De oude zweeg, scharrelde wat rond, hier een kleedingstuk anders
schikkend, en dáár wat stof wegslaand.
Betsy was toch nieuwsgieriger, dan ze voorgaf.
„Waarom moest hij het er onder doen?”
Sarinah kwam dicht bij den divan en zei zacht: „Het is tegen haar. Zij
moet elken dag over den steen loopen; dan krijgt ze een tegenzin in het
huis en gaat dikwijls weg; ze wordt er uit gedreven.”
Het is dus, dacht Betsy, en ze kon een glimlachje vol ongeloof niet
onderdrukken, een middel om haar „uithuizig” te maken.
„Het zal mij benieuwen of het gelukt.”
„Dat wil ik u wel zeggen.”
„Zal jij dat nú reeds zeggen?”
„Nu niet, maar straks.”
Toen Marie een uurtje later uit haar kamer kwam, waar ze op haar bed
had liggen lezen, omdat, nu Betsy in huis was, er eenig meer algemeen
toezicht bestond, zat Sarinah tegen het groen geverfde hek, dat langs
de galerij liep, en lette aandachtig op. Haar leelijk gezicht
verhelderde, en zich tot Betsy wendend, die nu ook achter was gekomen
en thee stond te zetten, keek ze deze aan met een voor haar doen
vroolijken grijns. De oude was inderdaad zeer verheugd en tevreden,
want mevrouw Bronkhorst had over den steen geloopen waaronder het
mengsel lag. Het leed nu geen twijfel of het toovermiddel zou gelukken
en zoodoende bedragen tot het bereiken van ’t groote doel.
Sidin telde de door hem bewezen diensten, toen hij ’s avonds met
Sarinah voor zijn deur zat te praten.
„Ik heb het kussen van mijnheer’s bed opengemaakt, er bloemen
ingestoken, kenanga en zo....”
„Het gaat je niet aan, wat het was.”
„Goed. Ik wil het ook niet weten. Toen heb ik het kussen weer
dichtgemaakt.”
„En nu wil je geld hebben.”
„Nog niet. Ik heb al de haartjes van meneer bijeengezocht, toen de
soldaat hem geknipt had, en ik heb ze voor uw zoon in een papiertje
gedaan....”
„Ja, soedah! Wij weten het wel!”
„En nu heb ik weer dat met dien steen gedaan, omdat hij het wilde.”
„Wat wil jij dan?”
„Niets. Ik vraag niets. Ik verzoek alleen om me nu niet langer meer al
die dingen te laten doen. Het komt hoe langer hoe dichter bij. Ik wil
niet krakallen, en ik ben niet brani. Als Ketjil nog eens komt, dan
vraag ik brenti.”
De oude keek hem uit de hoeken van haar oogen met de diepste verachting
aan.
„Je bent minder dan een wijf; dat heb ik al gezegd.”
„Waarom scheldt je me uit? Betaal me liever.”
„Ja, ik zal je betalen!” lachte de oude. „Ik zal je betalen, maar je
zult er morgenochtend niets meer van weten! Ik ga geld voor je zoeken,
beste jongen.”
Werkelijk stond zij op, en ging tamelijk vlug het erf af. Den armen
Sidin brak het angstzweet uit. Hoe had hij ook zoo dom kunnen wezen?
Waarom zoo brutaal te zijn tegen het oude, gevaarlijke mensch? Nu zou
ze, dacht hij, hem zeker vergiftigen. Hij dacht aan de krampen, die hij
weldra zou gevoelen, en aan den dood. Wat zou hij daar stijf en
sprakeloos liggen op de balé-balé, en als zijn vrouw huilde zou hij ’t
niet hooren. In een kwartier stond zijn besluit vast.
De familie zat in de achtergalerij.
„Mevrouw moet niet kwaad wezen”, zei hij, regelrecht naar Marie gaande,
„ik vraag mijn ontslag”.
Zij keek er vreemd van op.
„Waarom?”
Hij wist niet wat te zeggen.
„Mijn vader is ziek.”
„Dat jok je. Je hebt geen vader, want die is al lang dood.”
„Ik bedoel den vader van mijn vrouw.”
„Die is ook niet ziek”, zei Betsy, „want ik heb hem daar straks nog met
zijn grobak zien loopen.”
„Je behoeft niet te liegen” merkte Bronkhorst aan op bemoedigenden
toon. „Je kunt immers gerust de waarheid zeggen. Wij willen je wel
ontslag geven, als je het vraagt. Wij willen alleen maar weten,
waarom.”
„Ja,” bevestigde Marie, „wij willen weten waarom.”
Maar Sidin zat verschrikkelijk in den knoei, want zóó kon hij niet
liegen of de waarheid bleef altijd nog minder verkieslijk. Ten einde
raad en zenuwachtig, zei hij:
„Ik ben bosèn van mevrouws gezicht.”
Betsy had moeite om er ernstig bij te blijven; Bronkhorst fronste de
wenkbrauwen en keek in zijn courant; Marie was woedend en gaf den
delinquent de volle laag. Zoo’n brutale kerel, zoo’n smerige inlander,
durfde haar dat te zeggen! Het was ongehoord. Dadelijk moest die
gemeene vent de deur uit; op staanden voet!
Sidin zei niets meer, ’t was alles wat hij verlangde, maar zijn
afrekening viel hem tegen; hij had gedacht iets te ontvangen en hij
bleef, integendeel, nog schuldig. Het noopte hem nog eens om te zien
naar Sarinah en de oude om geld te vragen, doch het hielp niet; ze
antwoordde hem niet eens, en ten slotte verliet hij met zijn vrouw en
zijn weinig waardeloos goed, den dienst, met een geleenden halven
gulden in den zak.
Sarinah was blij, dat hij weg was. In zijn eigen belang zou hij den
mond wel houden, en overigens was hij een akelige jongen, tot niets in
staat; zij dacht, dat zij wel dwaas zou geweest zijn, als zij dien
kerel iets had gegeven. Hij had gedaan, wat hij doen moest. De rest,
waarop het vooral aankwam, zouden ze zelf wel doen.
Maar of ze werkelijk iets belangrijks deden of niet, wist Betsy niet
met zekerheid. Wel zette zij haar spel voort, telkens als zij kon met
Bronkhorst coquetteerend, en ze zag dat hij steeds zeer met haar bleef
ingenomen. Maar verder kwamen ze niet. De eene dag verliep na den
anderen, en er gebeurde niets, dat eenigszins wees op een serieuze
verandering.
„Het is allemaal gekheid,” knorde zij tegen de meid. „Het is geld in
het water gooien, anders niet.”
Maar Sarinah hield vol. ’t Was de dag niet. Alles moest zijn tijd
hebben, en het zou nu niet lang meer duren.
Het was natuurlijk weer op een ongelegen oogenblik, en toen Betsy er
het minst om dacht, dat er „iets” moest gedaan worden. „Zoudt u niet
wat lekkere kwee-kwee maken?” vroeg de oude.
„Neen, nèh! We hebben nu geen tijd, dat weet je wel.”
„Het is toch de goede tijd.”
„Wat praat je? Van avond is er een diner, en daarna blijven de gasten.”
„Ik weet wel dat mevrouw jarig is, en dat alles besteld is in de groote
stad, en dat die dronken Europeaan komen zal om alles in beweging te
zetten.”
„Nu, wat wou je dan?”
„Het is de goede dag vandaag. Dezen Dinsdag moet u een schoteltje maken
voor mijnheer. Er moet iets in.”
„Ik wil niet, ik doe het niet.”
„Dat behoeft ook niet; dáárvoor zal ik wel zorgen. U kunt zoo lekker
kwee-kwee maken, en daar houdt meneer zoo van.”
„Ik.... ik.... kan.... Nu, ’t is goed. Straks na de rijsttafel. Ga nu
maar weg.”
„Zou je niet ’n uurtje gaan slapen van middag?” vroeg haar Bronkhorst
onder het eten.
„Dansen we dan van avond?”
„Ik weet het nog niet. Wil je graag?”
„Hm, hm!”
„Welzeker”, stemde Marie toe. „Zij is nog jong genoeg om wat pret te
maken. Maar ik vind ook, dat ze dan van middag wat slapen moet. Ik doe
het ook; het wordt waarlijk anders te vermoeiend.”
„Natuurlijk!” zei Bronkhorst.
„Ik weet hoe doodaf ik was, dien avond van de Borne’s.”
„Nu, ik zal ’n oogenblik gaan uitrusten, want slapen kan ik toch niet.”
„Ik ook niet, en ik moet bovendien vandaag op ’t kantoor wezen.”
Doch Betsy ging in plaats van naar haar kamer, naar de keuken. Zij
maakte haar deeg zoo goed als de beste banketbakker, en ze deed de
kwee-kwee’s in de kleine vorm-schoteltjes, waarin zij bereid en waaruit
ze naderhand gegeten werden. Sarinah stond er bij.
„Keer u eens om”, zei ze, „u moogt niets zien.”
Met groot genoegen en kloppend hart gehoorzaamde Betsy haar baboe. Hoe
minder zij er van zag, hoe liever, want de vrees kon zij niet van zich
zetten. De oude wierp een poedertje in het deeg van een der vormpjes,
roerde het door met een houtje en hield het afzonderlijk.
„Wees voorzichtig! Tjampoer het niet met de anderen.”
„Kan men het niet proeven?”
„Neen.”
„Wat is het, nèh?”
„Ik weet het niet.”
„Ben je gek! Moet je dan zoo stom wezen om er iets in te doen, zonder
dat je weet wat het is?”
„Ik heb het van mijn zoon gekregen.”
„Poeah! Dat is ook wat!”
„Dat is voldoende; het is zijn geheim, dat niemand aangaat, omdat het
van hem is.”
„Het zal toch geen vergif zijn?”
„Mijn zoon is geen karbouw; hij heeft ook geen hoofd als een garnaal.”
„Och, je zoon.... je zoon!”
„Nonna moet nu niet zoo bang wezen; het is alles heel goed. Laat nu de
kwee-kwee maar lekker zijn voor meneer. Ah! zoo lekker!”
Betsy moest er om lachen. Het was toch een dier, die oude! En ze bakte,
op een zacht houtvuur, ’t schoteltje lekkers heel zorgvuldig tot de
bovenlaag ’n beetje steviger werd, de gele kleur wat zwaarder kleurde
in het midden, aan de kanten uitloopend in een fijn lichtbruin tintje,
dat hier en daar als kantwerk aanzette tegen den rand van het vormpje.
„Dan heb je ook niet geslapen”, zei Bronkhorst, toen hij het gebak
kreeg bij zijn thee.
„Ik zou me er over beklagen!”
„Toch wel. Je weet ik vind die kwee-kwee goddelijk, maar ik had ze
graag willen ontberen, als ge wat rust hadt genomen tegen van avond.”
„Gekheid, ik kan er best tegen.”
„Nu, dan moet je het ook maar zelf weten,” zei Marie, „ik voor mij ben
er niet rouwig om.”
En met wellust zette zij haar witte tanden in het smakelijk product van
de bakkunst harer huisgenoote.
’s Avonds, toen tegen acht uren de gasten kwamen, zat de familie in
groot tenue in de voorgalerij. Cadeautjes had Marie niet veel gehad
voor haar verjaardag. Bronkhorst had haar een aandeel in een
prauwenveer geschonken, gelijk hij elk jaar deed, en „voor de
aardigheid” een gouden sieraadje er bij; Betsy had een prachtige
kabaja, drie kwart borduurwerk, gegeven, de kinderen kleine geschenken,
die naderhand op de huishoudelijke toko-rekeningen paraisseerden, en
daarmee was het uit; de vreemden bepaalden zich tot hun hartelijke
felicitaties.
Reeds aan het diner kwam de vroolijke toon van de vorige maal, opgewekt
door de herinnering, doorschemeren. Betsy en Bronkhorst zaten ver van
elkaar af. Daartegen was niets te doen geweest, aangezien Marie zelf de
plaatsen had geregeld, waardoor de jonge weduwe tusschen den controleur
en een ander celibatair kwam te zitten, terwijl aan het hoofd van de
tafel Bronkhorst zijn best deed om de vrouw van den resident te
amuseeren, wat hem niet gelukte, omdat dit vrouwelijk hoofd van het
gewestelijk bestuur geweldig jaloersch was van de luxe, die bij den
notaris werd tentoongespreid, en dit door allerlei hatelijke
zinspelingen toonde.
Het was opvallend hoe Bronkhorst, later op den avond, zijn schade
inhaalde; hij was haast voortdurend bij Betsy of in haar naaste
omgeving; iedere gelegenheid gebruikte hij om haar toe te spreken, zich
daarbij in allerlei fraaie houdingen opstellend, en buitengewoon
vroolijk lachend.
„Zou hij?”.... vroeg de controleur aan den dokter.
„Ik geloof het niet,” antwoordde deze, met zijn sterk vreemd accent.
„Het heeft mij nog nooit gefrappeerd.”
„Nou maar, van avond is het nogal in het oogloopend.”
„Ja, het is sterk.”
„Er zijn meer lui, die er over spreken. Van zoo’n soliden kerel als
Bronkhorst begrijp ik het niet.”
„Het is misschien maar schijn.”
„Schijn? Het is mogelijk, maar juist voor den schijn moest hij zich
wachten.”
Maar schijn of niet,—het veelhoofdig monster der kwaadsprekendheid had
zijn werk begonnen, en het deed dat met te grooter ijver, naarmate de
patiënt door zijn positie en zijn fortuin meer op ’t kleine plaatsje in
het oog liep.
Evenmin als zijn kunst het leven van den Ekster had kunnen redden, was
’s dokters tegenspraak in staat diens weduwe te beveiligen. En zoo
Betsy niet veel goeds verdiende,—in geen geval was ze wat men van haar
zei.
Want, beminnelijk als altijd, trok de goede genius van den laster
dadelijk de grofste conclusiën, en waren het de fatsoenlijkste
menschen, die het eerst de gemeenste gevolgtrekkingen maakten. Het
werd, echter, alles slechts „gefluisterd.” Vooral wilde niemand de
zegsman wezen, en de controleur bezocht den ochtend na de partij den
dokter om dezen te verzekeren, dat als hij, controleur, eenig vermoeden
had geopperd den avond te voren, de dokter daarover in geen geval tegen
iemand mocht spreken. En de jonge vreemdeling, die reeds genoeg kijk
had op sommige eigenaardigheden in onze samenleving, wist in zijn
gebroken Hollandsch aan zijn enkele dames-patiënten met een
geheimzinnig gezicht en een beteekenenden glimlach wel zooveel te
vertellen, dat ze wisten, wat hij bedoelde, zonder dat hij iets had
gezegd.
De dames waren diep verontwaardigd, de heeren zeiden niets tegen de
beschouwingen en commentaren hunner echtgenooten, maar lachten onder
elkaar er over in de sociëteit, en noemden Bronkhorst, die zich van dat
alles niets bewust was, „’n leuken kerel” en „’n snoeper”, en velen
bekenden ronduit, dat als een hond ’n beentje vindt, het zeer
natuurlijk is, dat hij er aan ruikt, en als „bovenbedoeld” beentje aan
„gezegden” hond bevalt, het niet minder natuurlijk is, dat hij er aan
kluift.
Maar bij hun dames durfden zij met die ruik- en kluif-theorie niet voor
den dag komen. Voor een decentralisatie-geest was onder de voorstanders
van een persoonlijk monopolie geen ruimte.
Ze sliepen lang, den ochtend na de partij. De geheele dag was eigenlijk
verloren. De notaris liet op ’t kantoor den boel maar zoowat aan zijn
personeel over; Betsy bemoeide zich al even weinig met het huishouden
als Marie, die ook te moe was en bovendien van het dansen geweldige
kramp had in haar beenen. Eerst tegen de rijsttafel kwam men op het
„alignement”, zooals oom Borne zou gezegd hebben.
Men was nog loom, en lag in gemakkelijke stoelen zoowat pratende over
de partij.
„Een zeer geréusseerde,” had Bronkhorst haar genoemd.
„Dat zijn ze hier altijd,” zei Betsy.
Marie was opgestaan. Ze moest toch even naar de keuken, want het kon,
naar haar meening, anders niet heelemaal goed gaan.
„We hebben gisteravond veel gedanst,” vervolgde Betsy.
„Te weinig,” antwoordde Bronkhorst zich uitrekkend, en haar glimlachend
aankijkend.
„Te veel,” sprak ze tegen met een stemmodulatie, die evengoed kon
beteekenen, dat zij het aangenaam vond, als dat ze het afkeurde.
„Zou het te veel kunnen zijn?”
„Zeker. Wat moeten de menschen wel denken, als we den heelen avond
dansen!”
„Den heelen avond?”
„’n Groot gedeelte ten minste.”
„Wel, wat kan men denken? Hoogstens toch, dat ik graag met je dans, wat
voor een zoo goede danseuse geen buitengewone voorkeur mag heeten.”
„Nu ja, dat is maar gekheid.... Ik weet wèl, dat er op gelet is.”
„Door wie?”
„Ja, dàt weet ik nu niet precies, maar ik heb ’t toch in het algemeen
bemerkt.”
„Verbeelding!”
„Toch niet!”
Langzaam wipte ze in haar stoel op en neer, achteroverliggend tegen de
leuning, ’t hoofd een beetje ter zij; en ze keek hem aan met haar
fluweelachtige oogen, zoodat het hem te moede werd, als lag hij onder
de verplichting haar het hof te maken, en als zou het van een
onverantwoordelijke „droogstoppel”-natuur hebben getuigd zich zonder
meer zóó te laten aankijken door zulke oogen. Het was geen
verliefdheid, die hem haar hand deed vatten en hem het meest
don-juannisch gezicht deed trekken, waartoe hij in staat was; het was
sexueele ijdelheid. Hij „kon” daar toch niet tegenover zulke
appetissante vruchten blijven zitten, alsof hij, ’n knap, kloek man in
de kracht zijns levens, daarvoor niets meer gevoelde. Reeds meermalen
had hij aan zichzelven bemerkt, dat als zij hem niet op de een of
andere wijze in verzoeking bracht, hetzij door haar houding, hetzij
door een woord of een blik, hij zich minder tot haar aangetrokken
gevoelde. Maar als zij met hem coquetteerde, dan was hij gauw gevangen,
en dan was het vooral zijn ijdelheid, die hem aandreef tot meedoen, en
die de begeerte in haar gevolg voerde.
Hij had haar hand in de zijne genomen en streelde die, terwijl hij haar
diep in de oogen keek.
„Kom,” zei hij zacht, „ik beloof beterschap.... in gezelschap; maar
laat me dan ’n heel klein beetje wraak nemen.... onder vier oogen.”
„Me dunkt, je bent al druk bezig.”
De slofjes van Marie tikten op de trap:
„Jean, kan het eten worden opgedaan?”
Juist kuste hij de hand van Betsy; hij liet die snel los en richtte
zich kennelijk eenigszins verschrikt op; zij bleef onbeweeglijk en
onverschillig in haar wipstoel liggen.
„Wat mij betreft wel,” antwoordde hij, en men kon ’t hooren aan zijn
stem, dat hij verschrikt was.
„Bah!” dacht Betsy, „hoe bête is toch ’n getrouwd man, als hij vreest
door z’n vrouw betrapt te worden op ’n kleinigheid!”
Doch ze toonde niet, dat ze zijn schrikken kinderachtig vond.
Integendeel ze bleef haar stille tactiek volgen, en zij nam daarbij
evengoed haar voorzorgen tegen ontdekking. Zóó ontstond langzamerhand
tusschen Betsy en Bronkhorst een verhouding, die hij somtijds erg dwaas
noemde, maar welke hij, zonder een daad van groote brutaliteit, niet
kon veranderen, en die hij toch wel aardig vond, ofschoon erg jeugdig.
Zij grepen elke gelegenheid aan om elkaar aan te raken; hier en daar,
bij toevallige ontmoetingen, werden handdrukken gewisseld; soms als zij
’s avonds over een der zijgalerijen liep en het was er donker, gaf hij
haar een kus. Maar daarbij bleef het. Ze dachten, althans Bronkhorst
meende, dat niemand ooit een en ander zag; nu, Marie was zich zeker van
niets bewust, maar de inlandsche bedienden hadden er onder elkaar het
grootste genoegen over, en ze zagen en wisten heel goed, dat meneer,
terwijl hij aan tafel met het onschuldigste gezicht het woord voerde,
onder tafel met zijn voet, tegen of op dien van iemand anders, een
soort van telegraphische gemeenschap uitoefende.
Ze hadden het ’s avonds daar altijd over in de bediendenkamers; het was
een grap van belang!
Het werd nog gemakkelijker toen er logé’s kwamen: ’n getrouwd
menschenpaar uit het binnenland, met twee kinderen. Dat gaf meer drukte
dan ooit en absorbeerde de dames haast geheel. Maar het schonk ook
juist door de drukte een groote vrijheid, die Bronkhorst niet
ongebruikt liet. Soms had hij ’t land aan zichzelven en kreeg hij ’n
bui van bijzondere liefheid tegen Marie, die hem liet begaan, zich
glimlachend verbazend over het feit dat hij nog zoo mal kon zijn. Doch
hij had ook aanvallen van ongeduld, en dan was hij kregel, vooral tegen
Marie. Zij trok er zich maar weinig van aan; zij schreef het toe aan
slechte spijsvertering of overmatige drukke bezigheden op ’t kantoor.
Dat ging weer voorbij, en als hij ’s ochtends een erg nurksche bui had
gehad, dan maakte zij ’s avonds een lekker schoteltje gestoofde
pruimen; daar hield hij van, en dat was gezond! Zeker was het, dat hij
van overwerken geen last had. Hij deed het onvermijdelijke op ’t
kantoor, maar liet meer dan vroeger over aan zijn personeel. Terwijl
hij vroeger gaarne heel veel zelf deed, omdat de tijd dan aangenamer en
gauwer voorbijging, stelde hij tegenwoordig prijs op vrije
kwartiertjes, waarin hij niets deed dan aan Betsy denken. Als hij het
huis binnenkwam, was zijn eerste blik voor haar. Vroeger had hij de
gewoonte Marie te kussen bij het gaan ’s morgens en het komen ’s
middags. Zachtjes aan had hij dat afgeschaft. Als zijn aanvallen van
liefheid voor haar, die thans een anderen meer prozaïschen grond hadden
dan vroeger jaren, voorbij waren, was zij hem volkomen onverschillig.
Marie had die geleidelijke verandering niet getroffen. Vooral nu zij
logé’s had, was ze te zeer geoccupeerd met haar huishouden en de keuken
om zich veel te bemoeien met de caprices van haar man. Daarbij, ze
voelde geen zweem zelfs van verdenking. Zijzelve was zulk een volkomen
brave en fatsoenlijke vrouw, die zelfs nooit in gedachte een der tien
geboden overtrad; zij was altijd zoo geheel vrij van bijoogmerken, als
ze stond tegenover derden, dat ze anderen naar zichzelve beoordeelde en
nooit of nimmer iemand van boosaardige bedoeling of „slechtheid”,
zooals zij het noemde, verdacht. Natuurlijk hoorde zij dikwerf verhalen
van andere dames over echtelijke ontrouw, zedeloos gedrag en
onkuischheid; maar zij hoorde het niet graag; het deed haar onaangenaam
aan, en ze keek onder het aanhooren zoo vreemd, alsof men haar dingen
meedeelde uit een andere wereld. En ze dankte God, als het uit was,
want ’t hinderde en ergerde haar. Soms als er een slachtoffer was, dat
haar medelijden opwekte, kon ze met groote verontwaardiging uitvallen,
en dan sprak haar toorn uit elken trek van haar goedhartig gezicht; dan
had ze de „slechte” hem’s en haar’s wel hoogst eigenhandig een pak
kunnen geven. Doch over het algemeen liet het haar koud en
onverschillig. Wat gingen haar die nare, vieze menschen aan met hun
eeuwig geknoei!
Betsy daarentegen hoorde nooit iets liever. Van al die verhalen genoot
zij, en ze vond het heerlijk, als, zoo ’s morgens, dames te visite
kwamen in sarong en kabaja, die dadelijk allerlei onderwerpen,
betrekking hebbend op ’t sexueel verkeer, bespraken; heel ernstig soms,
over bevallingen met al wat daaraan gewoonlijk was verbonden of onder
buitengewone omstandigheden kon verbonden zijn; heel grappig dikwerf,
als er hier of daar ’n nieuw schandaaltje was voorgevallen, of ’n oud
schandaaltje weder eens met een: „Weet je nog wel!” opnieuw kon worden
verteld, bijwijze van een zooveelsten door den auteur opnieuw
verbeterden en van fraaie illustratiën voorzienen herdruk!
Terwijl dit alles zijn gewoon verloop had, bleef Sarinah haar
betooveringsmiddelen aanwenden met volharding en onwankelbaar geloof.
„Het wordt nu tijd voor het groote middel,” zei ze op een avond tegen
Betsy.
„Zoo! Ik dacht dat je zoon daarvoor zoo’n verre reis moest doen.”
„De tijd gaat voorbij, nonna merkt het niet. Zij speelt maar met de
muis, en ziet niet hoe de tijd verloopt.”
„Je zanikt, nèh! Ik zie het heel goed.”
„Mijn zoon is al geweest; hij is gisteren teruggekomen.”
„Nu, dat is vlug!”
„Hij is er toch geweest.”
„Ja, ik geloof het wel, maar het is toch heel vlug. Er zijn dingen, die
minder vlug werken.”
„Ik weet het niet.”
„Nu, ouwe, houd je maar niet zoo dom. Wat moest dat geknoei onder dien
steen?”
„Het behoort er bij.”
„Malligheid, nèh! Het moest haar uithuizig maken.”
„Dat zal het.”
„Ha, ha! Jullie bent toch zoo dom! Uithuizig. Ik heb haar nog nooit zoo
hokvast gezien als tegenwoordig.”
Sarinah kon het niet geheel ontkennen; ze had echter wel een uitvlucht.
„Het is zeker nog de tijd niet....”
„Het is de tijd wèl! al lang, dat weet jij ook heel goed, nèh. Als het
de tijd niet is, dan wordt het die nooit.”
„Laat maar. Het komt terecht!”
„Nu ja!”
„Is het dan al niet verwonderlijk genoeg? Hoe is hij geworden nadat hij
de kwee-kwee had gegeten? Hoe was hij reeds denzelfden avond!”
„Ja.... dàt nu wel. Maar op haar schijnen jou duivelskunsten geen
invloed te hebben.”
„Het zijn geen duivelskunsten. En al waren ze het. Men moet allen
vreezen en eeren, de kwade zoowel als de goede geesten.”
„Mooi hoor!”
„Het is betoel. Waarom zouden wij niet? Een mensch is maar zwak. Hij
kan evenmin tegen de kwade geesten op als tegen de goede. Zij zijn hem
toch te machtig! Als hij de goede vraagt om hem te helpen, waar het
noodig is, kan hij het den kwaden ook wel doen.”
De oude had het snel afgerateld, met een stem alsof ze haar mond vol
losse tanden had. Vermoeid en naar adem happend hield ze op.
„Jij kletst maar wat,” zei Betsy met minachting.
„Soedah! wij zullen zien!”
Inwendig was de oude zeer boos. Niet om den verachtenden toon, waarop
tegen haar werd gesproken, dàt was zij zoo gewoon, en het hinderde haar
in ’t geheel niet; maar ze moest erkennen, dat Betsy gelijk had, en
daar kon ze niet tegen.
Wie aan de werking van de goena-goena met al wat daartoe behoorde,
twijfelde, kwam aan een gevoelige plaats in den beperkten
gedachtenkring der grijze inlandsche vrouw. Zij vroeg ’n kwartier later
permissie om uit te gaan, ofschoon het reeds laat was, en ze liet een
kar zoeken om naar haar zoon te rijden. Met moeite kreeg zij bij den
eenigen Chinees, die voertuigen verhuurde, er nog een. Zij had bijna
ruzie met Ketjil.
„Ik moet er afzonderlijk voor betaald worden,” beweerde hij.
„Dat is niet waar. Het is onbeschoft mij dat te weigeren. Je hebt er
waarlijk genoeg aan verdiend.”
„Het is wat!”
„En ’t kan me niet schelen, maar ik moet het hebben en je krijgt er
geen duit voor.”
Het scheen dat hij met zijn moeder niet wilde twisten, want brommend en
met die overdreven langzaamheid, waarmede de inlander iets doet, dat
hij liever niet deed, haalde Ketjil een stopfleschje uit een kleine
kast, wierp eenige harde korrels en stukjes gelijk boombast in een
steenen potje, en wreef het met een dito stamper tot fijn poeder.