Zij kan niet altijd ten laste blijven van haar oom en tante, en voor
hem is het geen leven, zoo alleen in het binnenland. Jij vindt nu, dat
ze niet bij elkaar komen, en daar is iets van aan; doch dan moet van
beide kanten maar wat geschikt en toegegeven worden, dat moet toch
altijd gebeuren, en het is dus alleen een zaak van meer of minder.”
„Laat ze trouwen! Wat raakt het mij! Als zij zich in het ongeluk willen
storten, is het hun zaak.”
„Neen, vent, maar dàt is toch wat al te gek. Waarom zouden zij nu juist
ongelukkig moeten zijn met elkaar? Hij is, alles bijeengenomen, een
beetje ruw en onbeholpen, maar ik geloof zeker dat hij een goed man
is.”
„O, ja.”
„En Betsy kan wel eens wat coquet, nuffig of lichtgeraakt wezen, maar
ze is verstandig genoeg.”
„Zeker.”
„Welnu, dan zie ik ook niet in, waarom je er zoo pessimistisch over
hoeft te denken. Als ik niet wezenlijk dacht goed te doen, dan zou ik
Prédier niet beloofd hebben....”
„Wat heb je hem beloofd,” viel hij driftig uit.
„Wel,” zei z’n vrouw verbaasd, „ik zal Betsy eens polsen en een goed
woordje voor hem doen.”
Met moeite bedwong Bronkhorst zijn toorn, maar het gelukte hem toch.
„Marie,” zei hij, uiterlijk zeer bedaard, „je zult me een groot
genoegen doen, door je daar geheel buiten te houden. Vooreerst vind ik
zoo’n soort van „aankoppelen” afschuwelijk, maar in dit bijzonder geval
is het dubbel, want ik ben overtuigd, dat het voor allebei op een zeer
ongelukkig huwelijk zal uitloopen.”
Zij was een goede vrouw, en ze deed gaarne wat haar man wenschte, maar
van haar opinie deed ze geen afstand.
„Goed,” antwoordde ze ’n beetje geraakt, „als je er zóóveel op tegen
hebt, dan zal ik dat aan Prédier zeggen. Maar ik ben het niet met je
eens, volstrekt niet, en ik hoop van harte, dat Betsy, ook zonder mij,
verstandig genoeg zal wezen, haar belang te begrijpen.”
Toen ze samen naar voren gingen, vertelde zij Prédier, dat haar man
niet wilde, dat zij er zich mee zou bemoeien.
„Je begrijpt wel,” voegde Bronkhorst er bij, „dat ik uitsluitend en
alleen jou belang en dat van mevrouw Den Ekster op het oog heb, en het
volstrekt niet te doen is om je in iets te dwarsboomen. Misschien stelt
de toekomst me in het ongelijk; ik hoop het van harte; maar ik ben nu
eenmaal van meening, dat het met jullie niet goed zal zijn, en daarom
mogen noch mijn vrouw, noch ik er toe medewerken.”
Op dat oogenblik geloofde Bronkhorst zelf, dat hij meende, wat hij zei,
en daardoor was er zekere kracht van overtuiging gekomen in den toon
zijner stem. Voor Marie stond het ook muurvast, dat haar man slechts
sprak uit overtuiging, ofschoon ze het erg onaangenaam vond, en
Prédier, die evenmin de bedoeling wantrouwde, vond het zóó, dat hij
toch maar liever zou zijn heengegaan om te rijsttafelen in het hotel.
Doch zijn relatie met den notaris was van dien aard, dat de goede
verhouding in het belang der zaken bewaard moest blijven.
„Enfin,” zei hij met een gedwongen lach, „dan zal ik maar op mijn eigen
gelegenheid mijn fortuin beproeven. Ik hoop alleen dat je me niet zult
tegenwerken.”
„Dat in geen geval,” verklaarde mevrouw.
„Volstrekt niet,” zei ook Bronkhorst. „Ik zou het zelfs niet kunnen,
want ik ga van middag op reis.”
Ze spraken dáárover voort, blij dat het nu voor allen minder aangename
onderwerp van het tapijt was, en daar elk hunner om zeer uiteenloopende
redenen en met geheel verschillende gevoelens ’t mogelijke deed om het
gesprek te doen vlotten, lukte dat aan tafel ook vrij wel.
Toen, na de rijsttafel, Prédier, die toch eenige haast scheen te
hebben, naar zijn logement was gegaan, en Marie bezig was met hare
gewone zorgvuldigheid den reiskoffer te pakken, ging Bronkhorst nog
even naar zijn kantoor, en van daar liep hij dwars het voorerf over om
de Borne’s goeden dag te zeggen. Het was anders zijn gewoonte niet, als
hij voor ’n paar dagen op reis ging, van zijn buren afscheid te nemen;
bovendien kon hij er veelal op rekenen, dat op dit uur van den namiddag
de kapitein en diens vrouw rustig hun siësta namen, terwijl deuren en
vensters aan de voorzijde van het huis gesloten waren. Met het oog op
dit laatste, ging hij het achtererf op, nu en dan onwillekeurig naar
zijn eigen huis glurend om te zien of Marie soms uit een der vensters
keek, maar die keek alleen in de legkast en in den koffer.
In de achtergalerij der Borne’s vond hij, wat men daar elken dag kon
vinden op dezen tijd: Betsy aan een handwerkje in een wipstoel, en de
naaister met Sarinah aan den anderen kant op een matje. Alles rustig en
stil. Toen Bronkhorst de trap opkwam, keek de groote hond even op, maar
dommelde, den goeden bekende ziende, dadelijk weer in.
„Ik kom even goeden-dag zeggen. Slapen de luitjes?”
„Ja. Gaat u op reis?”
„Voor ’n paar dagen maar; voor zaken.”
„Ga even zitten.”
„Ik heb weinig tijd; ik kon niet nalaten te komen, om u nog eens te
zien.”
„Mij nog eens te zien?” herhaalde ze met groote oogen vol verwondering.
„Zeker! Er zijn zulke geweldige kapers op de kust, en die hebben zoo’n
haast.....”
„Maak nu geen gekheid. Wat bedoel je?”
„Alsof je dat niet weten zoudt!”
„Ik weet heusch van niets.”
„Nu, dan zal ik het je vertellen. Je wordt vandaag of morgen ten
huwelijk.....”
„Prédier!”
„Ziedaar nu! Heb ik niet gezegd, dat ik niets nieuws kwam vertellen!
Nauwelijks rep ik van een huwelijksaanvraag of de candidaat wordt
genoemd. Ik wist wel dat hij de verwachte was.”
„De verwachte!” herhaalde ze met minachting, en het was hem als lag er
iets verwijtends in haar blik. „Ik begreep wel, dat, zoo ik door iemand
spoedig gevraagd zou worden, het door hem zou zijn.”
„En..... zal hij de gelukkige wezen?”
„Zeker.”
Met saamgeknepen lippen hief Bronkhorst het hoofd op en zag haar aan;
zij zag dat het hem hinderde en dat deed haar een innig genoegen; zij
had zijn trekken zien veranderen, en een sombere uitdrukking over zijn
gezicht zien komen. Met de voorarmen op de tafel leunend, keek ze hem
eenigszins spottend, maar toch erg lief in ’t gezicht.
„Dan heb ik u nog slechts te feliciteeren.”
„Mij? Waarom mij? Feliciteer den armen, akeligen Prédier, dien ik naar
zijn land in eenzaamheid terugstuur; ik kan hem, daarvan ben ik
overtuigd, niet wezenlijk gelukkiger maken; het tegendeel verbeeldt hij
zich maar.”
„Is dat nu ernst of scherts?”
„Het is ernst..... Een man als Prédier!..... Stel je zoo iets voor!”
Bronkhorst stond op en reikte haar de hand.
„Dus..... tot over een paar dagen.”
„Zeker! Au revoir!”
Hij vroeg zichzelven geen verklaring van het feit, dat, toen hij
heenging, ’t hem was of hij van een zwaren last was ontheven; hij dacht
in ’t geheel niet na, maar liep vlug naar huis, waar Marie in het zweet
haars aanschijns zijn goed had gepakt, terwijl een bediende nu bezig
was met kracht de riemen aan te halen van den overgevulden koffer.
„Komaan, is het al klaar?” vroeg hij opgeruimd.
„Ja; ik heb er twee paar sloffen ingedaan; een paar gewone voor het
baden, denk er nu om, anders zijn de andere dadelijk stuk. En van je
overhemden.....”
„Soedah!” riep hij met een afwerend gebaar. „Ik vertrouw je best; het
zal wel alles uitstekend in orde zijn.” Hij was immers volstrekt niet
in een stemming om over sloffen en overhemden te spreken! Hij was erg
verstrooid, vergat eerst zijn sigarenkoker, daarna zijn zakdoek en ten
slotte zijn vrouw.
„Nu, bonjour!” zei ze met bijzonderen nadruk, toen hij uit de
voorgalerij naar beneden wilde gaan, waar het rijtuig wachtte.
Snel en half verlegen keerde hij zich om en kuste haar.
Dienzelfden avond zat Prédier in zijn kamer in ’t hotel. Nog nooit had
hij het zóó warm gehad. Van een mondeling aanzoek had hij afgezien,
daar hij vreesde bij die gelegenheid een figuur te maken, dat niet in
zijn voordeel was. Schriftelijk zou hij het behandelen; hij vond, dat
het veel gemakkelijker was op het papier te zeggen, wat men meende of
dacht. Maar toen hij voor de eenigszins wankele ronde tafel zat, en
alreeds eenige velletjes postpapier had verscheurd, omdat de aanhef hem
niet beviel, werd ook dat gemak hem uiterst twijfelachtig. Hij had
reeds zijn kabaja uitgetrokken en naar het schutsel gesmeten, en zat nu
min of meer in badkostuum zich toe te wuiven met een kleinen papieren
waaier, dien hij bij ’n Chinees had gekocht voor ’n dubbeltje. Hij
wierp de schuld op de temperatuur. Als hij maar in ’t gebergte was, dan
zou het heel anders gaan, meende hij. Hier op zoo’n verwenschte
kustplaats met een voortdurenden thermometerstand van omstreeks 85
graden Fahrenheit, kon iemand zijn gedachten voor zulk een gewichtig
werk niet verzamelen. En hij had toch zoo gruwelijk het land aan dat
boek, dat hij voorzichtigheidshalve had meegenomen, en, bij het
afnemend daglicht, een oranjegeel langwerpig vierkant vlak op de
djatihouten tafel vormde, waarover dwars met groote zwarte letters „De
Nederlandsche briefsteller” gedrukt stond!
Onder het hardop voorlezen van den brief, knikten de dames Borne en
Bronkhorst herhaaldelijk goedkeurend met het hoofd. Dat was, vonden
zij, degelijke, gezonde taal; de vorm fatsoenlijk en net. En ze lett’en
er volstrekt niet op, dat de kapitein op zijn stoel verwonderlijke
grimassen zat te maken, tot ze verschrikt opzagen, toen hij, aan het
eind van het epistel, brullend van het lachen opstond en naar zijn
kamer liep.
Nu in ’t geheel niet meer wetend, wat dat alles beduidde, keken ze
elkaar een oogenblik verbluft aan.
„Ik wil er meer van weten,” riep Betsy. „Daar zit iets achter; ik moet
er het mijne van hebben.” En zij liep den kapitein na; zij vond hem in
zijn kamer nog gierend van het lachen.
„Wat is er oom? Toe zeg het nou?”
„Neen, Bets, houd je stil, kind.... Het gaat al over.... Zeggen, doe ik
niets..... Ik kan ’t me zoo levendig voorstellen, weet je?” En hij
lachte weer.
„Toe, oompje?” vleide ze, met haar arm om zijn hals. „Toe, zeg het mij,
ja? Ik moet het immers weten.”
Hij weigerde nog een oogenblik, maar kon het niet volhouden, en nam uit
zijn boekenkast een oranjegeel deel; keek even in den bladwijzer, sloeg
het daarna open en hield het haar voor:
„Hooggeachte vriendin!
„Daar de oogen.....”
Haar eigen oogen gingen wijd open en ze keek kapitein Borne aan met een
blik vol ontzetting. Ze rukte hem het boek uit de hand en vloog er mee
naar achter, onder het loopen roepend: „Zoo’n ellendeling, zoo’n
stommerik, zoo’n koerang adjar! Tante.... mevrouw Bronkhorst.... Zoo’n
vent schrijft me een brief uit een boek!”
En ze wierp het arme dikke deel op tafel, alsof al de bladen uit het
omslag moesten springen.
De eerste indruk der beide dames was mede die van verontwaardiging.
Doch spoedig lachte men hartelijk om het dwaze geval, en niemand dacht
er meer aan den man, die zich belachelijk had gemaakt, als
huwelijks-candidaat in bescherming te nemen. Maar tante Borne was
wantrouwend.
„Hoe wist jij zoo precies, dat het een brief was uit een boek?” vroeg
ze haar man.
„Och,” zei hij, „we hebben indertijd met datzelfde ding eens ’n
aardigheid gehad.”
„En we zullen er nog een aardigheid mee hebben,” verzekerde Betsy, die
haar schrijfgereedschap had gehaald, lachend, maar toch zenuwachtig, ’n
beetje heftig.
Het boek voor haar leggend, schreef ze:
Brievenboek van L. F. Geerling.
bladzijde 217.
232. Antwoord.
Geachte vriend,
Uw aanzoek, geachte vriend! is van zulk een gewicht, dat het mij
niet mogelijk is, daarop aanstonds een bepaald antwoord te geven.
Mijn eerste echtverbintenis heeft mij reden gegeven om met
omzichtigheid te handelen en mij voor een tweede overhaasting te
wachten. Vergun mij derhalve ZEVENTIG JAREN om mij te bedenken, te
raadplegen en mijn hart te onderzoeken.—Kom dan na verloop van
dezen korten tijd, en vereer mij weder met een bezoek: ik zal u dan
in persoon mijn gedachten mededeelen, en over onderscheiden punten,
die ik aan het papier niet toevertrouw, met u spreken.
Uw hoogachtende vriendin
Wed. Den Ekster.
Prédier kwam net van tafel in het hotel, toen een bediende hem het
antwoord op zijn brief overreikte. Veel had hij verwacht, maar dat
niet. Het was verpletterend! Binnen vier en twintig uren zou hij de
risée wezen van het plaatsje! Zijn liefdegloed doofde bij die gedachte
aanmerkelijk, en dienzelfden avond nog vertrok hij.
„Zoo’n hatelijk schepsel,” dacht hij onder het rammelen der wielen over
de rolsteenen, „Bronkhorst had nog gelijk!”
Bij het heengaan van den notaris had Sarinah haar meesteres even
aangezien, en haar een stillen wenk gegeven. Toen ze beiden in de kamer
waren, vroeg Betsy:
„Wat is het, nèh?”
„Het zal gelukken.”
„Hoe weet je dat?”
„Ik heb het aan zijn gezicht gezien en aan zijn stem gehoord.”
„Wat zag je en hoorde je?”
„Wat noodig is. Ketjil zal mij niet bedriegen. Het helpt niet, zegt
hij, als er niet een beetje lust is bij den man, en veel verlangen bij
de vrouw. Maar als die er zijn dan helpt het. Ik heb ze allebei gezien
en gehoord.”
„Maar hoever gaat het, nèh? Je begrijpt toch wel, oudje, dat ik mijn
geld niet kan weggooien. Er is nog iemand, die me trouwen wil, en die
vrij is. Als ik dezen nu afwijs, en ik kan hem toch niet krijgen!”
„De nonna zal hem kunnen trouwen. Hij zal naar haar toe worden
gedreven; hij zal alles doen om haar te krijgen; hij zal zich niet
storen aan de menschen; hij zal als het moet alles geven; hij zal zijn
kinderen verwaarloozen en zijn vrouw verstooten en van haar scheiden,
alles, alles..... alles!”
De oude sprak met een profetische begeestering, die Betsy deed
huiveren.
„Maar, dàt,” vervolgde Sarinah, „behoef ik de nonna wel niet te zeggen:
niets vóór den tijd, NIETS!”
Zij schudde het hoofd. Neen, dàt wist zij waarlijk ook wel! Maar welk
een ontzaglijke bron van soesah! Welk een veld vol hindernissen! Een
oogenblik dacht ze aan terugkeeren, maar zij wierp dat idée spoedig vèr
weg. Geen lafhartigheid! Zij had a gezegd, ze zou ook b zeggen.
„Hij is uit,” zei ze.
„Ik weet het wel; ik heb immers gehoord, dat hij voor een paar dagen op
reis moet,” antwoordde Sarinah. „Het is niets. Wij kunnen wachten.”
„Wachten..... ja!.... Ik had anders maar graag, dat het wat gauw ging.”
„Niet haasten! Langzaam is goed; wat haast deugt niet.”
De oude ging al pratende en steunende naar de toilettafel, nam er den
bedaq-pot af en wierp den inhoud op een stuk papier, dat ze eerst op
den grond had uitgestreken.
„Wat doe je, nèh?” vroeg Betsy zich van den domme houdend. Ze wist wel
wat dàt beduidde; zóóveel had ze er vroeger wel van gehoord.
„Niets,” antwoordde Sarinah met haar schorren lach. „Ik doe niets,” en
intusschen haalde zij uit haar trommel een grooteren pot en stortte een
deel daarvan in dien van haar nonna over.
„Dat hoort er bij, hè?”
„Ja. Er is veel dat er bij hoort; men moet toch beginnen.”
„Het stinkt immers niet? Laat me eens ruiken!”
„Ruik het,” zei Sarinah, haar ’t potje overreikend.
Betsy bekeek het glimlachend en met groote nieuwsgierigheid. Er was
niets bijzonders aan te zien. Misschien was de nieuwe bedaq iets minder
wit dan haar eigene, en zeker was het, dat er een andere geur aan was,
een eigenaardige zoete bloesemgeur, die niet bijzonder treft, maar
welke men zich toch weer dadelijk herinnert, als men hem eens heeft
geroken; doch stinken deed de bedaq niet.
„Deze moet bepaald worden gebruikt,” zeide de oude eenigszins ongerust.
„Nonna moet nu niets veranderen en niets vergeten. Men moet het goed
willen en goed doen.”
„Wees niet bang, nèh! Ik vind het erg aardig en ook wel ’n beetje gek,
zie je. Maar ik zal doen, wat jij zegt, al is het nog honderdmaal
gekker.”
Ontevreden schudde Sarinah het hoofd.
„Er is niets geks aan.”
„Neen, wees nu maar niet knorrig. Ik vond het enkel maar raar, dat die
bedaq.....”
„Het hoort er bij,” herhaalde de meid stijfhoofdig, „anders zeg ik
niets: het hoort er bij.”
„Goed, goed! Zeg nu maar gauw. Is er nog iets?”
„Is er nog iets!—is er nog iets?” herhaalde de oude, nu bepaald boos.
„Als het zoo gaat, moet er maar niets van komen. Het is geen werk voor
kinderen, die maar willen lachen; die bij elk klein gedeelte, dat er
bij hoort, vragen: is het dit, of is het dàt, of: is er nog iets? Op
die wijze gaat het niet.”
„Nu, oudje, wees niet boos, ja? Zóó meende ik het niet. Ik bedoelde
enkel of je nu nog wat voor me hebt.”
Mopperend en als met tegenzin dook Sarinah weer in haar groote
vierkante trommel, groen geverfd met breede, roode randen, waarin zij
haar schatten, geheimen en prullen bewaarde. Zij haalde er een fleschje
uit, een dier dikke stukken glas met een inhoudsruimte als een
pijpesteeltje, waarin oliën voor geneesmiddelen en reukwerken worden
bewaard en verkocht.—Voor zij ’t haar gaf, keek de meid eerst haar
meesteres nog eens aan om te zien of zij er nog den gek mee stak, maar
het gezicht van Betsy stond zeer ernstig, en zij bekeek het fleschje
met belangstelling. Zij begreep volkomen wat ook dit moest beteekenen,
maar zij had onwillekeurig tot regel genomen om zich zoo onnoozel te
houden als mogelijk was.
„Wat is het, nèh?”
„Minjaq bermanis,” antwoordde de oude, tegelijk met haar wijsvingers
over de wenkbrauwen strijkend als gebruiksaanwijzing.
„Zoo! Ik zal het dadelijk eens doen.”
„Dat behoeft niet, want meneer is er niet, en hij komt vandaag toch
niet terug, zelfs morgen niet. Het is zeer goede en bijzondere.”
„Is er dan verschil in?”
„Ik weet het niet. Ik geloof het wel. Er is verschil tusschen alle
menschen en alle dingen. Deze minjaq is de goede; zij is klaar gemaakt
naar een Padangsch voorschrift. Er is geen andere goede, dan die.”
Betsy luisterde er nauwelijks naar. Zij had ’t fleschje geopend en den
inhoud met den top van een harer vingers in aanraking gebracht. Nu
stond zij voor den spiegel en streek de uiterst geringe hoeveelheid
olie over haar zwarte wenkbrauwen: zij wilde eens zien of het iets
uitwerkte op het gezicht, en ze neigde het hoofd nu eens links, dan
weer rechts, zoete mondjes trekkend en lief kijkend tegen haarzelf,
zooals dames gewoon zijn te doen, als ze toilet maken voor den spiegel.
Doch zij zag niet anders, dan wat ze van haarzelf en de uitdrukking van
haar gezicht gewoon was te zien. Dit stelde haar teleur. Wat kon hij er
aan zien, als zijzelve niets zag?
„Het hoort er bij,” zeide Sarinah opnieuw. „Het een met het ander.”
„Zeker, zeker,” stemde Betsy haastig toe. „Ik zal het nu maar
bewaren..... Misschien heb je nog meer.”
„Ik heb niets, maar er komt nog heel veel te doen als meneer maar eerst
terug is.”
’t Gebeurde spoediger, dan hijzelf had verondersteld. Het was doodstil
in het huis der Borne’s: de doodsche stilte die in het binnenland van
Java heerscht tusschen het derde en vierde uur na middernacht, als al
wat leeft, schijnt te slapen. Plotseling sloeg de groote hond luid aan;
het duurde maar een oogenblik; iemand sprak tegen hem, en het beest
hield zich stil. Betsy was dadelijk wakker en zat overeind in bed te
luisteren, terwijl een rilling van ongemotiveerde nachtvrees haar langs
den rug liep, en toen er luid op de achterdeur werd geklopt, wat juist
een geruststellend teeken was, schrikte zij nog harder, zoodat haar
hart bonsde.
„Mevrouw! mevrouw Borne!” hoorde zij roepen; ze herkende dadelijk de
stem van Marie en sprong haar bed uit. In de binnengalerij kwam zij
door de duisternis in botsing met haar tante, wat beiden zenuwachtig
deed lachen.
„Neem me niet kwalijk,” zei mevrouw Bronkhorst, „dat ik u uit den slaap
haal, maar kleine Jean is zoo naar.”
„Wat heeft hij?” vroeg mevrouw Borne.
„Hij was den heelen dag reeds koortsig, en toen hij van avond slapen
ging, erg warm. Nu een uur geleden is hij gloeiend heet wakker
geworden, en het wil maar niet bedaren. Ik maak me altijd zoo ongerust
over ziekte, als Bronkhorst niet thuis is.”
Dadelijk waren de dames klaar, en een paar minuten later zaten ze in de
slaapkamer bij kleinen Jean, die in een erge koorts lag. Hier was de
hulpvaardige mevrouw Borne op haar terrein; met de haar eigen drukte en
beweging, nam zij eenige onbeduidende maatregelen tot verlaging der
temperatuur van het kind, maar was toch verstandig genoeg onverwijld om
den jongen vreemden geneesheer te zenden, die Den Ekster op zulk een
onuitsprekelijke manier aan zijn eind had zien komen.
Marie was ’t hoofd geheel kwijt. Altijd rustig, schoon ijverig en
voortvarend, in haar gewone doen, maakte dit ziektegeval haar
zenuwachtig en opgewonden. Zij hield ook zooveel van kleinen Jean, en
Bronkhorst was van huis, en het was nacht, en..... en..... ze wist zelf
niet hoe het kwam, maar ze was geheel overstuur. Zooveel besefte zij
alleen, dat het heel gelukkig was zulke voortreffelijke buren als de
Borne’s te hebben. Overigens liep ze onrustig van de eene kamer in de
andere, nu eens het brandend hoofdje voelend van het kind, dan weer
iets willende halen uit een kast, zonder dat ze, als ze er voor stond,
zich meer herinnerde, wat het geweest was. Intusschen sloeg de radde
tong van mevrouw Borne den rammelslag, geruststellend verhalend van
geweldiger koortsen, waarvan uiterst zwakke kinderen hersteld waren, of
van de nog heviger aanvallen, die sterke kinderen in een ommezien naar
het graf hadden geholpen; van de koortsen, die ze zelf had gehad, en
haar man, en haar kinderen, neefjes, nichtjes, vrienden en bekenden.
Betsy hoorde en zag alles zwijgend aan; de eenigszins opgetrokken
wenkbrauwen gaven haar gezicht een uitdrukking van verwondering. Zij
was nu zoo kalm als ’t maar kon! Inderdaad liet het ziektegeval haar
volkomen onverschillig.
Wat kon het haar schelen of kleine Jean stierf? Zij had, getrouwd
zijnde, graag kinderen gehad, omdat er dit volgens de gangbare ideeën
bij behoorde; maar zij hield niet van kinderen, volstrekt niet!
Als ze die van haar tante of van Marie liefkoosde, deed zij dat ten
genoege van de ouders. Daarom ook ging ze bij het bedje zitten van
kleinen Jean, nam zijn hoofdje op haar arm, en lei ’t kompres met koud
water aan, dat mevrouw Borne inderhaast had gemaakt.
De dokter liet het kind baden in lauw water, en daar het nog te jong
was om zich tot het slikken van onaangenaamheden te leenen, werd het
met opgeloste quinine ingewreven. Of het door de werking van een en
ander was, dan wel door de vermoeienis van het sollen dat met hem was
gedaan, en waartegen hij zich met alle kracht en geweld had
verzet,—kleine Jean viel in een looden slaap in den arm van Betsy, die
hem toedekte met een kinderlaken en de anderen wenkte stil te zijn en
heen te gaan, waarop Marie naar haar toekwam, fluisterend vragend:
„Slaapt-ie?”
„Ja, hij slaapt en hij is minder warm,” fluisterde Betsy terug. „Ga nu
zelf nog ’n beetje rusten, anders ben je morgen zoo moe.”
Marie moest nog eerst even met haar hand voelen of kleine Jean
werkelijk minder warm was; tante Borne moest het ook voelen; intusschen
spraken ze er over, en gingen niet heen vóórdat ze ’t kind bijna hadden
doen ontwaken. Tante keerde naar haar huis terug; Marie ging in de
kamer bij de andere kinderen, waarvan er een was ontwaakt, dat
luidkeels om maatje riep, zich ditmaal niet tevreden stellend met de
baboe, wier gezelschap het in alle andere omstandigheden steeds
prefereerde. Het werd ook hier stil in huis; ’t was pas halfvijf; de
maan in haar laatste kwartier tuurde nog door de kieren van de
opengetrokken stores, daar buiten met haar wit schemerlicht alle
kleurenverschil opheffend, om alleen het wit en zwart toe te laten in
zachter en scherper schakeeringen; het lampje in den blauwen ballon,
die aan de zoldering hing, brandde flauw en liet in het vertrek een
vreemden fantastischen gloed vallen, waardoor het fraai Europeesch
meubilair als met ’n geheimzinnige Oostersche deftigheid werd
overtogen. Betsy zat zoo onbeweeglijk stil als de helft van ’t bloed,
dat haar door de aderen vloeide, het haar veroorloofde.
Tusschen haar halfgesloten oogleden, dwaalde haar blik door de kamer,
en ofschoon ze genoeg had geslapen dien nacht, deed toch die vreemde
gloed haar indommelen, tot het geluid, dat den aanbrekenden dag
vergezelt, haar ’n kwartiertje later de oogen deed openen. Zacht liet
ze het hoofdje van haar arm glijden; kleine Jean bleef slapen: hij was
niet warm meer en zijn gezichtje, eerst zoo rood, was wit als de
kussensloop.