beiden gemoedelijk pratende vond, „omdat de dames geen
wetenschappelijken zin hebben; ze doen alles zoo maar op den gis; haar
maat is er geen, waarop men kan vertrouwen.”
„Het komt hier anders zelden voor, dat iets mislukt,” zei Marie.
„Zeker! O, wat dat aangaat, heb je er uitmuntend den slag van alles
overheerlijk te doen klaar maken. Dàt bedoel ik niet.”
Onwillekeurig ontsnapte haar een zucht bij zijn lof. Maar die stemde
haar toch beter, dan eerst, en toen men aan de ontbijttafel ging, was
de algemeene conversatietoon bijna tot het normaal diapason
teruggebracht. Alleen zag zij nog erg bleek en vermoeid er uit. Maar
niemand zinspeelde daar meer op. Zelfs Betsy miste op dat oogenblik den
moed om er op terug te komen, Bronkhorst sprak buitengewoon veel, en
zocht, tot woede van Betsy, bijna uit instinctmatige aandrift een
drukke conversatie met Marie aan te houden, waarbij hij met opzet
vermeed naar Betsy te zien, en zich ook zorgvuldig van telegraphische
voetgemeenschap onthield.
Juist stond hij op om naar het kantoor te gaan, toen een jongen een
brief binnenbracht. Het was er weer een aan het adres van zijn vrouw.
Als hij het had kunnen doen, zou hij den brief hebben achtergehouden,
maar het ging niet, want de bediende had hardop gezegd: boeat njonja.
Nu moest hij haar den brief wel geven, maar hij bekeek toch even het
adres. Dit was van een andere hand dan dat van den vorigen avond.
„Je hebt, naar het schijnt, drukke correspondentie. Adieu, tot van
middag.”
Met een armzwaai groette hij beide dames, waarop hij naar zijn kantoor
ging.
„Mevrouw!
Iemand, die het goed met u meent, waarschuwt u in allen ernst voor
een geval, dat zich in uw huis voordoet en waarvan gij ongetwijfeld
schande en verdriet zult beleven. Uw man en die weduwe Den Ekster,
die als bonne of juffrouw bij u inwoont, zijn het samen eens.
Iedereen weet het al, maar u schijnt er onkundig van te zijn. Vraag
het uw eigen bedienden, en gij zult er meer van hooren.
Een vriend.”
Daar was het weer! Welnu, er moest iets gedaan worden, dat gevoelde en
begreep zij. Handelend moest ze optreden. Er viel niet te talmen, na te
denken en te redeneeren. Het was misschien verkeerd, maar zij zou
althans informeeren bij de bedienden.
Doch de naaister, haar baboe en haar kokkin verklaarden niets te weten
en hoe het kwam wist ze niet, maar het was alsof juist die beweerde
onbekendheid en de gezichten die deze menschen trokken, haar wantrouwen
deden toenemen in plaats van verminderen.
Zij was nu nog even wijs, en zat voor haar kamer met de hand onder het
hoofd. Onuitstaanbaar!
Na eenigen tijd liet ze Betsy verzoeken bij haar te komen.
„Wat is er?” klonk het weer vroolijk en vriendelijk.
Zwijgend wees Marie op de beide brieven.
„Moet ik die brieven lezen? Ja? Wel, met genoegen.”
Zonder overhaasting las zij ze allebei. Marie sloeg haar angstig gade,
maar het effen gezicht onderging geen verandering.
„Het is mooi,” zei ze met een valschen lach. „En dat beduidt?”
Thans had mevrouw Bronkhorst een overtuiging, al was het geen
zekerheid.
„Moet ik zeggen, wat het beduidt?”
„U of een ander. Ik weet zeker niet, wie de hand heeft in zulke
dingen.”
„Wie er de hand in heeft?”
„Natuurlijk. Ik denk niet, dat iemand gemeen genoeg kan zijn om zulke
brieven te schrijven voor zijn pleizier.
„Of uit drang om te waarschuwen.”
„Komaan! Ha, ha, Wil ik u wat zeggen: die brieven komen allebei uit
denzelfden koker en daar kan alleen iemand achterzitten, die mij haat,
of die.... jaloersch is en wie ik hier te veel ben.”
Een oogenblik was Marie verbluft over zooveel brutaliteit, en met haar
heldere blauwe oogen staarde zij Betsy zoo onbeweeglijk aan, dat deze
het tot haar woede en schaamte niet kon uithouden en genoodzaakt was
den blik af te wenden. Toen mevrouw Bronkhorst als het ware tot
zichzelve kwam, stond ze op: zij zag er op dat oogenblik allesbehalve
„gemakkelijk” uit, en voor het eerst bekroop Betsy een gevoel van
vrees, want het werd haar duidelijk, dat zij verkeerd had gedaan in
haar geringschatting dezer schijnbaar alleen huiselijke en
huishoudelijke persoonlijkheid. Er volgde geen standje, geen groot
rumoer of heftig tooneel.
„Ik weet nu, wat ik wenschte te weten. De rest zult u wel begrijpen.”
Het werd gezegd op een toon en met een gelaatsuitdrukking zoo vol
verachting, dat Betsy er van trilde.
„Als u soms dacht, dat ik na dit gesprek en na de schandelijke
verdenking en verdachtmaking, waaraan ik bloot sta, verlangde hier te
blijven, dan hebt u het mis. Ik ga vandaag nog heen, al moest ik,”—er
volgde een ontroering, die op zichzelve wel gemeend was, maar die,
voortspruitend uit woede, voor verontwaardiging moest doorgaan—„al
moest ik werken in de kampong voor een bordje rijst”.
Doch Marie was geen dupe. Haar vertrouwen ging zeer ver; zij had een
optimistisch geloof in de braafheid van haar omgeving, maar als zich
een grond voor wantrouwen aan haar opdrong, dan was zij onverbiddelijk.
En dat was gebeurd. De houding van Betsy, haar gelaat toen ze die
brieven las, haar eerste uitdrukkingen en de wijze, waarop ze toen
sprak, dat alles had Marie, zonder dat ze had kunnen uitleggen hoe het
kwam, eene moreele convictie geschonken, onwankelbaarder dan een door
bewijzen gestaafd.
Zij keerde zich om en draaide Betsy den rug toe, wat deze buiten
zichzelve bracht en de kamer deed ontvluchten, terwijl ze de deur met
een slag achter zich dicht wierp.
„Waarom maakt nonna zichzelve ziek?” vroeg Sarinah.
„Och... stik!” barstte Betsy los in toomelooze woede.
„Masa!” lachte de oude. „Dacht nonna dan, dat er geen standjes zouden
komen? De vliegen zouden vechten er over, en de menschen dan!”
„Te erg, nèh! Ik had haar kunnen vermoorden.”
„Waarom? Als zij leeft is het erger voor haar.”
„Nu ja... dat is nog altijd de vraag.”
„Nog niet gelooven! Zij is sterk, dat is waar. Ik heb haar nu al
tweemaal wat gegeven en ze ziet enkel maar ’n beetje bleek.”
„Vandaag krijgt ze nog wat.”
„Als ze ’t hebben wil.”
„Zeker wel. Zij weet niets. Zij heeft de baboe, en de kokkin, en de
djaid gevraagd. Die durven niet. O, als ze durfden, ik zou haar wel
krijgen!”
„En hij?”
„Hij heeft van ochtend nog gehad in zijn koffie. Ik heb hem gezien. Hij
wordt goed. Hij zit met de oogen open voor zijn schrijftafel en hij
werkt niet, en hij ziet niet.”
„Hoe weet je dat?”
„Van den djoeroetoelis.”
„Zoo.... en, gebeurt dat dikwijls?”
„Nog niet zoo heel dikwijls, maar dat komt wel. Dan, als hij zoo zit,
denkt hij aan nonna en ziet haar.”
„Je weet, nèh! van de brieven.”
„Brieven? Neen, ik weet van geen brieven.”
„Zij heeft brieven gekregen, waarin haar wordt verteld dat meneer op
mij verliefd is.”
„Zoo’n dom schepsel! Ik dacht dat zijzelve het had gezien. Moest ze
daarvoor nog brieven krijgen?”
„Je begrijpt, dat wij weggaan.”
„Adoe! Toch niet gauw?”
„Vandaag nog.”
„Het kan niet, nonna. Soengoe mati, het kan niet! Dan is alles weg!”
„Ben je gek? Waarom? Het moet!”
„Ik zeg het kan niet. Doe wat u wilt, maar zorg, dat we nog ’n paar
dagen blijven; ik ben niet klaar.”
Betsy zuchtte. Dàt was nu weer een inconveniënt!
„Het is onmogelijk, nèh; ik heb het al tegen haar gezegd!”
„Spreek er dan met mijnheer over. Ga naar hem toe. Hij is op ’t
kantoor, Nonna moet pinter wezen, ja! Allah! het zou zoo jammer zijn.”
Betsy twijfelde geen oogenblik aan de waarheid der woorden van Sarinah.
Zij kende haar, en wist dat het der oude ditmaal volkomen ernst was, en
zij ten volste overtuigd was, dat alles zou mislukken als er niet een
dag of wat tijd viel te winnen. Het was trouwens zoo moeilijk niet, en
de meid met een paar woorden geruststellend, ging zij de overdekte
galerij door, die naar het kantoor leidde.
„Wat is het?” vroeg Bronkhorst bezorgd, terwijl hij haar tegemoet kwam.
„Daar komt niets van!” riep hij opstuivend, toen ze op haar manier
verteld had, wat er was voorgevallen.
„Het moet,” antwoordde ze met een droevig lachje haar hand op zijn arm
leggend en hem aanziend met tranen in de oogen: „Er is niets aan te
doen, en ten slotte is het beter ook. Het eenige is, dat het nu een
triomf zal zijn voor onze vijanden. Als het slechts acht dagen ware uit
te stellen.... Maar ik zie niet in op welke manier.”
Bronkhorst keek met een donker gezicht naar beneden. Hij had zich vast
voorgenomen haar te beschermen, en hij zou haar niet in de steek laten.
Maar een scène met zijn vrouw lachte hem volstrekt niet toe, te minder
nu hij begreep, dat die onvermijdelijk werd.
„Het zal niet gebeuren,” zei hij na een oogenblik. „Ik zal zelf voor ’n
dag of wat uit de stad gaan.”
„Och!.... Blijf maar liever in je huis, Jean! Het is voor mij wel heel
droevig, maar er zal zich nog wel iemand voordoen om me te beschermen.”
Hij kreeg een woesten aanval van jaloezie.
„Er behoeft zich niemand voor te doen om je te beschermen zoolang ik er
ben. We zullen er dadelijk een eind aan maken. Wacht hier maar even.”
Driftig stond hij op en liep naar huis; vóór hij er kwam, was zijn
woede al aanmerkelijk gedaald; toen hij in de kamer van Marie kwam, was
ze verdwenen.
„Wat zijn dat toch voor fraaiigheden?” vroeg hij op z’n notaris-toon.
Er volgde geen antwoord. Marie was bezig de handen, die ze had
gewasschen, af te drogen, en zij deed dat met groote nauwkeurigheid,
zonder hem aan te zien.
„Ik bedoel,” ging hij voort, toen ze hem zoo minachtend behandelde, „de
lasterlijke anonieme brieven, die je in de laatste dagen moet ontvangen
hebben!”
Zij nam ze van haar toilet en wierp ze op de tafel.
„Asjeblieft!”
’t Klonk zeer onaangenaam, en zoo weinig was hij gewoon op die manier
behandeld te worden, dat het hem neerdrukte.
„’t Is was moois,” zei hij op zijn beurt de brieven op tafel werpend,
nadat hij ze had gelezen, „’t Is wat moois! En jij gelooft daaraan?”
Zij keek hem onverschrokken in het gezicht met dienzelfden vasten blik,
die Betsy de oogen had doen neerslaan.
„Ja”, antwoordde ze.
Er viel niet tegen te redeneeren, en een oogenblik wist hij niet welken
kant uit te gaan; toen koos hij zijn partij.
„Ik zie wel,” zei hij met een gemaakt lachje, „dat je geheel door die
gemeene epistels wordt beheerscht. Het is treurig.”
„Je eigen gedrag is treurig; neen, het is erger, ’t is schandelijk.”
„Ik zal op zulke aantijgingen niet antwoorden; het leidt tot niets. Je
wilt mevrouw Den Ekster weg hebben,—welnu, zij zal vertrekken, dat is
duidelijk. Ik zal haar niet terughouden.”
Het scheen haar een straal van hoop, dat hij ’t vertrek van Betsy zoo
gemoedelijk opnam. Zij keek op naar zijn gezicht, maar dat stond op
storm en onweer, zoodat het haar op de lippen zwevend verzoenend woord
terugbleef. Als het toch eens niet waar was! had ze gedacht; maar dat
dacht ze nu niet meer.
„Het eenige”, ging hij voort, „wat ik te vragen heb, is geen schandaal
te maken, dat mijn goeden naam kan schaden.”
„Ik ben het zeker, die daar schade aan toebrengt!”
„Als mevrouw Den Ekster het huis verlaat, zoo dadelijk na de ontvangst
van die brieven hier, zal daar veel over gepraat worden. Het zal worden
rondgebazuind.”
„En wiens schuld is dat?”
„Dáárover zullen we later wel eens spreken, want ik zie, dat je nu niet
vatbaar bent om aan te hooren. Nog eens: het eenige, wat ik nu vraag
is, geen schandaal te maken.”
„Komaan,” zei ze met bleeke lippen, „en dat wordt mij gevraagd door
jou! Mij, die mijn geheele leven niets deed, waarover ik me behoefde te
schamen. Maar het is goed, zeg maar eerst wat je wilt; ik zal dan zien
of het me conveniëert.”
„Het is, versta me wel, uitgemaakt, dat ze het huis verlaat, doch laat
dat niet zijn op staanden voet. Als er een week overheen gaat, heeft
het een betere houding. Ik zal zoolang uit de stad gaan.”
„En ik zal met dat gemeene schepsel onder één dak wonen, nog een week
lang!”
„Marie, dwing me niet tot uitersten. Ik heb je gezegd, wat de reden is.
Voor mijn genoegen is het niet, en voor het hare evenmin, want ik zal
haar moeten verzoeken....”
„Há, há! Je zult haar moeten verzoeken, mij de gunst te bewijzen nog
een week lang haar valsch gezicht te zien.”
„Ik herhaal,” zei hij met een zucht, „dat ik me niet aan een
wederlegging waag van je qualificaties; nu althans niet; maar het is
toch zoo; ik zal mevrouw Den Ekster moeten verzoeken hier te blijven.
Ik verzoek je: maak nu asjeblieft geen bezwaren, want als het noodig
was, dan....”
„Dan?”
Ze stonden tegenover elkaar bleek en met stille woede op het gezicht.
Nog nooit hadden ze zóó gestaan.
Hij sprak het woord niet uit.
„’t Is goed,” zei ze met bevende stem, „de slet kan voor mijn part hier
blijven. Maar geen dag langer, dan tot je terugkomst. En laat ik haar
zoo weinig mogelijk te zien krijgen!”
Zonder een woord van tegenspraak verliet hij de kamer. Het
naastbijliggend doel was bereikt.
„Ik heb het in orde gemaakt,” zei hij glimlachend tegen Betsy, toen hij
op ’t kantoor terugkwam; „je blijft nog acht dagen hier. Vandaag
vertrek ik, en hier”, vervolgde hij met ’n potlood een papiertje
beschrijvend, „is mijn adres. Laat nu verder alles maar aan mij over.
Ik zal voor alles zorgen, en dan ga je de volgende week in je eigen
huisje”.
Zij glimlachte hem veelbelovend toe. Het was een groote geruststelling.
Niet, dat zij een weigering vreesde, als zij hem om hulp vroeg; maar
dat deed ze liever niet; ze vond het wèl zoo aangenaam, dat hij uit
zichzelven had aangeboden haar financiëel te helpen. Overigens besloot
ze die week in haar gewone rol te blijven, en tegenover Marie zooveel
mogelijk te doen, alsof er niets was gebeurd.
Hij had haast om weg te komen. Als altijd pakte Marie zijn koffer. Zij
had geen oogenblik geaarzeld. Het mocht wezen gelijk het was, worden
zooals ’t zijn zou—zij zou haar gewonen plicht doen zoolang zij onder
één dak met hem woonde, als zijn wettige vrouw, en zij zou ook alles
doen, dàt nam zij zich ernstig voor, om zijn goeden naam te sauveeren;
het was immers ook de naam harer kinderen! Maar bij zichzelve en met
trage hand zijn overhemden om en om rangschikkend in den leeren koffer,
dacht ze er toch aan hoe machteloos een vrouw is in zulke
omstandigheden. Het was vroeger nooit bij haar opgekomen, ’t idée dat
Jean een andere vrouw zou verkiezen boven haar; maar als zij er toen
aan gedacht had, dan zou zij ongetwijfeld allerlei wraakzuchtige en
verschrikkelijke plannen hebben gesmeed; zich allerlei heftige scènes
hebben voorgesteld, de een al geweldiger dan de andere.
En nu het een feit was, al ontkenden ook hij en zij; nu het naar haar
idée waar moest wezen,—nu liet zij de bewerkster van haar ongeluk nog
acht dagen wonen in haar huis, en ze.... pakte zijn koffer; het een om
geen schandaal te maken, het ander uit plichtgevoel. Och, dat laatste
hinderde haar zoo niet, maar die Betsy had ze, dat voelde ze, met eigen
krachtige handen het leven kunnen benemen.
En wat zou het verder worden tusschen hen? Het was natuurlijk uit!
Alles, alles uit! Zij hield een oogenblik op met het inpakken van dat
haar zoo bekende goed, door haarzelve gekocht, door haar zorgen in orde
gehouden, onder haar eigen oogen gedragen, vaak zóó dicht bij haar,
alsof het haar eigen was.
En nu was het voor altijd uit!
De gele zonnestralen drongen trillend van warmte en licht door de
donkere stijf gesloten stores in de kamer, te verdeeld om het duister
te breken, er door heen schietend, als pijlen naar een doel en in
kleine lichtkringen stuitend op muren en kasten. Het was alles zoo
rustig en stil in dien schemer en het koeren van den perkoetoet, die in
een kooi hing op het achtererf, gaf alleen meer relief aan de doodsche
kalmte in het groote huis. Een diepe neerslachtigheid kwam over haar.
Ze ging op den divan zitten naast den geopenden koffer en weende. Ze
had hem inniger lief, dan ze ooit liet blijken met haar gemoedelijken
weinig demonstratieven aard. Nu ze meende hem te verliezen trof het
haar vreeselijk zwaar; het was een slag, waaronder ze in stilte bitter
leed en dat in stilte zou blijven doen, omdat zij geen schandaal wilde
maken.
Hij was blij, dat hij voor ’n dag of wat weg kwam. ’t Was zoo’n
pijnlijke positie vond hij, in huis, en het scheen hem alsof hij een
gevangenis ontsnapte, toen hij zijn leden in den reiswagen uitstrekte
en een versche sigaar opstak. Hij gevoelde zich niet geheel wel, wat
hij toeschreef aan de agitatie door de jongste gebeurtenissen. Hij had
Marie een kus willen geven, toen hij wegging, en tegelijk had het hem
getroffen, dat zij toch een fraaien hals had en eigenlijk heelemaal een
knappe vrouw was; zij had hem afgeweerd, met een gebaar vol minachting.
Nu, ook goed! Maar soezerig voelde hij zich ’n beetje de laatste dagen,
met een uitgedrukte neiging om doelloos voor zich uit te staren. Dan
gingen hem flauwtjes allerlei beelden voorbij den geest, en die hadden
meest allen iets van Betsy, tot het eindelijk haar gezicht was en haar
figuur, dat hij zag en dat zich op allerlei wijzen bewoog en zich liet
zien. Hij glimlachte dan in zijn eentje onwillekeurig tegen dat beeld,
dat hem in die slaperige momenten van afgetrokkenheid zoo duidelijk
voor de oogen stond. En als opgewekt door die voor hem alleen zichtbare
wellustige vormen, neuriede hij een liedje uit zijn jongelingstijd,
iets, vroeger gehoord in een café chantant te Rotterdam onder het
drinken van champagne met sterk gedecolleteerde vrouwen, die erg
gemakkelijk waren; iets, dat hij dacht reeds lang vergeten te zijn,
maar dat nu, onder deze omstandigheden, aanleiding scheen te vinden in
zijn herinnering op te doemen. Zoo reed hij door, half droomend, zonder
te letten op het hinderlijk op- en neerhossen van den wagen over den
hobbeligen weg, en het voorbijsnellen der rietvelden, sawahs, desa’s en
fabrieken.
En Betsy ging in huis haar gewonen gang; zoo juist alsof er volstrekt
niets was gebeurd, dat na twee dagen Marie volkomen gederouteerd was.
Eerst had zij geen antwoord gegeven, als Betsy iets zei, dan nu en dan
een enkele maal ja of neen; maar de jonge weduwe scheen zich niets
daarvan aan te trekken en maakte er zich koud noch warm om.
„Heb je dan in het geheel geen eergevoel?” had Marie, ten einde raad,
uitgeroepen.
„’t Schijnt wel van neen,” antwoordde Betsy bleek, maar met een
onverstoorbaren glimlach om haar lippen.
En toen Marie haar ontzet en verstomd bleef aankijken, ging ze op een
anderen toon voort, klagend, kinderlijk klagend haast:
„Niet als ik valsch beschuldigd word en er de dupe van ben. Dan niet!”
„Hoe is het mogelijk? Mensch, hoe kan je daar zoo koelbloedig over
spreken? Je bent anders tamelijk lichtgeraakt en volstrekt niet van
ijzer of steen.”
„O neen!”
„Hoe kan je dan zoo verschrikkelijk kalm en onverschillig blijven. Dat
is het grootste bewijs van je schuld.”
„Natuurlijk. En als ik u de oogen uitkrabde en het huis in rep en roer
bracht, schreeuwende en scheldende, wat dan?”
„Ik weet het niet, maar ik zou het nog liever zien.”
„Wel neen, want dan zou dat toch ook weer ’n bewijs wezen van schuld.”
„Dat zou het niet.”
„Zeker, dat zou het wel. Het zou bewijzen, welk een gemeen schepsel ik
was, en hoe, nu ik zag dat ik ontdekt was, mijn waar karakter boven
kwam.”
Er was waarheid in; Marie voelde het, maar zij kon niets zeggen. En
Betsy, die bemerkte dat zij terrein won, wierp het hoofd in den nek, en
trok met ’n air haar lippen samen.
„Ik heb ondervinding genoeg van de menschen,” ging ze voort, „al ben ik
nog jong. Tegen den laster valt niets te doen. Niets! Het is dan veel
gemakkelijker schuldig dan onschuldig te wezen.”
Ze had haar stem laten trillen, zoodat men er als het ware de tranen in
hooren kon.
Wel twee minuten zwegen beiden.
Marie zat op een stoel aan de groote mahoniehouten tafel in de
achtergalerij, leunend op de ellebogen, met het gelaat op de handen
rustend, in ernstige gedachten; Betsy liep heen en weer, nu eens het
deksel van den koffiefilter oplichtend om er wat water bij te doen, dan
weer haar aandacht wijdend aan de melk, die in een pan op ’t
petroleumtoestel stond te koken.
„Hoor eens,” begon Marie op dien beslisten toon, dien ze kon aannemen,
als er iets gaan moest, zooals zij wilde en niet anders. „Ik wil
gelooven, dat het mogelijk is. Een bepaald bewijs heb ik niet.
Vertrouwen kan ik je niet; ik weet niet wat het is, maar er is iets in
me, dat het belet en dat sterker is dan mijn wil. Maar omdat je het nu
zoo zegt, wil ik het gelooven.”
Betsy haalde de schouders op.
„Voor zoo lang het duurt. Dank u.”
„Ik kan er niets tegen doen.”
„Welnu, laat het dan maar blijven, zooals het is.”
Maar dàt wilde Marie niet, die nu met elk woord èn meer vreesde voor
haar eigen zedelijke overtuiging, èn meer hoop begon te voeden, dat ze
ten slotte zou kunnen gelooven, wat zij zoo gaarne had geloofd.
„Betsy”—het was de eerste maal, dat mevrouw van Bronkhorst haar weer
bij haar doopnaam noemde—„ik ben zoo openhartig tegen je geweest, als
ik zijn kon. Als ik verzekerde, dat je mijn vertrouwen terughadt, dan
zou ik liegen, en dat wil ik niet.”
„Het hoeft ook niet; ik ga toch weg.”
„Ja, en dat moet bepaald blijven.”
„Natuurlijk. Ik denk er niet aan mijn besluit te veranderen.”
Dat trof Marie, en het stemde haar aanmerkelijk zachter. Inderdaad was
het haar besluit geweest, en nu handhaafde zij dat zonder aarzelen, in
plaats van een appeltje op te werpen in andere richting.
„Waar denk je heen te gaan?” ontviel haar, haast onwillekeurig.
„Dat weet ik nog niet, maar dat ik ga is zeker.”
„Het is,” zuchtte Marie, „zulk een verschrikkelijk geval!”
Betsy barstte uit in een gemaakten schaterlach, die mevrouw van
Bronkhorst deed schrikken.
„Voor wie, als ik vragen mag? Voor u zeker! Het is belachelijk; het is
naar!”
„Het past je niet op die manier te spreken,” riep Marie verontwaardigd.
„Nu, het is goed,” antwoordde Betsy, haar fout herstellende, „ik zal
het alles wel als koek opeten. Het is dan verschrikkelijk voor u te
moeten denken,.... wat niet waar is, dat kan ik bezweren; maar voor mij
is het immers niets om onder zoo’n verdenking te gaan, en me dat in m’n
gezicht te hooren zeggen. Wel neen! Ik ben maar een arme weduwe. Voor
zóó een komt er dat niet op aan. Was ik een rijke notarisvrouw, dan
werd het een heel ander geval.”
Er viel weinig tegen die opvatting te zeggen. Het ging Marie als ieder
welgesteld mensch, tegenover een minder bevoorrechte, die zijn armoe
als een soort martelwerktuig dienst laat doen. Zij wilde Betsy niet
volgen in die richting; dat ging niet.
„Ik herhaal, dat ik er niets aan kan veranderen. Het beste is er niet
verder over te spreken, ’t Is nu uitgemaakt, dat je hier niet blijft
wonen. Laat ons nu verder niet twisten, en....”
„En?”
„Nemen we aan, dat het mijn schuld is; dat ik niets had moeten
gelooven, en je had moeten blijven vertrouwen.”
„Het is fraai! Een goede troost! Maar soedah, ik zal het aannemen.”
„Dan als je het zoo beschouwt, kan je ook mijn hulp niet weigeren.”
„Geld?”
„Natuurlijk. Waarom niet?”
„Ja, dat maakt recht wat krom is. Ik weet het wel. Maar ik zal er geen
gebruik van maken.”
„Ik.....”
„Neen,” herhaalde Betsy met oogen glinsterend van triomf. „Laat ons
iets anders aannemen. Ik blijf niet en al smeekte men mij op de knieën,
dan bleef ik nog niet. Men heeft mij schandelijk beleedigd, maar ik wil
net doen of er niets is gebeurd; ik wil er niet verder over spreken.”
„Dat komt op hetzelfde neer van uw kant.”
„Doch, als ik het zóó beschouw, kan ik uw hulp niet aannemen.” Zij
sneed alle verdere conversatie af en ging de gang in naar haar kamer,
waar ze lachend op een der fraaie stoeltjes ging zitten.
„Apa,” vroeg de meid nieuwsgierig over haar grooten hoornen bril
kijkend, die ze op had onder ’t goed verstellen.
Betsy moest eerst uitlachen.
„Zij wil me geld geven.”
Nu lachte de oude mee.
„Terlaloe!” zei ze, en na eenige oogenblikken voegde zij er lachend aan
toe: „Nonna zal toch wel zoo gek niet wezen.”
„Dat kan je begrijpen.”
Bij Marie was de geestetoestand zeer veranderd. Haar wantrouwen had een
geduchten knak gekregen. Natuurlijk moest Betsy weg, maar zij had zich
voorgenomen inderdaad te doen alsof er niets was gebeurd, en dat deed
ze ook tot vreugde van Betsy, die nu de dagen daar in huis veel
draaglijker vond.
’s Middags vertelde Sarinah haar meesteres, dat er ’n brief was en een
pakje. De brief was van Bronkhorst; het pakje bevatte een ring met
diamanten steen; verheugd deed zij hem aan haar vinger.
„Wat heb je daar ’n mooien ring aan,” zei Marie verbaasd en ergdenkend,
toen zij elkaar zagen in de voorgalerij.