minuten kunnen doen, maar opzettelijk liet hij zijn moeder wachten om
haar te plagen, en om haar te dwingen de kar zooveel tijd langer in
gebruik te hebben; daar moest ze dan meer voor betalen.
Zij wist het wel, maar ze zei niets; steunend en mompelend als altijd
zat ze ineengedoken op een stoel zonder mat, geduldig wachtend.
„Nu zal er wel gauw verandering komen,” zei ze den volgenden ochtend
tegen Betsy, toen ze haar zeep, handdoek en bad-sarong bracht.
„Denk je?”
„Het moet. Ze heeft het al gedronken.”
„Wat gedronken?”
„Ik heb het in haar koffie gedaan.”
Betsy trok pijnlijk en verschrikt de wenkbrauwen saam, greep Sarinah
bij den arm en schudde haar heen en weer.
„Wat dan toch, leelijk wijf? Zeg dan toch wàt?”
„Stil! ik heb het gehaald, gisteravond bij mijn zoon.”
„En moet dat haar uithuizig maken?”
„Op een andere manier. Zij wil niet gezond er uit, dan moet ze maar
ziek.”
„Het is niet goed van je; ik wil niet, dat zij ziek wordt.”
„’t Komt er niet op aan.”
„Dat doet het wel. Als zij ziek wordt en ze moet naar boven....”
„Juist goed. Dan blijven we hier.”
Maar Betsy schudde het hoofd.
„Dat kan niet, nèh! Je bent een oude domkop! Neen, dan blijven we niet
hier, maar dan gaan we mee.”
„Waarom?”
„Omdat het,” ging Betsy zich opwindend voort, „geen adat bij ons is,
stommeling, dat een dame met een heer alleen in hetzelfde huis woont.
Ben je zoo oud geworden, heb je zoo lang onder Europeanen gediend, en
weet je dàt nog niet?”
Sarinah was er wel ’n beetje mee verlegen, want ook dàt was waar.
„Het schijnt, dat ik niets goeds meer kan doen,” klaagde zij. „Ik ben
maar een arme, oude vrouw.”
„Nu, soedah! ik zeg immers niets. Houd je mond maar. Er is toch niets
tegen te doen. Laat het maar loopen, ja! Er moet van komen, wat wil.”
Aan tafel zagen haar groote zwarte oogen met belangstelling telkens
naar Marie, ’t Scheen, dat het „goed” niet zoo heel snel werkte, want
de kalme vrouw des huizes at, met den goeden eetlust aan haar gezond
gestel eigen, haar gewone portie van alle goede gaven, en het kwam ook
niet des avonds. Integendeel, Marie was opgewekt van geest, minder
slaperig dan anders en ze klaagde nergens over. Eene diepe minachting,
nu weer, maakte zich van haar meester, zoodat die zich teekende in haar
trekken.
„Wat zet je een komiek gezicht,” zei Marie.
„Komiek? Hoezoo?”
„Wel je keek daareven net of je een inlander wou beknorren.”
Betsy kleurde, want het was waar, dat ze bezig was geweest in gedachten
Sarinah geducht de les te lezen. Maar zij lachte en vroeg of men daar
dan ’n bijzonder gezicht bij zette.
„Ik denk het wel,” antwoordde Marie, „ten minste als jij het doet, zie
ik je altijd op die manier kijken.”
Misschien door dit gesprek ontging Sarinah het standje haar toegedacht;
toch zag ze wel, dat de nonna erg boos was en het was dan ook om zich
nijdig te maken. Hoe kwam zoo’n Europeesche vrouw toch aan zulk een
krachtig gestel met zooveel weerstandsvermogen.
Maar den volgenden ochtend verscheen Marie niet zoo vroeg.
„Ze is niet lekker,” vertelde Bronkhorst aan het ontbijt.
„Wat scheelt er aan?”
„Niet iets bepaalds. ’n Gevoel van vermoeienis en loomigheid.”
Ze spraken er over zonder haast te denken aan Marie en haar
ongesteldheid; hun oogen spraken een geheel andere taal, die zich lezen
liet op hun gezichten, als ’n romance sans paroles.
Toen hij naar ’t kantoor was, ging Betsy eens informeeren.
„Ziek?” vroeg ze op den toon der vroolijke deelneming van menschen, die
bij een zieke komen om hem munter te maken, wat op den patiënt, die het
begrijpt, een geheel tegenovergestelden invloed heeft.
„Wel neen! Ik weet niet wat ik heb, Bets. Maar ik ben zoo loom in mijn
leden, en daarbij zoo lui, dat het schande is.”
„Wat koortsig misschien. Wil je limonade?”
„Och neen! In eten of drinken heb ik geen trek, en slaap heb ik ook
niet. Ik weet het niet, maar het eenige, wat ik zou willen, is den
heelen dag hier op den divan te blijven liggen.”
„Welnu, doe het dan. Ik kom straks bij je zitten.”
„Dat is goed; maar het is eigenlijk schandalig van me zoo lui te
wezen.”
Toen Betsy naar de goedang ging om „uit te geven”, kwam ze Sarinah
tegen.
„Nah?” vroeg de oude op gerekten toon en met een grijns.
Maar Betsy trok de wenkbrauwen hoog op en stak de lippen vooruit.
„Het zou ook wat,” zei ze, wegwerpend.
„Wij zullen wel zien, soedahla, wij zullen zien.”
„Ja, ja, houdt den mond maar; daar komt kokki aan.”
„O ja!”
De oude zweeg; ze moest bij zichzelve lachen. Nonna was toch ook soms
erg dom! Hoe kon ze nu op het idée komen, dat kokki er niets van wist?
Alsof niet alle bedienden er alles van wisten, en als uiterst
belangstellende toeschouwers niet het heele verloop met aandacht en in
gespannen verwachting volgden!
’s Avonds kwam Marie weer voor den dag. Het was niet beter en niet
slechter. Zij zag er ’n beetje betrokken uit, met groote kringen om de
oogen; maar koorts had ze niet, en wat men noemt „ziek” was ze evenmin.
Bronkhorst zag het niet. Welstaanshalve had hij gevraagd of ze beter
was, maar in stilte vond hij het niet onpleizierig, dat ze haar kamer
hield, nu de logé’s juist dien morgen vroeg waren vertrokken. Ze hadden
weer hun spelletje gespeeld, hij en Betsy, en zij had hem voor het
eerst zoo liefderijk gereciproceerd, dat hij ’n gevoel had alsof ’t hem
dronken had gemaakt; zóó zelfs, dat Betsy begon te vreezen voor Marie,
die, vond ze, dan toch al aartsdom moest zijn, om niets, in het geheel
niets te merken. En om het af te wenden hield zij aan tafel Marie druk
aan den praat, ofschoon ze maar droomerige antwoorden kreeg.
Ze zaten nog wat na, aan tafel. Bronkhorst had ’n havanna opgestoken;
de dames genoten haar kopje koffie. Een bediende lei de brieven en
couranten op tafel, die de postlooper gebracht had.
Terwijl de notaris ze opende, om even door te zien, hield hij
plotseling zijn kleine vouwbeen terug, dat reeds aan het snijden was.
Aandachtig bekeek hij het adres.
„Ik had daar haast ’n brief opengemaakt aan jouw adres”, zei hij tot
Marie.
„’t Zou ook wat zijn!”
„Neen, maar je weet, ik doe het nooit; het is tegen mijn principes.”
„Van wie is hij?”
„Dat weet ik niet; het is een onbekende hand. Ziedaar!”
En hij reikte haar over tafel de half geopende enveloppe aan.
Ook voor Betsy was een brief gekomen; een van haar jongere zuster
Lidia, die altijd oentoeng had, en die indertijd zich zoo onomwonden
verklaarde over het uit den weg ruimen van Den Ekster, dien ze haatte.
Betsy had haar geschreven, en met de ontembare zucht aan vrouwen eigen
om wat ze weten of doen aan iemand mondeling of schriftelijk mee te
deelen, al hielpen zij zich er door op het schavot—had zij in dien
brief genoeg verteld om haar slimme zuster geheel op de hoogte te
brengen. „Ik dacht niet”, schreef Lidia, als altijd openhartig, „dat je
tot zoo iets in staat was, en ik kijk er gek van op, dat jij het over
je kunt krijgen. Mij hielden ze altijd voor kwaadaardig en
wraakzuchtig; jij met je geonduleerde haar tot op je wenkbrauwen, ging
thuis door voor een toonbeeld van engelachtige zachtaardigheid. Nu, ik
wil niet zeggen dat ik Jobs geduld heb met anderen, en ook niet dat ik
gemakkelijk vergeef, maar, Betslief, ik zou tot zoo iets niet in staat
wezen, waarachtig niet, en ik geloof jij ook niet, als ge die oude
vuilpoets van een Sarinah niet bij je hadt. Pas op, als ik haar krijg!
Maar heusch, Bets, doe dat niet. Als ik een man had, die me slecht
behandelde, zoo waar als God leeft, ik hielp hem naar de andere wereld,
Bets; ik zou het niet kunnen laten. Doch die menschen hebben je niets
kwaads gedaan; ze hebben je integendeel goed en vriendelijk behandeld,
Bets; ze zijn lief voor je en zij is hartelijker voor je geweest, dan
ik voor jou ooit zou wezen. Zoolang ik geen weduwe ben, wil ik jou geen
vier en twintig uur over mijn vloer hebben, hoor! Denk daarom, als je
jezelve eens in de klem mocht brengen. Je weet dan bij wie je niet moet
wezen. Foei, Bets, schaam je! En als je die gemeene streek mocht
lukken, dan kijk ik je nooit weer aan, hoor! al kreeg je er zooveel
duiten door als ’n millionnair; dàt wil ik je maar zeggen. Je zuster
L.—”
Betsy glimlachte. Die Lidia was toch altijd even grof. Het speet haar
thans, dat ze zoo onvoorzichtig was geweest. Welk een gemeen antwoord!
Dat was nu net zoo iets voor die nare non, iemand zoo laag en
beleedigend neer te zetten. Zij zou het epistel aan kleine stukjes
scheuren in haar kamer, en die aan Sarinah geven om ze te verbranden.
„Ze zijn lief voor je geweest,” schreef dat malle wicht. O, zoo lief!
Zij uit gemakzucht, en hij!....
„Je zult me wel excuseeren. Ik ga naar mijn kamer.”
Was het mevrouw Bronkhorst, die daar sprak? Eenigszins verschrikt keek
Betsy op. Ook Bronkhorst staakte de lectuur van een langen brief over
belangrijke zaken.
„Wat scheelt er aan?” vroeg hij verstrooid.
„Ik voel me onwel.”
„Dan zou ik een oogenblik gaan liggen; heb je pijn of voel je je
koortsig?”
Marie gaf geen antwoord. Langzaam ging zij de achtergalerij uit en haar
kamer binnen; Bronkhorst keerde weer tot zijn brief terug.
Betsy had niets durven vragen.
Wat het was, had zij begrepen; door geen woord of blik had Marie iets
te kennen gegeven; ze was met een bleek gezicht en in zenuwachtigen
toestand naar haar kamer gegaan; dat was alles. En toch wist Betsy, en
ze had er op durven zweren, dat er in dien brief, dien Bronkhorst bijna
in vergissing had opengemaakt, iets stond doelende op zijn verhouding
tot haar.
„Wat zou Marie schelen?” vroeg hij toen het stuk over zaken was
uitgelezen.
„Het schijnt, dat die brief haar onlekker heeft gemaakt.”
Hij fronste de wenkbrauwen. Een onverklaarbaar gevoel van angst bekroop
hem, dat ’t zweet op zijn voorhoofd deed parelen.
„Waarom denkt je dat? Zij heeft toch niets gezegd.”
„Volstrekt niet, doch ik heb het opgemerkt, zonder dat ze iets zei. En
het verwondert me niet.”
„Och kom, nonsens! Wie wil haar nu....”
„Wie? Dat weet ik niet. ’t Gebeurt dikwijls hier in Indië. Er zijn hier
veel menschen, die pleizier hebben in ’t schrijven van ongeteekende
brieven.”
Het verruimde hem.
„Nu, als het niet anders is dan dat....”
Zij keek hem verwonderd aan.
„Niets anders?”
„Wel neen! Men slaat toch waarlijk geen geloof aan verachtelijk anoniem
geschrijf.”
’t Was haar duidelijk aan te zien, dat zij het niet met hem eens was.
Ook drong de vraag zich aan haar op of het wel in haar belang was, dat
aan het „verachtelijk” geschrijf geen geloof werd gehecht; zij zag de
zaken niet vorderen, en haar verhouding werd met den dag scheever en
moeilijker. Als zij buiten het huis was en hij haar dan bezocht, kon ze
haar doel beter bereiken, nu men eenmaal in het tegenwoordig stadium
was gekomen.
„Er zal altijd iets van bij haar achterblijven. Als ik doen kon wat ik
wilde....”
„Wat dan?”
„Dan ging ik,” zei ze met goed gehuichelde tranen in haar stem, „van
avond nog heen. Ik zie alles aankomen.”
Brusque stond hij op, zijn stoel met een zenuwachtigen ruk
terugschuivend.
„Het zal niet gebeuren!” riep hij heftig. „En nu wil ik ook weten, wat
er van is.”
Bronkhorst deed ’n paar schreden naar de kamer zijner vrouw.
„Het zou te dwaas zijn,” zei hij, terugkeerend. „Vooreerst is het maar
een vooronderstelling van je, en ten tweede zou zij met recht vragen,
hoe ik er achter was gekomen.”
De redeneering was wel juist, maar stelde Betsy toch teleur; als vrouw
stelde zij temperament meer op prijs dan logica. Zij zag in zijn
terugtreden alleen het bewijs, dat hij bang was voor zijn vrouw, en dat
tergde haar. Als zij eens haar doel bereikte, hoe zou zij hem drillen
onder haar slofjes!
„Ik zal eens gaan zien wat haar scheelt,” antwoordde Betsy, en met koel
en onbeweeglijk gezicht ging ze de kamer binnen.
Marie sloot juist den brief in haar lessenaartje. Zij zag zeer bleek.
Zij was reeds onlekker en vermoeid geweest den heelen dag; thans wist
ze niet goed wat ze deed. De schrik door den brief teweeggebracht, had
haar hersenzenuwen als het ware verlamd; ze kon niet geregeld denken en
ze wist niet goed, wat ze zeide of deed; het dwarrelde haar nog op de
onmogelijkste wijze door het hoofd en sloeg haar met een gedruktheid,
die haar in de allereerste plaats deed verlangen naar rust en vrede, om
geregeld te kunnen nadenken.
„Mevrouw!” zoo luidde de brief. „Gij wordt gewaarschuwd. Gij hebt een
slang aan uw borst gekoesterd. Uw huis vol van knoeien. Die jonge
weduwe altijd maar knoeien en gekonkel met uw man. Gij ontvangt snoode
ondankbaarheid voor uw weldaden! N. N.”—
De aanwijzing, hoe krom ook geschreven en aangevuld met boeken-frasen,
was duidelijk genoeg. Als Marie een jaloersche vrouw was geweest, zou
ze, uit den aard der zaak iedereen verdenkend, die aanwijzing in direct
verband hebben beschouwd met haar eigen stillen achterdocht; zij had in
haar geest zonder verwijl het flagrant délit opgebouwd, en was spoedig
tot een besluit gekomen.
Maar het viel haar zoo onverwacht op het lijf, als een donderslag bij
zonneschijn. Zij vertrouwde iedereen, zooals men zichzelve kon
vertrouwen, en ze moest voor zulk een beschuldiging eerst plaats maken
in haar gedachtenloop. Zoolang ze getrouwd was, had zij een
stilzwijgend en overmoedig geloof gehecht aan de onverbreekbaarheid van
haar huwelijksgeluk, zonder dat zij die groote fout ooit had ingezien,
evenmin als het haar ooit in het hoofd was gekomen, dat haar man te
kort zou schieten in huwelijkstrouw, zoo min in heel, half of kwart
platonischen, als in vulgairen zin. En dat onbegrensd vertrouwen, die
groote gerustheid, hadden haar ook sedert haar trouwdag, althans na de
wittebroodsweken, doen afzien van elke poging om hem in haar persoon of
door haar gezelschap te behagen. Zij had, naar eerzaam Hollandsch
gebruik, zich gewijd aan de kinderen en de keuken; op dat terrein,
dacht zij, lag uitsluitend haar werkkring; dáárin zocht ze haar trots.
En zij hield wel heel veel van Jean en zorgde goed voor zijn maag en
zijn garderobe, maar behalve op enkele momenten, dus in het jarenlang
verder verloop van het dagelijksch leven, beschouwde zij hem als niets
anders, dan den medezorg voor het huishouden, den compagnon in de
vennootschap Bronkhorst & Co.—Als zij zich kleedde, dan was dat nooit
voor hem. ’s Morgens als er dames visite kwam, deed zij haar kapsel,
trok ’n mooie kabaja aan en ’n duren gebatikten sarong. Voor hem was ’t
eenvoudigste lapje wit katoen, hoogstens met „’n puntje” en de
flodderigste print mooi genoeg. Hij was immers maar haar man! Zij deed
het niet met eenig boos opzet. ’t Was haar Hollandsche traditie; ’t was
zooals haar ouders en grootouders hadden gedaan, die met roode baaien
broeken en borstrokken en in blauw wollen rokken, met slaap- en
klapmutsen getooid in overweldigende eerzaamheid schuil gingen onder de
wollen dekens.
Hij, Bronkhorst, had dat nooit opgemerkt, en vanzelf de huishoudelijke
gewoonten volgend, had hij die aangenomen en zich er aan onderworpen,
als iets dat zoo is en zoo behoort. Het een tonig leven was zeer snel
voor hem voorbijgegaan, in zijn trouwen „ten principale” afgewisseld
door ’n paar malen de geboorte van een kind, en door de zorgen voor
zijn aangroeiende fortuin. Het had hem nooit gehinderd, dat Marie zich
betrekkelijk zoo weinig scheen te bekommeren over zijn opinie, wat haar
vrouwelijk schoon betrof. Zij waren g. e. t. r. o. u. w. d.; elk hunner
zat aan een eind van het kettinkje, had daar vrede mee en achtte er
zich gelukkig door.
Tot er een vrouw kwam, die „werk” van hem maakte.
Toen stond hij op het punt „er in” te loopen; zijn opgewekte geest trok
aan het kettinkje; die vrouw sloeg uit den vuursteen der behaagzucht
vonken, die hem herinnerden aan zijn celibatairstijd, toen de
veelbelovende jonge notaris nog tot het edele wild behoorde in den
chasse à l’homme; toen lieve blikken en vriendelijke glimlachjes hem
van alle kanten ten deel vielen, en menig keurig toiletje het groot
tenue was ter zijner eere gedragen.
Maar zóó definiëerden zij niet; hij, Jean, niet, terwijl hij Betsy in
stilte het hof maakte; zij, Marie, niet, toen ze moreel verpletterd was
door dat briefje.
„Scheelt u iets?” vroeg Betsy met warme belangstelling in den toon
harer stem. „Ik kom eens zien of ik u ergens mee helpen kan.”
Marie aarzelde een oogenblik.
„Dank je,” antwoordde zij kortaf.
„Ik ben ook niet erg lekker; ik ga ook vroeg naar bed. Heb je niets
meer noodig?”
„Neen,” klonk het als een diepe zucht.
Zij, Marie, wist niet hoe zich te houden. Kon het waar zijn, dat iemand
zóó slecht was, zóó door en door huichelachtig en gemeen? ’t Was,
meende zij, een onmogelijkheid, en, strijdend tegen den indruk door den
brief teweeggebracht, had zij Betsy aangehoord en geantwoord. Maar het
geheel van zich zetten kon ze niet. Door de loomheid in haar leden, als
gevolg van Sarinah’s poeiertjes, bleef zij niet zitten, maar ging op
een divan liggen, met haar gezicht naar den muur en haar oogen dicht.
Was het waar, was het niet waar? Zij trachtte een zuiver beeld te
ontwerpen van de wederzijdsche verhouding in huis: zeker, Jean was
altijd bijzonder lief en vriendelijk tegen Betsy. Zij bracht zich
enkele uitdrukkingen te binnen; zij herinnerde zich zijn grooten ijver
om de jonge weduwe te helpen bij het musiceeren. Maar wat was dat, wat
beteekende het? Het was volstrekt niets. Wie weet, daarentegen, welk
een gemeen schepsel die schrijfster was van dien ongeteekenden brief,
want geen oogenblik kwam het denkbeeld bij haar op, dat die van ’n man
kon zijn. Wie weet of hier niet uitsluitend haat en lage afgunst in het
spel waren, en zijzelve niet heel slecht deed aan dat vod zooveel
gewicht te hechten. Men had zulke ellendige wezens, dat had zij meer
gehoord, die er vermaak in schepten door gemeene anonieme brieven
huisgezinnen ongelukkig te maken en familieleden en vrienden tegen
elkaar op te zetten. En wat zou het zijn, als zij eens onder zulk een
invloed raakte, en nu voortaan haar man en Betsy bespiedde, met
wantrouwen gadesloeg, en zelfs verdacht, waar niets, wellicht, te
verdenken viel.
Maar zou ze hen kunnen vertrouwen? ’t Was pijnlijk, maar ze voelde dat
ze daartoe niet in staat was. Hoe haar verstand zich ook verzette; hoe
laag ze ook neerzag op dien smerigen brief en op haar, die hem had
geschreven,—het was en bleef zonneklaar, dat haar grenzenloos
vertrouwen weg was. En, o! als het eens waar mocht wezen, dat die vrouw
wilde treden in haar rechten; haar verdringen wilde uit het hart van
haar man; haar tot een voetveeg wilde maken in haar huis,—dan zou er
toch nog veel moeten gebeuren! In het volle gevoel van de kracht harer
smettelooze kuischheid en trouw, achtte zij zich sterk om tegen „het
kwade” te strijden, als het noodig was; een voor haar heiligen strijd
om haar man en voor zichzelve en haar kindertjes. Het bloed steeg naar
haar bleeke wangen, haar oogen glinsterden in ’t halfduister en
krampachtig sloten zich de handen tot vuisten. Neen, zóó gemakkelijk
zou het niet gaan! Zoo licht zou het niet vallen haar te onttronen! Hij
had haar niet gevonden op de straat, en als zoodanig zou ze zich niet
laten behandelen. Zooals ze haar plichten had vervuld, zou ze staan op
haar rechten. Wie het wagen durfde haar de liefde te rooven..... Ze
schudde van opgewonden toorn, dat de divan kraakte.
Doch plotseling, toen ze aan Jean dacht, bedaarde dat. Hoe was het toch
bestaanbaar? Zoo menig gelukkig jaar hadden ze samen doorleefd, rustig
en heerlijk. Het ging haar alles in den geest voorbij; hoe ze hem in
Holland had leeren kennen; hoe ze hem lief had gekregen om zijn
persoon; welk een heerlijken engagementstijd ze hadden doorgebracht;
hoe vol van het zoetst genot hun huwelijksreisje was geweest, en hoe
tevreden, gelukkig en voorspoedig ze al die jaren samen hadden
doorleefd! En nu zou misschien dat alles uit zijn! Hij zou zijn heil
zoeken bij een andere vrouw, en haar verwaarloozen en veronachtzamen;
hun vredig huisgezin zou een hel worden van nijd en tweedracht; zij
zouden altijd ontevreden zijn, elkaar misschien leeren haten, in elk
geval van elkaar vervreemden.... En daarvoor had zij nu zooveel jaren
met zooveel liefde haar plichten vervuld; daarvoor had ze alles
geschonken wat ze had, nooit aarzelend, zelfs niet als te schenken een
opoffering was....
Het diep bedroevende van zulk een toestand greep haar aan en werkte op
haar zenuwen. Zij stond snel op, toen zij den stap van haar man hoorde,
die naderbijkwam, en ging te bed, haar gezicht begravend in de kussens;
hij mocht niet zien, dat ze weende!
Haastig was Betsy, toen ze de kamer verliet, naar achter geloopen. Zij
had nu volkomen zekerheid, wat den inhoud van den brief aanging.
Bronkhorst was niet meer in de galerij. Zij liep de trap af en om ’t
huis heen naar voren, waar ze hem ontwaarde in de donkere zijgalerij,
die naar het kantoor voerde; ze zag het aan zijn witte kleeding, want
het was erg duister.
„Wel?” vroeg hij.
Zij gaf geen antwoord, maar voor de eerste maal sloeg zij haar armen om
zijn hals en kuste hem herhaaldelijk met groote onstuimigheid; doch
toen hij, in vervoering, het haar begon na te doen, rukte zij zich los
en liep weg.
In haar kamer deed ze de deur op slot. Ziezoo! Ze had nu haar schepen
verbrand! Ze was nu tegenover hem ver genoeg gegaan. Men was nu alle
drie vrijwel op een goede hoogte. Het had door dien brief een beetje
sneller verloop moeten hebben, dan ze gedacht had; maar de kogel was
toch vrijwel door de kerk. Nu moest ze weg, en dat was maar goed ook;
als Marie den brief soms niet geloofde, den volgenden dag, dan zou zij
haar wel laten zien, dat er niets in had gestaan, dan de waarheid. Er
moest nu maar hoe eer hoe beter gehandeld worden. Al dat geleuter gaf
toch niets.
Bronkhorst hoorde haar de deur sluiten, want onwillekeurig was hij haar
nageloopen. Toen zij geen verder bewijs van leven meer gaf, ging hij
naar de slaapkamer. Het scheen dat Marie sliep, maar toen hij zich stil
en voorzichtig uitkleedde, meende hij een verdachte beweging met een
zakdoek te zien achter de klamboe. Nu veinsde hij nog veel meer, te
denken dat ze sliep; sloop op de teenen door de kamer en stapte uiterst
voorzichtig over haar heen, zich langzaam uitstrekkende langs de
achtergrens van het ledikant. En toen hij lag, glimlachte hij tegen de
klamboe en deed zijn oogen dicht....
Zij sliep haast niet dien nacht, hoe krachtig anders de natuur in dit
opzicht haar rechten deed gelden. Het denkbeeld kwam altijd terug in
allerlei vormen; het herhaalde zich onder de meest uiteenloopende
gezichtspunten; en daarmede wisselden haar gevoelens. Wel vijf en
twintig keeren was het toorn en verontwaardiging, volslagen ongeloof
met zelfverwijt, of diepe droefheid.
En des ochtends stond haar besluit nog niet vast.
Bronkhorst zelf had ook slecht geslapen. Des morgens deed hij als wist
hij van niets en als was hij zich nergens van bewust.
„Ik heb een naren nacht gehad,” zei hij geeuwend.
„Ik ook.”
Hij zag haar aan en schrikte er van. Zij zag er ziek en lijdend uit.
„Je bent erg onlekker, dat is zeker. Ik raad je ernstig aan te bed te
blijven.”
„Volstrekt niet.”
„En een leitje te schrijven aan den dokter. Ik zal....”
„Het is niet noodig.”
Zij had een andere kabaja aangetrokken en verliet de kamer. Het was
haar niet mogelijk geweest vriendelijk tegen hem te zijn; het stuitte
haar tegen de borst, hoewel ze weer haar uiterste best deed om alle
geloof aan den inhoud van den brief weg te werpen.
In de achtergalerij, waar het in den vroegen ochtend en bij de bewolkte
lucht nog slechts half dag was, zag ze Betsy aan het koffie-zetten.
„Goeden morgen,” klonk het haar tegemoet met de vriendelijkste
stemmodulatie.
„Goeden morgen,” bracht Marie er met moeite uit. Wat het haar kostte
bedaard tegen dat schepsel te spreken! Ze had haar wel kunnen
vernielen.
„Weer heelemaal beter?”
„Ja.... Zoowat....”
„Komaan, dat is gelukkig. Ik heb hier ’n overheerlijken kop koffie voor
je. Dat zal je heelemaal opknappen.”
Met bevende hand nam Marie den kop aan en ging zitten. Neen, dàt hield
ze toch voor onmogelijk. Zulk een créatuur kon Betsy niet wezen, dat
vond ze bovenmenschelijk. Die brief moest een gemeene leugen wezen, en
zijzelve was schuldig omdat ze Betsy en haar man verdacht. Ze zou en ze
moest zich er tegen verzetten.
„De koffie is overheerlijk,” zei ze vriendelijk.
„Nietwaar?” vroeg Betsy terug, verbaasd en ontstemd over deze
onverwachte en door haar niet gewenschte frontverandering.
„Het scheelt, hoe men ook doet, den eenen dag toch altijd bij den
anderen.”