Maar ’n uur of wat later kwam de koorts weer opzetten, tot grooten

schrik ook van den vreemden jongen dokter, die wel inzag, dat als hij

hier langs het rijtje van de huizen af zijn patiënten moest zien

sterven, de particuliere praktijk hem geen gouden eieren zou leggen.

Marie had in haar angst een telegram gezonden naar Bronkhorst, en Betsy

had beloofd te zullen blijven, ook omdat de kleine Jean nu eenmaal door

niemand dan door haar wilde geholpen zijn. Het deed haar genoegen,

omdat dit zoo’n geschikte gelegenheid was, haar invloed te vergrooten;

overigens wenschte ze ’t grillige, lastige kind naar den drommel,

ofschoon zij het hielp met een ijver en ’n handigheid, die zoowel de

goedkeuring van tante Borne als die van Marie wegdroeg. Al tobbende met

het kind verstreek de snikheete kentering-dag; maar al bracht de avond

geen verfrissching,—de koorts van kleinen Jean nam gelukkig af; en nu

wilde hij niet langer in zijn bedje blijven, maar dreinde en dwong om

op den schoot van „Bettie” te zitten; nauwelijks vijf minuten had hij

zijn zin of hij maakte aanstalten om te gaan slapen. De pogingen om hem

weer in zijn bedje te leggen, mislukten geheel; hij klemde zich

schreiend aan Betsy vast.

„Ik zal hem maar op m’n schoot houden,” zei ze.

„Als het je niet te moe maakt,” antwoordde Marie. „Ik zal ’n

makkelijken stoel laten halen.”

De bedienden sleepten een grooten fauteuil bij met rood rips

overtrokken, met zachten rug en armen en veerkrachtige zitting; Betsy

zonk er in weg; een rood voetenbankje werd onder haar bloote voeten

geschoven, en een half uur later sliepen zij en kleine Jean om ’t

hardst in den stoel, terwijl de oude Sarinah beiden met een waaier

muskietvrij hield.

Zóó vond hen Bronkhorst, toen hij, vol angst voor het leven van zijn

kind, nog denzelfden avond aankwam.

Hij trad de kamer binnen, op den voet gevolgd door Marie.

„Ze slapen allebei,” fluisterde zij.

Hij knikte toestemmend en naderde zacht. Toen hij het voorhoofd van

kleinen Jean aanraakte, vond hij ’t kind zeer kalm; maar zijn blik

rustte meer op Betsy dan op het jongetje.

„Arm ventje! Hij heeft het zoo kwaad gehad.”

„Wat zegt de dokter?”

„Ik weet het niet; ik kan uit dien man niet wijs worden; hij bezigt

tusschen zijn Duitsch allerlei Latijnsche woorden. Ja, het is

koorts..... Nu, dat was wat nieuws!”

Stil liet hij haar verontwaardiging uitfluisteren. Wat kwam ’t zwarte

haar van Betsy, half loshangend over de rugleuning van den fauteuil,

aardig uit tegen het fond van rood rips! Hoe lief zat ze daar met zijn

ziek kind, en hoe rustig sliepen ze! Als zijn vrouw er niet bij had

gestaan, zou hij ze allebei gekust hebben. Nu boog hij zich over

kleinen Jean en gaf hem een zoen; zijn lippen gingen rakelings langs

haar hand; het deed hem trillen van genoegen.

„Maak hem nu niet wakker,” fluisterde Marie weer; „kom naar je kamer;

er ligt schoon goed voor je klaar.”

Natuurlijk moest hij mee, maar hij zou liever gebleven zijn; aan de

deur wierp hij nog een blik achter zich, maar er viel niets aan te

doen. Hij moest mee als een zoete jongen om een ander pakje aan te

trekken. Het hinderde en ergerde hem.

Toen zij Bronkhorst en Marie hoorde heengaan, opende Betsy de oogen en

lachte. Zij had niet geslapen; zij had als elke coquette vrouw een goed

begrip van pose, en instinctmatig had zij gevoeld, dat die houding met

den schijn van te slapen allergunstigst voor haar was. Al had zij de

oogen wijd open gehad, dan had ze niet beter kunnen weten, wat er in

Bronkhorst’s geest had omgegaan, dan thans; ze had moeite genoeg gehad

om geen spier in haar gelaat tot lachen te vertrekken bij die

kinderachtige manoeuvre van het kussen van ’t kind. Thans, nu ze weg

waren, schoof ze ’n beetje ter zijde; kleine Jean werd zwaar en

verveelde en hinderde haar. Toch wilde ze hem op haar schoot houden,

hoe graag ze hem ook stilletjes in zijn bedje had gemoffeld; doch hij

moest haar, zoo ziek en slapende als hij was, nog van dienst zijn, want

’t was voor haar een uitgemaakte zaak, dat Bronkhorst zou terugkomen.

Wat zou ze doen? Weer slaap veinzen? Dan zou hij haar kussen, dat was

zeker, en zóóver wilde zij het nog niet laten komen; dat was ook veel

te gevaarlijk. daar zij het ongetwijfeld zelf aangenaam zou vinden; en

was het eenmaal zóóver..... Neen, dàt kon en mocht niet. ’n Jong meisje

kan, meende zij, zich nog in alle onschuld ’n zoen laten geven, zonder

dat het meer is dan ’n aardigheid sans conséquences; maar als ’n weduwe

zulk een a zegt, dan is het dwaas en haast belachelijk wanneer zij

weigert er een b op te laten volgen. Neen, daar moest niets van komen!

Zij zou wakker blijven en kleinen Jean op den schoot houden.

Even vóór achten, terwijl Marie in de keuken was om te proeven of het

eten wel behoorlijk was gereed gemaakt, ging weder de deur open en

verscheen Bronkhorst in négligé. Hij glimlachte en knikte tegen haar.

„Hoe gaat het?” vroeg hij met uitgestoken hand. Zij reikte hem haar

vingertoppen, die hij met veel hartelijkheid drukte. „Wij zijn je erg

dankbaar voor de goede hulp. Slaapt hij nog?”

„Ja. Het zal hem goed doen!”

„Zou je niet probeeren hem in z’n bedje te leggen? Het zal je zoo

vermoeien hem al dien tijd op den schoot te hebben.”

„’t Gaat nogal. Ik ben zoo bang, dat hij weer wakker wordt. Hij heeft

zoo weinig geslapen vandaag.”

„Wil je ’n glas Selters-water?”

„Dank je. Alleen ’n glas gewoon water uit de gendi.”

„En hoe is het met Prédier afgeloopen?” vroeg hij, terwijl zij langzaam

in kleine teugjes het water dronk. Zij vertelde hem de geschiedenis van

de brieven uit het boek; hij stikte haast van het stille lachen met de

hand voor den mond.

„Heerlijk!” zei hij halfluid, en zich plotseling vooroverbukkend, kuste

hij haar.

Zij keek hem toornig aan, met saamgetrokken wenkbrauwen.

„Wees er niet kwaad om!” verzocht hij dringend, en hij had tegenover

haar boos gezicht bijna spijt van zijn vrijpostigheid. Maar hij was met

het voornemen om haar te kussen in de kamer gekomen, en als een goed

notaris zich eenmaal voorneemt iets tot stand te brengen, dan doet hij

het ook.

Toen ze geen antwoord gaf, herhaalde hij zijn verzoek.

„Toe, wees er niet boos om! Ik kon het niet laten. Het is immers zoo

erg niet, en ik heb er spijt.....”

Nu trok zij de wenkbrauwen hoog op, zag hem aan en maakte met het hoofd

een beweging ter zijde, die duidelijk te kennen gaf, dat ze niets

hoegenaamd van die spijt geloofde.

„Nu, het is waar. Je hebt gelijk, en ik lieg, als ik beweer dat het me

spijt. Maar.....”

„Doe het niet weer,” vulde Betsy aan, heel kalm, maar eenigszins

dreigend, alsof er nog iets achter hoorde, wat ze verzweeg.

„Ben je dan niet boos op me? Heusch niet?”

Ze liet hem begaan toen hij haar hand vatte, maar een seconde later

trok ze die snel terug; ze had de nikkelen kruk op het wit porseleinen

plaatje van de kamerdeur zachtjes zien draaien, en dadelijk daarop

verscheen het blonde hoofd van Marie tusschen de deur en den post.

„Het eten is klaar. Zou je hem nu niet in z’n bedje leggen? De meid kan

dan hier blijven oppassen. Doe het dan nu dadelijk: we hebben zulke

lekkere visch; die wordt anders koud, en dat zou zonde zijn.”

Betsy deed het met genoegen. Kleine Jean had voor haar zijn rol naar

behooren vervuld, en ofschoon haar beenen zwaar waren en tintelden van

vermoeienis, was ze toch blij dat ze ’t kind op den schoot had

gehouden; ook had ze honger, en ze hield van kakap. Zacht en stil

schoof ze kleinen Jean van haar arm in zijn bedje; even deed hij de

oogen open, keek haar aan en sliep weer in.

Het beste aan tafel was voor haar. Marie en Bronkhorst beijverden zich

om te toonen, hoezeer zij het „optrekken” met het zieke kind

waardeerden.

„Als er een ziek is,” zei Marie, „en ik heb geen hulp, dan loopt alles

in de war. Want het huishouden maakt het mij zóó druk!”

Als ze het vroeger over die drukte had, nam Bronkhorst geregeld een

loopje met haar, bewerend, dat zijzelve er de schuld van was, omdat zij

het zoo verschrikkelijk nauwgezet opnam. Ditmaal zweeg hij. Waarom zou

hij nu trachten haar van haar bezigheden af te houden?

„Ik begrijp het best,” antwoordde Betsy. „U hebt den heelen dag geen

rust.”

„Het zou een groote geruststelling wezen, als mijn vrouw iemand in huis

had om haar ’n beetje bij te staan.”

Zij zwegen alle drie, want ieder begreep voor zich de bedoeling van den

notaris.

Marie had er ook dikwijls over gedacht, maar zij zag vreeslijk op tegen

een „juffrouw.”

Een van tweeën: men moest zóó’n meisje opnemen in den familiekring, en

daar had ze veel tegen, eenigszins uit trots, maar vooral omdat zulke

meisjes daartoe dikwerf niet genoeg ontwikkeld waren. Hield men haar op

een afstand en behandelde men haar als ondergeschikte, dan volgde

daaruit vanzelf familiariteit en knoeien met de bedienden; men kon het

zoo’n arm schepseltje niet kwalijk nemen; in haar verlaten toestand

moest ze dan toch iemand hebben om tegen te praten. En dan die

eigenaardige manieren! Marie had er gekend, die met loshangend haar in

de keuken rondliepen, alsof er premies waren gesteld op het verdwalen

van haren in het eten! Neen, dat nimmer! Maar als zij een zoo net en

geschikt vrouwtje als Betsy was, in huis kon krijgen, zeer presentabel,

verstandig en van goede familie,—ja, dan zou ze dat heerlijk vinden.

Maar ze wist niet hoe ze het aan moest leggen. Men kon háár toch niet

voorstellen, háár, de nicht van kapitein Borne, de weduwe van een

administrateur en de gast van het oogenblik, om „juf” te worden bij de

familie.

Verlegen keek Marie op haar bord; hoe gaarne zij het ook had gevraagd,

zij durfde het niet te doen.

In een bediendenkamer der bijgebouwen, vèr van het woonhuis, zaten dien

avond vier personen gemoedelijk bijeen. Een soort van bamboezen

ledikant, omgeven door een vuile witte klamboe, was het hoofdmeubel van

het vertrek. Aan den wand prijkten, eenvoudig er tegen geplakt, eenige

van de bekende Indische volksprenten, zoo goed geteekend door Van

Rappard. Op een ongepolitoerd houten rekje stonden ’n paar

ongelijksoortige borden van aardewerk en een paar kommen; een verveloos

en wrak tafeltje vormde met een baleh-baleh het „ameublement.” In een

hoek stond een zwart geverfde blikken trommel, de „garderobe”

bevattend.

Het was de kamer van den huisjongen, wiens vrouw zoowat

„duivelstoejagerde” onder de bedienden van Bronkhorst. De vrouw zat op

den grond op een mat, onophoudelijk met haar vingers in een bal

gekookte rijst stootend, het tusschen die vingers verzamelend, in wat

sambal doopend, om het daarna in haar vooruitgestoken onderkaak te

deponeeren, waarna het den weg ging van alle rijst.

Op de baleh-baleh zat Sidin, de huisjongen, met Sarinah, en tegenover

hen, de beide ellebogen leunend op de tafel, zat de dikke zoon der

oude, Ketjil, die de „toovermiddelen” kende en verkocht, die een

Europeesch meisje tot „vrouw” had, en zich in het dagelijksch leven

uitgaf voor horlogemaker, een vak, waarvan hij slechts geringe notie

bezat, maar dat hem in de oogen der bevolking tot een wijs man verhief,

terwijl de Europeanen hem hun uurwerken toch niet toevertrouwden.

Zij rookten alle drie ’n strootje en bliezen zwijgend den rook onder

het glazen kapje van de kleine petroleumlamp, die walmend en met sterk

aangeslagen glas op tafel stond.

De deur en het eenige venster waren dicht; er heerschte een

onuitstaanbare temperatuur; de atmosfeer was bedorven; het stonk er

naar nooit geluchte bultzakken, naar den vochtigen uitslag van

vloersteenen en muren, naar ranzige klapperolie en naar het

strootjes-mixtum van tabaksrook en rook van droge nipa-blaren.

„Ik moet er voor op reis. Ver, ver weg!” zei Ketjil.

Niemand antwoordde. Een minuut of vijf later vervolgde hij tot Sidin,

die met eenige vrees tot zijn vol gezicht en brutale houding opzag:

„Je weet er alles van, nietwaar?”

„Mâ heeft mij maar weinig gezegd.”

Ketjil keek zijn steunende en kreunende moeder aan, die haar strootje

had weggeworpen, en met een krommen rug en de handen in den schoot al

mummelend zat te luisteren.

„Het overige zal hij morgen hooren.”

„Bij mij aan huis?”

„Ja.”

Zij keken beiden Sidin aan, die toestemmend knikte; waarover het in

beginsel handelde wist hij, en tuk op het vele geld, dat de oude hem

had beloofd, was hij spoedig bereid geweest. Er kwam nog bij, dat hij

het land had aan Marie, en alleen geen brenti vroeg, omdat het een

goede dienst was, in zoover het loon voldoende was en er veel „afviel.”

Maar overigens stond de behandeling hem tegen: den heelen dag werken;

altijd wat te vegen of te poetsen; en altijd standjes en verwijten,—zóó

was het dienen onder deze njonja-tottok, die hem wel tienmaal elken dag

toeschreeuwde dat hij niet denken, zien of hooren kon, dat hij dom en

lui was, enzoovoort. Daar was hij bosèn van en hij zou het wel aardig

vinden, als men haar een koopje kon geven.

„Ik zal morgen komen, als ik permissie kan krijgen. Hoe laat?”

Ketjil dacht lang na. Zijn dag scheen erg druk bezet.

„Kom morgenmiddag om drie uren of morgenavond om tien.”

Hiermee waren momenteel de „zaken” afgedaan. Men richtte zich op,

schonk een nieuw glas stroop, stak ’n versch strootje op, en zat in het

ondraaglijk hok genoeglijk pratend over „koetjes en kalfjes” nog ’n

uurtje bijeen.

Den volgenden ochtend was kleine Jean wel wat beter, maar de koortsen

hadden hem geducht doen afnemen; het kind zag er slecht uit, had geen

eetlust, was nog nu en dan koortsig, en speelde bovenal den dwingeland.

Betsy moest er den heelen dag blijven, en zij nam daar genoegen mee,

tot groote vreugd der Bronkhorsten. Marie vond het heerlijk, dat ze

iemand had op wie ze kon vertrouwen om op te passen, en haar man vond

het aangenaam, omdat hij..... het aangenaam vond. Tot een logischer

conclusie dan dit boeren-motief kon hij niet komen; en dat wilde hij

ook niet.

Doch haar verblijf ten zijnent was in de eerste dagen niet zoo

opwekkend als vroeger; vooreerst scheen ’t hem toe, dat zij ’n beetje

teruggetrokken was, en hijzelf voelde eenige spijt van zijn

voorbarigheid; hij had ten slotte toch wel eenig misbruik gemaakt van

de omstandigheden. Daarbij kwam, dat de ziekte van het kind andere

gelegenheden uitsloot. Betsy speelde geen piano; zijn vedel was op

nonactief; des avonds was zij ook moe en ging vroeg slapen;—maar toch

had hij haar niet willen missen; hij keek haar nu en dan maar eens aan,

als ze hem passeerde of aan tafel, en dan streelde hem de

vertrouwelijke uitdrukking van haar gelaat, haar coquet lachje, en de

wijze, waarop zij haar schoone vormen altijd wist te doen uitkomen.

Ze was er twee dagen en in de achtergalerij zat men juist aan de

rijsttafel, toen tante Borne binnenstormde met een telegram in de hand:

„Bets, dat is gemeen!”

„Wat is er?”

„We zijn overgeplaatst.”

„O!..... en waarheen?”

„Naar een gat, een nest van een plaatsje op de Oostkust van Sumatra.”

Men keek elkaar aan vol verwondering en verontwaardiging.

„Het is schande!” ging mevrouw Borne voort. „Net alsof er voor zulke

posten geen jonge kapiteins genoeg zijn! Maar dat komt allemaal van het

geknoei en de protectie; daar moet een ander, die niet met den

stroopkwast kan loopen, onder lijden.”

„’t Is verschrikkelijk!” zei Marie. „Zoo’n afgelegen deel der wereld!”

„Ze denken misschien, dat we kwaad zullen worden en ons pensioen zullen

nemen, maar dat in der eeuwigheid niet. Er gebeurt, wat er gebeurt,

maar dienen blijven we.”

„Maar als het nu eens ’n quaestie wordt van passeeren.....”

„Het kan ons niet schelen, notaris, maar we doen het niet.....

Intusschen is het een koopje.....”

„Als ik u met iets van dienst kan zijn..... U weet, dat u op me rekenen

kunt.”

„Erg graag. Laat zien, het is nu Woensdag, en Maandag moeten we al weg,

anders missen we de boot, en die vaart maar eens in de maand.”

„Dat is toch ’n beetje.....”

„Volstrekt niet! Als het moet, dan maar hoe eer hoe liever. Hier nog

vijf weken te zitten als op een schopstoel,—dáár bedank ik voor.”

Het was zulk een groot nieuws, dat men het eten er door vergat. Betsy

excuseerde zich en ging dadelijk met haar tante mee naar huis.

„Het is erg beroerd,” zei Bronkhorst tot zijn vrouw, toen ze weg waren;

„zij moeten nu ook de passage betalen voor mevrouw Den Ekster, en dat

is, geloof ik, ’n paar honderd gulden.”

„Wat moet Betsy in ’s hemelsnaam dáár uitvoeren!”

„Ja, dat weet ik ook niet. Zich gruwelijk vervelen, anders niet.”

„Ik zou wel willen, dat ze bij ons bleef.”

Zijn oogen glinsterden, toen Marie dit zei; het ging juist, zooals hij

gewenscht had; hij zou het zelf hebben voorgesteld, als zij het niet

had gedaan, maar zóó was het veel beter.

„Hoe denk jij daarover?” vroeg Marie.

„Wel, ik heb er niets tegen; ik geloof, dat het heel aangenaam voor je

zijn zal, en daar ze uitstekend omgaat met de kinderen, is het ’n

dubbel voordeel.”

„Ja,” gaf Marie toe. „Alleen, ik durf het heusch niet voorstellen. ’t

Staat zoo gek!”

„Laat het maar aan mij over. Ik zal er den kapitein over spreken.

Vandaag nog.”

Toen ’s middags ’t kantoor was gesloten, ging Bronkhorst zijn buren

bezoeken; hij vond hen thee drinkend en druk pratend over de

overplaatsing.

Onder het gesprek, waaraan hij deel nam, gaf hij den kapitein een wenk;

ze gingen onder een voorwendsel naar diens kamer.

„Mijn vrouw stuurt me,” zei Bronkhorst, „met een eenigszins delicaat

verzoek. Zij wou zoo graag, dat uw nichtje bij ons bleef, maar ze durft

het zelf niet te verzoeken.”

Borne streek in gedachten langs zijn knevels.

„Hm!” bromde hij eindelijk. „De vraag is hoe. Je begrijpt wel, beste

notaris, dat hoe gaarne ik u en mevrouw ook mag, en hoe

vriendschappelijk.....”

„Natuurlijk!” viel hem Bronkhorst in de rede. „De bedoeling van mijn

vrouw is, dat Betsy geheel als een lid van het huisgezin wordt

bejegend; wat de geldquaestie betreft, daarmede kunnen gij en ik ons

niet bemoeien; laat de dames dat onderling uitmaken, als zij het eens

zijn over de zaak.”

„Ik geloof ook, dat het zóó zou kunnen,” erkende de kapitein, maar van

harte ging die erkenning niet. „Ik zal den knoop maar dadelijk

doorhakken.”

Het voorstel viel in goede aarde bij tante, en Betsy nam het aan met

een glimlach van zelfvoldoening; ze had ze allen wel kunnen kussen, zoo

liep het mee!

Zonder eenige bepaalde bedoeling, kon toch Bronkhorst zich niet

ontveinzen, dat hij verheugd was. En dit stemde hem dienstwilliger dan

ooit. Hij had nog een àpartje met den kapitein. Tijd om vendutie te

houden van den inboedel, was er niet. Maar Bronkhorst zou voor alles

zorgen, en de kapitein kon met genoegen zooveel van hem krijgen, als

hijzelf dacht dat de vendutie zou opbrengen. Ook Marie was tot alle

hulp bereid.

Toen ze weg waren, keek kapitein Borne hen na met aandoening.

„Het is toch maar waar, dat een goede buur beter is, dan een verre

vriend,” zei hij hoofdschuddend.

„Maar zij zijn ook zulke lieve menschen!” riep zijn vrouw uit de

volheid van haar hart. „Waarachtig, men spreekt wel eens van

familie,—maar een eigen broer of zuster kan niet hulpvaardiger en

bereidwilliger wezen, dan zij zijn.”

Betsy zei niets. Ze keek de Bronkhorsten ook na, of eigenlijk zag ze

alleen naar de kloeke figuur van hem. En ze glimlachte toen haar oom en

tante zich zoo uitputten in lofredenen. Wat Bronkhorst betrof, wist zij

ten minste wel, waaruit de buitengewone dienstvaardigheid voortsproot.

Het waren drukke dagen die nu volgden. Zij, Betsy, moest haar tijd

verdeelen tusschen haar familie en het kind, dat snel beterde, maar

niettemin erg aan haar bleef hechten. Bij de Borne’s lag alles

overhoop. Oom had het nog veel warmer dan anders, en vond in de drukte

van het kasten uit- en kisten inpakken, aanleiding om een ongelooflijke

hoeveelheid potjes bier, bittertjes en brandy-soda’s te verslaan. Dat

hoorde er bij. Tante zwoegde als een koetspaard van het eene eind naar

’t andere, feitelijk alleen zorgend voor alles. Betsy had het nette

gedeelte voor haar rekening genomen, fijne breekbare voorwerpen, die

meegenomen moesten worden, doosjes, souvenirs en dameskleeren. Zij

bedankte er voor om als een slavin zich in ’t zweet te werken en met

verwarde haren, een vuile kabaja en dito voeten van de kamers te loopen

naar de bijgebouwen en vice-versa.

Eindelijk „schoot men op”. De Borne’s waren zoowat klaar in huis; de

paar dagen restend vóór het vertrek werden gewijd aan

afscheidsbezoeken. Betsy nam met haar oude meid haar intrek bij de

Bronkhorsten.

Zij kreeg een kamer naast die van de kinderen, keurig gemeubeld en

voorzien van alle comforts. Nog nooit had zij zoo’n fraai ingericht

vertrek bewoond. Terwijl ze er haar goed schikte in de rijk

gebeeldhouwde kasten, en haar schrijfgereedschap in het mahoniehouten

lessenaartje, vroeg zij Sarinah:

„Wel, hoe staat het er mee?”

De oude, die juist bezig was het bed te kipassen, hield op en keek haar

grijnzend aan.

„Dat weet de nonna zelf wel.”

„Gekheid! Ik weet niets.”

„Hoe denkt de nonna dan, dat het komt, dat zij hier blijft; hier in

huis?”

„Wel, dat is..... zoo overeengekomen.”

„Heeft nonna er om gevraagd?”

„Neen.”

„Wat is het dan? Hoe komt het dan, dat het alles naar dien kant gaat,

vanzelf, zonder iets te verzoeken?”

„Ik...... ik..... weet het niet,” antwoordde Betsy eenigszins ontsteld.

Zij had zoover niet gedacht; zij had het opgenomen voor hetgeen het

was, onbedacht de gewone wet eerbiedigend van oorzaak en gevolg, die

niets geheimzinnigs heeft, zoolang geen dwazen er iets in zoeken.

„Soedah!” riep de oude met een schorren lach. „Soedah! ik weet het ook

niet.”

En ze kipaste voort bij iederen zwaai met de sapoe lidi, steunend en

grommelend.

Zij had met Sidin de conferentie gehad bij haar zoon, Ketjil. ’t Was

daar heel wat netter, dan in de bediendenkamer op het erf van den

notaris, al was het even vuil en al rook het even onsmakelijk. Sidin

was ’s avonds gekomen en had dadelijk nog veel meer respect gekregen

voor de oude en haar zoon, want er waren stoelen, tafels, kasten en

klokken, precies als bij Europeanen, en het verschil tusschen zindelijk

en onzindelijk,—och, dat zag hij als gewone inlander zoo niet. En dan

was het erg geheimzinnig. Op de lage kasten stonden allerlei

stopflesschen. In één daarvan zag hij kevertjes, tusschen rijst en

kapok: daarvan had hij meer gehoord; hij zag door het venster allerlei

planten, die hij als kind had leeren vreezen: ketjoeboeng en hij had

ook wel eens gehoord, dat zulke kevertjes daarop werden gekweekt, en

daarna gedood en fijngestampt werden; zijn grootmoeder had hem voor hij

trouwde dikwijls verhaald van toovenaars, die het stof van zulke

beestjes dan met nog andere dingen vermengd, door het eten doen van

menschen, die op een of andere manier gek moeten worden. Hij huiverde

bij het denkbeeld; het was hem of die stopflesschen, sommige met

kruiden en planten, hem op de zekerste manier dood en verderf

voorspelden, als hij niet deed wat die oude tooverheks en haar wijze

zoon hem gelastten. En hij toonde hun beiden al de vriendelijkheid en

den eerbied, waartoe hij zich in staat gevoelde. Het viel hem erg mee;

moeielijk was het niet; als Sarinah ’t hem gelastte, dan moest hij

iets, dat zij hem geven zou, verbergen in het hoofdkussen van zijn

heer; maar zóó, dat niemand het zag en de opening in ’t kussen weer

netjes werd dichtgemaakt. Nu, dat was gemakkelijk! Hij „deed” immers

altijd mijnheers kamer, als deze naar ’t kantoor was, en dan had hij

tijd in overvloed.

Voorloopig kon Sidin gaan, en hoezeer hij ook vast had voorgenomen om

te doen, wat hem door de oude meid werd opgedragen, besloot hij toch

vast nimmermeer een voet bij dien Ketjil in huis te zetten.

Toen hij thuis kwam, kreeg hij van mevrouw Bronkhorst een geduchten

uitbrander, omdat hij zoo lang was weggebleven; met stoïcijnsche kalmte

hoorde hij het aan; zoo hij vroeger soms een woord tegensprak,—thans

zweeg hij, zooals een inlander zwijgen kan.

Zij zouden dien njonja toch wel krijgen, en hij voelde zich trotsch,

dat hij, zij het dan ook in ondergeschikte rol, iets bij zou dragen tot

dat „krijgen”.

Onder het standje door, kreeg hij bevelen, die hem meer belangstelling

inboezemden. Er zou een groote partij worden gegeven ter eere van de

familie Borne. Er moest voor heel veel gezorgd worden, want lekker eten

was een voornaam deel van het feestprogram.

Dat gaf weer drukte, ditmaal bij den notaris te huis. Tante was klaar

met haar vele voorbereidingen tot reizen en vendutie houden. Zij

maakten nu visites; zij ’s ochtends in sarong en kabaja aan Indische

dames; hij aan de kletstafel in de sociëteit, en ’s avonds beiden,

behoorlijk in groot tenue en per as bij familiën in de buurt, welke

dikwerf allesbehalve naburig was, maar zich naar het noorden, zoowel

als naar het zuiden eenige palen ver uitstrekte.

Goena-Goena: Oorspronkelijke roman · 第 7 / 16 段