Betsy had het met die partij volhandiger dan met de geheele

overplaatsing van de Borne’s. Zij kon lekker gebak maken, en dat wist

Marie, die er haar duchtig had voorgespannen. Den halven dag zaten ze

samen in de keuken, bakkend, pratend en lachend en elkaar onderwijzend,

de een in de geheimen van de Hollandsche, de ander in die van de

Indische kook- en bakkunst. Betsy vond het wel aardig, zóó zelfs, dat

zij er van tijd tot tijd al haar plannen en voornemens door vergat.

Alleen als Bronkhorst naar achteren kwam, en hij deed dat in die dagen

zeer dikwijls, dan rezen ze weer in haar op, soms met grooten twijfel,

een andermaal met een gevoel van vrees. En dan overmande haar wel eens

het voornaamste idée; ze kon het zich niet voorstellen, dat zij

tegenover hen stond met de vaste bedoeling twist, tweedracht en

scheiding tusschen hen te werpen, om zelve..... Toch werd het

begeerlijker in haar oogen, nu ze mede genoot van het vooral materiëel

zoo lekker leven, maar ze durfde zich er nauwelijks indenken, ’s Nachts

hield het haar dikwerf wakker, en soms droomde ze daarna van Den

Ekster, wiens dansend hoofd haar dan voor de oogen huppelde, zóó

duidelijk, dat ze elken trek van het gelaat allernauwkeurigst zag. Dat

werd haar een schrikbeeld!

De gang, die van de achtergalerij naar de bijgebouwen liep, was den dag

vóór den feestavond haast niet te passeeren, zoo vol stond ze met

tafeltjes, beladen met eet- en drinkwaren. Men had aan een en ander „de

laatste hand gelegd”, en nu was ieder in zijn kamer zich aan het

kleeden.

Voor de groote psyche stond Betsy in haar onderrok en met, over het

korset, een wit lijfje, waarvan de korte mouwtjes en de lage hals door

een fijn strookje omzoomd waren. Langzaam egaliseerde zij met een

patte-de-lapin de bedaq van Sarinah op haar wangen, en zorgvuldig

bestreek ze haar wenkbrauwen met een weinig minjaq bermanis; ze kon

toch niet nalaten te glimlachen. Wat zou het toch eigenlijk uitwerken?

Maar dáárin had de oude gelijk: zij was, zonder dat ze er om gevraagd

had, reeds hier in huis en zou er blijven.

Zij hoorde iets onder haar venster, buiten op het erf; ’t was net het

gemompel van de oude meid, dacht ze. Het was haast halfzeven en het

laatste daglicht verdween aan de heldere lucht, den horizon zettend in

een gloed vol kleuren. Op haar teenen ging ze naar het raam, drukte

zacht tegen de stores, zoodat die met ’n kier opengingen, en keek naar

buiten. Ja, waarachtig, daar zat de nènèh onder haar venster, en voor

haar knieën braadde iets; het was stanggi, waarvan de rook lustig

omhoogkrulde. Geen ander sterveling had kunnen verstaan, wat de oude

zeide, als zij, zich telkens vooroverbuigend, haar gezicht stak in den

opstijgenden rook, en daarin een woord prevelde. Maar Betsy wist het.

Zij had ook dáárvan wel eens gehoord; zij wist dat Sarinah telkens in

dien rook den naam uitsprak van Bronkhorst, om hem aan te roepen

spoedig te komen tot haar, die hem wilde ontvangen.....

Zonder geruisch deed Betsy het venster dicht, en onwillekeurig zuchtte

zij. Ze kon het niet helpen, maar zij geloofde er toch aan; het was

sterker dan zij.

Toen de oude haar stanggi gebrand, en haar „werk” daarbij verricht had,

strompelde zij steunend naar achter, waar Sidin bezig was zijn toilet

voor den avond te maken: zijn beste hoofddoek, een mooie kain, en het

livreibaadje,—hij zag er uit als een „heer”, en bezag zich met

welgevallen in een oud, verweerd stuk spiegelglas.

Sarinah riep hem, en daar schrikte hij zóó van, dat hij ’t spiegeltje

haast liet vallen. Hij volgde haar.

„Ik moet iets van je hebben.”

„Wat?” vroeg hij, groote verbazing veinzend om zijn vrees te verbergen.

„Haren van meneer.”

„Die hebt ik niet.”

„Je moet toch zorgen, dat ik ze krijg; mijn zoon heeft het gezegd.”

„Ik.... zal probeeren.”

De oude kwam dicht bij hem met haar gerimpeld gezicht, en haar

tandelooze mond raakte haast zijn oor.

„Zorg er maar voor! Zoo gauw als je kan.”

De oude zelf sukkelde verder het achtererf op om haar gezicht en handen

te reinigen aan den put. Daarna ging zij in de kamer van Betsy, die

zich woedend stond te maken om een speld, welker niet door de harde

weerbarstige zijde wilde van een strikje, dat ergens op haar kleed

moest vastgemaakt worden.

„Waar zit je toch, nèh? Je hadt hier moeten zijn om me te helpen

kleeden.”

„Nonna heeft niet geroepen.”

„Houd je mond maar, en maak dit vast.”

Met meer handigheid, dan men zou verwacht hebben, hielp Sarinah haar

meesteres, en toen ze daarmee gereed was, ruimde zij de toilettafel op.

In den schildpadden kam zat een bos lang zwart haar. Voorzichtig haalde

de meid heb er uit en deed het in ’n stuk van een oude courant.

„Wat voer je nou uit?”

„Ik weet het niet, maar het moet.”

„Je bent mal.... Moet je dat haar meenemen?”

„Ja. Mijn zoon heeft het gezegd. Ik moet haar hebben van nonna en van

mijnheer.”

„En dan? Wat moet er mee gebeuren?”

„Dat weet ik niet; het hoort er bij.”

Een boodschap van Marie brak alle verdere navraag af. Zij had zulk een

onhandige meid, en daarom liet ze vragen of Betsy haar even wilde

helpen, want Sarinah kon zij niet uitstaan. Terwijl Betsy aan dat

verzoek voldeed, maakte zij bij zichzelve eigenaardige

gevolgtrekkingen. Zij was jaloersch op mevrouw Bronkhorst. Zij wist dat

in gezelschap zij, Betsy, heel wat schitterender figuur maakte, en toch

zag ze, dat Marie verborgen schoonheden had, die de hare overtroffen;

dat hinderde haar geweldig, want als alles meeliep, dan zouden dat

après coup punten van vergelijking worden, die in haar nadeel

uitvielen.

Het werd in de ruime voorgalerij langzamerhand vrij vol. De notaris was

kwistig geweest met zijn uitnoodigingen. Bij deze gelegenheid kon het

hem niet schelen of er dertig of zestig gasten kwamen. Hoe meer zielen,

hoe meer vreugd. Marie en Betsy namen de honneurs waar tegenover de

dames. Jean zorgde voor de heeren. De spelers, de makke schapen, zaten

spoedig rustig om hun tafeltjes; de rest vormde een bonte rij om de

gezelschapstafel, en daar ging het vroolijk toe. Wat later op den avond

sloeg Bronkhorst een toost met champagne. Zijn woorden van vriendschap

waren goed gemeend, want hij hield veel van de Borne’s; de kapitein was

aangedaan, zijn vrouw schreide; de aandoening reflecteerde als altijd,

tot op menschen, wie het heele geval niets kon schelen. De kapitein

kuchte en hemde een oogenblik, antwoordde kort maar krachtig en zonder

haperen, en werd met opgewonden toejuichingen begroet. Er kwam

„stemming” onder de gasten; dat deden de aandoening en de champagne. De

dames hadden er ook van meegedronken, en kwamen daardoor meer uit de

plooi. Mevrouw Bronkhorst zag wel, wat het onuitgesproken verzoek was

van velen; ze liet de bedienden ruimte maken in de binnengalerij, ging

zelve voor de piano zitten en attaqueerde een wals van Strauss, die de

voeten van een doode in beweging zou gebracht hebben. Er werd haastig

opgestaan; armen werden gepresenteerd; paren kwamen binnen; de dames

wiegelend op haar heupen, het hoofd achterover, haar waaiers bewegend,

gereed als strijdrossen, die het eerste kanonschot hoorden vallen. En

ze draaiden rond op de maat, niet altijd in de maat. Soms sukkelde een

paar ’n oogenblik door onvereenigbaarheid van voetbeweging, als de eene

partij behoorlijk in drieën walste en de andere het niet verder kon

brengen dan tot een springen à deux temps.—Daar waren er, krukken, die

als wanhopigen draaiden, maar met geen mogelijkheid van hun plaats

konden komen; anderen, al een beetje meer geoefend, maar toch nog niet

op de hoogte, die den omtrek van den cirkel te kort namen; sommige pur

sang Europeanen, nog niet lang in Indië, die echter lange beenen

maakten en door de zaal vlogen alsof satan zelf hen op de hielen zat,

terwijl geurmakers met uitgestrekten linkerarm den rechter hunner dames

op en neer bewogen, als waren het pompzwengels. Maar het meerendeel

walste Indisch, dat is rustig, netjes in drieën, zonder drukte of

zweetuitdrijvenden spoed.

Slechts weinigen waren blijven zitten. Ook vele spelers waren op het

alarmsignaal van den Oostenrijkschen musicus het geliefkoosde kaartspel

der Mooren van Grenada ontrouw geworden. Een partner van den kapitein,

die juist groot casco had geannonceerd, wierp de kaarten neer,

excuseerde zich en liep weg om te gaan dansen. Eerst keek Borne met

geweldige verontwaardiging den onverlaat na, maar toen bedacht hij

zich; het was een partij ter zijner eere en hij mocht zich dus niet

boos maken; van twee kwaden het beste kiezend, klopte hij den

overgebleven derden man vroolijk op den schouder,

„Ajo, laat ons de oude beenen ook nog eens van den vloer gooien!”

„Komaan, kapitein, ga je ’reis ’n walsje meedoen?”

„Waarachtig!” zei Borne, de overgebleven dames monsterend met

kennersblik; „maar ik moet een dikkerd hebben: die staat stevig op de

beenen.”

Na den wals bleef het musiceeren aan den gang; ’t werd hoe langer hoe

geanimeerder; de dames zongen: na een vroolijk wijsje, hoorde men op

muziek gezette minneklachten van Heine; sommige heeren, wier muzikaal

sentiment was opgewekt, doch die slechts één Duitsch lied machtig

waren, hadden reeds in de Germaansche taal al neuriënd verteld, dat zij

niet wisten, wat het beteekenen moest, dat zij zoo treurig waren, maar

de groote meerderheid vond de Loreley voor dezen kring te ordinair; het

Märchen kwam niet tot zijn recht!

Betsy was de vroolijkste van allen; haar oogen schitterden; haar wangen

gloeiden; zij gevoelde een opgewondenheid, die haar zelf nu en dan

eenige vrees aanjoeg; ’t was haar of zij zich tot alles in staat

gevoelde, haar plannen kwamen krachtiger dan ooit op den voorgrond; zij

zou hem hebben en ze moest hem hebben, coûte que coûte! ze gevoelde

iets van de kracht eener overtuiging, die zich door geen belemmeringen

wil laten terughouden; zij had gedanst met Bronkhorst, heerlijk! Ze

hield meer van hem dan ooit, en, dat voelde ze, haar invloed op hem won

aan kracht; zij had de zekerheid te zullen slagen, en dat maakte haar

overmoedig.

„Zing nog eens!” vroeg men haar.

Dadelijk stond ze op, ging naar de piano en greep een der muziekboeken.

Als altijd ging Bronkhorst mee om ’t blad om te slaan. Een oogenblik

zocht ze, wierp toen ’t boek open, keek hem glimlachend aan, met iets

uitdagends in de oogen, en zong met sterk sprekende accentuatie het

lied van Carmen:

L’Amour est enfant de Bohême

Il n’a jamais connu de loi,

Si tu ne m’aimes pas, je t’aime

Si je t’aime, prends garde à toi!

Hij lachte er om in zichzelven; hij vond het verrukkelijk aardig; maar

de verre strekking begreep hij niet; hoe had hij aan zoo iets kunnen

denken!

Het lied werd luid toegejuicht, doch niemand had er op gelet, dat het

was gezongen met een voor zulk een tekst àl te sprekend brio, en toen

Betsy weer naar voren kwam, las zij op aller gelaat slechts

ingenomenheid en tevredenheid.

„’t Was zéér mooi, mevrouw,” riep een der gasten vol vuur.

„Ja, ze kan het wel,” bevestigde oom Borne, en hij kneep haar in de

wang. „Als ze maar wil.”

„Ik ben blij, dat het iets heeft bijgedragen tot het algemeen genoegen.

Het is een recht feestelijke avond.”

„Ik ben er waarachtig mee verlegen,” zei de kapitein. „In geen jaren

heb ik zoo’n royale fuif bijgewoond.”

„Dames en Heeren!” klonk de stem van Bronkhorst midden uit een groepje,

en een glas champagne rees weer omhoog: „ik stel voor dit glas in het

bijzonder te wijden aan het welzijn en het geluk van onze geachte en

geliefde vriendin, mevrouw Borne!”

Een daverend „hiep, hiep, hiep, hoerah!” klonk door de voorgalerij en

deed de paarden opschrikken, die voor de rijtuigen op het erf wachtten;

de koetsiers sliepen door.

Betsy ging ook naar de groep en dronk dapper mee op de gezondheid van

haar tante.

„Het spijt me ’t meest voor haar,” zei de kapitein tot den gast, die

Betsy had gecomplimenteerd en bij hem was blijven staan, „Wij houden

zooveel van haar, alsof ze onze eigen dochter was; Geloof me,” voegde

hij er bij met grooten ernst, en met het gezicht van iemand die zijn

onderwerp volkomen onder de knie heeft, „geloof me, als meisjes hier

lief en goed zijn, dan zijn ze zóó lief en goed.”

De toehoorder knikte en keek bewonderend naar de half tusschen de

anderen verborgen figuur van Betsy. Hij geloofde met genoegen aan haar

superieure hoedanigheden; ’t kon hem niets schelen hoe ze was!

Het was erg laat, toen de hanen de feestgenooten naar huis kraaiden. Er

was veel vertoon van hartelijkheid geweest bij het heengaan. „Nou, dag

mevrouw!” had ontelbare malen naar en van alle kanten geklonken; er

waren tallooze handjes gegeven; er was in rijtuigen geholpen en met

hoeden gezwaaid en met zakdoekjes gewuifd tot de brug voor het erf

onder de wielen van het laatst vertrekkende rijtuig kraakte.

„Hè, hè!” zuchtte Marie, „dat is alweer afgeloopen!”

Bronkhorst leunde over de balustrade en keek in de richting van het

huis der Borne’s waar juist een wit kleedje om den hoek verdween.

„Ja,” zei hij, „het is goed geréusseerd; ’t doet me heel veel pleizier.

Gaat Betsy bij de Borne’s slapen?”

„Mevrouw wenschte het. Het is de laatste nacht, en bovendien, ze gaan

toch niet naar bed, zeggen ze. Het is al halfvijf. Ga jij nog slapen?”

„Zeker! Van nu tot tien uren is een complete nacht.”

„Misschien slaap ik ook nog ’n uurtje. Maar ik blijf hier tot alles

weer zoo wat in orde is; en dan zullen de kinderen wel wakker

worden....”

Vermoeid ging hij naar achteren, ontkleedde zich in zijn kamer en viel

loodzwaar op ’t bed. Hij had veel meer gedronken, dan hij gewoon was,

en gevoelde zich, vooral ook door het dansen, bijzonder vermoeid. Maar

slapen kon hij niet. Voortdurend dacht hij aan Betsy, zich vermeiend in

allerlei kleinigheden, bij zichzelven glimlachend, en zich

verkneuterend van pret bij de gedachte aan dat ondeugende lied van

Carmen, dat ze zong met zoo’n uitdagend gezicht, terwijl ze hem vlak in

de oogen zag.

Hij hoorde hoe de boel werd „opgeredderd”; hoe de kinderen wakker

werden en met de meiden naar de badkamer gingen; hij hoorde hen

juichend terugkomen en later, toen ze wandelen gingen, de harde zolen

van de kleine laarsjes tikken op het marmer der galerij; hij hoorde

Marie in haar kamer gaan. Toen werd het stil in huis; zij voelde

nauwelijks haar hoofdkussen of ze sliep, letterlijk op van vermoeienis;

inslapend, alsof ze in zwijm viel; hij lag nog wakker, vervolgd door

allerlei phantasiën, met steeds dezelfde persoon voor de hoofdrol.

Ook de Borne’s waren zoo afgebeuld van huiselijke drukte en visites

maken, als menschen in Indië het worden, wanneer zij waarschijnlijk

voorgoed de plaats verlaten. Den avond vóór hun vertrek moesten ze

alweer recipiëeren; ze hadden bijna geen stoelen genoeg voor de

bezoekers; zelfs de krachtige kapitein Borne, hoezeer hij de algemeene

vriendschap en hartelijkheid op prijs stelde, had hij er nu meer dan

genoeg van.

De afscheidstranen waren gedroogd. Het huis der Borne’s stond leeg.

Betsy woonde „voorgoed” in bij den notaris. Bronkhorst was naar zijn

kantoor, en de dames zaten in de achtergalerij te werken.

„Wat is dat voor ’n vent?” vroeg Marie.

Betsy keek op en schrikte eenigszins, toen zij een dikken inlander,

deftig buigend, het galerijtje langs de bijgebouwen zag opstappen.

„Het is de zoon van mijn oude meid.”

„Wat ’n rare kerel.”

„Hij is wat zwaar van postuur voor een inlander.”

„Dat bedoel ik niet. Ik meen dat hij iets onbeschaamds heeft in zijn

gezicht.”

„Och kom!”

„Zeker. Hij keek mij aan op een manier.... Als hij het nog eens doet,

zal ik hem ’reis op zijn plaats zetten.”

„Maar hoe keek hij dan?” vroeg Betsy, die haar lachen haast niet kon

bedwingen.

„Ja, dat kan ik nu zoo niet zeggen; maar zeer ongepast, dat is zeker.”

Zij begreep het wel; ze wist dat Ketjil in pur sang Europeesche vrouwen

een belangstelling aan den dag legde, die hij althans niet behoorde te

toonen.

„Hij komt zeker zijn moeder goeden dag zeggen,” meende Betsy, en toen

werd er verder niet over gesproken.

Ketjil echter was niet naar zijn moeder gegaan, maar naar Sidin, die

hem half met vreugde, half met vrees zag aankomen.

Wel had de huisjongen van den notaris aan den last van Sarinah voldaan.

Nog geen uur nadat hem was opgedragen haren te leveren van zijn

meester, zag hij een bekend Europeesch militair naar binnen gaan, een

Franschman, die in Europa kappersknecht was geweest, en nu als militair

in zijn vrijen tijd geweer en zwaard verwisselde tegen kam en schaar,

wat hem aardig geld opleverde, daar geen kapper van beroep op de plaats

was gevestigd.

Dat was een buitenkansje, en met groote zorg had Sidin al de haartjes

verzameld, die op den grond waren gevallen.

Maar nu meende hij zijn schuldigheid te hebben gedaan, en daar kwam

waarachtig Ketjil alweer! Wat zou het nu nog wezen?

Zij wisselden een salamat door het binnenvlak der rechterhanden vlug

tegen elkaar te strijken en die daarna met een buiging aan ’t voorhoofd

te brengen; en daarbij keken ze erg vriendelijk. Maar Sidin wenschte in

stilte den lastigen, gevreesden gast naar den duivel, en Ketjil vond

den bediende een laf en lam sujet, dat hij met groot genoegen een pak

slaag had gegeven.

Zij zaten nog nauwelijks op de bank in de kamer en hadden pas ’n

strootje opgestoken, of er weerklonk ’n luid: „Sidin!!” Dat was de

njonja weer! Zoo ging dat nu den ganschen dag! Geen minuut lang scheen

dat mensch den mond te kunnen houden. ’t Was van den ochtend tot den

avond elke minuut geschreeuw om de bedienden.

„Je wordt geroepen,” zei Ketjil.

„Soedahlah! Zij schreeuwt toch altijd.”

„Ik zou maar eerst even gaan.”

„Het helpt toch niets. Zulke njonjas blanda zijn nooit stil.”

„Sidin! sepèn! kebon!” gilde Marie woedend uit de achtergalerij. „Apa

tida ada orang di blakan?”

Op vroolijken toon weerklonk een drievoudig „Ja!” uit de

bediendenkamers, waarvan de bewoners met lachende gezichten en, op

Sidin na, zeer ongekleed, naar buiten kwamen. Langzaam ging Sidin naar

het hoofdgebouw. Zoolang hij door het groen aan het oog van mevrouw

Bronkhorst was onttrokken, haastte hij zich in het geheel niet. Maar

nauwelijks kwam hij in ’t gezicht of hij maakte buitengewonen spoed.

Niettemin kreeg hij een uitbrander van geweld, wat hem niets van zijn

kalmte deed verliezen, maar hem daarentegen het bezoek van Ketjil

gunstiger deed opvatten.

„Wat was het?” vroeg deze, toen hij terugkwam.

„Och, niets, zij schreeuwt maar.”

Het strootje werd hervat en beiden rookten zwijgend; de vrouw bracht

elk een kop koffie van de bladeren van den koffieboom gezet, dik en

drabbig, met veel suiker, maar natuurlijk zonder melk. Ketjil keek er

eens naar. Hij was aan andere koffie gewoon, maar hij zou deze maar

naar binnen werken, omdat het niet goed zou staan, als hij deze

weigerde.

„Er is nog iets,” zeide hij.

Sidin antwoordde niet.

„Er moet nog iets gedaan worden.”

„Ik dacht het al.”

„En ’t moet vandaag gebeuren.”

Dat was de bediende niet naar den zin.

„Waarom vandaag? Misschien kan het vandaag niet.”

„Het mag niet morgen zijn, en tot Vrijdag moeten wij niet wachten.”

„Niet?”

„Neen. Het is nu Dinsdag. Onthoud goed, dat als ik je iets opdraag in

deze zaak, het altijd moet gedaan worden op Dinsdag of Vrijdag.”

„Mag ik ook vragen,” zei Sidin brandend van nieuwsgierigheid en met den

vriendelijksten glimlach, dien hij bij machte was op zijn bruin gezicht

te voorschijn te roepen, „mag ik ook vragen waarom niet?”

„Omdat,” zei Ketjil met hoogen ernst, „omdat het dan niet helpt. En

nooit, nooit, in welke omstandigheid ook, op een Zaterdag.”

Sidin loosde een zucht. Ofschoon hij metterdaad geen drommel wijzer was

geworden, vond hij het toch van overweldigend gewicht.

Toen beiden een tijdje gezwegen hadden, zeide Ketjil weer:

„Nu zal ik je zeggen, wat je te doen hebt. Hier is een pakje. Je moet

in de kamer van mevrouw Bronkhorst een steen oplichten.”

„Ilahlah!” riep Sidin zacht. „Dat kan niet.”

„Het moet.”

„’t Kan niet, want het is marmer.”

„Neen”...., stemde Ketjil peinzend toe, „dat is waar, dan kan het ook

niet. Komt de kamer uit in de achtergalerij?”

„Ja.”

„Dan is een steen in de achtergalerij ook goed. Maar het moet er een

wezen, vlak voor haar deur, zoodat zij er elken dag overheenloopt.”

„Soesah!” klaagde Sidin, die erg tegen het werkje opzag.

„Het is zoo erg niet. Van middag als allen slapen, krab je met dit

mesje aan den eenen kant de kalk weg en haalt dan met dit tangetje wat

aarde onder den steen uit. Dan wip je hem ’n beetje op en brengt het er

onder.”

Sidin nam aarzelend het pakje aan, alsmede de kleine, zeer eenvoudige

ijzeren werktuigen.

„En als de nonna wakker is en achter zit?”

„Je behoeft niet bang te zijn voor de nonna en ook niet voor de

naaister. Die zien niets.”

Ketjil ging heen en keek ditmaal niet brutaal naar de dames, althans

Marie vond geen reden om hem „op zijn plaats te zetten”. En Sidin

begluurde en onderzocht nauwkeurig het mengsel, dat was samengesteld

uit gabah, asch, idjoek, beenderen van den koekang en eenige groote

punten van gewone naalden.

Ondanks de geruststellende verzekeringen van Ketjil was Sidin niet met

de opdracht ingenomen; hij zag zwart van vrees, en ten einde raad, liep

hij, toen Ketjil weg was, naar Sarinah en beklaagde zich bitter over de

soesah, die men hem bezorgde.

Maar ook zij lachte hem uit.

„Je kunt het gerust doen; mijn zoon heeft gelijk.”

„Waarom doe je het dan niet zelf?”

„Ik ben een oude vrouw.”

„Een oude vrouw kan het ook wel doen.”

„Ik dien hier niet; het zou gek staan als ik ging korèkken aan den

vloer.”

„Ja, dat is allemaal maar bitjara kosong,” zei hij brutaal.

„Je bent zelf minder dan een vrouw,” antwoordde de oude, boos. „Het is

niet om de soesah, maar omdat je niet brani bent.”

„Zeker,” erkende Sidin, ridderlijk lafhartig, „ik ben in ’t geheel niet

brani.”

„Doe het maar,” hield Sarinah vol, „doe het maar. Ik zal je een mooien

koker koopen voor je strootjes. Het is niets gevaarlijk, en ik zal zelf

bij je komen zitten, als je bezig bent aan het werk.”

Dat hielp. Als de oude bij hem zat, zou hij niet zoo licht overvallen

worden.

Inderdaad zat Betsy op en was ook de naaister present toen Sidin met

zijn mengsel de trap der achtergalerij kwam oploopen, en de oude hem

steunend en met moeite gaand vergezelde.

Zij wist niet wat er moest gebeuren, maar ze zag wel, dat het iets was,

dat op de goena-goena betrekking had, al was het dan ook slechts

indirect. De oude meid had haar vooraf gewaarschuwd, dat er iets van

dien aard zou gebeuren, en zij, als ze het zag, maar niets moest

vragen; ook de naaister was door de oude voor zooveel zij het noodig

vond, in „het geheim” betrokken. Ongestoord, maar allesbehalve rustig,

verrichtte Sidin de hem opgedragen taak. Het was niet gemakkelijk, maar

het was een knoeiwerkje, en daarvan had hij als inlander slag. Met

groote handigheid peuterde hij de kalk los, wipte den steen op en wist,

toen het mengsel op z’n plaats was gebracht, de losse stukken kalk met

groote behendigheid heel netjes weer in de voeg te brengen.

Sarinah bleef zitten, toen Sidin klaar was en heen ging; zij beschouwde

het een tijdlang met groot welgevallen. Daarop strompelde zij naar

achter, ging in haar kamertje en knipte daar van gewoon katoen twee

poppen, die ze met een groot aantal spelden aan elkaar stak. Toen nam

ze die zonderlinge lappenfiguur onder haar baadje, sukkelde naar de

trap van de achtergalerij, en ging zitten op de eerste trede vlak bij

den grond. Zij deed dat zoo eenvoudig en schijnbaar gewoon, dat

niemand, gesteld er had zich iemand aan de gangen van het oudje laten

gelegen liggen, er iets bijzonders of opmerkelijks in had kunnen

vinden. Langzaam liet zij den mageren arm zakken, en begonnen haar

vingers den grond los te krabben; een kwartier zat zij te woelen in de

aarde tot ze een voldoend diep plekje had, waarin de aangeprikte

lappenpoppen verdwenen. Toen ging, zonder haast en heel bedaard, de

aarde er weer over, door den beenigen gerimpelden klauw zorgvuldig

vastgedrukt bij beetjes, tot de grond voor de trap geen spoor

vertoonde, dat er pas iets in was verborgen. Eerst toen dit volkomen in

orde was, ging zij naar boven.

Betsy was er niet; ze was naar haar kamer gegaan; het geknoei met dien

steen had haar zenuwachtig gemaakt; ze drong zichzelve op, dat het haar

niet kon schelen, maar ze had vlagen van een onbestemde vrees,

oogenblikken van gejaagdheid en angst, waarin ze een gevoel had alsof

de muren van het huis der Bronkhorsten haar dreigden te verpletteren.

Ze was op een divan neergevallen en lag daar bewegingloos met een sterk

sprekende uitdrukking van moedeloosheid op ’t gezicht.

„Wat voerde Sidin toch eigenlijk uit?” vroeg ze toen de oude

binnenkwam.

„Hij heeft er iets onder gelegen.”

„Ja, dat weet ik. Wat was het?”

„Het was van allerlei; ’t behoort er bij; mijn zoon heeft het

gebracht.”

Goena-Goena: Oorspronkelijke roman · 第 8 / 16 段