binnengalerij om een hoekje
kusten ze elkaar goeden dag. Het had hem ’n beetje opgewekt, maar dat
gevoel van verlichting verdween weer toen hij in het rijtuig zat, en
ontstemd en nurksch trad hij zijn eigen huis binnen. Regelrecht ging
hij naar zijn kamer.
„Bonjour,” zei hij, zonder meer, Marie voorbijgaand, die hem ’n klein
eindje te gemoet kwam. Tot de voorgalerij gaan, zooals vroeger, was
haar te sterk geweest; nu speet het haar dat ze een voet had verzet;
zulk een hondsche bejegening had zij niet verwacht.
Zij verwachtte, dat hij aan tafel zou ontdooien voor zijn
lievelingsgerecht, maar het gebeurde niet. Hij sprak met haar over
onverschillige zaken op onverschilligen toon. Nu en dan staarde hij in
de ruimte, en als zij hem dan aankeek, zag ze hem glimlachen. Wat was
dat? Zij had hem nooit droomerig of verstrooid gekend; hij was altijd
een bij uitstek practisch man met een krachtig gestel en volstrekt niet
sentimenteel van aard.
Maar ze vroeg hem niets, ook niet toen ze zag, dat hij zijn goed in een
andere kamer liet brengen. Het trof haar wel, maar ze zei niets; ze was
er te trotsch voor. Indien hij dacht, misschien, dat zij dááraan zoo’n
overweldigenden lust had, dan vergiste hij zich en wist hij niet eens
wat ’n fatsoenlijke vrouw was. Zij had altijd gaarne ’t lieve met hem
gedeeld, maar ze kon het ontberen, als het noodig was, en dat kon hij
niet. En als hij niet verder ging, dan zij hoopte en vertrouwde dat hij
gegaan was, welnu, dan zou hij ook weer tot haar terugkeeren, omdat hij
haar noodig had en niet buiten haar kon. Ze vond haar eigen berekening
griezelig, en zou, een maand vroeger, met verontwaardiging het
denkbeeld hebben verworpen, dat ze zich met zulke gedachten zou
troosten. En nu de practijk van den tegenspoed kwam, deed zij het
vanzelf.
Vermoeid van de reis ging hij vroeg naar bed.
„Ik heb mijn boel maar laten overbrengen.”
„Dat heb ik gezien.”
„Het is tegenwoordig zoo warm.”
„Zeker. Het is veel aangenamer alleen te slapen.”
„Wel te rusten.”
„Goeden nacht.”
Het was dezelfde doffe toon vol onverschilligheid, waarop hij den
ganschen dag had gesproken, en die haar nu verbaasde en eenigszins
ongerust maakte. Ze ging naar bed, maar werd na een paar uren met
schrik wakker. Ze luisterde: neen, de kinderen waren het niet; het was
Jean, die in de achtergalerij op en neer liep. Ze luisterde opnieuw:
hij opende een kast en nam wat brendy.
En terwijl zij uit gewoonte en van vermoeidheid weer insliep, strekte
hij zich achter op een langen rotan-stoel uit en was klaarder wakker,
dan hij den geheelen dag was geweest; nu eens zat hij tien minuten te
staren naar zijn schoon visioen, dan weer neuriede hij opwekkende
liedjes, of sprak bij zichzelven. Het boek, dat hij had ter hand
genomen, om zich in slaap te lezen, bleef ongeopend op de tafel liggen.
Hij hoorde de klokken elk half- en heel uur slaan; de metaalklank
resonneerde door de ruimte van het huis, en droog en hard vielen
daartusschen, buiten in den stillen nacht, de slagen van sommige
nachtwakers op hunne blokken, terwijl die van anderen, dichter bij of
verder af, dof en zwaar klonken, soms zoo rhytmisch alsof het met opzet
was geregeld.
Haast al dien tijd dacht hij aan Betsy. Soms beproefde hij aan iets
anders te denken, maar het gelukte slechts ’n minuut of wat. Hoe het
ook ging, over welke schijven hij zijn gedachten dwong te loopen,
altijd kwam een oogenblik—en het kwam heel spoedig—dat hij in
verbeelding weer bezig was met haar. ’t Verschrikte of verwonderde hem
zelfs niet, want ook toen hij dien nacht deze ontdekking deed,
glimlachte hij weer bij zichzelven om het feit. Het ging hem als
sommige jongelieden in een stadium van voorbarig en overweldig
ontwikkelenden hartstocht, als het hun physisch onmogelijk is hun
aandacht te bepalen bij hun werk of hun studie, en hoeveel geweld ze
hun menschelijke hersenen ook aandoen, de faunen toch dadelijk weer den
baas spelen. Nu, hij streed er niet zoo heel erg tegen; hij had het
niet kunnen doen; zijn zwakke poging was meer een streven naar rust,
die hij toch wel besefte noodig te hebben.
Eerst toen tegen den ochtend een kille wind door de naalden der
tjemara’s op het erf ruischte, kwam er ’n beetje ontspanning, en sliep
hij in op zijn stoel; het was een slaap als lood zoo zwaar; hij
snorkte, dat van ’t geluid de meubelen schenen te dreunen in de
galerij: hij snorkte Marie wakker, doch zichzelven niet.
Zij stond op, toen ze door de kieren van de stores zag, dat het begon
te dagen. Drie- of viermaal was zij wakker geweest, en voor het overige
had zij slecht geslapen. Toch voelde zij zich minder onlekker dan daags
te voren; het was waar, wat Sarinah zei, dat de op haar toegepaste
middeltjes weinig effect hadden en haar sterk gestel de werking er van
scheen te neutraliseeren.
Een vervaarlijke vloek, gevolgd, als bliksem door donder, door een
vuistslag op een tafel, daverde door de nette houten commandantswoning
op den buitenpost, waarheen kapitein Borne was overgeplaatst.
„Ziedaar! Lees me gévédé, ’reis zoo’n brief!”
Zoo stormde hij de achtergalerij in, met zijn zwaren tred, die den
planken vloer deed kraken, hoe solied de genie hem ook had gelegd. En
hij wierp op de tafel, waarvoor zijn vrouw zat te werken, een groot vel
papier, dat hij, door er een slag op te geven met de vlakke hand, als
’t ware in het blad van de tafel scheen te willen slaan.
Borne zag rood, en hij beefde; dat zag zijn vrouw, toen ze hem aankeek
over haar bril, niet wetende uit welken hoek deze storm opstak, maar
dadelijk ook eenigszins zenuwachtig en tot weerstand geprikkeld.
Zij werd bleek onder het lezen, en sloeg met beide handen tweemaal op
haar gevulde dijen, zoodat het kletste door de mooie sarong heen, een
muziek, waarmede de kapitein zich, in gewone omstandigheden, amuseerde,
ofschoon ze het bewijs was, dat zijn vrouw zich gloeiend nijdig maakte.
Maar ditmaal lette hij er niet op; het was een te ernstig geval.
„Zoo’n gemeene smeerlap!” zei hij.
„Zoo’n slet van een meid!” barstte zij los.
Lang bleef het niet bij de invectieven tegen Bronkhorst en Betsy.
„’t Is jou schuld,” beweerde al heel gauw mevrouw Borne met gefronste
wenkbrauwen en een kwaadaardig vooruitgestoken mond. „Je bent altijd
zoo’n akelige kerel.”
„Dat lieg je!” brulde de kapitein ten toppunt van woede rakend. „Mijn
schuld! Het is de jouwe; heelemaal de jouwe.”
„Jij laat je maar alles wijsmaken. ’n Man! Tjies!”
Deze aanval op zijn sekse deed de maat overloopen.
„Laat ik me wat wijsmaken? Wie zeit dat? Laat ik me wat wijs maken?
Neen jij! Jij laat je voorliegen en bedriegen. Wou je het aan mij
wijten?”
En de twist liep erg hoog. Ze scholden elkaar geregeld uit, en ze
scholden op elkaars familie, alsof ze beiden van hoogst immoreele
afkomst waren; tot eindelijk mevrouw naar haar kamer ging en van daar
uit, door het met zonneblinden gesloten venster nu en dan heftige
woorden naar buiten zond, die Borne patrouilleerend in de
achtergalerij, nu eens met woeste luidruchtigheid, dan weer met, op
zijn manier, bittere ironie beantwoordde. Maar de toon, waarop zij
keef, daalde gradueel; er kwamen nu en dan trillers in; en naarmate de
klank verzachtte, werden de woorden weeker. Borne antwoordde nu nog
slechts af en toe met een enkel woord, dat hij eigenlijk slechts in het
midden bracht om niet heelemaal te zwegen.
Eindelijk hield zij den mond, in zoover, dat ze hem geen verwijten meer
deed; en nu kon hij haar zacht hooren snikken met afgebroken woorden
van verdrietig verwijt. Dat was te veel; dat kon hij nooit verdragen.
Geheel gekalmeerd, ging hij naar binnen, ook in de kamer, waar zijn
vrouw was.
„Kom,” zei hij, aangedaan, „huil nou niet, ati. Je weet toch wel, dat
het niet zóó gemeend is.”
Ze wist dat ook wel; ze droogde haar tranen; hij kuste haar, zij gaf
hem een zoen terug, en zoo stonden ze een oogenblik als groote, oude
kinderen....
Nadat ze dus van weerskanten hun gemoed gelucht hadden over het „het
schandaal”, zouden zij de zaak bedaard bespreken; de brief was van
niemand anders, dan van den resident, maar particulier, dat sprak
vanzelf, en dat het zoo’n groot vel papier was, kwam alleen door het
innig besef van den resident, dat hij te hoog was geplaatst om, zij het
ook niet-officiëel, te schrijven op klein formaat.
„Het is ’n verschrikkelijk geval. Wie had zoo iets kunnen voorzien?”
„Als ik er was gebleven, zou het nooit zijn gebeurd.”
„Neen, zeker niet.”
„Als ik er naar toe kon, zou ik hem ongemakkelijk à faire nemen.”
„En met hem vechten?”
„Dat beloof ik je. Ik zou hem voor het front laten komen, en ik zou
zeggen....”
„Ja, vent, ik weet het wel. Je zoudt hem tot een duel dwingen.”
„A mort, dat verzeker ik je!” zei de kapitein met geur.
„Soedah! dat is allemaal niet mogelijk; toch moeten we er iets aan
doen.”
Dat voelde kapitein Borne ook, maar hij wist niet wat; hij zei het
openhartig.
„Ik weet het evenmin,” gaf zijn vrouw toe. „Mijn God. wat heeft ’n
mensch toch ’n last van z’n familie.”
„In elk geval: ik zal den resident antwoorden.”
„Natuurlijk.”
„Ik zal hem bedanken voor de betoonde belangstelling.”
„Ja, dat moet je doen, Borne!”
„Maar, dat ik er tot mijn groot leedwezen niets anders tegen kan doen,
dan aan dien Bronkhorst een brief schrijven, die op pooten staat, en
aan haar dito, dito.
„Zou hij er zich niet verder mee willen bemoeien?”
„Wie?”
„Wel, de resident.”
Het was ’n idée, dat moest de kapitein bij zichzelven toegeven. Maar
het stuitte hem tegen de borst om, als men in zulk een delicate zaak
vreemde hulp inriep, zich, als officier, daarbij te bepalen tot een
burgerambtenaar. Daarom schreef hij ook een uiterst langen brief aan
zijn collega en opvolger, waarin hij met groote kieschheid uiteenzette,
wat hij van ter zijde had vernomen, verzocht het een en ander voor hem
te onderzoeken, en wanneer het noodig mocht wezen, in zijn, Borne’s
naam, op te treden. Tevens meldde hij, dat hij aan den resident had
geschreven, en dezen, dat hij zijn collega mede in de zaak had
betrokken.
Uren had het geduurd vóórdat de kapitein deze brieven gereed had. Het
schrijven was zijn fort niet, en een brief stellen van eenig aanbelang
kostte hem meer zweetdroppels, dan een urenlange militaire marsch. Doch
hij zat er eenmaal in, het moest met spoed geschieden, en als hij met
iets was begonnen, ging hij voortvarend door tot het einde.
Toen hij zijn vrouw de brieven had voorgelezen, zag hij, dat ze het
zich zeer aantrok en er erg verdrietig onder was. Hij trachtte haar op
te beuren, maar het gelukte niet.
„Zie je,” zei ze, „het is niet alleen om harentwil. Ik geloof, dat er
aan vrouwen, die dien kant op gaan, nooit veel verbeurd is. Maar zij
heeft bij ons gewoond, dat weet iedereen; zij behoort tot de familie,
en er ligt schande in voor jouw naam. Dàt vind ik verschrikkelijk.”
Hij antwoordde niet, maar schreef met vaste hand en stijve groote
letter de adressen der brieven. Bij slot van rekening, dacht hij,
officier en gedecoreerd, kon het pierewaaien van een aangetrouwd
nichtje zijn naam al bitter weinig deren; maar de bezorgdheid zijner
vrouw voor dien naam deed hem goed. O, ze was ’n beste vrouw, en van
die Betsy hield hij waarachtig alsof het z’n dochter was. Weduwe en nog
zoo jong! dacht hij. Hij voelde zich vergevensgezind.
Iedereen wist, vier en twintig uren nadat de brieven van Borne in ’t
bezit waren van den resident en des kapiteins collega, wat er in stond.
Indiscretie was daarbij niet in ’t spel. Borne, zelf de zaak met
kieschheid behandelend, kon over den indruk van zijn brieven tevreden
zijn; maar dat de twee heeren aan hun vrouwen den inhoud meedeelden,
was, in zulk een speciale vrouwen-perkara, niet meer dan hoogst
natuurlijk; hij, Borne, zou precies hetzelfde hebben gedaan. Nu hadden
die dames elk een vriendin. Neen, niet zoo’n gewone kennis, maar een
betoele vriendin, in wier boezem zij het geheim deponeerden. Zoo ging
het verder; van indiscretie geen spoor, maar iedereen wist het
niettemin.
En iedereen was er blijde om.
Want „het schandaal”, zooals men het noemde, duurde nu al langer dan
een maand.
Het zag er bij de Bronkhorsten aan huis treurig uit. Marie had
stormenderhand, alleen door haar „ongeluk”, onder de dames een
sympathie verwekt, die ze door jaren van ongestoord geluk niet had
kunnen machtig worden.
Diezelfde dames keken Bronkhorst heel leelijk aan en groetten hem
nauwelijks; de heeren echter drukten hem hartelijk de hand met iets van
compassie. Want, dat zagen ze wel: het was geen gewone zaak, en tot die
slotsom bracht hen niet de kennis der verhouding van den notaris tot
Betsy en tot zijn eigen vrouw; dat behoorde, vonden zij, tot het gewone
verloop. Bronkhorst zag er slecht uit, en het ging slecht met zijn
zaken. Rijke Chineezen en Arabieren spraken onder elkaar en met hun
Europeesche relatiën over den notaris. Ze verloren ’t vertrouwen, dat
ze vroeger altijd in hem hadden gesteld. Terwijl ze hem vertelden, wat
hun bedoeling was met de akten, die opgemaakt en naar die bedoeling
door den notaris ingericht moesten worden, zagen ze zijn gezicht
veranderen. Hij begon met belangstelling te luisteren, vragen te doen
en mee te praten, maar na ’n paar minuten week de uitdrukking van
onbevangenheid van zijn gezicht, en hij staarde met hangende onderlip
en droomerige oogen onafgebroken zijn cliënt in de oogen, tot deze min
of meer verlegen met praten ophield; en dan bleek, dat de notaris de
helft niet had gehoord, en de man alles nog eens moest herhalen voor
den candidaat, wat hij heel onaangenaam vond, niet om het overzeggen,
dàt met genoegen, maar uit ongerustheid.
Bronkhorst had er lang tegen gestreden, en hij deed het nog, doch
vruchteloos. Hij voelde zelf wel, dat het zóó op den duur niet gaan
kon. Thuis was het geen leven; hij zag daar niets dan Marie, die haar
verdriet door het huis droeg, haar plicht tegenover haar kinderen, en
tot zekere hoogte ook tegenover hem, stipter dan ooit vervullend. Het
was hem gaan ergeren; het maakte hem kwaad. En bij zijn overprikkelend
zenuwleven, licht geïrriteerd, verloor hij zijn zelfbeheersching,
zooals hij het zijn opgeruimd humeur had gedaan; hij sprak haar toe op
korten, haast bevelenden toon:
„Waar is de sleutel van de kast?”
De kast was die, waarin Bronkhorst het geld bewaarde, dat hij zoo voor
’t verbruiken hield. Er lag gewoonlijk ’n zes-, zevenhonderd gulden in
aan contanten en klein papier. Marie droeg den sleutel aan haar ring.
Zij nam voor het huishouden wat ze noodig had; als het op was,
waarschuwde zij hem; rekening en verantwoording had hij haar nooit
gevraagd.
Toen hij den sleutel vroeg, nam zij den ring uit haar mandje en lei
dien op de tafel. Hij deed er den sleutel af. Een oogenblik klemden
zich haar lippen stijf opeen, en, doodsbleek, stond ze op het punt in
woede los te barsten; zij wist zich te bedwingen.
„Wat beteekent dat?”
„Wat het beteekent? Niets. Ik houd voortaan den sleutel van de kast.
Dat is alles.”
„Begin dan maar met haar open te doen en me geld te geven voor het
huishouden.”